Het voorbije joodse dordrecht

Op straat vonden de Dordtse jodenjagers
er nog een: de jonge Hannelore Thal

Hannelore Thal

Hannelore Thal
Foto privécollectie van Anne Groenberg

Ze was pas elf toen ze hoopvol in Nederland aankwam, en nog pas vijftien toen ze in Dordrecht door voldaan grijnzende jodenjagers werd beetgepakt: Hannelore Thal.
        Hannelore was een Duits vluchtelingenkind. Haar ouders, de joodse Herman en Gertrud Thal, hadden haar eind jaren dertig naar Nederland gestuurd; daar zou ze veilig zijn voor de nazi’s. Maar de nationaal-socialisten wisten ook Nederland te veroveren, en zo werd Hannelore alsnog hun prooi.
        Geholpen door de beruchte jodenjagers van de Dordtse politie, Arie den Breejen en Harry Evers, vonden de Duitsers haar – op zaterdag 12 juni 1943, vlakbij de Adriaan van Bleijenburgstraat in Dordrecht, waar zij op nummer 40 ondergedoken zat. Vier weken later was ze dood, vernietigd in het Poolse kamp Sobibor. Haar jonge leven was nog niet eens tot wasdom gekomen.
        Wie was dit meisje? Hoe zag ze eruit? Wie waren haar Nederlandse pleegouders? Hoe kwam ze in Dordrecht terecht? Wat is er eigenlijk met haar eigen ouders gebeurd? Een poging tot reconstructie van een leven dat dankzij vlijtige Dordtse politieagenten in gas is gesmoord.

Hannelore Thal Hannelore Thal Hannelore Thal

Deze foto's van een nog zichtbaar onbezorgde, vrolijke en jonge Hannelore komen alle uit de privécollectie van Anne Groenberg.
De meeste zijn bij verschillende gelegenheden gemaakt, een jaartal is niet bekend.
Maar de foto's dateren in elk geval van voor haar onderduikperiode.

Litouwen
Van Königsberg, de stad waar Hannelore in vooroorlogse jaren met haar ouders woonde, bestonden er in het toenmalige Duitse Rijk twee. De ene ligt in Beieren, in het zuiden, de andere veel oostelijker, bij Litouwen. Welke was de woonplaats van de familie Thal?
         Achterhaald is, aan de hand van een ‘signalement’ van de politie in Zeist van februari 1939, dat het gezin indertijd in Königsberg woonde aan de Vorstädtische Langgasse 105. Dat gegeven bracht de oplossing. Johannes Mücke, werkzaam bij het Haupt- und Bauamt van het Beierse Königsberg, deelt desgevraagd mee dat zijn stad zo’n steeg niet kent.
        De familie Thal komt dus uit het Königsberg dat toentertijd deel uitmaakte van Oost-Pruisen. Tegenwoordig heet het Kaliningrad en vormt het een Russische exclave aan de Oostzee, omsloten door Polen en Litouwen.
        Het was in deze gemeente dat Hannelore’s moeder, Gertrud Hess, op 11 juli 1903 is geboren. Haar vader Herman, geboren en opgegroeid in het midden-Poolse dorpje Lobdowo op 26 mei 1895, kwam er uiteindelijk ook te wonen, zij het niet direct na zijn huwelijk met Gertrud. Want Hannelore, hun enige kind, kwam ter wereld in Dortmund, op 4 december 1927.

Helga Gronowski schreef dit versje in het poesiealbum van Hannelore

Helga Gronowski schreef dit versje in het poesiealbum van Hannelore, op 13 juli 1939. Hannelore verbleef toen nog in een Israëlitisch weeshuis in Den Dolder.
Foto Collectie-Groenberg

België
Eind jaren dertig sloegen Herman en Gertrud op de vlucht. De nazi’s heersten intimiderend in Duitsland, joden werden grimmig opgejaagd en achtervolgd als Untermenschen. Het echtpaar trok naar België, want daar kwamen ze geregistreerd te staan: eerst in Hotel Lido aan de Statiestraat 36 in Antwerpen, later in diezelfde stad aan de Zeevaartstraat 18. De persoonskaart die de gemeente Zeist van Hannelore ging aanleggen, bewijst dit.
        Of Hannelore vanuit Antwerpen Nederland bereikte, of al vanuit Duitsland, is niet vast te stellen. De persoonskaart – opgediept door de stichting Dokin, die informatie verzamelt en openbaar maakt over Duitse oorlogskinderen in Nederland – meldt slechts dat Hannelore op 28 december 1938 vanuit Amsterdam naar Den Dolder is gereisd. Daar verbleef zij ruim een half jaar, tot 28 juli 1939, in het vakantieweeshuis van het CIW aan de Baarnscheweg 58.
        Elf was ze nog pas, en al losgesneden van haar ouders. Maar ze was in Den Dolder niet volledig alleen. In haar poësiealbum schreven twee vriendinnetjes, Helga en Ingrid Gronowski, op 13 juli 1939, Zum Andenken ieder een afscheidsversje, evenals Helga Rothschild. Ze dichtten in het Duits; zij waren vermoedelijk evenzeer vluchtelingenkinderen.

