Het voorbije joodse dordrecht

Feyenoordfan en Auschwitzoverlevende Herman Menco werd in Dordts bejaardenhuis opgepakt

Herman Menco

Herman Menco ten tijde van zijn Rotterdamse en Dordtse onderduik.
Foto Familiebezit.

Herman Samuel Menco geniet in kringen van verstokte en geschiedenisminnende voetballiefhebbers enige eerbiedige faam.
         Hij geldt daar als de moedige, joodse jongen die tijdens de oorlog alleen voor de thuiswedstrijden van Feyenoord uit de onderduik tevoorschijn durfde te komen, om dan met geblondeerd haar en een pet op, anoniem onder te gaan in de massa die op weg was naar de Kuip. Menco, hoewel wonend in Amsterdam, is een groot Feyenoordfan gebleven, tot op de dag van zijn dood, op 24 december 2002.
         Voetbal International schreef bewonderend over hem, het tv-programma ‘Holland Sport’ wijdde met ontzag een item aan hem, en de journalist Harry van Wijnen bewees hem hulde in diens boek De Kuip (1989).
         Veel minder bekend is dat deze legendarische Feyenoorder na Rotterdam in Dordrecht onderdook. Daar werd hij bij toeval opgepakt. Hij kwam in de een na laatste trein te zitten, die van kamp Westerbork naar Auschwitz reed.

Levensverhaal
Menco’s onderduiktijd in Rotterdam en Dordrecht kan vrij gedetailleerd worden gereconstrueerd, dankzij een ongepubliceerd gebleven levensverhaal. Tijdens zijn laatste levensjaren liet hij die optekenen en uitwerken door Tamarah Benima, de journaliste, vertaalster en voormalige hoofdredactrice van het Nieuw Israëlitisch Weekblad (NIW). De bedoeling was dat deze autobiografie als een document humain uit te geven, een geschrift waarmee Menco probeerde zijn persoonlijke levensverhaal in een bredere context te plaatsen. Maar door zijn overlijden is dat er niet meer van gekomen.       

Herman Menco

Herman Menco bij zijn afscheid als president-commissaris van de Weekbladpers, in 1997. Naast hem zijn tweede vrouw, Dini Schweers.
Foto Familiebezit

         Dini Menco-Schweers (1941), de weduwe en tweede echtgenote van Herman Menco, stelde het manuscript evenwel ter beschikking, voor deze terugblik op Menco’s Dordtse periode.
         Herman Menco groeide op in Winterswijk, de Gelderse stad waarin hij op 17 september 1925 werd geboren. Hij bezocht er de hbs, die zich om de hoek bevond. “Door het hek van de tuin kon ik er komen.” Voltooien kon hij de school niet: joodse kinderen moesten naar een joodse school, in oktober 1941. Die was er niet, en de dichtstbijzijnde stond in Arnhem. Hij ging in plaats daarvan naar Den Haag, naar de familie Nihom, om daar eindexamen te kunnen doen. Maar hij bleef terugreizen naar Winterswijk, om er te werken bij een boer.
         Zijn vader Harri (1896) dook intussen onder in Rotterdam. In de grensstreek werden razzia’s uitgevoerd, met golven van arrestaties. Die mensen waren “binnen de kortste keren dood, want ze werden naar Mauthausen afgevoerd”. Zijn vader vertrouwde het er dus niet meer, en toog westwaarts.

