Het voorbije joodse dordrecht

Onderduikster Irma Appel bedankt 60 jaar lang
Dordtse onderduikfamilie met kist sinaasappels

Familie Appel Schram

Synco en Geertje op een officiële trouwfoto,
in 1939 in Middelburg.
Foto Familiebezit

Haar dankbaarheid was onuitsprekelijk groot.
         Elk jaar opnieuw, en altijd in februari, stuurde Irma Appel vanuit Israël een kist Jaffa-sinaasappels naar het Dordtse echtpaar dat haar als Duits-joodse vluchtelinge vanaf 1943 onbekrompen bij hen had laten onderduiken: Synco Schram de Jong en zijn vrouw Geertje Schram de Jong-Meijst.
         De familie Schram de Jong verhuisde nogal eens – van Dordrecht naar Eindhoven naar Aardenburg in Zeeuws-Vlaanderen, en ten slotte naar Sluis, waar Geertje als weduwe ging wonen in een zorgcomplex. Maar de kisten zijn op elk nieuw adres trouw blijven komen.
         Met ongelooflijke vasthoudendheid heeft Irma Holzinger-Appel, zoals zij sinds haar huwelijk heette, de kistzendingen volgehouden, van 1946 tot haar overlijden in 2001, 55 jaar achtereen. Daarna zette haar echtgenoot Ernst de traditie voort. Totdat Geertje hem, bij de zestigste kist, liet weten dat het nu wel mooi genoeg is geweest.
         Irma was niet de enige die zich mocht verstoppen in de bovenwoning aan de Krispijnseweg. Meerdere joden verbleven op dit noodadres, meestal korte tijd. Van hen zijn met name Lieselotte en Georges Spalter er nog vrij lang gebleven, een zekere tijd tussen 1943 en de bevrijding in 1945, de precieze duur is niet meer betrouwbaar vast te stellen; alle betrokkenen zijn overleden.
         Maar degene die zich er het allerlangst schuilhield, was curieus genoeg Geertje’s eigen, niet-joodse echtgenoot Synco. Alle oorlogsjaren moest hij, omdat hij weigerde zich aan te melden voor de Arbeitseinsatz, consequent uit het zicht van de Duitsers zien te blijven. Meerdere keren was er een inval, maar ontdekt is hij nooit, dankzij een speciale, langwerpige kist die hij op zolder voor zichzelf had gemaakt.
         En dankzij een beschermengel, geloofde Geertje.

        

Familie Appel Schram

In deze bovenwoning met balkon aan de Krispijnseweg woonde het echtpaar Schram de Jong met kinderen en wisselende onderduikers.
Foto Redactie Website

Tekenen
Dordrecht was een onwaarschijnlijke stad voor Synco en Geertje. Hij, de reserve-officier, was in 1939 bij de mobilisatie opgeroepen en was gelegerd in Gulpen, in het kasteel Neuborg. Zij, de verpleegster, werkte in Enkhuizen. Lang is onduidelijk geweest hoe zij in Dordrecht verzeild raakten, tot 2004. Geertje schreef op 93-jarige leeftijd een brief over de oorlogstijd aan haar dochter Titia en noemde daarin de reden.
         Nadat de Duitsers Nederland waren binnengevallen, werd Synco gevangen genomen. Na drie maanden werd hij, twintig kilo lichter, naar Dordrecht gestuurd. Hij had er zich te melden bij de zogenoemde opbouwdienst en zou er dienen onder de Duitsers. Synco en Geertje zijn inderdaad in Dordrecht gearriveerd, volgens gemeentelijke woningkaarten. Zij betrokken op 9 oktober 1940 een bovenwoning aan de Krispijnseweg 169 rood (nu: 201), om deze pas op 27 december 1951 te verlaten. Maar hij dook er onmiddellijk onder.
         Synco is afkomstig uit Nijmegen, waar hij als eerste kind werd geboren op 9 maart 1910. Na hem volgden drie zussen: Heleen, Coos en Arina. Zijn vader was directeur van het postkantoor, een functie die hij in steeds andere steden vervulde. Synco ontwikkelde een grote vaardigheid in tekenen en schilderen. Logischerwijs meldde hij zich dan ook aan op de kunstacademie in Amsterdam.
         In die stad woonde zijn latere vrouw, Geertje Meijst, die er was geboren op 24 augustus 1911, vlakbij de Jordaan. Geertje had een oudere zus, Lenie, en een jongere broer, Gerard. Haar vader was een docent scheikunde. Geertje kreeg op haar vijfde al reuma in al haar gewrichten. Om haar warm te kunnen houden, werd ze een jaar lang, vanaf haar hals, in een zak gestopt die van dekens was gemaakt. De dokter zei dat ze niet oud zou worden.

