Het voorbije joodse dordrecht

Dordtenaar Adriaan van Dongen werd in alle kranten uitgemaakt voor jodenhelper

Adriaan van Dongen

Adriaan van Dongen op latere leeftijd, als zeventigjarige.
Foto Familie Van Dongen

Eén bepaalde Dordtenaar is tijdens de oorlog “wegens jodenhulp respectievelijk jodenbegunstiging” opgepakt en resoluut naar een concentratiekamp gestuurd: bouwondernemer Adriaan van Dingen.
         Gans Nederland wist ervan, althans: in wel achtentwintig kranten tegelijk lieten de Duitsers eind maart 1943 een bekendmaking plaatsen waarin zijn arrestatie werd vermeld. Het was de eerste advertentie in deze vorm en meteen ook de laatste. Er is nadien geen andere gepubliceerd.
         Wie was die Dordtenaar Van Dingen, die landelijk zo te kijk werd gezet? En wat had hij dan gedaan voor de joden?

Toetsenbord
Adriaan van Dingen bestaat niet. Hoewel Duitsers grondigheid wordt toegedicht, was de naam verkeerd getypt. Een Nederlander heet niet snel Van Dingen, en het was de Dordtse archievenonderzoekster Erica van Dooremalen die er op wees dat het Van Dongen moet zijn (de ‘i’ ligt op het toetsenbord naast de ‘o’). En inderdaad, kon zij melden nadat zij haar eigen website www.dordtenazoeker.nl had geraadpleegd, er bevond zich voor de oorlog een aannemer Van Dongen in Dordrecht, op de Wijnstraat 60 (nu 106). Dat wees het adresboek van 1938 zonneklaar uit.

Adriaan van Dongen

De bekendmaking van Rauter, met de foutief gespelde naam van Adriaan van Dongen, in 'De Nieuwe Koerier', een dagblad voor Limburg en Oostelijk Noord-Brabant, op 30 maart 1943.

         De bekendmaking die Van Dingen brandmerkte als jodenhelper, was afkomstig van de commissaris-generaal van de openbare veiligheid Rauter, de in Den Haag residerende SS-Gruppenführer generalieutenant der Polizei. Er werden nog negen namen genoemd, ook allemaal van mensen die joden hadden verborgen of “aanzienlijke joodsche vermogenswaarden in bewaring hadden” gehad, en daarom waren gearresteerd. Van Dingen was de enige Dordtenaar. Kantoorbediende Pieter Dolk kwam van nabij (Zwijndrecht), de overigen uit Stamproy, Amsterdam of Rotterdam.

         Rauters advertentie werd door alle dagbladen letterlijk, en dus met de fout in de naam, overgenomen – en soms prominent op de voorpagina geplaatst. Op de website met gedigitaliseerde, historische Nederlandse kranten van de Koninklijke Bibliotheek zijn ze allemaal simpel terug te vinden, via www.delpher.nl. En daar valt ook de ontdekken dat één krant Van Dingen bij zijn correcte naam noemde, de Amigoe di Curaçao, ‘het weekblad voor de Curaçaosche eilanden’.
         De Amigoe plaatste niet Rauters bekendmaking, maar maakte er een kort bericht van, waarschijnlijk omdat zij daarginds niet onder Duits gezag viel. En in dat bericht wordt niet alleen correct over Van Dongen gerept, de tien gearresteerden worden ook geprezen. “Dappere Nederlanders” luidt de kop erboven.

Adriaan van Dongen

De woning aan de Wijnstraat 106 (vroeger 60), waar het gezin Van Dongen woonde.
Foto: Websiteredactie

