Het voorbije joodse dordrecht

‘Dordtse’ overlevenden, deel
4 en slot: Bertie Rodrigues

Bertie Rodrigues

Bertie Rodrigues, anno 2020
Foto Redactie Website

Bertie Rodrigues heeft de oorlog overleefd, maar ze hoort ’m nog altijd: de echo van de Holocaust.
Van het gezin waartoe zij behoorde, bleven alleen haar broer Salomon en zijzelf in leven. Haar vader Mozes Rodrigues, haar moeder Elisabeth Engers en haar broertje Benjamin zijn alle drie vermoord in Sobibor. En zoom je uit, dan is het aantal slachtoffers nog groter: ooms, tantes, neven en nichten – hun bestaan werd voortijdig uitgewist. Het leed was onbevattelijk.
        Op 12 november 2017 hield Bertie Rodrigues een toespraak in de Grote Kerk. Tijdens een herdenkingsbijeenkomst daar werd er bij stilgestaan dat 75 jaar geleden rond die tijd een groot deel de Dordts-joodse bevolking werd afgevoerd naar de vernietigingskampen.
        Bertie vertelde toen over de echo van de Holocaust. Zij is vanzelfsprekend blij dat zij een overlevende is, maar dat besef doet haar niet bepaald onbezorgd rondstuiteren van plezier en levensvreugde, integendeel. “Wat de overlevenden rest, zijn schuldgevoelens, angst, eenzaamheid en voorál verdriet”, zei ze uit eigen ervaring.
        In dit verhaal: hoe Bertie Rodrigues in Sneek als Elly Rijpkema aan de jodenvervolging wist te ontkomen, maar in ruil daarvoor vele lange jaren haar identiteit kwijtraakte.

Derde
Mozes (‘Percy’) Rodrigues was het derde kind van Salomon Rodrigues (Amsterdam, 9 juli 1886) en Rachel Berclouw (Amsterdam, 16 juni 1887). Elisabeth Bertha Engers was het tweede kind van Benjamin Engers (Amsterdam, 5 april 1887) en Bertha Reindorp (Amsterdam, 2 oktober 1876). Allebei waren het geboren Amsterdammers. Mozes kwam ter wereld op 27 augustus 1909, Elisabeth op 28 mei 1914. Op een zekere dag ontmoetten ze elkaar, er ontstond verliefdheid, en dat kwam tot een huwelijk, op 26 mei 1937. Hij was al 29, zij pas 22.

Christiaan de Wetstraat in Amsterdam

Het gezin waartoe Bertie Rodrigues behoort, woonde in de Christiaan de Wetstraat in Amsterdam, op nummer 2 huis.
Deze foto toont de buurt. Links is de President Brandstraat 2 tot 6, rechts om de hoek is de Christiaan de Wetstraat v.r.n.l. 2-6.
Foto Stadsarchief Amsterdam (nr. BMAB00016000044_55) 

        Het echtpaar ging wonen aan de Christiaan de Wetstraat 2 huis, in Amsterdam-Oost, in de Transvaalbuurt – “waar 57 percent van de bewoners joods was”. Dit gegeven staat in Theesurrogaat voor Sneek, het boek dat Jantje E. Bazuin (Nieuweschans, 1929) in 2006 publiceerde bij uitgeverij Penn in Leeuwarden. Het gaat over de tientallen joodse kinderen die de Tweede Wereldoorlog als onderduikertjes overleefden in de Friese Zuidwesthoek. “Ze vonden onderdak in boerderijen, grote huizen en kleine arbeiderswoningen, bij alle soorten mensen.”
        Bertie Rodrigues was een van hen, en uit het grondige hoofdstuk over haar wordt hier dankbaar geciteerd. Het is namelijk het eerste, en vooralsnog ook het enige verhaal dat inzicht geeft in haar onderduiktijd.
        Salomon (‘Sal’) was de eersteling van schoenmaker Mozes en Elisabeth. Hij werd geboren op 18 maart 1938. Benjamin volgde na hem, op 26 september 1939. En ten slotte verscheen Bertha Elisabeth, omgekeerd genoemd naar haar moeder, alias Bertie, op 7 juli 1941.
        Haar ouders waren “aangesloten bij de Portugees-joodse synagoge, hoewel ze niet uitgesproken orthodox waren”, schrijft Bazuin, die Nederlands en geschiedenis studeerde in Amsterdam en lerares was in Heerenveen, Alkmaar, Paramaribo en Sneek. “Ze lieten hun zoontjes besnijden en hielden zich aan de spijswetten. Veel persoonlijks is er niet over hen bekend, want de kinderen waren bij het uiteenvallen van het gezin te jong om zich dat te herinneren.”