Kippenhok
Nadat Herman Menco zijn eindexamen had gedaan, vond zijn vader het welletjes. Zijn zoon en zijn vrouw moesten nu ook maar naar Rotterdam komen. Zijn moeder gehoorzaamde; Herman bleef nog enkele weken achter bij een boer, waar hij zich verstopte in een kippenhok. Maar uiteindelijk vertrok ook hij, om in Rotterdam op een ander onderduikadres te komen.
         Vader en moeder verbleven bij de gereformeerde Bas de Bruin in Charlois, een gezin met vier kinderen, dat dagelijks “voor het eten uit de bijbel zong” en op zondag naar de kerk ging. Herman belandde bij Henk, een broer van Bas, twee kilometer verderop. Het was “een contrast van dag en nacht”: Henk, hoewel gereformeerd van huis uit, geloofde “niks” meer en was bovendien overtuigd socialist. Hij en zijn drie kinderen werkten allen bij de Rotterdamse Droogdok. Henk, door iedereen ‘pa’ genoemd, had er zich opgewerkt tot baas van een afdeling.
         Herman Menco werd in dit gezin “opgenomen als een eigen kind”. Ze hadden een groot, vrijstaand huis aan de Klaverstraat. Elke avond klonken er strijdliederen. “Er ging een volledig andere wereld voor me open. En natuurlijk ben ik beïnvloed door hun socialisme.” Herman verveelde zich er niet, hoewel hij zich niet op straat kon vertonen. Hij begon een boekhoudcursus, maar deed er niets aan. Gelukkig waren er altijd wel wat kranten, waarvan hij vlugschriften met nieuwsberichten maakte. En op zolder stond een tafelbiljart van behoorlijk formaat. “Ik liep uren om dat biljart, in mijn eentje.”
        

Herman Menco

Herman Menco

Dit is Huize Johanna aan de Groenmarkt, in de huidige, volledig opgeknapte staat. In dit voormalige tehuis voor gereformeerde ouden van dagen was Menco hulp.
Foto Redactie Website

Feyenoord
Altijd zat Herman Menco, 18 jaar inmiddels, dus binnen. Behalve op zondag. Dan mocht hij mee naar Feyenoord; dan waagde hij zich op straat. Hij hield van voetbal. Hij had in Winterswijk zelf gevoetbald; de sport deed enthousiasme in hem ontwaken. Net zo’n voetbalfan was “Pa De Bruin”, die een “goede amateur” was geweest bij Feyenoord. Ook zijn kinderen had hij weten te infecteren met liefde voor het voetbal.
         En zo gebeurde het, in het late najaar van 1942 en de winter van 1943, dat Herman Menco zich eens in de veertien dagen buiten de deur waagde. Hij had “mooi zwart haar” en zag en “dus typisch joods uit”. Dat haar werd veiligheidshalve geperoxideerd. Omgeven door de gezinsleden De Bruin liep hij vervolgens, met pet op, vanuit het wijkje bij de Maastunneluitgang de vier kilometer naar de Kuip. Het was een uurtje lopen. Onderweg voegde hij zich anoniem tussen de tienduizenden die optrokken naar het stadion.
         “Ik viel niet op. Alles liep door elkaar. Ik denk ook niet dat mensen op zondagmiddag gingen kijken wie er op straat liep.” De thuiswedstrijden vormden “een van de weinige ontspanningen” die hij had – dan zag hij daglicht, dan rook hij frisse lucht. De uitjes bepaalden ook zijn keuze: Herman Menco is zijn verdere leven lang, loyaal fan van Feyenoord gebleven.
         Decennia later zou hij er om worden geëerd. Historicus en schrijver Jan Oudenaarden citeerde in zijn boek ‘Hand in hand, kameraden’, dat in 2008 verscheen, een verhaal dat Harry van Wijnen eerder had geschreven over Herman Menco, in het boek De Kuip. Later dat jaar besprak presentator Matthijs van Nieuwkerk, in het tv-programma ‘Holland Sport’, die spaarzame momenten dat Menco, beschermd en veilig in de massa, zich door het Feyenoord-gevolg kon laten meevoeren. Van Nieuwkerk voegde Menco als ‘sportrelikwie’ toe aan het ‘Holland Sport Museum’.
         En in mei 2010 herinnerde Michel van Egmond in ‘Voetbal International’ aan die keren dat Menco dankzij Feyenoord het daglicht zag, en de wedstrijden hem troost boden.

