Het voorbije joodse dordrecht

Meijer Michiel Cohen mocht Westerbork verlaten, omdat hij nodig was op zijn Dordtse metaalbedrijf

Meijer Michel Cohen

Joseph Cohen en zijn echtgenote Bruintje van Geuns, de ouders van
Meijer Michel Cohen. (De foto's bij dit verhaal zijn afkomstig van
dochter Betsy Smoli-Cohen. Zij stond ze af aan de genealogische website
van mevrouw Van Blokland, en op haar beurt heeft mevrouw Van Blokland
ze beschikbaar gesteld aan de redactie van deze website.)
Foto Familiebezit

Op miraculeuze wijze zijn de Dordtse metaalhandelaar Meijer Michiel Cohen en zijn gezin ontsnapt aan de machinerie van de Holocaust.
         Ze zaten allemaal reeds in kamp Westerbork, voor velen het voorportaal van de dood. Vanuit dit beruchte doorgangskamp gingen joden immers doorgaans rechtstreeks per goederentrein naar hun eindbestemming: de gaskamers.
         Maar om een alledaagse, en voor hem fortuinlijke reden wist vader Cohen aan dit lot te ontkomen: hij werd op zijn bedrijf node gemist. Hij was directeur van een metaalhandel op de Staart in Dordrecht, vlak naast de Prins Hendrikbrug. De Beauftragte, de Duitse overheidsvertegenwoordiger die in de gaten hield of Cohen zijn ijzerwaren wel naar Duitsland verhandelde, kon zonder Cohen niets uitrichten. De firma liep zonder directeur helemaal spaak.
         Hij verzocht zijn meerderen om Meijer Michiel Cohen terstond weer vrij te laten, zodat het bedrijf, dat immers Kriegswichtig was, kon doordraaien.
         Zulks gebeurde. Meijer Michiel Cohen kreeg het zelfs voor elkaar dat óók zijn gezinsleden Westerbork mochten verlaten. En zo kwamen De Cohens zonder kleerscheuren de oorlog door. Een nerveuze Duitser was, in feite, hun redding geweest.
         Dat deze buitengewone, krasse geschiedenis hier kan worden beschreven, is te danken aan een Dordtenaar op leeftijd, ing. Gerrit Wildeman (1928). Hij hoorde indertijd van wijlen zijn buurvrouw van het wonderbaarlijke voorval. Zijn vertelling is er een uit de tweede hand, maar een bewijsbare: de familie Cohen is opgepakt geweest, en is teruggekeerd uit Westerbork.

Meijer Michel Cohen

Meijer Michel Cohen zelf, samen met zijn tweelingzus Cornelia Jacoba, op het terrein van het metaalbedrijf bij de Prins Hendrikbrug.
Foto Familiebezit

Tweeling
De voorgeschiedenis, in het kort: Meijer Michiel Cohen is de enige zoon van Joseph Cohen (Dordrecht, 19 juni 1873) en Bruintje van Geuns (Groningen, 5 september 1864). Dit echtpaar trouwde op 15 november 1896 in Groningen, een jaar later werd hun eerste kind geboren: Rozetta (31 augustus 1897) in Dordrecht, hun woonplaats. Nog een jaar later verscheen dochter Johanna, en in 1900, op 30 augustus, raakte het gezin compleet met de geboorte van een tweeling: Meijer Michiel en Cornelia Jacoba.
         Hoewel vader Joseph onder andere als militair en als operazanger had gewerkt, bepaalde hij zich in Dordrecht tot de metaalhandel. Op de Staart, aan de Maasstraat 27, stichtte hij zijn bedrijf, waarin hij gaandeweg ook zijn zoon Meijer Michiel betrok. De uiteindelijke firmanaam getuigt ervan: Metaalhandel Jos Cohen & Zoon. Nadat zijn vader op 20 maart 1930 overleed, nam Meijer Michiel het bedrijf volledig over. Zijn zussen zwermden uit. Rozetta bijvoorbeeld werd dienstbode in Leiden.
         Enkele dagen voor zijn vaders verscheiden, trouwde Meijer Michiel, op 5 maart 1930, in Amsterdam met Gesina Keesje, afkomstig uit Velsen en geboren op 1 april 1906. Het echtpaar vestigde zich in Dordrecht. Hun eerste adres was op de Blekersdijk, nummer 10 rood (nu: 14). Exact een jaar na hun trouwdag, op 5 maart 1931, komt het eerste kind ter wereld: Bruintje Suzanna, die Betty wordt genoemd. Vier jaar later volgt het tweede en laatste kind, op 10 maart 1935: Joseph Jacob (Jos). Een jaar eerder is de oma gestorven naar wie Betty is genoemd, de Groningse Bruintje, op 21 december 1933, 69 jaar oud.
         Het gezin verhuist, het betrekt een royalere woning aan de Toulonselaan 7 (nu ook nog: 7), die tevens fungeert als het kantoor van de ijzerhandel.
         Zo was de situatie toen de oorlog uitbrak, die hel van verderf waarin bovenal joden zouden worden gestort.

