Het voorbije joodse dordrecht

De Dordtse doden in Westerbork en
hoe slager I.H. Meijer eigenlijk stierf

Izaak Herman Meijer en Sara Meijer Braadbaart

Slager Izaäk Herman Meijer en zijn vrouw Sara Meijer-Braadbaart.
Foto's Privébezit en Herinneringscentrum Kamp Westerbork

Frans Meijer (1952) heeft zijn grootvader, de in Dordrecht wonende slager Izaäk Herman Meijer, nooit gekend. Toch weet hij ‘alles’ van hem, tenminste alles van zijn dood, op 28 januari 1943, op 66-jarige leeftijd, in het beruchte doorgangskamp Westerbork. Over het leven dat Izaäk daarvoor leefde, heeft hij bitter weinig kunnen terugvinden, snippers slechts, op hoofdlijnen.
         Dat kleinzoon Frans zoveel details kent van het overlijden van zijn grootvader, komt doordat het uitzonderlijk goed gedocumenteerd is. Frans’ eigen vader, de Zwijndrechtse apotheker drs. Herman Izaäk Meijer, zat ook gevangen in Westerbork en schreef een uitgebreide brief over de dood van zijn vader, een brief die bewaard is gebleven en zeventig jaar later opdook uit een kistje.
         Daarnaast is er nog een andere brief, ook nog intact, die eveneens het sterven van I.H. Meijer beschrijft. Deze is afkomstig van de Dordtse kleermaker Meijer de Liver, al evenzeer een kampgevangene. Hij hield een wake bij zijn stervende plaatsgenoot en meldde dat aan zijn dochter Sophia Snieder-de Liver, in een brief op 29 januari 1943. Zo, aan de hand van deze papieren getuigenissen, kwam Frans Meijer iets te weten over de laatste uren van zijn grootvader.
         Dit verhaal gaat eigenlijk over de Dordtse joden die, op weg naar de vernietigingskampen in oostelijker Europa, al het leven lieten in Westerbork. Zes waren dat er, ze zijn vrijwel allen begraven in Assen, op de joodse begraafplaats. Hun namen, hun woonadressen, en nog zo wat persoonsgegevens staan in een apart kader, aan het slot. De gevreesde dinsdagtreinen naar de gaskamers bleven hen bespaard, maar beter af waren ze allerminst: ze stierven desondanks.
         Eén van hen was Izaäk Herman Meijer. Omdat over hem, maar ook over een ander kleinkind van hem, de “wereldberoemde” Leo, ongewoon veel documentatie beschikbaar is, worden zij er hier uitgelicht, Leo in een apart kader.
         Woordvoerder is in beide gevallen ir. Frans Meijer, de gepensioneerde directeur van de centrale bibliotheek in Rotterdam. Hij heeft zijn bestaan aan puur geluk te danken: doordat zijn vader H.I., de apotheker, niet alleen Westerbork, maar ook Theresienstadt en Auschwitz overleefde – als enige joodse Zwijndrechtenaar trouwens.


Sara met zusjes

Een jeugdfoto van Sara Braadbaart (vooraan links), gemaakt door de Dordtse fotograaf Van der Aa, samen met haar zes jongere zusjes: Bets, Anna, Roos, Lien (Carolina), Jeanette en Henriette. De oudste drie dochters trouwden allen met een Meijer en zijn alledrie in de oorlog omgekomen. Roos en Sien zijn op een onbekend ogenblik overleden. Jeanette overleed toen ze twaalf jaar oud was. Henriette, de jongste, leefde van 1888 tot 1978. Zij is degene in de kinderwagen.
Foto Collectie Joods Historisch Museum


Vleeschhouwer

pand op de hoek van de Cornelis van Beverenstraat met de Adriaan van Bleijenburgstraat

Het pand op de hoek van de Cornelis van Beverenstraat met de Adriaan van Bleijenburgstraat, waarin Meijer zijn slagersbedrijf had en waarin hij woonde.
Foto Redactie Website.