pleegouders van Hannelore, vader Isko, moeder Antje, een vriendinnetje, Hélène en Anneke

Op deze (na-oorlogse) foto zijn de pleegouders van Hannelore te zien,
vader Isko (rechts achter) en moeder Antje. Vóór hen zitten Hélène (midden)
en Anneke (rechts), links vooraan een vriendinnetje.
Foto Collectie-Groenberg

Elbe
Na het verblijf in Den Dolder werd Hannelore opgenomen in het gezin van Isko en Antje Groenberg, in het nabijgelegen Zuilen. Maar waarom special daar?
        Een sprong voorwaarts in de tijd: Anne Groenberg is een na-oorlogs kind, van Isko en Antje, immers geboren op 22 december 1946. Zij heeft Hannelore niet gekend. Maar uit schaarse familierelazen heeft ze een indruk van Hannelore kunnen opbouwen. In dit verhaal fungeert Anne, die in Dordrecht woont, dan ook als woordvoerster.
        “Ik denk”, verklaart zij de komst van Hannelore, “dat mijn ouders zich beschikbaar hebben gesteld als pleeggezin. Toen zij hoorden, heb ik wel eens begrepen, dat in Duitsland joodse kinderen de Elbe in werden gedreven, besloten ze zo’n kind op te vangen. Meer uit betrokkenheid en solidariteit dan uit burgerplicht.”
        Het gezin Groenberg omvatte eind jaren dertig nog pas twee kinderen: Hans Simon (1935) en Klaartje Johanna (1938). Vader Groenberg (Utrecht, 24 april 1907) was drogist en naderhand ook fotohandelaar; moeder Antje Groen (Utrecht, 18 juli 1911) apothekers-assistente. Het joodse gezin woonde aan de Sweder van Zuilenweg 14 in Zuilen, nu een Utrechtse wijk, destijds een zelfstandige gemeente.
        De gemeente Zeist noteerde Hannelore’s kenmerken: bruine ogen, donkerbruin haar, “bijna zwart”, lengte 1,52 meter. Een kind dus nog.

Vogelvrij
Onbedreigd en onbekommerd was het bestaan van Hannelore in Zuilen. Ze ging er gewoon naar school. Anne Groenberg heeft het getuigschrift dat ze er kreeg, overhandigd aan het Joods Historisch Museum.
         Alles veranderde ingrijpend in 1942. De Groenbergen achtten het verstandiger onder te duiken; ook in Nederland waren de joden nu vogelvrij.
        Het gezin viel volledig uiteen, met opzet. Vader Isko probeerde via Spanje naar Engeland te komen, om zich bij de Nederlandse krijgsmacht aan te sluiten. Hij vertrok met zijn vriend Chaim Natkiel, een principieel lid van de socialistische, antifascistische beweging, die zich later zou ontpoppen tot een volhardend joods verzetsman. In Frankrijk, in Marseille, werden Isko en Chaim evenwel door de Duitsers gearresteerd en gevangengezet.
         Natkiel zat acht maanden vast in vier gevangenissen en twee kampen. Maar het valse persoonsbewijs dat hij had meegenomen, werd niet ontmaskerd, en in 1943 volgde vrijlating. Hij vond, teruggekeerd in Nederland, onderdak in het Friese St. Jacobsparochie en begon daar met zijn verzetswerk. Isko Groenberg heeft ook in een Franse gevangenis gezeten. Zijn dochter Anne heeft ooit het dagboek gekopieerd dat hij over die periode met potlood heeft geschreven, maar heeft niet meteen paraat waar en hoe lang hij gevangen heeft gezeten. Het zijn honderden velletjes.
        “Hij heeft in elk geval verzwegen dat hij joods is”, weet ze wel, “hij loog daarover. Gelukkig hebben ze hem niet lichamelijk onderzocht, anders hadden ze wel gezien dat hij besneden was. En met dat fantasieverhaal is het hem blijkbaar gelukt vrij te komen.” Groenberg bereikte Nederland weer, en sloot zich daar in 1943 aan bij zijn vrouw.

onderduikhuis van Hannelore

Links op de foto het onderduikhuis van Hannelore:
A. van Bleijenburgstraat 40 (nu: 50).