Leraar
Op de woningkaarten van de Wijnstraat, te bevragen in het stadsarchief, werd aannemer Van Dongen snel gevonden, en de samenstelling van zijn gezin vervolgens al even vlug op een zogenoemde gezinskaart. Adriaan van Dongen bleek geboren op 21 mei 1898, als zoon van Hendrik (1867) en Pietertje (1868) van Dongen. Dit echtpaar kreeg zeven kinderen, Adriaan was na Adriana het tweede. Zelf trouwde Adriaan op 21 november 1921 met Antonia van Rijswijk (24 februari 1896), en uit deze echtverbintenis werd in 1928 Ad geboren.
         Deze Ad, een inmiddels gepensioneerde leraar biologie, blikte in december 2002 terug op zijn vroege kinderenjaren in de Wijnstraat. Dat deed hij in het boekje Herinneringen aan de Wijnstraat, geschreven door Corry Roest. Mevrouw Roest heeft in eigen beheer een serie weemoedige boekjes over Dordrecht gepubliceerd, de uitgave over de Wijnstraat is de laatste. Zeker dertig jaar heeft deze Corry in de Wijnstraat gewoond, voordat ze in 1951 naar een straat elders in Dordt vertrok. Daarover gaan haar verhalen. De uitgebreide terugblik van Ad van Dongen is bijgevoegd als bijlage.
         Ad schrijft dat hijzelf werd geboren in Wijnstraat 58, maar reeds na een jaar verhuisde naar het naastgelegen pand op nummer 60. Hij geeft dan enige uitleg over het aannemingsbedrijf Van Dongen. “Mijn grootvader [Hendrik dus] was omstreeks 1890 als meester-metselaar voor zichzelf begonnen met een kruiwagen en een ladder. In 1895 kocht hij voor 5200 gulden het pand Wijnstraat 60 van de aannemer Jan Volker Thijszoon.”
         “Al spoedig ging het met zijn zaken zo goed dat hij ook Wijnstraat 58 aan zijn bezittingen kon toevoegen. Hier vestigde hij zijn kantoor in de benedenverdieping en wij woonden in de woning daarboven. In 1929 trok mijn grootvader zich uit zijn zaken terug en liet deze door zijn zoons beheren. Deze hadden zich uitgebreid tot een aannemerij vooral gespecialiseerd op waterwerken, een baggerafdeling, een machinefabriek en een steenfabriek. Ook bezat hij vele panden en terreinen.”
         Het bedrijf, dat Adriaan samen met een broer dreef, was vlak tegenover de nog altijd aanwezige Bonifatiuskerk gevestigd; dit oriëntatie. De firma heette op den duur voluit N.V. Aannemersbedrijf v/h Van Dongen en Van Hoven, maar bestaat niet meer.

Adriaan van Dongen

De brief van Louis Hartog uit Polen, zijn laatste levensteken.
Foto Familie Van Dongen

Tussenstation
In maart 1943 werd Adriaan van Dongen beetgenomen en afgevoerd naar een concentratiekamp. Maar welk? En waarom? En heeft hij dat kamp weer kunnen verlaten? Krantenarchieven zoals dat van de Dordrechtsche Courant, gaven hier geen uitsluitsel over. Van Dongen dook er, net als Van Dingen, verder niet in op. In de plaatselijke bibliotheek werd, na een tip, het boekje van Corry Roest aangetroffen. Het is verder nergens meer verkrijgbaar, ook antiquarisch niet.
         Daarin onthult Ad van Dongen, de zoon van Adriaan, in elk geval één verduidelijkend feit, namelijk dat zijn vader in kamp Vught gevangen had gezeten. Kamp Vught, tegenwoordig als herinneringscentrum ‘Nationaal Monument Kamp Vught’ geheten, was gedurende de oorlog het enige SS-concentratiekamp buiten Duitsland, en één van de drie Duitse concentratiekampen in Nederland. Er werden in totaal ruim 31.000 mensen gedetineerd. Voor duizenden was het een tussenstation naar de dood, in het kamp zelf overleden al zeker 735 mensen.
         Adriaan van Dongen had dit kamp dus overleefd, maar kon nog worden achterhaald hoe hij joden van dienst was geweest? Hemzelf kon het niet meer worden gevraagd, bleek al spoedig uit begrafenissites: Adriaan van Dongen is “in de ouderdom van 85 jaar” in oktober 1983 overleden, zijn vrouw was al eerder gestorven, op 82-jarige leeftijd, in november 1978. En zoon Ad was in zijn terugblik karig over de jodenhulp van zijn vader; hij lichtte deze niet toe.
         Via de administratie van zijn voormalige werkgever, de christelijke HBS die is omgevormd tot het Insula College aan het Halmaheiraplein in Dordrecht, werd oud-docent Ad van Dongen teruggevonden. Hij woont nog immer in Dordrecht en bedient zich, ofschoon hij op leeftijd is, vooruitstrevend volop van e-mail en Facebook. Alleszins toonde hij zich bereid uiteen te zetten wat zijn vader in de ogen van de Duitsers had misdaan.    
        