Familie Appel Schram

Synco moest zich de hele oorlog verstoppen voor de Duitsers;
hij wilde principieel niet voor hen werken.
Deze tekening, door hemzelf gemaakt,
toont het atelier op zolder, waar hij zich verborg.
Illustratie Familiebezit

         Haar vader noemde haar ‘mijn kleine muis’, omdat ze zo’n klein, spichtig kind was, met een spits gezichtje. De bijnaam is gebleven, al maakte Geertje er ‘Muys’ van: dezelfde klank, maar het staat minder grijs.
         Geertje was begonnen aan de opleiding tot verpleegster, toen ze in december 1935 voor het eerst Synco ontmoette, op een dansfeestje. Ze vielen als een blok voor elkaar. In augustus 1939 mobiliseerde Nederland zich. Synco werd als dienstplichtige naar Limburg gestuurd, en gestationeerd in Gulpen. Zijn vriendin zocht hem daar zo nu en dan op. Op 21 oktober 1939 trouwden zij, in Middelburg, waar Synco’s ouders inmiddels woonden. Hun eerste huwelijksmaanden brachten zij door in Limburg, waar, zo dicht bij de grens, voelbaar de dreiging van een naderende oorlog in de lucht hing.
        
Zolder
Meteen nadat Synco in Dordrecht was aangekomen, ging hij ondergronds. Per se wilde hij niet onder de Duitsers te werken, noch in Dordt noch als dwangarbeider in Duitsland. Op zolder richtte Synco, afgestudeerd als beeldend kunstenaar, tussen de balken een atelier in. Daar zou hij zich de ganse oorlog schuilhouden, al schilderend en tekenend. Bij invallen kroop hij vlug weg in een kist die hij met een speciale katrol kon afsluiten. De kist is een levensreddende uitkomst gebleken.
         Gedurende de oorlogsjaren kwamen er kinderen. Wiea was de eerste, op 30 november 1940. Marijke Irene werd de volgende, op 4 januari 1942, daarna kwam Titia op 7 december 1944. [In 1947 beviel Geertje nog eens, van een voldragen, maar dood kind, Saskia.]
         Bij de vijf gezinsleden is het niet gebleven op de Krispijnseweg. Geertje verzorgde al een oude, zieke oom Frits in huis, en had daar wat financiële hulp bij nodig. Ze klopte daartoe in de buurt, zo vertelde ze als 94-jarige de Provinciale Zeeuwse Courant (PZC) in 2006, aan bij “een weldoener”. Hij was bereid haar te helpen, maar stelde een wedervraag: “Durf jij een jodin in huis te nemen?”

Familie Appel Schram

Onderduikster Irma Appel (links), in 1944 wandelend aan de (nog onbebouwde) overkant van de Krispijnseweg,
met mevrouw Schram de Jong,
en tussen hen in de kinderen Wiea en Marijke.
Foto Familiebezit

         Ze aarzelde geen moment. “Daar denk je niet over na; dat doe je gewoon.” Ze overlegde niet eens met haar man; zij wist dat hij het zou goedkeuren. En zo leerde ze Irma Appel kennen, een 22-jarige gediplomeerde kindergarten-juffrouw uit Naumberg bij Kassel, die als vluchtelinge in augustus 1939 bij de joodse familie Frank in Nederland was komen te werken, als huishoudster. [Het is niet bekend waar.] Nadat dit gezin Frank was gearresteerd en gedeporteerd, kwam Irma eerst nog in een hotel in Hoenderloo terecht, en daarna via via in Dordrecht. Daar ging ze met vervalste papieren door voor Mary Kloek uit Limburg. Het jaar was 1943.
        