Locaties
Antje Groenberg, ook wel Ans genoemd, bevond zich op dat moment in Dordrecht, op de Singel 43 (nu: 59). Op dat adres woonden de ongetrouwde zusters Detlijn, Johanna Hendrika (Anna) en onderwijzeres Christina (Stien). Hun zus Margaretha (Gre) was eerder overleden.
         Enkele honderden meters verder was, vanaf maart 1943, Hannelore ondergebracht, in de A. van Bleijenburgstraat 40 (nu: 50). Hoofdbewoner van dit pand was indertijd Izaäk (Jacques) Vijlbrief (1904-1977), een in Utrecht geboren leraar geschiedenis die nadien rector van het gemeentelijk lyceum zou worden.
         De kinderen Groenberg waren ook weer op andere locaties verstopt: Klaartje in Vlaardingen, Hans in Middelharnis.
         Volgens Anne Groenberg is het Cornelis van der Matten geweest die de Dordtse onderduikadressen heeft geregeld. “Oom Kees, zoals wij hem noemden, was lid van de verzetsgroep van Trouw in Dordrecht; hij hielp joden onderduiken.” Van der Matten (1912-1988) is voor zijn verzetswerk onderscheiden met de Yad Vashem.
         Alle gezinsleden Groenberg hebben heelhuids de bevrijding weten te halen op de onderduikadressen die ze toegewezen hadden gekregen. Behalve Hannelore.
         Zij is op zaterdag 12 juni gesnapt door de fanatieke jodenjagers van de Dordtse politie, Evers en Den Breejen – op straat. Den Breejen en Evers vertelden na de oorlog hoe dit gebeurde, in getuigenverklaringen die werden afgenomen voor strafzaken tegen hen. Zij en de twee begeleidende Feldgendarmen zagen tijdens hun rooftocht door de stad die dag een meisje “hard weglopen”. Het vluchtte een pand aan de Singel binnen. De vier agenten liepen achter haar aan. De bewoonster riep het meisje, dat te voorschijn kwam en daarna “bekende een Duits jodinnetje te zijn”, aldus een dossier (invoeringsnmmers CABR 71321 + 748 I-VI) in het Nationaal Archief.
         Het was Hannelore Thal, wonend vlakbij, in de Adriaan van Bleijenburgstraat, bij meneer Vijlbrief.
        “En hoewel ze misschien wist waar verder in Dordt ook nog familie zat, heeft ze niemand verraden”, zegt Anne Groenberg. Op 9 juli 1943 overleed Hannelore in Sobibor “aan de gevolgen van gasverstikking”, zoals het Rode Kruis noteerde in de overlijdensverklaring.

envelop liet het Rode Kruis

Met een verklaring in deze envelop liet het Rode Kruis
de pleegouders van Hannelore in 1948 weten
dat zij is overleden, in Sobibor.

Trauma
Nadat de oorlog was geëindigd, begon het wanhopige speuren naar vermiste familieleden, kennissen, buren en stadgenoten. Wie was toch in vredesnaam waar gebleven?
         In het gezin Groenberg, dat terugkeerde naar Zuilen, kwamen in de eerste naoorlogse jaren er drie nieuwe kinderen bij: Anne (officieel geheten: Johanna Christina Margaretha, naar de behulpzame dames Detlijn) in 1946, Christiaan Robert in 1949 en Marion Hélène in 1951.
         Over het lot van hun pleegzusje Hannelore bleef lang volstrekte onzekerheid bestaan. Pas in december 1948 ontving de familie van het Rode Kruis de overlijdensverklaring van Hannelore; haar trieste einde was nu bekend. Maar de ouders zwegen daar over.
         “Bij ons werd nooit gepraat over de oorlog”, vertelt Anne, “door niemand. Niet over de familie, niet over Hannelore. Voor mij is dat een trauma geweest. Ik wist niets. Op 4 mei huilde mijn moeder altijd, maar ik durfde haar niet te vragen waarom. Door dat verkrampte was je als kind ook bang dat het weer kon gebeuren, die oorlog.”
         Pas na het overlijden van haar vader – in De Meern in 1985; haar moeder stierf al in 1979 – is Anne Groenberg, die sinds 1966 in Dordrecht woont, op zoek gegaan naar familiegegevens. Toen deed ze de onthutsende ontdekking dat aan haar vaders zijde, de geslachten Groenberg en Joosten, vijfenzeventig directe familieleden waren vermoord. “Mijn vader had nagenoeg geen familie meer, op een paar achternichten na. Ik kwam erachter dat ik dus een grote familie heb gehad.”

