Het voorbije joodse dordrecht

Oud-hoogleraar Anselm Citron begon zijn studie natuur-kunde als Duits vluchtelingenkind op Dordtse MTS

Anselm Citron

Anselm Citron op jonge leeftijd, eind jaren dertig. De portretfoto komt voor in een album met foto's van vluchtelingenkinderen in Fredeshiem.
Foto uit Bijzondere Collecties universiteitsbibliotheek UVA

Dat Anselm Citron, een halfjoods, Duits vluchtelingenkind, in Dordrecht verzeild raakte, was puur toeval, totaal onvoorzien.
         Nadat hij in Zutphen in 1942 was geslaagd voor het eindexamen gymnasium, had hij zo naar de universiteit kunnen gaan, bijvoorbeeld naar de faculteit geneeskunde. De schoolleiding achtte hem daar volgens het getuigschrift zeker geschikt voor. Maar de bezetter, de Duitsers, hielden niet van studerende joden, dus die mogelijkheid viel af.
         “Wat de Duitsers niet wisten”, schrijft Citron op hoogbejaarde leeftijd (de 91 voorbij) in een brief, “was dat het eindexamen ook toegang verleende tot een MTS.”
         De Dordtse MTS, gevestigd in een kolossaal, indrukwekkend gebouw aan de Oranjelaan, bleek een 4-jarige cursus natuurkunde in aanbod te hebben. “Die kans heb ik begrepen”, die opleiding ging Anselm Citron volgen. Zo werd Dordrecht zijn nieuwe woonplaats, door een onvoorziene omstandigheid.
         Citron wist de oorlog heelhuids door te komen, ook nadat hij was tewerkgesteld in Silezië. Hij groeide in Karlsruhe uit tot een gerenommeerd professor nucleaire natuurkunde, een specialisme waarvoor ‘Dordrecht’ heel misschien wel de basis heeft gelegd.

Broos
Nadat hij was opgespoord, 72 jaar nadat hij zich in Dordrecht had gevestigd, was het nog maar de vraag of en hoe Anselm Citron zou reageren. De emeritus hoogleraar had een broze gezondheid, een falend geheugen en was nu ziek. De Berlijnse tussenpersoon die het eerste contact had gelegd met de familie Citron in Karlsruhe, rapporteerde namens Anselm’s vrouw Renate en dochter Aglaia dat de redactie van deze website weliswaar vragen mocht opsturen per e-mail, maar dat wij verder vooral geduld moesten betrachten. Een reactie kon wel even duren, de situatie was moeilijk op het ogenblik, klonk het bezorgd.
         Maar een tijd later kwam die brief. Hoogstpersoonlijk door Anselm Citron geschreven, met drie kantjes informatie over zijn Hollandse verblijf en dat ook nog eens in het Nederlands – een roerende geste. Met groot doorzettingsvermogen had hij zich, dwars tegen zijn tegenstribbelend lichaam in, van zijn taak gekweten.

Geen toekomst
Joden werden in de jaren dertig in Duitsland steeds fanatieker en systematischer buitengesloten. De vader van Joachim Anselm Citron, de joodse Reichsgerichtsrat Curt Citron, voelde het scherp aan: joden leken uit de Duitse samenleving verwijderd te gaan worden. “Hij geloofde niet aan een toekomst voor zijn kinderen in Duitsland”, schrijft Anselm in zijn brief. Vandaar dat zijn vader contact opnam met een familielid in Amsterdam, een stad in een land dat eind jaren dertig joden nog ongemoeid liet. In Nederland was het kwaad nog niet binnengedrongen.
         Dat familielid was Richard Seligsohn, wonend aan de Prins Hendriklaan 50. Via zijn echtgenote, Anna Seligsohn-Citron, was Richard familie geworden van Curt Citron, een broer van zijn vrouw. Curt Citron vroeg Richard of hij Anselm, zijn neef, naar Nederland mocht laten overkomen, “in verband met de toestand die thans in Duitschland heerscht”. Richard Seligsohn stemde zonder haperen toe.
         Dat deze feiten kunnen worden gereconstrueerd, is te danken aan de stichting Dokin, die uitvoerig onderzoek heeft verricht naar de komst van Duitse en Oostenrijkse oorlogskinderen naar Nederland. Oprichtster ervan is NIOD-medewerkster Miriam Keesing. Elders op deze website is al een en ander uiteengezet over deze stichting [zie verhaal nummer 44]. Op de website van Dokin is allerlei aanvullende documentatie over Anselm Citron te vinden, met name brieven die zijn komst naar Nederland toelichten.
         Het blijkt dat niet zozeer zijn oom Richard, maar een collega van Seligsohn, de heer C.M. Anton, bereid was om Anselm “te huisvesten, in de familie op te nemen en voor zijn onderhoud en opvoeding zorg te dragen”. Anton is samen met Seligsohn directeur van de NV Transoceanic Trading Co., gevestigd aan de Herengracht 435. Om zijn mede-directeur van dienst te zijn, biedt Anton aan om de scholier bij zijn gezin in Bussum onder te brengen.
         De eerste brief die Anton hierover schrijft, dateert van 16 november 1938 en is gericht aan het Comité voor Joodsche Vluchtelingen in Amsterdam. Anton zet uiteen dat Anselm, die is geboren op 27 maart 1923 in Stettin en woont in Freiburg im Breisgau, evangelisch-luthers gedoopt is, net als zijn ouders. Maar in het eigen Duitsland wordt Anselm als halfjood niettemin voor Halbarier aangezien, en valt hij “zoodoende feitelijk onder de thans in Duitschland vervolgde joden”. Anton verzoekt het comité voor “den genoemde jongeman” een vergunning aan te vragen, zodat hij naar Nederland kan komen.

