Het voorbije joodse dordrecht

Pas in Dordrecht konden de zusjes Edith
en Ilse Wellner ongestoord onderduiken

In Dordrecht kon er voor Edith en Ilse Wellner, twee jonge Berlijnse jodinnen, eindelijk een einde komen aan hun vlucht.
        Al jaren probeerden ze uit handen van de Duitsers te blijven, hun eigen landgenoten. Ze hadden her en der al geschuild, ieder voor zich apart, en hun moeder ook. Welbeschouwd waren ze hun hele jonge leven al op de vlucht - eerst halsoverkop vanuit Berlijn naar Nederland, daarna in Nederland zelf, vanaf het moment dat de Duitse jodenhaat over de grens spoelde.
        Maar in Dordrecht was het voorbij. De oorlog woedde nog onverminderd, en hun angst was er niet minder om. Maar eenmaal aangekomen in het huurhuis van mevrouw J. H. Schaafsma-Reinhardt (‘tante Jo’) aan de Singel - Edith een jaar eerder dan Ilse -, konden ze ongestoord ondergedoken blijven, tot aan de bevrijding. Vluchten hoefde niet meer. Tante Jo werd hun steun, stut en toeverlaat. Edith begon er zelfs iets van een gezinsleven te ervaren.
        Edith en Ilse Wellner waren zomaar enkele van de tientallen onderduikers die in Dordrecht de tijd beidden. Wie zich in de oorlog allemaal angstvallig verstopte, was een geheim. Anonimiteit was nu eenmaal de clou van onderduiken. Ook het verblijf van Edith en Ilse zou normaal gesproken onopgemerkt zijn gebleven. Totdat Ad Breevaart, voormalig pr-medewerker en personeelsman van de Dordtse politie en oud-voorzitter van de lokale PvdA, in een ander verband hun namen een keer liet vallen.
        Dat was op zich niet zo vreemd: tante Jo is de oudste zus van zijn moeder. Maar hierdoor werden de Wellners ineens bekend. En nu de namen van deze Dordtse onderduikers bekend waren, kon er misschien geschetst worden hoe hun onderduiklevens verliepen. Vragen te over: Hoe kwamen deze meisjes in Dordrecht terecht? Wie waren hun ouders, wat was hun achtergrond? En is na de oorlog contact met tante Jo intact gebleven?
        Breevaart vertelde uit zijn geheugen het zijne, noodgedwongen op hoofdlijnen: hij was ook maar pas 12, 13 in de oorlog. Maar de dochter van Edith Wellner, Renée R. Kuijpers-Wellner, was bereid de ontbrekende details in te vullen – zo’n beetje als woordvoerster van de familie. Deze twee bouwden dit verhaal op, een terugblik op een onderduik in Dordrecht.

Hermann Wellner (omstreeks 1935) en zijn echtgenote Amalia Wellner-Kessler (omstreeks 1950)

Deze twee foto’s tonen Hermann Wellner (omstreeks 1935) en zijn echtgenote Amalia Wellner-Kessler (omstreeks 1950), de vader en moeder van Edith en Ilse. In 1933 vluchtte het gezin vanuit Berlijn via Praag naar Amsterdam.
Foto’s Familiebezit


Meesterbontwerker Hermann Wellner

Meesterbontwerker Hermann Wellner, officieel Abraham Hirsch Wellner geheten, overlijdt onverwachts op 24 februari 1939, 52 jaar oud, meldt een advertentie in het Algemeen Handelsblad van 25.2.1939.
Foto Delpher

Pogrom
Vluchten moesten de Wellners al voordat Hitler de joden tot mikpunt maakte.
        Abraham Hirsch (‘Hermann’) Wellner, de latere vader van Edith en Ilse, kwam ter wereld in Polen, in Chrazanov, op 23 november 1886. Hij was joods. Amalia Kessler, hun moeder, werd eveneens in Polen geboren, in Lemberg, op 8 april 1983. Ook zij was joods. Hun geloof maakte ze verdacht: joden werden in Polen allerminst met rust gelaten. Er waren geregeld pogroms, van die methodische, gewelddadige aanvallen op de joodse bevolking in een stad of dorp, al voordat er sprake was van nazisme. In Polen tierde rabiaat antisemitisme.
        De pogroms, waarbij joodse bewoners werden mishandeld of anders vermoord, dreven Hermann en Amalia het land uit, onafhankelijk van elkaar. Ze gingen in exil in Berlijn, en pas daar leerden ze elkaar kennen, vertelt Renée, hun kleinkind. Ze trouwden en kregen twee dochters, eerst Edith, op 14 juni 1921, vervolgens Ilse op 31 december 1927. “Ondanks de crisis van de jaren twintig deden ze door vakmanschap en hard werken goede zaken. Mijn grootvader was meester-bontwerker, mijn grootmoeder deed de verkoop. Ze was een zakenvrouw pur sang.”
        Het gezin woonde in de Landsberger Stra?e, een zijstraat van de Alexanderplatz. De straat zou in de oorlog compleet vernield worden; er is thans geen spoor meer van het huis te vinden.