Brabbeltaaltje
Irma werd volwaardig opgenomen in het gezin Schram de Jong. Ze werkte er als huishoudster en kindermeisje. Hoewel haar uiterlijk onmiskenbaar joods was, trok ze onbevreesd openlijk naar buiten. “Ze tartte de goden.” In de PZC vertelde Geertje dat Irma met de kinderen uit wandelen ging, boodschappen deed en zelfs praatte met Duitse militairen, in een “brabbeltaaltje” van slecht Nederlands en zogenaamd slordig Duits. Ze kwam uit Limburg, luidde haar verklaring.
         De Duitsers, die opereerden vanuit een politiebureau vlakbij én vanuit de beide buurhuizen, hadden haar nooit door. “Misschien wilden ze niet zien dat ze joods was”, misschien kwam het door de beschermengel die het gezin volgens Geertje had. “We hebben veel geluk gehad. We zijn vaak door het oog van de naald gekropen.”
         Geertje geloofde zelfs, meldt haar dochter Titia, dat de Duitse officier die iets verderop in het hoekhuis woonde, geweten moet hebben dat Irma joods was, en misschien ook wel dat Synco er ondergedoken zat. “Maar hij heeft nooit iets verraden.”         

Familie Appel Schram

Een na-oorlogse foto uit 1946 van Irma met Titia, de jongste dochter van de Schram de Jongs, op de arm, op de Krispijnseweg.
Foto Familiebezit

         Verschillende andere joodse onderduikers waren ook welkom in het huis aan de Krispijnseweg. De meesten bleven er kort. Dat lag anders bij Lieselotte (Lotte) en Georges Spalter. Zij arriveerden op enig moment bij de familie Schram de Jong en bleven er langer. Hoe zij aan dit adres kwamen en hoe lang zij er ondergedoken hebben gezeten, is niet meer te achterhalen. Zelfs hun dochter Mirjam weet het niet. Ten eerste omdat haar ouders er nooit over wilden praten, ten tweede omdat Mirjam zelf tijdens de oorlog ondergedoken zat, bij de familie Barendregt in Wormerveer, onder de schuilnaam Marian.
         Mirjam Allouch-Spalter, die al lang in Israël woont, was indertijd het enige kind van Lotte en Georges, en nog piepjong: geboren op 3 september 1939. Vermoedelijk via verzetscontacten belandde zij in Wormerveer. Nadat zij was gescheiden van haar ouders, wisten deze volstrekt niet waar hun dochtertje was ondergebracht.

Klerk
Enkele feiten staan vast. Georges (Parijs, 7 januari 1907) en Lotte Wolf (Gelsenkirchen, 16 maart 1910) kwamen uit Zierikzee naar Dordrecht. Georges had er de hbs bezocht en er midden jaren dertig als klerk op het gemeentehuis gewerkt, aldus de website www.joodsmonumentzaanstreek.nl, die alle omzwervingen van de kleine Mirjam heeft geïnventariseerd.
         Woonkaarten van de gemeente Dordrecht tonen aan dat Georges en Lotte vanaf 18 juni 1938 in de Bilderdijkstraat op nummer 29 woonden (nu: 31), tot 16 maart 1943 – ter stede de datum waarop vrijwel alle joden onvindbaar werden verklaard met de afkorting VOW (Vertrokken Onbekend Waarheen).
         Volgens de Zaanse website werden zij op 5 november 1942 in Amsterdam door een politieman gewaarschuwd, waarop zij onderdoken. Dit was onder andere bij de familie Schram de Jong. In een interview dat