familie Rodrigues

Deze foto toont de familie Rodrigues. De foto is gemaakt 1941. Bertie Rodrigues staat er niet op, zij was toen nog een baby van enkele maanden oud. “In het midden”, vertelt zij over de foto, “zit mijn trotse grootvader Salomon Cohen Rodrigues. Ze vieren, eind 1941, een familiefeest en zijn zich totaal niet bewust van het feit dat dit de laatste keer is dat ze samen zijn.” Op een enkeling na eindigde de familie in de gaskamers.
Op de eerste rij, helemaal links, zit Bertie’s moeder Lies, de vijfde persoon in die rij is haar grootvader Sal, rechts van hem zit een kind: een oom van Bertie, ook Sal geheten. In de tweede rij staat haar vader Percy, de achtste persoon.
De foto werd getoond bij de toespraak van Bertie Rodrigues in het Dordtse stadhuis, tijdens de Holocaustherdenking op 27 januari 2020. Ze zei er toen over: “Altijd als ik naar die foto kijk en ik zie al die familieleden naar mij kijken, besef ik dat ik als enige van deze grote familie kan en moet vertellen wat er met hen is gebeurd.”
Foto Familiebezit


Dirk en Trijntje Rijpkema

Bertie en haar broer Salomon ontsnapten via de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg aan de jodenvervolging. Zij werden ondergebracht in Sneek: Salomon bij de weduwe D. Bosma, Bertie bij de familie Rijpkema. De foto toont haar pleegouders, Dirk en Trijntje Rijpkema
Foto Privébezit

Crèche
Dat uiteenvallen gebeurde in 1943. Het gezin Rodrigues belandde in de Hollandsche Schouwburg, de verzamelplaats voor te deporteren joden. Met toestemming van hun ouders verbleven Sal en Bertie in de crèche aan de overkant van de Plantage Middenlaan. “Dat was hun redding, want ze zijn er beiden uitgesmokkeld.” Het is inmiddels een bekend wapenfeit, geboekstaafd in meerdere publicaties: de heldhaftige, onverschrokken reddingacties vanuit deze crèche, een geheime operatie, bedacht door de directrice, Henriëtte Henriquez Pimentel, en medewerkers van de Joodsche Raad.
        Sal en Bertie waren niet de enigen die werden weggehaald. Ongeveer zeshonderd kinderen zijn via de tuin van de crèche naar de Hervormde Kweekschool gebracht. Vandaar, zo vertelt de website “Joods Cultureel Kwartier”, smokkelden vrouwen en jonge meisjes de kinderen naar buiten in rugzakken, wasmanden en melkbussen. Vervolgens werden dezen per tram en trein naar Friesland en Limburg gebracht.
        Benjamin (‘Bennie’) had een zwakke gezondheid, een ernstige vorm van astma. Daarom bleef hij bij zijn ouders. Gedrieën werden zij naar kamp Westerbork vervoerd, daarna naar Sobibor. Moeder Elisabeth eindigde er op 21 mei 1943, 28 jaar. Haar man Mozes en haar zoon Benjamin wachtte er een maand later hetzelfde lot. Zij stierven beiden op 23 juli, respectievelijk 33 en 3 jaar.
        Sal kwam in Friesland terecht in de volksbuurt De Nieuwe Selfhelp van Sneek, bij de weduwe D. Bosma. Volgens Jantje Bazuin waren bij haar nog enkele joodse onderduikertjes en schipperskinderen “in de kost”. Bertie dook onder in het gezin van rijwielhandelaar en fietsenmaker Dirk Rijpkema (Sneek, 8 november 1891) en zijn vrouw Trijntje Schuitemaker (Noord-Scharwoude, 29 maart 1904), die woonden aan de Opperhuizerweg. Volgens een dossier over haar van het Bureau Oorlogspleegkinderen (OPK), dat zij na de oorlog mocht inzien, was Bertie bij aankomst in Sneek “een geschokt, nerveus kind”, “zwaar ondervoed”, dat “aan één stuk door krijste”.