Adriaan van Dongen

Louis' brief zat in deze envelop opgevouwen, en bereikte de familie Van Dongen via de Joodsche Raad.
Foto Familie Van Dongen

Bloemen
Een halfjaar had het gevangenschap van Adriaan van Dongen geduurd. Bij thuiskomst, in 1944, stond “ons huis vol met bloemen”, herinnert Ad zich, zij het “natuurlijk niet voor de ramen”. Hierna moest Van Dongen zich nog wel regelmatig in Rotterdam bij de Duitsers melden. Over zijn leven in kamp Vught heeft hij “nooit veel willen vertellen”. Maar, vult Ad aan, “het heeft wel grote invloed gehad op zijn verdere leven.”
         Zijn jodenhulp bestond uit hulp bij het onderduiken van Louis Hartog. Ad van Dongen heeft het zelf over “Louis den Hartog”, maar hij bedoelt Louis Hartog, die “een vriend was van mijn oudere broers”. Louis Hartog, geboren in Dordrecht in mei 1912, was een vrijgezel en woonde normaal als boekhouder aan de Oranjelaan 51 rood.
         “Louis kwam een paar jaar voor de oorlog in contact met ons gezin,” vertelt Ad, “nadat hij hulp had gegeven aan mijn broer Joop. Die was in het zwembad bij de Buitenwalevest ernstig gewond geraakt bij een valpartij. Sinds die tijd kwam Louis vaak bij ons thuis, totdat hij echt moest onderduiken. Daar heeft mijn vader toen mede voor gezorgd. Louis heeft achtereenvolgens ondergedoken gezeten in het pand Wijnstraat 58, waar de kantoren van de aannemerij waren, en is daarna naar Sliedrecht verhuisd.”
 

Adriaan van Dongen

Een foto met Louis Hartog (links) in padvindersuniform. Naast hem drie leden van de familie van Dongen, Ad, Nel en Joop.
De foto is van 1939 of 1940, want de padvinderij werd begin 1941 verboden. De jongelui zitten in de tuin van Wijnstraat 60.
Louis had zich ook bij de padvindersgroep weten aan te sluiten, hoewel het een christelijke groep was.
Foto Familie Van Dongen

        Daar had de firma, die immers baggermolens bezat, ook een onderkomen. ‘Sliedrecht’ was uiteindelijk ook “niet veilig genoeg”. Met behulp van katholieke kennissen vertrok Louis Hartog nu naar een klooster in Brabant. Vanuit dit klooster bleef Louis brieven (en pakjes met potjes honing) sturen, zoals hij ook op vorige adressen had gedaan. Hij bracht zichzelf daarmee in gevaar, want zo wisten de Duitsers hem steeds op te sporen. Ook uit Brabant moest Louis weer verdwijnen, om de Duitsers voor te blijven.

         Nu kwam hij in Rotterdam terecht bij een zwarthandelaar, een “nogal gesjochten man”, volgens Ad van Dongen. “Deze man vroeg Louis om adressen waar hij was geweest, zodat de zwarthandelaar die mensen kon gaan opzoeken en zeggen: “Louis logeert nu bij mij, en hij heeft geld nodig voor voedsel. Kunt u dat mij geven?” Ik weet niet of hij dat geld vervolgens in zijn zak stak. De zwarthandelaar werd op een bepaald moment opgepakt voor zijn handel, en toen trof de Sicherheitsdienst bij hem thuis Louis aan. Die namen ze meteen mee.
         “Die zwarthandelaar verried toen – om strafvermindering te krijgen, dus om zijn hachie te redden – de adressen waar hij geld had opgehaald en zo kwam de geheime politie bij mijn vader terecht. Gelukkig dacht de SD blijkbaar alleen dat hij financiële hulp aan Louis, aan een jood dus, had gegeven. Ze wisten niet dat hij Louis ook had geholpen met onderduiken. Anders had mijn vader veel langer vastgezeten.”
         [Dit kan er op duiden dat de zwarthandelaar de politie niet heeft verteld dat het onderduikadressen betrof, zoals hij kon vermoeden.]
        