Familie Appel Schram

Nog een na-oorlogse foto, uit 1959, opnieuw met onderduikster Irma (links) en rechts Ernst, haar man. Tussen hen in v.l.n.r. Geertje, dochter Titia en Synco.
Foto Familiebezit

zij in mei 1985 gaven aan het Noord-Hollandse dagblad De Typhoon zeggen ze in Dordrecht “op diverse adressen” te hebben gezeten. Tijdens de hongerwinter, vertelt Lotte, waagde zij zich regelmatig op straat, om bij boeren op het Eiland van Dordrecht eten te halen. Zij had heur haar geblondeerd, maakte zich zwaar op en droeg een bril, zodat ze als joodse onherkenbaar was.
         De boeren gaven haar niets trouwens, “terwijl de schuren vol lagen met aardappelen, groenten en wortelen.”
         Op 22 mei 1945 treedt het echtpaar Spalter weer in de openbaarheid, op de Singel 32 rood (nu: 38). Het bleef daar tot 15 december 1945, bijna zeven maanden, om vervolgens in te trekken in een woning aan de Spuiweg 94 rood (nu: 146), tot 18 juni 1948. Hierna verhuisden zij naar het Maartensgat 7, om ten slotte, op 8 november 1949, Dordrecht te verlaten voor Heiloo.
         In de tussentijd was het gezin uitgebreid met twee kinderen: Henriette (Rita) Gertrud Delphine (16 augustus 1946) en Jaakov (Jacob, Jack) Avraham (3 augustus 1948).

Familie Appel Schram

Geertje Schram de Jong (links) met Irma in Israël in 1985,
het jaar waarin zij en wijlen haar man de Yad Vashem-onderscheiding kregen.
Irma stuurde haar jaarlijks een kist sinaasappels.
Foto Familiebezit

Hot naar haar
Mirjam is tijdens de oorlog meerdere keren verplaatst. Het belangrijkste onderduikadres was dat van Arie en Albertha Barendregt in Wormerveer. Zij kon daar blijven zolang het veilig was, en als het te gevaarlijk werd, zorgden zij voor andere schuiladressen. Het meisje is werkelijk van hot naar haar gebracht. Om een indruk te geven: naar de familie Strijbis in De Woude, naar de familie Heinis in St. Pancras, naar een adres in Bergen, naar het gezin Ten Wolde bij Heerhugowaard en weer terug naar de Barendregts.
         Eind mei 1945 zag Mirjam haar ouders weer, op Plein 13 in Wormerveer. Een koerierster had Georges en Lotte iets eerder verteld dat hun dochtertje in Wormerveer was. Haar ouders waren gebroken, mailt Mirjam. “Ze hebben hun hele familie verloren. De enige die is teruggekomen, is de broer van mijn moeder, Heinz Wolf, een tandarts in Amsterdam.” Zij herinnert zich verder: “We hadden niets meer. Geen huis, geen spullen, geen geld, geen familie.”
         Haar vader begon een kuiperij in Dordrecht, om de hoek, bij het Maartensgat. Het huis aan de Spuiweg weet zij zich nog goed te herinneren. “Wij woonden daar op een bovenwoning. Beneden woonde een joodse vrouw, Saar Kloots met haar dochter Lily. Het was dicht bij de (Spuiweg)tunnel.”
         De na-oorlogse schooltijd pakte naar uit voor Mirjam. “Het was er niet leuk voor mij. Er was veel antisemitisme na de oorlog. Ik werd aan het hek vastgebonden en uitgejouwd. Ik rende altijd heel vlug naar huis, anders zouden kinderen me pakken.” Die school was de nog altijd bestaande School Mühring aan de Vrieseweg 92.

Familie Appel Schram   Familie Appel Schram

Mirjam Allouch-Spalter, de in Israël wonende dochter van Georges en Lotte Spalter, in september 2013,
tijdens een bezoek aan Nederland. En op de andere foto haar man Edmond.
Foto Familiebezit

         Ter afsluiting: dankzij contacten met Arie Barendregt, de pleegvader van Mirjam, kon Georges Spalter in 1951 in Wormerveer een kistenfabriek overnemen, het houtverwerkingsbedrijf Kaper. Het gezin verhuisde naar Heiloo en daarna voorgoed naar Wormerveer. Mirjam’s moeder Lotte overleed op 28 februari 1993, haar vader op 21 februari 1997.