archiefkaart van het gezin van Mozes Rodrigues en zijn vrouw Elisabeth Bertha Engers

De archiefkaart van het gezin van Mozes (‘Percy’) Rodrigues en zijn vrouw Elisabeth Bertha Engers,
met de namen en geboortedata van hun drie kinderen.
Foto Stadsarchief Amsterdam

Vals
Ze ging Elly Rijpkema heten en werd letterlijk onder de drie dochters (Maartje Nine, Rigtje Dirkiena en Gretha) van Dirk en Trijntje geschoven, althans in het valse trouwboekje dat haar pleegvader en -moeder lieten maken. Ze rommelden ook met het geboortejaar van Bertie. Omdat hun eigen Gretha op 2 november 1941 was geboren, en de geboortedag van Bertie 7 juli 1941 was, werd 1941 veranderd in 1942. Want twee kinderen zo kort na elkaar baren, was menselijkerwijs niet mogelijk.
        Los van het ondergeschoven kind Bertie en drie eigen kinderen – twee maanden na de oorlog kwam er nog een Anna Wiesje bij −, namen Dirk en Trijntje nóg een pleegkind in huis, Douwe Walter, geboren in 1933. In werkelijkheid was dit Walter Maarten Fuchs. Na de bevrijding ging Walter terug naar zijn ouders, die volgens Bazuin “hun eigen onderduik óók hadden overleefd”. Dit waren Herbert Heinrich Fuchs (Karlsruhe, 1 augustus 1901 – Huizen, 18 november 1989) en Elisabeth Dorothea Furnee (Den Haag, 18 januari 1907 – Naarden, 20 januari 1983).
        De roodharige Elly Rijpkema heeft het “heel goed” gehad bij de Rijpkema’s. Bazuin: “Het was een gaaf en gezellig gezin.” Niet iedereen was even aardig voor haar: “De ene grootmoeder behandelde het vreemde kind voortdurend onaangenaam, omdat ze rood haar had. Iemand met rood haar deugt niet, het was een oeroud en bij sommigen kennelijk onuitroeibaar vooroordeel.”
        Elly werd net als alle andere kinderen in het huis gereformeerd opgevoed, “een vanzelfsprekendheid waarbij het meisje weinig vraagtekens plaatste”. Als leerplichtige werd ze na de oorlog naar de naburige christelijke Wilhelminaschool in het Sperkhem gestuurd. “Het hoofd van de school, de heer Nauta, behandelde zijn joodse leerlingen (Bertie, haar broer Sal en Ids Boot) heel prettig en sprong zonodig voor hen in de bres.”
        Ze werd op school of op straat nooit geplaagd, ook niet om haar rooie haar, vertelde ze Bazuin. “Ik was eerder degene die plaagde.” Bazuin: “Ze was pittig, liet zich de kaas niet van het brood eten.”
        In 1948, zeven jaar oud zijnd, kregen Dirk en Trijntje de voogdij over Elly. Ze vertelden dat zij niet hun eigen kind was, maar een joodse wees en dat haar werkelijke naam Bertie was. Toen ze dat vernam, vertelt Bazuin, liet ze zich voortaan ook Bertie noemen. “Ook gaf ze al jong te kennen dat ze de voogdij oké vond, ze wilde niet geadopteerd worden. ‘Ze waren goed voor mij, maar het voelde niet aan als eigen.’”

brief van haar grootvader, Salomon Rodrigues

Kortgeleden, zo vertelde Bertie Rodrigues tijdens Holocaustherdenking in het Dordtse stadhuis, vond zij een brief van haar grootvader, Salomon Rodrigues. Deze had geprobeerd te vluchten, maar werd verraden en opgepakt. “Hij belandde in een werkkamp en naar mijn idee had hij nog steeds niet in de gaten welk lot hem wachtte.” De brief is gericht aan zijn (tweede) vrouw Miep en wordt hieronder weergegeven. De tekst is voor de leesbaarheid overgetikt en voorzien van interpunctie. Bertie Rodrigues vond het opmerkelijk dat haar grootvader naar haar vader vraagt, Mozes Rodrigues, die Percy werd genoemd. “Dat leek wel een waarschuwing.”
De brief is gedateerd op 4 augustus 1942. Een maand later werd Salomon Rodrigues vergast in Auschwitz, op 30 september.