Meijer Michel Cohen

Michel en zijn vrouw Gesina Keesje, op een vooroorlogse foto.
Foto Familiebezit

Razzia
De eerste tijd slaagt Meijer Michiel er nog in om zijn metaalhandel voort te zetten. Later in de oorlog, toen joden steeds wurgender beperkingen kregen opgelegd, kwam er een Duitse controleur op zijn bedrijf, die er scherp op lette dat alle metalen exclusief voor de Duitse oorlogsvoering beschikbaar kwamen, een Beauftragte.
          In huize Cohen voltrekt zich aanvankelijk slechts een kleine wijziging. Jacob Keesje, de vader van Gesina, stierf in de vroege bezettingsdagen, op 14 mei1940, in zijn woonplaats Amsterdam. Dit leidde ertoe dat Gesina’s moeder, Susanna Keesje-Philip (Middelharnis, 23 december 1874), als weduwe ging inwonen bij haar dochter en schoonzoon, op 4 juli 1940.
         Dan nadert die traumatische dag, dinsdag 10 november 1942. Joden hebben inmiddels geen enkele vrijheid meer; ze worden tijdens razzia’s opgepakt, bijeengedreven en weggevoerd. De familie Cohen bevindt zich niet meer op het eigen woonadres aan de Toulonselaan, maar is ondergedoken, met inbegrip van oma Susanna, op de Reeweg-Oost 195 (nu: 233). Dat is enkele honderden meters verder, om de hoek.
         Hoe de Cohens daar terecht zijn gekomen, is niet (meer) te verklaren. Feit is dat in dit nog altijd bestaande, vrij bescheiden huisje de familie Kleinkramer woonde, die zelf bestond uit vier leden: vader Jacob, moeder Sophia Helena Weijl en de dochters Esther Roselina en Roselina. Misschien kenden de beide families elkaar.

Meijer Michel Cohen

Het pand aan de Toulonselaan 7, dat het woonhuis van de familie Cohen was.
Foto Redactie Website

         De Duitsers slaan een grote slag op die tiende november, gewillig geholpen door op joden jagende politieagenten. Liefst 39 Dordtse joden weten zij “in bewaring te stellen”, zoals dat eufemistisch heet in de (gedigitaliseerde) politiedagrapporten. De complete families Cohen en Kleinkramer bevinden zich onder hen, inclusief oma Keesje-Philip, in totaal negen mensen. Via het hoofdbureau van politie worden ze naar kamp Westerbork getransporteerd, en vandaar begint hun eindreis, naar de vernietigingskampen.
         De familie Kleinkramer wordt compleet uitgeroeid: vader Jacob (’s-Gravendeel, 10 juni 1897) op 7 februari 1945 in Gross Rosen, zijn vrouw Sophia (Lochem, 25 september 1901) en de dochters Esther (Dordrecht, 26 november 1928) en Roselina (Dordrecht, 17 september 1932). Alle drie in Auschwitz, op dezelfde dag: 19 november 1942, nog geen negen dagen na hun arrestatie. Oma Susanna vindt er ook de dood, enkele maanden later, op 19 februari 1943.
         Maar de leden van het gezin Cohen weten aan hun wisse dood te ontkomen – door een uitzonderlijke omstandigheid, zo kan achteraf worden gereconstrueerd.