Terug in de tijd: Izaäk Herman Meijer, op 29 mei 1876 in Zwijndrecht geboren, trouwde op 5 december 1906 met de Dordtse Sara Braadbaart. Zij, zelf geboren op 10 april 1881, is telg van een omvangrijk geslacht. Dordrecht kende indertijd vele Braadbaarts en misschien is het aardig, beduidt Frans Meijer, om over deze familie dit merkwaardige detail prijs te geven: na Izaäk en Sara raakten de families Meijer en Braadbaart nog inniger vervlochten. Uiteindelijk zouden namelijk drie zussen Braadbaart (Sara, Betje en Johanna) trouwen met drie broers Meijer (Izaäk Herman, Salomo Herman en Samuel Herman) in respectievelijk 1906, 1910 en 1927.
         Izaäk, die als opvallende eigenschap had dat hij scheel keek, bekwaamde zich tot slager en grossier in vlees, vee en vet. Volgens de Dordtse gezinskaarten verliet hij al op 23 december 1899, nog ongetrouwd, zijn woonplaats om zich aan de overkant van de Oude Maas te vestigen, in de Cornelis van Beverenstraat 16 rood. Dit is een wijk met herenhuizen, gelegen in de 19de -eeuwse schil rond de binnenstad.
         Twee jaar later ging Izaäk alweer terug naar Zwijndrecht, op 18 mei 1901. Om zich weer vijf later, op 13 november 1906, kort voor zijn huwelijk, opnieuw in hetzelfde Dordtse huis te vestigen.Tientallen jaren bleef hij hierna wonen in de Cornelis van Beverenstraat, in het hoekpand dat nog altijd bestaat, op het hedendaagse nummer 30-32.

Alle kinderen Meijer

De vier kinderen van Izaäk en Sara, v.l.n.r.
Esther Kaatje (Stella), Betty, Herman en Eva Esther, in ongeveer 1925.
Fotro Privébezit

Vier kinderen kregen Sara (bijgenaamd Sera) en hij, achtereenvolgens: Herman Izaäk (22 februari 1908), Eva Esther (18 juni 1911), Esther Kaatje (Stella, 8 september 1912) en Betty Rozette (27 april 1918).
         Vader Izaäk genoot in joods Dordrecht meer bekendheid dan alleen als slager. Hij was ook bestuurder van de Nederlands-Israëlitische Gemeente Dordrecht, lid van de kerkenraad dus.
         In 1934, volgens een advertentie in de Dordrechtsche Courant van 31 maart, sloot Izaäk zijn loopbaan als slager af, 58 jaar oud nu. Hij droeg zijn vleeschhouwerij over aan de heer N. van Velsen, die de zaak voortzette onder de naam N. van Velsen v.h. I.H. Meijer. Zijn grossierderij liet Meijer voortbestaan, en hij verhuisde, eerst naar de Oranjelaan 63 (nu: 97), later naar de Bankastraat 70 rood (nu: 56), ) en vanaf 2 februari 1940 naar de Reeweg 92.

Nel en Leo

Deze foto acht Frans Meijer "spectaculair", omdat daarop zijn latere moeder Nel staat, met op haar arm Leo, toen het zoontje van haar baas, de apotheker. Later zou zij met deze H.I. Meijer trouwen.
Foto Privébezit

Veerplein
Zijn zoon Herman was intussen in Groningen afgestudeerd als apotheker en had een tegengestelde beweging als zijn vader gemaakt: hij trok van Dordrecht naar Zwijndrecht. Daar, op het Veerplein opende hij in 1932 een apotheek. Hij ging er boven wonen, samen met zijn echtgenote, de Groningse Charlotta Rozeboom (6 juli 1904). “Zijn vader had hem dit aangeraden”, weet Frans Meijer. “Die zei: ‘Er komen daar woningen boven een gloednieuwe winkelgalerij, waarin nog geen apotheek is opgenomen. Ga er heen.’”
         Drie jaar later, op 25 juli 1935, werd het eerste en enige kind geboren: Leo, een joch dat buiten zijn wil, en triest genoeg, “wereldberoemd” zou worden, zoals zijn halfbroer Frans Meijer het omschrijft.
         Twee van de drie andere kinderen Meijer trouwden pas in en na de oorlog. Eva Esther, kind nummer twee, huwde op 25 september 1940 met Abraham Weissmann, een Nederlander van oorsprong, die evenwel ook een Brits paspoort had. Op weg naar de VS bleef de familie Weissmann begin vorige eeuw in Engeland hangen, in Grimsby, en daar werd baby Abraham geboren op 25 februari 1902. Betty Rozetta, kind nummer vier, trad na de oorlog, op 18 september 1946 in het huwelijk met de boekhouder Harry Duizend. Samen kregen zij vier kinderen: Jaap (1947), Herman (1949), Lotty (1951) en Robert (1959).
         Esther Kaatje, bijgenaamd Stella, bleef ongehuwd en wachtte een onverdraaglijk lot.