Rechtbank
Het toekennen van de voogdij viel samen met een bezoek van Jacob Rodrigues. Hij, een broer van Berties vader Mozes, was naar Zwitserland gevlucht en had daar de oorlog overleefd in een interneringskamp. Jacob spoorde Bertie en Sal op, met behulp van het Rode Kruis en het Bureau OPK. Hij wilde de kinderen bij zich in huis nemen en opvoeden. In 1953 begon hij daartoe ook een rechtszaak, maar “de rechtbank besliste negatief”. Het argument: Mimi (Maria Elisabeth Lechner), de Duitse, niet-joodse vrouw van Jacob, zou “niet geschikt” zijn om de kinderen op te voeden.
        Voor de oorlog was zij in haar eentje en uit pure armoede naar Nederland gekomen om er werk te zoeken. Ze “ontspoorde tijdelijk en kwam terecht in de prostitutie”. Maar Bazuin denkt dat de werkelijke reden voor de afwijzing “ook heel goed” een andere kan zijn geweest: “de toen veelal gevolgde gedragslijn om kinderen in het milieu te laten waarin ze waren thuisgeraakt.”
        Bertie en Sal waren in de oorlog nog te jong om zich hun ouders te kunnen herinneren, Sal vijf, Bertie twee. Na de oorlog bleken er bovendien weinig familieleden te zijn overgebleven die over Mozes en Elisabeth konden vertellen (een overzicht van alle 19 omgebrachte familieleden en 5 overlevenden is via deze link te raadplegen, red.).
        Toch heeft Bertie nog iets kunnen achterhalen, vertelde zij Jantje Bazuin. “Mijn moeder kon heel goed naaien. Dat ben ik in 1999 te weten gekomen van een oude achternicht van haar, met wie ze samen in een atelier heeft gewerkt. Die nicht zei ook dat mijn moeder heel lief was, maar dat mijn ouders wel erg arm waren in de crisistijd en met drie kinderen vlak achter elkaar.
        “Pas in 2002 bleek dat er nóg een nicht van mijn moeder in leven was; die was acht jaar bij mijn geboorte. Ze heeft een broer, een neef van mijn moeder dus, in Antwerpen. Verder was er een schoonzuster van mijn moeder, Niesje Porcelijn, getrouwd met mijn moeders jongste broer, David Engers. Zij was een joodse verzetsvrouw, dook onder en overleefde de oorlog.” Behalve haar oom Jacob is er nog een halfbroer van Bertie’s vader, Sal Rodrigues. “Dan heb je het wel gehad. Mijn familie is praktisch helemaal gedeporteerd. Het zijn er zoveel!”.

vegetarische restaurant De Gaarde en een natuurvoedingswinkel

Als verpleegster werkend in Dordrecht leerde Bertie Rodrigues in de jaren zeventig de maatschappelijk werker Jan Troost kennen, met wie ze trouwde. Op de hoek van de Groenmarkt en het Scheffersplein begonnen zij in de jaren tachtig het vegetarische restaurant ‘De Gaarde’ en een natuurvoedingswinkel.
Foto’s Regionaal Archief Dordrecht (nrs. 552_327121 en 552_327109)