Familie Appel Schram

Geertje Schram de Jong, op 101-jarige leeftijd,
kort voor haar overlijden.
Foto Familiebezit

         Haar broer Jack werd mede-eigenaar van drukkerij Equipage in Assendelft, een bedrijf dat inmiddels is verkocht. Mirjam ging in 1961 als toeriste naar Israël, en trouwde er in juli 1962 met Edmond Allouch. Haar zus Rita kwam in 1977 naar ël, als gescheiden vrouw met een baby van acht maanden. Ze hertrouwde in 1985 met een iets oudere man, die in mei 2014 is overleden. Rita woont op vijftien minuten afstand van haar zusje.

Brigade
Terug naar de familie Schram de Jong. Ook Irma Appel kwam ongeschonden de oorlog door. Zij is tot enkele maanden na de bevrijding bij het onderduikgezin gebleven en heeft ook nog een tijdje gewerkt in een tehuis voor kinderen, in Bilthoven. In de PZC vertelde Geertje dat intussen een joodse brigade Holocaust-overlevenden aan het opsporen was gegaan. Een jong brigadelid daarvan, Chanan (Ernst) Holzinger, “ontfermt zich over haar, sterkere nog, wordt verliefd”.
         Ernst is niet “de grote knappe man” van wie Irma droomde, eerder “een klein mannetje”, maar ze trouwen. Dat was vooral omdat Irma naar Israël wilde, om daar de broers en zussen te kunnen opzoeken die er al van voor de oorlog zitten. Ze zou bij aankomst dan wel scheiden van Ernst. Het is niet gebeurd, hij wilde dat niet. Geertje: “Ach, het was een lieve man. Jammer dat ze geen kinderen hebben gekregen.”
         In 1946 is volgens haar die traditie begonnen: een kist sinaasappels wordt afgeleverd bij de familie Schram de Jong, steeds in februari. Zij heeft nooit geweten waarom nu uitgerekend in die maand, maar Mirjam Allouch denkt dat de reden een eenvoudige is: “Omstreeks die tijd werden ze hier vers geplukt. Tegenwoordig kan dat ook vroeger, en heb je eigenlijk het hele jaar door sinaasappels.”
         Hoe het de hulpvaardige onderduikhelpers zelf is vergaan? Synco, de reserve-officier die zich vijf lange jaren had verstopt op zolder, trad na de oorlog toe tot het leger. Hij diende drie jaar in Indonesië, als lid van het 4de bataljon Garde Regiment Grenadiers. Toen hij in 1949 in Nederland terugkeerde, had hij een familie te verzorgen. Hij kreeg een kantoorbaan bij Philips in Eindhoven, het gezin ging er ook wonen.
         Maar het werk trok hem allerminst, hij meldde zich weer aan als officier. Alleen in de weekeinden was hij nu thuis, door de week op de kazerne.

Familie Appel Schram

Georges en Lotte Spalter, de andere onderduikers
bij de familie Schram de Jong, met hun dochtertje Mirjam,
hier als baby van acht maanden, begin 1940.
Foto Familiebezit

         In 1954 kreeg hij de baan die hem paste: docent kunst op het Koningin Wilhelmina Lyceum in Oostburg. Het gezin verhuisde opnieuw, nu naar een monumentaal pand aan de Markt in het naburige Aardenburg, met een prachtige tuin. De vakanties werden stelselmatig doorgebracht, tot in de jaren tachtig, in Frankrijk, waar Synco zich volledig stortte op het tekenen en schilderen van landschappen en oude dorpen. Hier kon hij zijn artisticiteit kwijt.
         Synco overleed op 5 augustus 1984.