Lijst
De oorlog nadert, de normale orde wordt ondersteboven gegooid. De Duitsers storten hun jodenhaat frenetiek uit over Nederland. Izaäk Herman Meijer, de slager, wordt tegelijk met de andere sjoelbestuursleden van de synagoge gearresteerd. Volgens Frans Meijer waren “waardevolle eigendommen tevoren al ondergebracht bij verschillende kennissen”. Maar zoals het boek ‘De Verdwenen Mediene Dordrecht (1995) vermeldt, komt tijdens een huiszoeking bij één van de bestuursleden echter “een adreslijst van betrokkenen aan het licht, wat leidt tot arrestaties in en buiten joodse kring”.
         In de Dordtse politiedagrapporten staat met boekhoudkundige precisie genoteerd wie op welk tijdstip en “op verzoek van de Sicherheitspolizei” in bewaring zijn gesteld. Izaäk komt voor in het journaal van woensdag 4 november 1942, om 17 uur. Een van zijn mede-gearresteerden in Meijer de Liver.
         Meijer wordt overgebracht naar Rotterdam, naar het Haagsche Veer, de Duitse gevangenis. Enkele weken zou hij hier blijven, om daarna naar Westerbork te worden vervoerd. In Rotterdam was volgens Frans Meijer hem “alles al afgenomen”, vooral zijn geld. Dit zou hem in Westerbork fors opbreken. Sara Meijer, zijn vrouw, was ook opgepakt, maar net als vele andere joden, naar Amsterdam gebracht, de verzamelplaats van de nazi’s. Zij woonde er achter theater Carré op de Nieuwe Prinsengracht, de zogeheten Joodsche Wijk.
         In diezelfde tijd, begin november 1942, werden ook de joden in Zwijndrecht van huis gehaald. Herman Izaäk, de apotheker, belandde met zijn vrouw Lot en zijn zoontje Leo eveneens in Amsterdam, in de Hollandse Schouwburg, de centrale deportatieplaats van Nederland.