Pension
In 1953 vond er “een grote verandering” plaats in Bertie’s leven, ze was twaalf jaar nu. Haar pleegouders verhuisden naar Terschelling, waar ze een pension begonnen. Hoewel ze op het eiland naar de mulo ging, werkte Bertie sindsdien van Pasen tot september in dat pension. Toen ze zestien was, wilde ze dit niet langer. “Ze ging het huis uit en zocht een werkkring als interne kracht in een zwakzinnigeninrichting in Soest. […] Het ondergeschoven kindje wrikte zich los uit de liefdevolle, maar langzamerhand wel wat knellende familiebanden.”
        Later begon ze aan een opleiding tot verpleegster in het Diaconessenhuis te Emmen. “Nog steeds kende of ontmoette ze geen andere joden. Ze praatte met niemand over haar oorlogsverleden en identiteit. Het leefde voor haar ook niet zo in die jaren.” Na Emmen volgde Dordrecht, waar ze kwam te werken als verpleegkundige in dienst van de gemeente, om kinderen op school te keuren op tbc. Ze leerde er de gereformeerde maatschappelijk werker Jan Troost kennen, met wie ze trouwde en met wie ze het vegetarische restaurant ‘De Gaarde’ en een natuurvoedingswinkel aan de Groenmarkt begon.
        Haar broer Sal emigreerde naar Israël. Bertie en Jan kreeg drie kinderen, twee dochters en een zoon. Inmiddels zijn er zes kleinkinderen, onder wie een tweeling.
        Dirk Rijpkema, Bertie’s pleegvader, overleed op 25 juni 1970, 78 jaar oud, zijn vrouw Trijntje op 18 november 1976, 72 jaar oud. Een jaar voor haar overlijden kregen zij en (postuum) haar man op 24 juni 1975 in Den Haag een Israëlische onderscheiding uitgereikt: zij kregen de eretitel ‘Rechtvaardige onder de Volkeren’, die wordt toegekend door Yad Vashem. De onderscheiding, inhoudende een medaille en oorkonde, was niet alleen bedoeld voor hun onderduikhulp aan Bertie Rodrigues, maar ook aan die voor Walter Fuchs [die trouwde met Rita Hilde Leeuwin].

onderscheiding van Yad Vashem voor hun onderduikhulp

Op 24 juni 1975 kregen Bertie’s Friese pleegouders een onderscheiding van Yad Vashem voor hun onderduikhulp.
De foto toont de oorkonde, die is verstrekt in september 1976.
Foto Privébezit

Identiteit
Een incident tijdens een cursusweek wierp Bertie in 1995 “plotseling en onverwachts terug op haar joodse identiteit”. “Ik liep tegen mezelf op en voelde me alleen op de wereld. Ik wist dat ik eigenlijk joods was, maar kon er niets mee doen”, vertelde ze Bazuin. Inmiddels is Bertie Rodrigues voluit joods. In Dordrecht is ze nu bovenal bekend om haar joodse afkomst, en als pleitbezorgster van joodse gebruiken, muziek en cultuur, zie op deze website verhaal 205.
        Tijdens de herdenkingsbijeenkomst in de Grote Kerk keek ze terug op die periode van twijfel in de jaren negentig: “Ik ben heel lang heel voorzichtig geweest met te vertellen dat ik joods ben. Want mijn ervaring was immers dat je je leven niet zeker was als dat bekend werd. Geleidelijk aan durfde ik er voor uit te komen dat ik joods ben.”
        Tijdens een interview met de redactie van deze Stolpersteine-website, in april 2019, vertelde ze waarop zij in deze tegenwoordige tijd liever het accent legt: “Jullie, de werkgroep Stolpersteine, gaan over de doden. Ik wil het hebben over de levenden.” Ze verklaarde voorstandster te zijn van “een vrolijk, licht jodendom”.
        Maar die echo van de Holocaust blijft ze maar horen. Die verstomt niet.

familie van Bertie Rodrigues en haar broer Salomon

“Ik bleef leven om een nieuwe generatie op te bouwen”, zei Bertie Rodrigues tijdens de Holocaustherdenking. Deze foto toont de omvangrijke familie van haar en haar broer Salomon, de enige twee leden van het gezin Rodrigues die de oorlog overleefden. De foto is gemaakt in haar tuin.
Salomon, die in Israël woont, staat in het midden, in zijn blauwe overhemd. Naast hem zijn Israëlische echtgenote, Zippora. Bertie staat direct naast hem, links, en vlak achter haar staat haar man Jan Troost.
In de tweede rij, op plaats 2, nog een overlevende, oom Sal Cohen Rodrigues, met links zijn echtgenote Marijke Rodrigues. Links van Bertie staat een achterneef, die “een paar jaar geleden opeens weer in beeld kwam”: Hans Cohen Rodrigues met zijn vrouw, die iets lager zit, Cora Rodrigues. De dame rechts naast Salomon is de weduwe van een oom van Bertie, Gerda Rodrigues. “En alle jonge mensen zijn onze kinderen met partners en onze kleinkinderen. De nieuwe generatie!”

 


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'