Adriaan van Dongen

Adriaan van Dongen net na de oorlog, op 23 november 1946, met zijn vrouw Antonia.
Foto Familie Van Dongen

Leren jassen     
Vader Van Dongen werd meegenomen. Ad: “Ik was thuis toen ze mijn vader kwamen halen, twee Nederlandse landverraders in leren jassen.” Zijn vader werd aan het gerecht overgeleverd, veroordeeld en naar kamp Vught vervoerd. Zijn moeder stuurde elke week een voedselpakket naar Vught, waar Van Dongen overigens “slechts een klein gedeelte van kreeg”.
         Wrange ironie overkwam het gezin Van Dongen na terugkeer van de vader, na een halfjaar: het kreeg ‘inkwartiering van een stel Duitse soldaten’, zoals Ad in zijn terugblik schrijft. Ze werden neergezet in de zogenoemde tussenwoning, die leeg stond. “De soldaten hebben er gewoond tot het begin van het Ardennenoffensief en we hebben daar betrekkelijk weinig last van gehad.”
         Louis Hartog, een vrijgezel, is omgebracht in Sobibor, op 20 maart 1943 – welbeschouwd nog voordat Adriaan van Dongen in Vught belandde. Hij heeft vanuit het Poolse Trawniki, een werk- en trainingskamp dat onder toezicht stond van de SS, nog een brief gestuurd. Daarin meldt hij, in het Duits, dat “het goed met hem gaat”. Ad van Dongen gelooft er niets van; eerder dat Louis is verplicht om opbeurend te schrijven. Die brief is via de Joodsche Raad in Amsterdam op 9 september 1943, bijna een halfjaar later, bij de familie Van Dongen bezorgd, die deze nog altijd heeft. 

Adriaan van Dongen

Gepensioneerd leraar Ad van Dongen, de zoon van Adriaan, woont tegenwoordig in Dubbeldam.
Foto: Websiteredactie

          De brief, Louis’ laatste levensteken, luidt:
         “Beste Freunde,
         “Ich bin sehr gut. Ich arbeite schon 2 Monate wie Sanitäter in Trawiniki. Die Arbeit gefällt mir sehr gut. Wie machen Sie es. Ist Herr Adriaan wider zu Hause. Ich hoffe es. Wie machen die Kinder es? Sind sie allen gesund und lernen sie gut. Wir sind in einer sehr großen Lager. Können Sie sich eindenken dat ich heute beinah 3 Monate aus Holland bin?
         “Also Sie haben allen ein Lebenszeichen und hoffe zu meiner gut von Ihnen etwas zurück zu hören. Ihren Freund, Louis Hartog.
         “Ich will gern hören, wie Sie es machen. Sie schreiben doch zurück.”
                           

‘De buren konden of durfden niets te doen’

In de Wijnstraat hebben verschillende joodse families gewoond. In haar boekje ‘Herinneringen aan de Wijnstraat’ brengt Corry Roest ze in herinnering.
         Zo stond naast de Mattensteiger het pakhuis van de familie Frenkel, op Wijnstraat nummer 11 rood. Daar lagen bananen opgeslagen, gereed voor de verkoop. Abraham Frenkel was er de eigenaar van, zijn gezin, verder moeder Mina en de kinderen Fijtje, Hessel en Samuel omvattend, woonde boven dit pakhuis.
         Corry Roest: “Het gezin is in de laatste wereldoorlog naar Duitsland vervoerd. Heel triest om te zien hoe de heer Frenkel met zijn nog jonge kinderen weggevoerd wordt. Zijn vrouw was kort tevoren overleden. De buurtbewoners leefden mee, maar konden of durfden niets te doen. De familie is niet meer teruggekomen.”
         Op nummer 129, naast het café ‘De Witte Ballon’, woonde David Mozes van Tijn met zijn vrouw Johanna en de kinderen Cisca en Mozes: ook allen om het leven gebracht, in Auschwitz.



< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'