Voorraad
Volgens Frans Meijer heeft Herman, zijn latere vader, in afwachting van transport naar Westerbork daar, in Amsterdam, zich gemeld om in het Drentse kamp de apotheek op te zetten. Dat is hem toegestaan en toen het hem er lukte de medicijnvoorraad op orde te krijgen, verwierf hij zich gaandeweg “een bijzondere positie”: hij en zijn gezinsleden werden gesperrt, ze hoefden niet met de gevreesde dinsdagtrein mee.
         Belangrijker nog: Herman mocht geregeld het kamp verlaten, om medicijnen te bestellen en op te halen. Dat gaf hem de gelegenheid om spullen te smokkelen, zoals briefjes en tekeningen van zijn zoon Leo. “Zo is hij ook wel in Dordrecht geweest, en in Amsterdam”, zegt Frans Meijer.
         Van november 1942 tot september 1944 heeft Herman Meijer met zijn gezin in Westerbork kunnen blijven, arbeidend als apotheker.
         In het kamp bevonden zich nog twee familieleden: Herman’s zus Esther Kaatje (‘Stella’) en zijn zwager Abraham (‘Aby’) Weissmann. Frans Meijer heeft niet kunnen achterhalen waarom diens vrouw Eva (‘Eef’) en piepjonge zoontje Ino Izaak Ferdinand (Rotterdam, 23 februari 1942) er niet bij waren. Ze zaten in ieder geval nog in Rotterdam, hun woonplaats. Begin 1943 is Aby vanwege zijn Britse paspoort geruild tegen Duitse krijgsgevangenen, en zo wist hij via via Engeland te bereiken.
         Na de gevangenenruil kwamen Eef en de 1-jarige Ino niettemin alsnog in Westerbork terecht, op 31 maart. En daar stierf het kind enkele weken later in het kampziekenhuis, aan dysenterie. Herman Meijer heeft er een uitvoerige brief over geschreven, vanuit Westerbork, op donderdag 29 april 1943, aan zijn moeder Sara en zijn zus Betty. Die brief is bewaard gebleven.
         Eef en Stella bevonden zich bij Herman “thuis” in Kamp Westerbork. Ino was “flink ziek”, maar de hoofdzuster ontkende dat er gevaar dreigde. “Nauwelijks had ze dat gezegd of een zuster kwam mij roepen”, schrijft Herman, “om direct naar het ziekenhuis te gaan, daar Ino’s toestand plotseling verergerd was. Helaas kwam ik even te laat. Ino lag heel rustig als sliep hij. Eef was erbij, alsook Lot.”
         Hij vervolgt: “Welke troost moeten wij Eef geven? Ik weet het niet. Mooie woorden helpen in dit geval weinig, zouden we ook niet kunnen uitbrengen. Haar jeugd is de enige troost die zij bezit en haar wil om weer met haar man verenigd te worden, houdt haar dan ook zoo flink. Ze is nog jong, haar leven ligt nog voor haar.”
         Eva Meijer wordt, via het Franse Vittel, inderdaad in Engeland herenigd met Aby Weissmann. Zij kan het kamp verlaten doordat ook zij over een dubbele nationaliteit beschikt. Eef en Aby krijgen twee kinderen, Sylvia Sara Aleida (1944) en Henriette Estella Betty (1946), die Wiseman zijn gaan heten, om in Engeland niet geconfronteerd te hoeven worden met een Duitse achternaam.
         Ino is vrijdag de 30ste april gecremeerd. De urn met zijn as is op de joodse begraafplaats in Diemen bijgezet. Alleen Herman Meijer was er bij, hij was er “trots op dat ik de enige was, die het kleine kereltje uit het kamp uitgeleide deed”.

Eieren
De dood van Ino was niet het enige sterfgeval in de familie. Enkele maanden ervoor was Herman’s vader Izaäk in Westerbork gestorven, op donderdag 28 januari 1943. Ook daarover heeft Herman Meijer rapport uitgebracht, in een brief twee dagen later. Maar bij die familiehistorisch belangwekkende brief [zie ook het kader hieronder] hoort een kanttekening.
         Herman schrijft zelf, aan zijn “lieve moeder en zusters” (Eef en Betty), dat vader op 21 november in Westerbork aankwam, vermoeid was en reeds enige dagen tevoren pijn had, “waarvoor men hem poeders had verstrekt”. Hij kreeg bronchitis en rond 10 december heftige diarree. Izaäk wordt opgenomen in de ziekenbarak 82, en vervolgens in barak 4, nadat zijn toestand verergerde. De doktoren concluderen dat dit geen gewone buikloop is, maar dat “er iets anders achter zat”.
         Enkele weken leven de Meijers in Westerbork in angst. De ene dag was de toestand iets beter, dan weer veel slechter. Izaäk weigerde iets tot zich te nemen, “ondanks het feit dat men hem trachtte te versterken met eieren, sinaasappelen, vleesch”. Zijn lichaam verzwakt, op zondag 17 januari komt “het begin van de ineenstorting”. Woensdag 27 januari dreigt er zelfs levensgevaar, en die nacht waakt Herman bij zijn vader. De volgende ochtend komen Lot en Aby erbij. Ook de jonge Leo komt zijn opa “nog even goedendag zeggen voordat hij naar Onze Lieve Heer” gaat.
         Donderdagmiddag om 15.50 uur slaapt Izaäk in het bijzijn van Herman, Lot en Aby rustig in. “Zijn sterven was schoon, zoo mooi dat wij 3-en gelukkig waren dat hij uit zijn lijden was.” Dan richt Herman zich speciaal tot zijn moeder, Izaak’s vrouw. “Hij heeft vaak naar u geroepen, moeder, in zijn stervensnacht. Steeds maar weer “Sera, Sera”.”
         Tijdens die stervensnacht was Meijer de Liver aanwezig. Vanaf woensdagavond 19 uur tot aan de dood heeft hij “onafgebroken praktisch zonder eten en drinken” gewaakt bij Izaäk Meijer. “Hr. de Liver”, vindt Herman, “is een zeer nobel mensch.” De Liver schreef hier, op 29 januari, over in een bedroefde brief aan zijn dochter Sophia. De brief wordt genoemd in het boek ‘De verdwenen Mediene van Dordrecht’, maar is niet meer terug te vinden in het Dordtse archief.
         Aanmerkelijk minder nobel acht Herman Meijer neef Saam. Die kwam “precies drie uur na zijn dood om vaders winterjas vragen. De fijngevoelige familie. Ook om zijn horloge is al een klant geweest, Kaatje Monasch. Laat ze maar in hun bekrompen ideeën”, sneert Herman.