Grens
Dit gebeurt. Zoals Anselm Citron zelf meedeelt: “De joodse gemeenschap organiseerde een kindertransport”, en dat passeerde de Duitse grens bij Emmerich. “In het Nederlandse grensstation Zevenaar moesten wij in bussen overstappen en werden wij naar een tehuis in De Steeg gebracht”. Dit is het zogenoemde rivierenhuis De Steeg, toentertijd te vinden aan de Hoofdstraat 10 in Rheden, aldus Dokin. De datum is 13 december 1938.
         “Vandaar”, vervolgt Anselm, “ging het verder naar Rotterdam, waar in het quarantainestation van de haven een groot kamp voor omstreeks duizend vluchtelingen was ingericht.” Dokin noemt de locatie Quarantine Beneden Heijplaat, Quarantainestraat 1.
         Hier gaat het mis. Anselm zelf schrijft: “Contact opnemen met mijn oom in Amsterdam was verboden.” Uit een andere brief die de heer Anton schrijft, op 14 januari 1939, blijkt dat Anselm weliswaar “voorloopige toestemming” heeft gekregen om in Nederland te verblijven, maar dat hij in een tehuis zal worden geplaatst en dat de kosten daarvan ten laste van Anton komen.
         De heer Anton protesteert hiertegen. Hij heeft de ouders van Anselm beloofd dat hij voor Anselm zou zorgen, en wil die belofte gestand doen. Hij en ook het echtpaar Seligsohn willen “niet de verantwoording op ons nemen, dat dit kind, tegen de wil van zijn ouders, in een tehuis wordt ondergebracht en in dit tehuis met andere kinderen wordt opgevoed”. Hij verzoekt het comité opnieuw om Anselm naar Bussum te laten gaan, naar de Brediusweg 68.
         Of dit ervan is gekomen, is niet na te gaan. De website van Dokin stelt dat Anselm zich op 29 juni 1940 in Bussum heeft bevonden. Anselm zelf rept er niet over. Integendeel, hij meldt dat hij na Rotterdam in de bossen van Steenwijk is terechtgekomen, in het Broederschapshuis Fredeshiem. Het voert ook te ver om Citron op deze leeftijd nog over dit detail na te vragen.
         Hoe dan ook: hij kwam toch in een tehuis terecht.
        

Anselm Citron

Op 21 maart 1939 tekenden de aanwezige Duitse vluchtelingenkinderen in het Nederlandse broederschapshuis Fredeshiem het gastenboek. Dat handtekeningenlijstje is bewaard gebleven en staat afgedrukt in het boek 'Bloembollen' voor Westerbork. De derde handtekening (bij het onderdeel 'Kinderen') is die van Citron.
Foto uit het boek