Meijer Michel Cohen

In dit huisje aan de Reeweg-Oost 195 (nu 233) bevond de familie Cohen zich toen zij in november 1942 werd opgepakt, samen met de familie Kleinkramer.
Foto Redactie Website

Schrift
Betty Cohen, de dochter van Meijer Michiel, schrijft direct na de oorlog, in september en oktober 1945, in een schrift haar nog verse jeugdherinneringen op. De notities, twintig pagina’s tekst in een elegant, nauwkeurig handschrift, bestrijken de periode tussen haar geboorte in 1931 en de naoorlogse dagen die ze doorbrengt in de tweede klas van de hbs aan het Oranjepark. Zij heeft het verhaal in oktober 2008 vrijgegeven voor plaatsing op de website van mevrouw H.W.G. van Blokland-Visser, een onderzoekster die enkele joodse families uit de Drechtstreek genealogisch in kaart heeft gebracht (zie deze webpaginaop: http://blokland.dordtenazoeker.nl/...).
         In haar schrift komt kamp Westerbork voor. Maar Betty Cohen legt hier nog niet uit waarom het gezin dit kamp heeft mogen verlaten; waarschijnlijk wist ze de details niet, jong als ze nog was.
         Zelf meldt Betty alleen: “Gelukkig werden we 9 dagen later bevrijd uit dat nare kamp. We moesten ons in Amsterdam gaan melden. Vader moest daar op 30 Jan. op de Antragstelle op het Adema v. Scheltemaplein komen. Daar werd ons de mededeling gedaan dat we naar Dordt terug mochten. Toen we daar aankwamen, moest het eerst van alles moeder naar het ziekenhuis vervoerd worden, want zij was ernstig ziek. Dat is ons behoud geweest. Want als in Westerbork iemand van de familie ziek was, mochten de andere familieleden er ook blijven. Daardoor kon Vader voor zijn vrijheid werken.”
         Wat er in werkelijkheid gebeurde, weet Gerrit Wildeman, project-ingenieur bij NV  Visser & Smit, de aannemingsmaatschappij in Papendrecht. Wildeman is geboren in Zwijndrecht (1928), maar woont sinds zijn 8ste in Dordrecht en is daar aan de lokale hts afgestudeerd in weg- en waterbouwkunde. Hij heeft over de redding van het gezin Cohen gehoord van zijn intussen overleden buurvrouw Do Felkers-Snijders (1907-2011). Summier heeft hij mevrouw Van Blokland er al eens over verteld, hier volgt nu de hele toedracht.

Meijer Michel Cohen

Betty Cohen als klein meisje met haar tante Rozette Cohen.
Foto Familiebezit

Danslessen
Mevrouw Felkers kende de familie Cohen, licht Wildeman toe. Oorspronkelijk noemt hij in dit verband Betty; Do en Betty zouden elkaar kennen van de danslessen die zij volgden in Dubbeldam. Maar qua leeftijd (1907 en 1931) lopen beide vrouwen nogal uiteen. Bovendien was Betty nog kind in de jaren dertig, niet bepaald een dansrijpe leeftijd. Hoogstwaarschijnlijk bedoelt Wildeman Betty’s moeder, Gesina, die van 1906 is, een leeftijdgenote – zekerheid geeft zijn geheugen hem niet op dit punt.
         Hoe dan ook: het meisje Cohen viel nogal op bij de danslessen, “doordat zij iedere keer een andere jurk droeg. Dat was frappant, en Do was een beetje jaloers aangelegd.”
         Gerrit Wildeman, al vanaf 1958 wonend aan de Nieuweweg, kwam regelmatig op de koffie bij deze Do Felkers, “en dan hoorde je verhalen van vroeger”. Zodoende vernam hij van de bijzondere vrijlating van het gezin Cohen. Zelf kende hij deze familie niet.
         De dag nadat de familie Cohen was “gehaald”, zo reconstrueert Wildeman, arriveerde het personeel van de metaalhandel op het werk. Grote verbazing: de baas ontbrak. Ook de Duitse toezichthouder ontdekte dat Meijer Michiel Cohen niet aanwezig was, en dat maakte hem zenuwachtig. De zaakgelastigde wist blijkbaar niets van de razzia. Hij moest er evenwel voor zorgen dat alle metaal in Duitsland belandde. De firma was Kriegswichtig, maar zonder de directeur kon de Duitser niets uitrichten.
         Wildeman: “De Beauftragte kon zijn werk niet meer doen. De directeur was zijn gesprekspartner en daarnaast had hij diens handtekening nodig voor allerlei zaken. Nu de directeur er niet was, stagneerde de papierwinkel, is mijn conclusie. Door de afwezigheid van de heer Cohen kon hij niets klaarmaken.”
         De Duitser moet hierop, volgens de overlevering, de bezetter hebben benaderd. Wildeman: “Hij is verhaal gaan halen. Hij heeft gezegd dat meneer Cohen terug moest komen; de firma was immers belangrijk voor de oorlogsindustrie. Cohen moest uit Westerbork ontslagen worden, zodat hij in Dordrecht de zaak kon voortzetten. Cohen is inderdaad vrijgelaten, maar volgens Do niet nadat hij als voorwaarde had gesteld dat hij zijn gezin mocht meenemen. Hij kon niet in zijn eentje de draad oppakken. Hij was een man met een gezin, hij kon niet zonder. Wie moest er anders koken bijvoorbeeld?”
        