Uitsnede brief.

Een uitsnede van de brief die Herman Meijer uit Westerbork schreef aan zijn moeder en zusters. De brief werd in 2013 teruggevonden in een kistje op zolder.
Foto Redactie Website

Mishandeld
Wat Herman Meijer zijn moeder Sara in de brief bespaart, is de werkelijke gang van zaken rond het overlijden van Izaäk. Hij bood haar “bemoedigende en troostrijke woorden”, maar verzwijgt de ellende die aan het sterven voorafging. Dat vindt althans Leo Meijer, de broer van Frans. Deze Leo hoorde rond 1990 van zijn vader dat zich rond Izaäk ook nog iets anders heeft afgespeeld, en noteert dat in een handgeschreven commentaar bij de brief.
         Het blijkt dat Izaäk bij aankomst in Westerbork is mishandeld. Hij had geen stuiver op zak, maar de heren van het ‘ontvangstcomité’ (van de “Lippmann-Rosenthal-roofbank”) wensten dat niet te geloven. “Izaäk werd tegen een muur gezet en een middag met slagen en trappen met laarzen bewerkt. Na deze mishandeling is hij naar het ziekenhuis afgevoerd, lichamelijk en geestelijk een gebroken man. ‘Sera, Sera’, de naam van zijn vrouw schreeuwend, is hij enkele dagen later bezweken.”
         Leo Meijer vindt het “begrijpelijk” dat zijn vader deze nare feiten zijn moeder heeft willen onthouden, maar wil ze nu niet meer verdoezelen.
         Izaäk Herman Meijer is op maandag 1 februari begraven op de joodse begraafplaats in Assen. Volgens Frans Meijer gebeurde dat “bij uitzondering”. “Er zijn niet zoveel mensen in Westerbork overleden.” Lot, Aby, Leo en Herman mochten erbij zijn. “Wij brengen hem van hier naar zijn laatste rustplaats in Assen, zonoodig gaan wij erheen lopen”, kondigde Herman tevoren aan.
         Het stormde die dag. De boerenkar waarop de kist stond, belandde daardoor onderweg in een greppel. Als gevolg daarvan viel het stoffelijk overschot van Izaäk er af, en duurde het ook langer voordat iedereen op de begraafplaats was.
         Zijn moeder Sara ontbrak. Herman had het haar verboden om te komen. Hij achtte het risico te groot dat zij vervolgens in Westerbork zou worden vastgehouden. Aanwezig waren wel Betty Meijer, de jongste dochter, en Nel Stam, de niet-joodse apothekersassistente van Herman Meijer, een vrouw met wie hij gedurende de oorlog contact hield. Betty was op dat moment ondergedoken en droeg daarom geen ster. “In de trein naar Assen heeft ze gauw de ster op haar jas zitten naaien”, aldus Frans Meijer.
         Het overlijdensbericht van I.H. Meijer was het laatste Dordtse bericht in het Joodsche Weekblad.