Nog een foto uit het poesiealbum van Hannelore, met een gedicht van Ruth Nussbaum uit maart 1942. Ruth was ook een Duits vluchtelingenkind, afkomstig uit Emden. Zij werd in 1939 als pleegkund opgenomen door Andries en Mietje Creveld uit Utrecht, die zelf een dochter hadden, Betje.
Het hele gezin is inclusief Ruth in de oorlog omgebracht, vader Andries ergens in Midden-Europa op 31 augustus 1943, de overigen in Auschwitz, op 8 oktober 1942.

Een halfjaar nadat Ruth het versje schreef, was zij dus al dood.

Informatieverzoek
Gaandeweg vond ze in nagelaten bezittingen ook foto’s van Hannelore, een poësiealbum, dat getuigschrift, en ook dat informatieverzoek van Gertrud Thal, Hannelore’s moeder. Dit document is ongedateerd, zodat niet zeker is of het tijdens of na de oorlog is ingediend bij het Rode Kruis. Maar Gertrud – die nog steeds in België woonde, zij het nu in Brussel aan 7 Rue Vanderdussen – vraagt in elk geval waar haar dochter toch is. Ze weet alleen dat Hannelore “ab März 1943 versteckt (is) in Dordrecht bei einer Familie Studienassessor. Name und Adresse unbekannt”.
         Of Gertrud antwoord heeft gekregen, is evenmin vast te stellen. Voor Anne Groenberg, die alle aangetroffen documenten op de website Joods Monument.nl heeft laten plaatsen, stokte de speurtocht sowieso bij dit informatieverzoek. “Ik weet gewoon niet meer dan dit, en dat vind ik jammer.”
         Miriam Keesing, oprichtster van de stichting Dokin, heeft echter aanvullende gegevens gevonden, die Anne Groenberg verrassen. Zonneklaar blijkt dat Hannelore’s moeder de oorlog heeft overleefd. Op 5 november 1972 heeft ze namelijk bij het holocaust-onderzoekscentrum Yad Vashem een Page of Testimony ingevuld, een formulier waarmee om informatie over holocaustslachtoffers wordt verzocht.
         Op dit formulier heeft zij nadere gegevens over zichzelf en haar man verstrekt. Zo schrijft Gertrud dat Herman Thal gedeporteerd is (vanuit België waarschijnlijk) naar St.-Cyprien in Frankrijk. In dit Zuid-Franse kamp zijn inderdaad zo’n 7500 joden geïnterneerd geweest, onder wie duizend Reichsdeutsche (Duitsers, Oostenrijkers, Sudeten) uit België. Het kamp is gesloten op 30 oktober 1940, omdat er rond die dag ernstige overstromingen waren. De gevangenen zijn toen naar andere kampen geëvacueerd.
         Gertrud noteerde dat haar echtgenoot in Auschwitz is vermoord. Maar zijn naam komt niet voor in het gedetailleerde en grondige Gedenkbuch van het Bundesarchiv met alle persoonsgegevens van vermoorde Duitse holocaustslachtoffers. Het blijft hierdoor een raadsel hoe het Herman Thal is vergaan. Zijn vrouw heeft op z’n minst aangenomen dat hij in Auschwitz is omgebracht. Zij schrijft ook dat Hannelore in Auschwitz is vermoord, terwijl dat Sobibor moet zijn. De veronderstelling is gerechtvaardigd dat zij ’t eenvoudigweg allemaal niet zo precies wist.
         Onthullend voor Anne Groenberg is zeker dat Gertrud in 1972 haar adres op het formulier vermeldde: 680 B Bruce Street, Ridgefield, New Jersey. Hiermee komt onomstotelijk vast te staan dat Gertrud Thal is geëmigreerd naar de Verenigde Staten, en in die staat, die vlakbij New York ligt en grenst aan de Atlantische Oceaan, nog tientallen jaren een nieuw leven heeft kunnen leven. Zij is overleden op 1 januari 1986, op 82-jarige leeftijd.

informatieverzoek dat de moeder van Hannelore

Het informatieverzoek dat de moeder van Hannelore, Gertrud, vanuit Brussel indiende bij het Rode Kruis.

***

Ruth Nussbaum schreef ook een versje in het poësiealbum van Hannelore, op 26 maart 1942. Hannelore woonde toen nog in Zuilen; misschien was zij een klasgenootje van haar. De bijdrage van Ruth luidt:

Lieve Lore,

Leer op eigen benen staan.
Met eigen ogen gade slaan.
Met eigen oordeel overleggen.
En moedig eigen mening zeggen.

Misschien heeft Lore dat allemaal wel willen doen. Maar het was haar niet gegund.


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'