Herman Menco

Frieda Brommet, de eerste echtgenote van Herman Menco, in de korte documentaire die Hasan Coskun over haar maakte in december 2009, zie: (link)

Ouden van dagen
Eind 1943 was het plots voorbij. Menco moest hals over kop het huis van De Bruin verlaten. Enkele officieren van de Wehrmacht vorderden het pand, waar nu alleen vader en moeder nog woonden. “Opdonderen, jullie. Jullie zijn maar met z’n tweeën.” De De Bruins konden natuurlijk niet zeggen dat ze nog een joodse jongen verstopt hielden, dat snapte Herman ook wel. Hij nam geëmotioneerd afscheid.
         Herman kwam in Dordrecht terecht, in een tehuis voor ouden van dagen der Gereformeerde Kerk. Dit tehuis werd geleid door een ‘vader’ en ‘moeder’ zonder kinderen, het echtpaar Hordijk. Er woonden zo’n 40 tot 50 bejaarden, die door een man of zes, zeven werden bijgestaan: onderduikers, allemaal niet-joden, op Herman Menco na. “Wij waren hulpen. Wij waren het personeel van het tehuis: mensen optillen, mensen de trap opdragen (er was geen lift) en dat soort dingen. Er werkte een joods meisje als verpleegster.”
         Menco omschrijft het tehuis als “een ontzettend groot, mooi huis met een tuin”, waarin het personeel tussen de middag voetbalde. Hoewel hij de naam zelf niet noemt in zijn levensbeschrijving, is dit onmiskenbaar Huize Johanna, gevestigd aan de Groenmarkt 15 (nu: 21). Wim Hordijk was er, volgens de woningkaart in het Dordtse archief, huisvader. Hij begon er op 22 oktober 1935 en bleef er tot 2 januari 1948, om daarna te verhuizen naar Driebergen. Het kolossale gebouw staat er nog steeds.
         Menco moest erg wennen aan de overgang van socialisme naar gereformeerd, maar slaagde erin zijn werk te doen. Tot juni 1944. Plotsklaps werd er ’s nachts een inval gedaan door politieagenten. “Het hele zwikkie werd opgepakt.” Niet de joodse verpleegster, want de politie was niet op zoek naar joden. Ze zochten mensen die zich onttrokken aan de Arbeitseinsatz, denkt Menco. De “oude Hordijk” moest ook mee, maar werd de volgende dag vrijgelaten. “Ze hebben het niet aangedurfd in Dordrecht om die man te arresteren. Zijn vrouw hebben ze ook niets gedaan.”
         Menco denkt dat hij min of meer bij toeval is opgepakt bij de politie-inval. “Kennelijk heeft iemand gezegd [tegen de politie]: ‘Je moet daar eens kijken, we vertrouwen het niet”, vertelde hij Tamara Benimah: “Er komt in zo’n tehuis bezoek en iedereen wist dat wij hulpen waren. We werden niet weggehouden. We zaten aan tafel en aten mee. Maar we hadden geen uniformen aan.” Misschien, veronderstelt hij, heeft een van de bezoekers die op zondag kwamen de politie aangeraden er eens te gaan kijken, zo van: “Gek, zoveel jongens, ik zie er elke keer één meer.”
                  

Herman Menco

Omslag van het boek dat Ad van Liempt schreef over Auschwitzoverlevende Frieda Brommet.
Foto Kamp Westerbork

Transporten
Herman Menco beschikte over een vals persoonsbewijs, op de naam van Hendrik Mentink. Maar de Sicherheitsdienst in Rotterdam prikte daar gauw doorheen; ze kenden zijn ouders, die via kamp Westerbork al naar Bergen-Belsen bleken te zijn doorgestuurd. Harri Menco kwam er om het leven op 18 februari 1945; zijn vrouw bleef in leven.
         Herman werd opgesloten in het Haagsche Veer, het hoofdbureau van politie in Rotterdam, gedurende enkele weken. Daarna brachten de Duitsers hem over naar Westerbork. De volgende dag vertrok hij naar Auschwitz, op wat een van de laatste transporten naar dit Poolse vernietigingskamp zou zijn. Normaal zijn de transporten op dinsdagen, de kampbewoners leefden dan ook van dinsdag op dinsdag. Nu gebeurde het op zondag, en ergens in die donkere, denderende wagons bevond zich ook ene Frieda Brommet, die, zonder dat zij dat beiden wisten, in 1951 met elkaar zouden trouwen.
         Herman Menco en Frieda Brommet (1925) hadden beiden geluk. Toen de trein stopte in Auschwitz-Friedenau en de uitgeputte gevangenen al op het perron in rijen werden gescheiden, kwamen zij in een ‘goede’ rij terecht. Zij gingen niet direct naar de gaskamers; zij moesten werken, hard werken.