Transport
Vrijgesteld mocht hij dan zijn, dit vrijwaarde Herman Meijer niet volledig van de nazi-wreedheden. Uiteindelijk werden ook hij zijn vrouw en Leo weggevoerd, naar Theresienstadt, met het één na laatste transport (nummer 101) uit Westerbork, op 4 september 1944. Het kamp werd feitelijk al ontruimd; de Duitsers waren al aan de verliezende hand. Het gezin had trouwens, volgens Frans Meijer, nog ‘geluk’: één dag eerder ging er nog een transport rechtstreeks naar Auschwitz.
         In Theresienstadt werden de Meijers een maand later alsnog naar Auschwitz vervoerd, waar Lot en Leo direct zijn vergast. Herman wist zich op het nippertje te redden, door zich op het perron voor te doen als Feinmechaniker. Hij werd daarop als dwangarbeider in de oorlogsindustrie tewerkgesteld, totdat de Russen hem bevrijdden.
         Andere familieleden ondergingen hetzelfde als Lot en Leo. Moeder Sara is in Amsterdam alsnog opgepakt. Zij eindigde via dezelfde route (Westerbork, Bergen-Belsen, Theresienstadt, Auschwitz) in de gaskamers, op 11 oktober 1944. Esther Kaatje, haar dochter, werd ook vermoord in Auschwitz, op 17 september 1943 al. De andere drie kinderen Meijer hebben, samenvattend, betrekkelijk ongeschonden het einde van de oorlog weten te halen.
         En die nobele Meijer de Liver: ook hij werd naar Auschwitz gestuurd en er vermoord op 26 februari 1943.
         Na de bevrijding had Herman Meijer “grote moeite” om zijn eigen apotheek terug te krijgen. Maar hij slaagde erin de zaak te hervatten. Op 4 december 1946 hertrouwde hij, met zijn assistente Nel Stam (Dordrecht, 1913). Uit dit tweede huwelijk kwamen drie kinderen voort: Leo (1948, genoemd naar de eerste Leo), Hilde (1950) en Frans (1952), de verteller van dit familieverhaal.

Frans Meijer

Frans Meijer, de verteller van het verhaal.
Foto Redactie Website

Overleden
Inmiddels zijn zeven decennia verstreken.
         Vader Herman is overleden op 2 april 1995. Zijn zoon Frans noemt hem een “intelligente, serieuze man, die heel precies was, en spraakzaam – behalve over de oorlog.” Zijn tante Eef is ook heengegaan, op 24 januari 2001 in Scheveningen; zij ligt begraven in Rotterdam. Haar man Aby stierf al in 1955, 53 jaar nog pas, op 4 juli, in de gezinswoning aan de Stadhoudersweg 121A in Rotterdam. Zijn andere tante, Betty Rozetta, overleed op 23 december 2005, haar graf bevindt zich in Muiderberg.
         Zijn moeder Nel Stam leeft nog immer. Zij is thans 101 jaar oud, en wordt verzorgd in een Zwijndrechts verpleeghuis. Frans Meijer bezoekt zijn moeder wekelijks, zoals hij heel af en toe het graf opzoekt van zijn grootvader, in Assen – die man van wiens leven hij bijna niets weet.

De wereldberoemde Leo

Herman en Leo

Nog een foto van Leo, nu met zijn vader, de Zwijndrechtse apotheker Herman Izaäk Meijer.
Foto Privébezit