Doopsgezind
Wat de betekenis van Fredeshiem voor talrijke vluchtelingenkinderen is geweest, is nauwgezet beschreven door dr. A.G. Hoekema, in het boek ‘Bloembollen’ voor Westerbork. Dit verscheen in 2011 bij uitgeverij Verloren in Hilversum, en heeft als ondertitel: Hulp door Zaanse en andere doopsgezinden aan (protestants-)joodse Duitse vluchtelingen in Nederland. Hoekema is universitair hoofddocent Missiologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.
          De inhoud, samengevat: “Onder de duizenden Joodse vluchtelingen die in ons land een schuilplaats zochten toen Hitler in Duitsland aan de macht kwam, bevonden zich enkele honderden christenen. Ze werden, tot de oorlog uitbrak, gescheiden van andere Joden, in vluchtelingenkampen ondergebracht. De Nederlandse doopsgezinden hadden hun broederschaphuizen opengesteld voor groepen Duitse kinderen en volwassenen. In dit boek wordt de bittere weg beschreven van deze vluchtelingen: de kinderen via Fredeshiem (Steenwijk) naar onderduikgezinnen, de volwassenen vanuit Schoorl, via Elspeet, Sluis en Noord-Frankrijk naar Westerbork. Doopsgezinden als Leny Leignes Bakhoven, Jacob ter Meulen en Abraham Mulder zetten zich voor hen in.”
          Hier was het, in dit Fredeshiem, dat Anselm belandde. In zijn brief schrijft hij over de Algemeene Commissie voor Buitenlandse Nooden, die “kinderen die niet van joods geloof waren, uit de quarantaine in kerkelijke instituties mocht plaatsen, onder hun bestuur. Op de katholieke zijde werden eveneens zulke mogelijkheden geschapen.”
Het klopt niet helemaal dat de commissie zich alleen om niet-joodse kinderen bekommerde. In zijn boek verklaart Hoekema over de 39 kinderen die in maart en april 1939 naar Fredeshiem werden overgebracht: “De kinderen waren tussen de zes en negentien jaar oud en vormden een behoorlijk homogene groep, al kenden ze elkaar, op een enkele uitzondering na, niet bij aankomst in Fredeshiem. De meesten waren halfjoods, enkelen hadden een volledig Joodse achtergrond. Ze waren allemaal gedoopt. Hun namen vinden we in het gastenboek van het Broederschapshuis, vergezeld van die van de leiding.”
         [Inderdaad laat een foto van dat gastenboek ook de handtekening van Citron zien.]

Anselm Citron

Dit is domina Lenie Leignes-Bakhoven, bij wie Anselm Citron in de oorlog regelmatig ging logeren.
Foto uit het boek 'Bloembollen' voor Westerbork

Domina
Het retraitehuis in Steenwijk stond “onder de leiding van dominee Leignes-Bakhoven”, schrijft Citron. “Zij droeg deze dubbele naam al voordat zij getrouwd was.” Voluit heet deze domina Helena Cornelia (Lenie). Volgens Hoekema had zij, geboren in 1910, van 21 maart tot 4 mei 1940 de hoofdleiding over Fredeshiem, “samen met zes anderen”. Vanaf mei werd zij opgevolgd door Johanna Hendrika van der Slooten (1900-1968) uit Hindeloopen, een predikante met een gedeeltelijk joodse achtergrond, en drie andere vrijwilligers.
         Lenie Leignes-Bakhoven werd hierna predikante in Borne, en zou daar Anselm Citron weer tegenkomen – meer hierover verderop.
         Later werden de kinderen, inclusief Anselm, overgeplaatst naar een ander broederschapshuis, de Johanneshof in Dieren. Daar, aldus Anselm in zijn brief, oordeelde “het nieuwe bestuur dat de kinderen naar scholen in de buurt zouden gaan”. Voor Anselm betekende dit dat hij, die in Duitsland al op het gymnasium had gezeten, in het nabije Zutphen naar het stedelijk gymnasium werd gestuurd. In 1942 slaagde hij er voor het eindexamen.
         In een archief trof Hoekema een uitvoerig fotoalbum aan. Dit was speciaal samengesteld voor en over de groep ‘Rotterdamse’ vluchtelingenkinderen van 1939. Ze zijn te zien, meldt hij, “bij allerlei gelegenheden, van aardappelschillen en de was doen tot wandeltochten maken en zwemmen”.
         Domina Leignes-Bakhoven ving in haar pastorie op het Marktplein 2 in Borne meerdere joodse onderduikers op. Het langst verbleef er Olga Pollak, het enige kind van een joodse moeder en half-joodse vader. Zij, geboren in Wenen in 1924, was zo’n kind dat door de ouders veiligheidshalve was weggestuurd, Van juni 1940 tot het einde van de oorlog hield Olga zich op in Borne. Haar pleegmoeder Lenie behandelde haar als een eigen kind en zorgde ervoor dat zij een zo normaal mogelijk leven kon leiden.