Anne Frank
Frieda kreeg zware stenen te sjouwen, samen met haar eveneens ‘vrijgestelde moeder Rebecca, in regen en kou, levend op waterige koolsoep. Frieda verzwakt. Ze krijgt de ene na andere ernstige ziekte: roodvonk, diarree, tyfus, pleuritis. Ze wordt verplaatst naar de ziekenbarak, waar ook Margot en Anne zaten, de dochters van Edith Frank. Frieda kende Anne; ze speelden met elkaar in Amsterdam.
         Afgescheiden van hun kinderen, graven de moeders een gat onder de barak. Nu kunnen ze communiceren met hun zieke dochters en voedsel geven, stukjes uitgespaard brood. Frieda, nog maar 45 kilo wegend, zweeft op het randje van de dood, maar haar moeder doet alles om haar in leven te houden.
         Dat lukt wonderwel. Margot en Anne worden eind oktober 1944 naar Bergen-Belsen afgevoerd, waar zij in maart 1945 creperen. Edith sterft in januari 1945 in Auschwitz, door uitputting. Haar man Otto overleeft. Frieda en haar onvermoeibare moeder blijven achter in het kamp, dat de Duitsers, de naderende Russische troepen vrezend, proberen te ontruimen. Het kamp is  al snel verlaten, met hier en daar een levenloos lichaam.
         Frieda, veel te zwak om te vertrekken, is achtergebleven; haar moeder, “de moedige, alerte leeuwin”, blijft bij haar.
         Op 27 januari 1945, na negen dagen leven van een beetje kool en sneeuw, worden zij bevrijd, door Russen die op ski’s het kamp binnenkomen. Dat hun relaas over hoe zij de hel overleefden, hier kan worden naverteld, is een verdienste van Ad van Liempt, journalist en eindredacteur van het geschiedenisprogramma ‘Andere Tijden’, die in 2007 een boek over haar aangrijpende oorlogservaringen schreef: Frieda – verslag van een gelijmd leven. Op www.geschiedenis24.nl is een korte documentaire over Frieda Menco te bekijken.

Herman Menco

Herman Menco (tweede van rechts, tussen twee meisjes in) op een foto, gemaakt voor de oorlog. De foto toont de leden van de joodse jeugdvereniging 'Chazak Emoena' ('Sterk en Vertrouwen'). De foto staat op een website die is gewijd aan joodse inwoners van Winterswijk, zie http://www.werkgroeplvdo.com/whzag/
Foto Redactie Website