         Aan Leo Meijer, het kind dat twee jaar in Kamp Westerbork verbleef, is in 2013 een kinderboek gewijd, dat hem in de woorden van Frans Meijer wereldberoemd heeft gemaakt. Hoe kon dit boek tot stand komen?
         Leo zag net voor vertrek naar Westerbork kans zijn tekenspullen mee te nemen. In het kamp maakte hij tekeningen en briefjes, die zijn vader, al medicijnen verzamelend, mee naar buiten smokkelde. De kinderboekenschrijfster Martine Letterie heeft over het joodse jongetje Leo een aangrijpend boek geschreven, grotendeels gebaseerd op ware feiten, deels aangevuld met fictie. Frans Meijer: “Zij heeft zo goed mogelijk en zo veel mogelijk gebruik gemaakt van echt gebeurde gegevens slechts hier en daar is er iets veranderd. Dichter bij de waarheid kun je niet komen.”
         Het boek, geschreven in opdracht van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork, is bovenal bedoeld voor kinderen die nog te jong zijn voor ‘Anne Frank’. De titel ervan is Groeten van Leo, een kind in Kamp Westerbork (128 pagina’s, uitgeverij Leopold BV). In het Herinneringscentrum zelf zijn de originele tekeningen van Leo te zien, meerdere foto’s en enkele briefjes van hem, zoals aan Nel, die hij immers kende uit de zaak van zijn vader.

Foto
Frans Meijer bezit overigens een “spectaculaire” foto van deze Nel en Leo. De foto is op de stoep van de apotheek aan het Veerplein gemaakt en toont Nel met Leo, het kind van haar baas, op de arm. Meijer hecht zoveel betekenis aan deze opname, omdat hierop uitgerekend zijn latere moeder staat afgebeeld, uit het tweede huwelijk van Herman Meijer, terwijl zij een kind draagt uit het eerste huwelijk van haar man, de fameuze Leo.
         Het was op de avond voor de presentatie van het boek ‘Groeten van Leo’, dat een neef van Frans Meijer – Jaap Duizend, de zoon van Betty – zijn opmerkelijke vondst deed.
         Na het overlijden van zijn moeder eind 2005 bewaarde Jaap Duizend op zolder een kistje met brieven, oude foto’s en andere persoonlijke zaken. Nog weer eens zoekend tussen deze spullen herontdekte hij twee brieven die Frans Meijer de adem benamen: dit waren brieven, uiterst belangrijke documenten, die zijn vader Herman in Westerbork had geschreven. Zeventig jaar na de oorlog kon Frans Meijer eindelijk lezen wat er met opa Meijer en zijn neefje Ino was gebeurd.
         Het waren onaangename details, maar ze vulden een leemte.

Schoolklas met Leo

Op deze foto van een joodse-schoolklas in Dordrecht,
een foto die ook elders op deze website voorkomt, staat Leo Meijer
Hij is het jongetje in het midden, tussen twee meisjes met een strik in hun haar.
Foto RAD


Zes Dordtenaren overleden al in Westerbork

bord Westerbork

Elke dinsdag vertrokken een trein met afgeladen wagons
van Westerbork naar het vernietigingskamp Auschwitz.
foto Herinneringscentrum Kamp Westerbork

Kamp Westerbork was het voorportaal van de vernietigingskampen, van de dood. Gebouwd in 1939 als Centraal Vluchtelingenkamp werden van hieruit van 15 juli 1942 tot en met 13 september 1944 107.000 in Nederlandse wonende joden, 245 Sinti en Roma en enkele tientallen verzetsmensen gedeporteerd. Van hen overleefden slechts 5000 joden en 32 Sinti en Roma de Tweede Wereldoorlog.
         De gevangenen kwamen per trein en vertrokken per trein. Hun verblijfsduur verschilde van enkele uren tot jaren. Vanuit het kamp reed 93 keer, telkens op dinsdag, een trein, meestal naar Auschwitz, maar ook naar Sobibor, Theresienstadt en Bergen-Belsen. Op 12 april 1945, aldus de internet-encyclopedie Wikipedia, werd Westerbork, vlakbij Hooghalen gelegen op de Drentse heide, bevrijd door de Canadezen; er bleken nog 876 joden vast te zitten.
         Zes in Dordrecht wonende joden overleden al in het kamp. De meesten zijn begraven op de joodse begraafplaats in Assen. Van enkelen is de urn bijgezet op de joodse begraafplaats in Diemen. Izaäk Herman Meijer, een van de zes, is in het voorgaande hoofdverhaal geschetst. De overigen worden hierna genoemd, met hun persoonsgegevens en andere zakelijke details.