Anselm Citron

In dit huis aan de Dordtse Ceramstraat 2 (destijds: 8) woonde Citron tijdens zijn studie aan de MTS.
Foto Redactie Website

         Ook ene Erika Singer dook onder bij mevrouw Leignes-Bakhoven en in de schoolvakanties kwam steevast Anselm Citron over, om bij haar te logeren. Twee jaar achtereen verborgen zich, op zolder, verder een volwassen joodse mevrouw Menko en haar dochter Miep. Dit was buitengewoon riskant, want op een bepaald moment eiste een Duitse officier een kamer in de pastorie op. Nu bevond hij zich tegelijk met en direct onder de joodse onderduikers. Ook overnachtten er regelmatig verzetslieden die valse identiteitspapieren en voedselbonnen bij zich hadden.

Dordrecht
Het werd Anselm Citron niet toegestaan om op een universiteit te studeren; de Duitsers hielden (half)joden daar nadrukkelijk weg. Maar een opleiding aan een MTS was wel mogelijk, en zo betrad hij Dordrecht, om daar aan de plaatselijke technische school natuurkunde te gaan leren. Volgens gemeentelijke en gedigitaliseerde woonkaarten (zie: www.dordtenazoeker.nl) werd Anselm Citron op 30 juli 1942 ingeschreven op het adres Ceramstraat 8 (nu: 2). In deze woning hebben toen en lang daarna meerdere mensen ingeschreven gestaan; vermoedelijk was het een soort studentenhuis. De Ceramstraat ligt op enkele honderden meters afstand van de toenmalige MTS.
         In het 4-jarige programma van de Dordtse MTS is het derde jaar een “praktisch jaar”, een stagejaar “bij een industrie”. Citron schrijft dat hij op drie locaties stage heeft gelopen: een gieterij in Hengelo, bij de KEMA in Arnhem en ten slotte bij Philips in Eindhoven.
         Op 8 juli 1943 wordt Anselm uitgeschreven uit de burgerlijke stand van Dordrecht. Komend uit Borne blijkt hij volgens de woningkaart, na bijna een jaar, weer terug te gaan naar deze gemeente. Hoe dit allemaal rijmt met zijn studie en stages is niet meer vast te stellen. Twee feiten staan evenwel overeind.

Anselm Citron

Een aardig detail: Anselm Citron bood in de Dordrechtsche Courant van 5 juli 1943 zijn fiets te koop aan, zonder banden. Vraagprijs: 25 gulden. Een maand eerder had hij diezelfde fiets ook al te koop gezet, toen met de vermelding dat de dynamo en de lamp 12,50 gulden moesten opbrengen.
Bron: Website Delpher

         Het ene is dat hij volgens (ook gedigitaliseerde) dagjournalen van de Dordtse politie op 6 maart 1943 aangifte heeft gedaan: zijn rijwiel is zoekgeraakt “bij de Spoorwegen tijdens de verzending van Borne naar Dordrecht”. De politie: “Wordt onderzocht.” Het andere feit is dat Anselm op 5 september 1944 ineens weer wordt genoteerd als Dordts inwoner, op het adres Cornelis de Wittstraat 19 (later: 27, inmiddels gesloopt). Volgens die woonkaart was hij toen afkomstig uit Eindhoven (Lodewijk Napoleonplein 14), en verlaat hij Dordrecht pas op 7 maart 1947, bijna twee jaar na de bevrijding dus.
        