Meijer Michel Cohen

Meijer Michel Cohen als volwassen man, na de oorlog.
Foto Familiebezit

Onder water
En zo is het gegaan: Meijer Michiel Cohen kreeg toestemming om Westerbork te verlaten, samen met zijn echtgenote en kinderen. Volgens dochter Betty waren er ondertussen negen dagen verstreken, in de vertelling van Wildeman lijkt de tijd korter. Hoe lang de duur ook was, het doet er niet toe. Het blijft een onweerlegbaar gegeven dat de familie Cohen heelhuids terugkeerde naar Dordrecht, en vervolgens de oorlog heeft weten te overleven. Terugkeren uit Westerbork was uitzonderlijk.
         Dat ging overigens niet vanzelf. Als joodse familie bleven de Cohens beslist niet veilig voor de Duitse bezetter, Kriegswichtig of niet. Betty Cohen meldt in haar schrift dat het gezin op 2 maart 1943 alsnog moest onderduiken. Zij noemt het “onder water gaan”. Haar broer Jos verdween naar Oene, een dorp in het noordoosten van Gelderland. Waar de andere drie gezinsleden zolang verbleven, is niet bekend. Betty schrijft slechts “de gehele onderduikperiode”, 26 maanden lang, “binnen te hebben gezeten”.
         Over haar eigen onderduiktijd wil ze verder “liever niets vertellen”, schrijft ze, dat behelst allemaal maar “vervelende dingen”.
         Hoe het intussen broer Jos vergaat, weet het gezin niets, totdat het Rode Kruis bericht dat hij “in goede welstand” verkeert. De familie krijgt dat kort na de bevrijding te horen; Betty zit net 14 dagen op school. Haar vader had een auto klaarstaan om hem op te halen, maar steeds ging er iets mis mee. Uiteindelijk lukte het en stond hij “in levende lijve voor ons”. Nog “een groot feit” dat Betty noemt, is dat het gezin het eigen huis aan de Toulonselaan weer kan betrekken. “Na drie jaar waren we eindelijk uitgezworven.”
         Volgens de gemeentelijke woonkaart was dit op 5 september 1945. Daarvoor verbleef het gezin vanaf 22 mei 1945 even op het adres Maasstraat 58 zwart (nu: 83).

Meijer Michel Cohen

Betty Smoli-Cohen in Israël, met haar man Raphael Smoli.
Foto Familiebezit

Proces
Nederland was bevrijd; de Cohens konden weer tot leven komen. De metaalhandel werd weer opgestart, alles leek zijn normale gang te hernemen. Eind jaren veertig werd Meijer Michiel Cohen opgeroepen als getuige, in het proces dat justitie voerde tegen Harry Evers, de jodenjager van de Politieke Politie in Dordrecht. Journalist Sytze van der Zee wijdt een hoofdstuk aan deze “hardvochtige antisemiet” in zijn boek Vogelvrij.
         Evers voerde begin 1948 in Den Haag ter verdediging aan dat hij joden juist had geholpen. Waarop Meijer Michiel Cohen, als overlevende, zich afvroeg waarom Evers, als hij daadwerkelijk in het geheim voor het verzet zou hebben gewerkt, dan “nooit één Jood een tip had gegeven over een ophanden zijnde razzia”.
         Betty Cohen verliet Nederland in de jaren vijftig. Zij trouwde op 28 april 1956 in het Israëlische stadje Beer Sheva met Raphael Smoli (geboren in de VS, op 21 april 1924) en kreeg met hem drie kinderen: Timna (5 april 1957), Mira (25 mei 1958) en Orit (27 april 1964). Haar huidige naam is Beti Smoli.
         Hoewel zij mevrouw Van Blokland foto’s heeft gegeven van haar familie, foto’s die via internet vrijelijk te bekijken zijn, wil ze nu nadrukkelijk niet meer in de openbaarheid treden. Daar heeft ze geen behoefte aan, liet zij de redactie van deze website weten.
         Hetzelfde gaat op voor haar broer Jos. Ook hij is geëmigreerd, naar de Verenigde Staten, op 24 augustus 1977. Hij huwde nog in Dordrecht, op 29 juli 1958, Henriette (Jet) C. Zadoks (Dordrecht, 10 februari 1937), en kreeg nog in deze stad drie kinderen: Mike E. (17 juni 1959), Ida G. (16 december 1960) en Mitchell J. (9 mei 1964) – die allen ondertussen zelf alweer kinderen hebben voortgebracht, respectievelijk drie, twee en twee.
     Al decennia wonend in Somerset, gaf ook Jos Cohen via een tussenpersoon te kennen “absoluut” geen herinneringen te willen ophalen aan zijn Dordtse tijd. De oorlog heeft hem zo hevig aangegrepen dat hij er nog onverminderd grote nachtmerries van heeft. Hij wil er geen woord over kwijt.