Plattegrond Westerbork

Een plattegrond van Kamp Westerbork, waar Herman Izaäk Meijer
de apotheek opzette en zes Dordtenaren overleden voordat
zij konden worden gedeporteerd naar de concentratiekampen.
Foto Herinneringscentrum Kamp Westerbork

Stenen
In 1983 werd Westerbork geopend als herinneringscentrum. Op de voormalige appèlplaats staan sinds 1992 102.000 stenen, als blijvende herinnering aan, en als symbool voor de moord op vaders, moeders, zonen en dochters. Begin december 2014 waren ze allemaal gerestaureerd, een grensoverschrijdend project van zowel Nederlandse als Duitse vrijwilligers (langdurig werkzoekenden), dat startte in de zomer van 2012.
         In het gevreesde kamp is op 27 maart 1944 ook een baby geboren, Carry Ellen, een dochtertje van de in Dordrecht geboren Rozette Fogel-Allemans. Aan hen is een apart artikel gewijd op deze website, zie verhaal 31. Een andere Dordtse, Betje Lion-Monasch (11 november 1882) trouwde in Westerbork, op 28 december 1942, nog met de weduwnaar en beambte Isadore Lion. Betje kon de trouwakte zelf niet tekenen: zij was blind.
         Lang heeft hun huwelijksvreugde niet mogen duren. Achttien dagen later, op 14 januari 1943, werden beiden vermoord in Auschwitz.

De Dordtse overledenen van Westerbork zijn:

1. Magdalena Jacob, Dordrecht, 25-12-1940, Westerbork, 17-12-1942, dochter (kind van 2 jaar) van Fedor Jacob (1911-1945), die omkwam bij een bombardement in Den Haag op 3 maart 1945. Zijn echtgenote overleefde de oorlog. Laatste woonadres: Frans Lebretlaan 31 (13 nu), Dordrecht. Magdalena ligt begraven op de joodse begraafplaats in Assen, kindergrafnummer 19.

2. Adolf Goldschmidt, Lemförde (geboren 29 september 1851), gestorven in Westerbork, op 6 december 1942. Echtgenoot van Henriette Meijer. Emigreerde op 29 december 1938 als weduwnaar naar Dordrecht, waar zijn dochter Margaretha woonde, als echtgenote van Joseph van den Bergh en als moeder van Cato Ilse en Henriëtte Johanna. Adolf woonde bij het gezin in, op het adres Singel 135 (201). Begraven op joodse begraafplaats in Assen, grafnummer ZO 7-64.

3. Elisabeth Katan-Cohen, Dordrecht (geboren 7 maart 1877), overleden in Westerbork, op 9 oktober 1943, echtgenote van Israel Katan (1879-1942, Auschwitz). Laatste woonadres: Vest 116 (172), Dordrecht. De urn met as is bijgezet op de joodse begraafplaats in Diemen, veld U, rij 13, grafnummer 12.

4. Mozes van Dam, Dordrecht (geboren 11 januari 1847), gestorven in Westerbork, op 3 december 1942. Begraven op 8 december 1942 op de joodse begraafplaats in Assen, nadien herbegraven op de joodse begraafplaats in Rotterdam. Weduwnaar van Rosetta van Dam-van Praag. Laatste woonadres: Rotterdam, geen straatnaam bekend.

5. Flora Goudstikker-Hirschel, Dordrecht (geboren 27 augustus 1862), overleden in Westerbork, op 1 augustus 1943. Weduwe van Henri Goudstikker. Laatste woonadres: Waalstraat 72 I, Amsterdam. Flora Goudstikker is op 2 augustus 1943 gecremeerd. De urn met as is bijgezet op de joodse begraafplaats in Diemen, op veld U, rij 11, grafnummer 4.


Mozes van Dam met drie van zijn broers

Een van de zes Dordtenaren die in Westerbork overleden, Mozes van Dam (uiterst rechts),
met drie van zijn broers, v.l.n.r. Emmanuel, Hijman en Benjamin Wolf.
Foto Joods Monument



< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'