Silezië
Ook deze chronologie is een beetje verwarrend, gelet op wat Anselm meedeelt over hoe het verdere verloop van de oorlog voor hem persoonlijk was.
         In Breda was hij al eens voor de Wehrmacht gekeurd, schrijft hij, maar “vanwege mijn joodse vader werd ik niet opgeroepen”. Levend in Borne, in de pastorie van de domina, werd hij later gearresteerd, volgens Anselm zelf bij een razzia “op Nederlandse mannen die een anti-tank-linie zouden bouwen onder toezicht van de Organisatie Todt.”
         Hoekema schrijft dat Citron daarna “voor de Arbeitseinsatz naar Duitsland is gebracht. Hij wist te vluchten,” en kwam weer bij zijn ouders in Freiburg terecht. Dit is in werkelijkheid iets anders verlopen, schrijft Citron. Hij werd naar Silezië gestuurd, een regio die nu tot Polen behoort. Daar werden “grote voorraden voorbereid van bijvoorbeeld dekens, die naar de gebombardeerde steden gingen. Om die voorraden te kunnen maken, waren er niet-militairen nodig, “schone” buitenlanders, zoals Citron ze noemt. Hij was er een van en bevond zich al in een (niet nader genoemd) dorpje in Silezië.
         “De hoogste autoriteit was een Oberfeldwebel”, en, stelt hij in zijn onwennige Nederlands: “Toen ik gesproken had, riep hij zijn meerdere aan en die zegde: ‘Stuur hem naar huis. Het Arbeitsamt zal hem plaatsen.” Citron hoefde om de een of andere reden in Silezië geen dwangarbeid te verrichten en geraakte zo weer in Freiburg.

Anselm Citron

Op deze foto, vrijgegeven door het Cern, staat de heer Citron gebarend rechts, in mei 1977.
Foto Cern, Genève

Professor
Hoe het verloop van de oorlogsgebeurtenissen ook was, over de na-oorlogse is er helderheid. Ansel Citron kon nu, zonder enige beperking, studeren, en dat werd: natuurkunde. Deze wetenschap had hem te pakken. Na zijn promotie kreeg hij een baan bij het CERN in Genève, de tamelijk bekende Europese organisatie die onderzoek doet naar elementaire deeltjes, de Conseil Européen pour la Recherche Nucléaire. Nog weer later werd hij professor in Karlsruhe, bij het Institut für Experimentelle Kernphysik van het Karlsruher Institut für Technologie.
         In 1951 trouwde Anselm met Renate Lais, dochter van een joodse moeder en niet-joodse vader. Zij hadden elkaar leren kennen in 1945, tijdens een cursus natuurkunde in het huis van professor Gustav Mie in Freiburg. Renate studeerde daarna nog vijf jaar wiskunde, haar “absolute lievelingsvak”, zoals zij de Bädische Zeitung in 2009 vertelde.
         Aanleiding voor dit kranteninterview was de tentoonstelling Zug der Erinnerung, die in april dat jaar openging op perron 8 van het Hauptbahnhof van Freiburg. Uit dit station vertrok in oktober 1940 Renate’s joodse grootmoeder, samen met 350 andere Freiburger joden, een afscheid voor immer. Terugkijkend op haar leven zei de toen 82-jarige Renate Lais dat zij vijf kinderen heeft gekregen en met Anselm Citron een heerlijk leven had kunnen leiden.
         Ze had zich, vertelde ze, gehouden aan wat ze zich als jong meisje voornam: “Als ik de oorlog overleef, stel ik niets uit dat mooi of belangrijk is.” Daarom ook kon ze dit, twijfelloos en stralend, vaststellen: “Ich gehöre zu den glücklichsten Menschen, die ik kenne.”

Yad Vashem
Anselm Citron, ondertussen al decennia met pensioen, is domina Leignes-Bakhoven niet vergeten, net zomin als Olga Visser-Pollak, die na de oorlog met de kleinzoon van een Haarlemse dominee trouwde en naar de Verenigde Staten emigreerde. Anselm en Olga hebben altijd contact gehouden met hun voormalige pleegmoeder. Hoekema: “Zij bewaren goede herinneringen aan haar.” Hun beider namen zijn ook terug te vinden onder de overlijdensadvertentie voor de predikante, die overleed in 1985. Beiden waren verder ook betrokken bij de Yad Vashem-onderscheiding die in oktober 1997 postuum werd toegekend aan haar, voor haar moedige jodenhulp.
         Alleen Dordrecht, nee, de stad waar natuurkunde hem in de greep kreeg, heeft Citron niet nog eens opgezocht, biecht hij op. “Ik ben later nooit meer in Dordrecht geweest.”
         Misschien is dat maar goed ook: die trotse MTS is zonder genade vernield.

Anselm Citron

Dit is, nog volledig intact, de Dordtse MTS aan de Oranjelaan, de school waar Citron natuurkunde gedoceerd kreeg. Het gebouw is inmiddels gesloopt.
Foto RAD (nummer 552_402960)

[Prof. dr. Anselm Citron is op 8 december 2014 in zijn woonplaats Karlsruhe overleden, op 91-jarige leeftijd.]

 


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'