Nummer
Ook Herman Menco weet in Auschwitz aan de wisse dood te ontsnappen. Bij de ‘selectie’, die al op het perron plaatsheeft, wordt hij in een andere rij geplaatst en lopend naar Birkenau gestuurd, vijf kilometer verderop. Het was 7 september, twee dagen en nachten had hij vanuit Westerbork met honderd anderen in een goederenwagon gereisd. Hij was bekaf. In Birkenau kreeg hij zijn nummer in de arm getatoeëerd (B 9225) en moest hij “onnut werk” verrichten: fietsen verslepen, een barak schrobben, zand scheppen, een weg aanleggen.
         Een steentje kwam tussen zijn vierde en vijfde teen terecht, een wond ontstond, hij kon niet meer lopen. In een ziekenbarak werd hij vanaf 9 oktober verzorgd. De staf registreerde meticuleus zijn ziekteverloop, ook de schommelingen in de koorts en de vorderingen van zijn wond, terwijl elders in Auschwitz dagelijks tientallen mensen werden afgemaakt. Menco heeft die krankzinnige, medische documentatie bewaard.
         Met Kerstmis, buiten de kamppoort bij min 20 graden een wagon lossend met 250 vaten chloorkalk, valt een zo’n vat op zijn andere voet. Hij heeft “ontzettende pijn”, en strompelt terug naar de poort, als een dikke SS’er hem achterop de fiets meeneemt en hem buiten het zicht van de kampwachten aflevert.
         Het gevreesde Russische leger naderde, het kamp raakte stuurloos. Iedereen moest op transport. Menco, die ook nog koorts had opgelopen en “zo ziek als een hond” was, weigerde dat. Hij ontdeed zijn bovenbed van stro en verstopte zich in de kuil van het matras. Zo haalde hij het, zo konden de Russen hem bevrijden.
         In 1951 huwt Herman Menco Frieda Bromet, de vrouw die Auschwitz, in werkelijkheid een conglomeraat van tientallen kampen, met hem deelde. Samen krijgen ze twee kinderen, Harry in 1954, Joël in 1956. Hun gemeenschappelijk kampverleden bindt hen niet, integendeel. Het echtpaar groeit uit elkaar en scheidt in 1976.
         Ad van Liempt schrijft over de breuk: “Het ligt voor de hand dat het gemeenschappelijke Auschwitz-verleden een hechte band tussen Frieda en Herman tot gevolg had, maar Frieda ontkent dat. Herman is een introverte man, die ongetwijfeld getekend door de gruwelijke ervaringen niet over die periode kon of wilde praten. Later zal die afstand die daardoor tussen beiden ontstaat een steeds grotere belemmering in hun relatie vormen.”
         In 1978 hertrouwt Herman Menco met Dini Schweers.

Lintjes
Frieda Brommet is zich na de scheiding volop blijven manifesteren. Volgens Van Liempt was zij “rusteloos actief” voor de liberale joodse gemeenschap in Nederland, klom ze op de barricaden voor emancipatie en tegen discriminatie, en hield ze inspirerende lezingen in binnen- en buitenland. Voor al die inzet kreeg zij in 1991 een koninklijke onderscheiding. “Het lintje kwam op de plek van de jodenster”, signaleert Van Liempt passend.
         Herman Menco kwam diezelfde eer toe. Vier dagen voor zijn overlijden in december 2002 ontving hij een lintje – voor zijn belangeloze en onverflauwde  inzet voor de joodse gemeenschap. Tientallen jaren was hij bestuurder van de Liberale Joodse Gemeente in Amsterdam, Maccabi, de Collectieve Actie Israel, het Joods Maatschappelijk Werk, voor Cefina, de Alex Meijer Stichting, en trad hij op als adviseur op van Keren Hajesod in Israel, de Kamer van Koophandel Nederland-Israel en Kunst en Samenleving.
         In zijn beroepsleven wierp Herman Menco zijn net al even wijd uit. Een grove schets: direct na de oorlog ging hij in Rotterdam economie studeren, een opleiding die, zo heeft Dini Schweers eens vernomen, “helend was voor het verwerken van zijn oorlogservaringen”. Zijn eerste betrekking volgde, tien jaar bij De Bijenkorf. Hij werd hierna zelfstandig economisch adviseur, maar keerde toch terug naar directiefuncties in het bedrijfsleven, of bij zijn eigen bedrijf, een groothandel in voedingstoffen.
         Intussen maakte hij zich maatschappelijk dienstbaar. Enkele voorbeelden illustreren dat: van 1979 tot 1977 was hij president-commissaris van de Weekbladpers, commissaris van het Centraal Boekhuis, gedurende twintig jaar één dag per week universitair hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam ,vakgroep Marketing, gecommitteerde in het hbo en ten slotte: visiting professor aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam.
         Toen Herman Menco bij aankomst in Auschwitz zijn nummer in zijn arm kreeg getatoeëerd, wist hij intuïtief dat dit voor altijd was. Zoals hij in zijn levensbeschrijving vertelt: “Het gaat er nooit meer uit. Voortaan ben je dat nummer.” Maar hij heeft die voorspelling weten te loochenen. Hij groeide uit tot een gezien en gerespecteerd Nederlander, die bij zijn dood een uitgebreide necrologie kreeg in het NIW.

Hij werd meer dan zijn nummer.


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'