Hartverwarmend
Samen met haar man was Geertje toen al eens, in 1975 bij zijn 65ste verjaardag, in Israël geweest. Zij hadden altijd contact gehouden met Irma en Ernst, nu kwamen ze er op bezoek. Het weerzien was emotioneel, maar ook hartverwarmend. “We werden in de watten gelegd. Fantastisch. We mochten helemaal niets betalen”, vertelde Geertje de PZC. Overal bazuinde Ernst rond wat Geertje en Synco voor Irma hadden gedaan. “Ja, dat moest iedereen weten.”
         Na het overlijden van Synco, gaat Geertje, inmiddels 73, in totaal nog acht keer terug naar Israël. “Ik ben van dat land gaan houden.” In 1985, op 19 september, is er een bijzondere gelegenheid. Geertje en postuum ook Synco worden door Yad Vashem eervol onderscheiden voor alle moeite die ze hebben gedaan om Irma Appel door de oorlog te loodsen. Geertje, die erbij aanwezig is, krijgt een medaille, met de inscriptie “Wie een leven redt, redt de hele wereld.” De hoogste Israëlische onderscheiding komt hen toe: Righteous among the Nations, rechtvaardige onder de volkeren.
         Als Geertje in 1992 in het zorgcomplex Het Rondeel in Sluis gaat wonen, blijven de sinaasappels komen. Ze kan ze heus niet allemaal alleen op; ze verdeelt de tachtig exemplaren onder haar mede-bewoners. De zendingen stoppen niet in 2001, wanneer Irma overlijdt, want nu zet Ernst de schenkingen door. In 2006, als de PZC haar interviewt, is het al de zestigste keer dat ze een kist heeft ontvangen. Ze vond het een geschikt moment om de zendingen te stoppen.
         De banden tussen Geertje en haar onderduikers zijn altijd intact gebleven. Ernst en Irma reisden verschillende keren naar Nederland, en ook nadat zijn vrouw was overleden, hield Ernst dat vol. Georges en Lotte, die vanaf 1946 in Wormerveer zijn blijven wonen, hielden eveneens contact met de familie Schram de Jong. Hun dochter Mirjam was er zelfs eens bij toen Synco en Geertje in Israël Ernst en Irma Holzinger opzochten.

Familie Appel Schram

Nogmaals Georges en Lotte Spalter, nu na de oorlog,
met Mirjam en haar jongere zusje Rita.
Foto Familiebezit

Zeeuwling
Geertje, de muis met het spitse gezicht, is fabelachtig oud geworden. Ze heeft de voorspelling van de dokter gelogenstraft. Haar dochter Titia Geertman-Schram de Jong uit Waterlandkerkje heeft jaren terug op een website, verdeeld over diverse hoofdstukken, het levensverhaal van haar ouders beschreven – in het Engels omdat het nu eenmaal een Amerikaanse website is, zie: http://www.squidoo.com/the-love-story-of-my-mom-and-dad.
En daar valt het te lezen. Hoe Geertje zich op haar negentigste nog de computer eigen maakte. Hoe zij op haar 92ste nog een nieuwe auto kocht. Hoe zij in 2006, op haar 95ste overschakelde op een scootmobiel, nadat ze lelijk gevallen was in haar huiskamer en na een operatie en herstel besloot de auto af te danken – met tegenzin. Hoe ze in 2011 eeuwelinge werd en tegen verzamelde journalisten nuchter zei dat dit geen verdienste was. “Je wordt het gewoon.”
         Ze liet zich portretteren en fotograferen voor een boek met levensverhalen van Zeeuwse honderdjarigen dat in oktober 2012 verscheen: Zeeuwlingen, geschreven door Jan Janssen en Peter Oggel, uitgeverij Den Boer/De Ruiter.
         Maar ook het einde, het droevige slot, valt op de website (nu: http://squidoo.com/poems-to-mom) te lezen. Op 21 april 2013 geeft Geertje het op, op de respectabele leeftijd van 101 jaar. Titia is ergens opgelucht. “Ze wilde niet meer leven. Ze heeft niet geleden en ze kreeg de beste zorg die er was. Ik ben blij dat ze eindelijk naar de andere kant kon, waar ze zo in geloofde. Ik zal haar missen, maar ik heb er vrede mee.”


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'