Meijer Michel Cohen

Betty Smoli-Cohen in Israël, met haar man Raphael Smoli.
Foto Familiebezit

Rotzooi
[Zijn zoon Mike beaamt in een later stadium van dit verhaal dat zijn vader de laatste jaren “steeds minder en minder” over de oorlog praat. Hij bevestigt verder de lezing van Gerrit Wildeman. Bijna al op weg naar een concentratiekamp, mailde hij, zijn de Cohens teruggehaald naar Dordrecht, omdat de nazi’s Meijer Michiel Cohen er als leidinggevende hard nodig hadden.
         Mike heeft een aanvulling op Wildemans vertelling. Hij denkt dat Meijer Michiel Cohen, terug uit Westerbork, juist niet terugging naar zijn metaalhandel, maar wijselijk meteen zijn gezin liet onderduiken. Dat klopt echter niet. Betty schrijft zelf in haar schrift dat de onderduik maanden later begon, en ook welk een zooi het in hun huis was.      
         De Cohens hadden het huis op de Toulonselaan al op 11 mei 1942 moeten verlaten. Het werd in beslag genomen door de Sicherheitsdienst (SD). Het gezin kwam zolang, tot 31 oktober 1942, terecht in de Johan de Wittstraat 23 (nu: 31). Eenmaal bij terugkeer uit Westerbork bleek de SD op de Toulonselaan “een onbeschrijflijke rommel” te hebben aangericht. Betty: “Het hele servies was vuil. En in plaats van lakens, die ze zeker gauw niet vinden konden, hadden ze tafelkleden genomen.”

Meijer Michel Cohen

Gerrit Wildeman, de Dordtenaar die het bijzondere verhaal over de vrijlating van de familie Cohen, dankzij wijlen zijn buurvrouw kan doorgeven.
Foto Redactie Website

        Mike Cohen wees er ten slotte nog op dat Arend van Voorst, een van de kinderen van de familie bij wie zijn vader in Oene zat ondergedoken, nadien een kinderboek heeft geschreven, getiteld Twee Veluwse Jongens in Oorlogstijd, uitgeverij De Vuurbaak, Barneveld, 1970. De moeder van Mike, Jet Zadoks, heeft dit boek in het Engels vertaald, zodat haar kleinkinderen op hun beurt het kunnen lezen.
         “Het waren goede mensen”, zegt Mike over de Van Voorsts, die inmiddels op leeftijd zijn. “Onze hele familie kent ze.”]

Surseance
De metaalhandel Jos Cohen & Zoon bestaat niet meer. Eigenaar Meijer Michiel overleed op 21 februari 1958. Zijn zoon Jos heeft het bedrijf nog voortgezet, “met toestemming van de overige erfgenamen”, zoals het bedrijfsdossier vermeldt. Op 7 februari 1972, na enkele jaren van surseance van betaling, werd de zaak definitief opgeheven. De weduwe, Gesina Keesje, verhuisde na de dood van haar echtgenoot in maart 1959 van de Toulonselaan naar de Mauritsweg 132, om ten slotte in Amersfoort te sterven, op 8 december 1998.
         De tijd wijkt, maar Dordtse Cohens leven voort – in andere werelddelen.


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'