Tip
Begin 1933 kwam Hitler aan de macht. Hij wilde de nazi-Duitse hegemonie vestigen en Lebensraum scheppen voor het Arische ras. Daar pasten joden volstrekt niet in.
        Weer zagen Hermann en Amalia zich genoodzaakt te vluchten. Ze hadden geluk. Een politieagent, die “een bijzonder goede relatie had met mijn zeer vriendelijke grootvader” (Renée), tipte ze over de naderende arrestatie. Hij ried ze dringend aan weg te gaan en dat deed het gezin acuut. “Ze moesten binnen twaalf uur huis en have verlaten. Het heeft hun leven gered.”
        Na een omweg, via Praag veronderstelt Renée, kwam het gezin in Amsterdam aan. Volgens de gezinskaart in het Gemeentearchief werden de Wellners ingeschreven op 19 september 1933. Hun eerst woonadres was de J.W. Brouwersstraat 5 huis, vanaf 17 juni 1939 werd het de Beethovenstraat 7. In hun nieuwe woonplaats pakten Hermann en Amalia “de draad snel op”. Ze openden een bontatelier en hadden ook een -zaak in de Leidsestraat, op nummer 50. Edith doorliep er vier jaar lyceum, de jongere Ilse ging er naar de joodse lagere school.
        Bij beide kinderen tekende zich onder andere een talent voor muzikaliteit af; dat hadden ze volgens Renée van hun vader geërfd. “Edith speelde piano, Ilse viool. Het was snel duidelijk dat Edith naar het conservatorium zou gaan.”
        In 1939, op 24 februari, overleed “tamelijk onverwachts” Hermann Wellner, aan een oorontsteking, 52 jaar oud. Zijn vrouw Amalia zette de bontonderneming NV Welbont, inmiddels gevestigd aan de Keizersgracht 280, voort, “met behulp van de ateliermedewerkers en een vertegenwoordiger, Hans Holz”. Deze Holz was eveneens een vluchteling uit Berlijn, en zou tot de dood van Amalia haar partner blijven.

Amalia Wellner zet de zaak van haar man voort, samen met vertegenwoordiger Hans Holz

Amalia Wellner zet de zaak van haar man voort, samen met vertegenwoordiger Hans Holz, die vervolgens tot haar dood haar partner zou blijven. Amalia en Hans weten de hele oorlog onder te duiken in Lunteren.
Foto Familiebezit


Dit is het huis aan de Singel (met het groene affiche), waar eerst Edith en een jaar later Ilse konden schuilen bij mevrouw Johanna Hendrika Schaafsma, tante Jo

Dit is het huis aan de Singel (met het groene affiche), waar eerst Edith en een jaar later Ilse konden schuilen bij mevrouw Johanna Hendrika Schaafsma, tante Jo. In de achtertuin is tijdens de oorlog een joodse vrouw zolang begraven.
Foto Redactie Website

Utrecht
Edith ging daadwerkelijk naar het conservatorium, zij het op aanraden van een van haar docenten, Bertus van Lier, in Utrecht, niet in Amsterdam. “Zij was een uitstekende studente”, meldt Renée over haar moeder, “zeer getalenteerd, maar ze had de pech dat ze twee maanden voor het laatste onderdeel van haar eindexamen moest onderduiken.”
        Nederland was door de Duitsers bruusk ingenomen, nu moesten ook in Nederland de joden vrezen voor hun leven. De nazi’s zouden er, al accelererend, alles aan doen om ze te breken. Onderduiken werd een levensvoorwaarde.
        Hans Holz vond “vlot voor zichzelf” een adres in Lunteren, bij de familie Moenen. Amalia werd op een dag opgepakt en in de gevangenis gestopt. Maar, vertelt Renée, ene heer Erich August Paul Puttkammer (1891) van de Amrobank “kreeg haar vrij, op de persoonlijke garantie dat zij zich weer na een dag zou melden”. Ze zou thuis wat spullen halen en iets voor haar twee dochters regelen. Maar met hulp van onder anderen de muziekcriticus John Daniskas weet ze nog diezelfde dag listig uit te wijken naar Lunteren. En daar is ze met Holz de hele oorlog ondergedoken gebleven.
        Edith en Ilse stonden er nu alleen voor. Exacte details weet Renée niet, en precieze data evenmin. Maar haar relaas kan worden aangevuld met gegevens uit het archief van Yad Vashem, het Holocaust-herdenkingscentrum in Israël.
         Ilse belandde via haar docent Bertus van Lier bij de familie Stempels in Utrecht. Van Lier was bevriend met Nicolaas Alexander jr. (‘Klaas’), de oudste zoon (geboren 1907) van vader Nicolaas Alexander senior (1882) en moeder Jacoba Vogel (1882). Het was deze Klaas die Ilse meenam naar huis, zodat zij er kon onderduiken. Hij bracht hier ook Edith gedurende enkele weken onder.
        Meerdere joden hebben korte tijd geschuild in de woningen van de familie Stempels - reden waarom de gezinsleden ver na de oorlog, op 8 september 1970, voor hun hulp door Yad Vashem zijn onderscheiden. Ze zijn nu ‘Rechtvaardigen onder de Volkeren’ verklaard. Ook Renée Wellner noemt de familie “moedig en heldhaftig”.

driedaags Circus Festival in de Dordtsche Manege aan de Vest

Dit zijn Ilse (gefotografeerd in omstreeks 1948) en Edith (1952) Wellner. Edith is na de bevrijding naar Amsterdam teruggegaan met haar moeder Amalia, Ilse bleef een jaar langer bij tante Jo en deed in Dordrecht haar eindexamen hbs.
Foto’s Familiebezit


Ad Breevaart, een neef van tante Jo

Ad Breevaart, een neef van tante Jo, openbaarde de onderduik in Dordrecht van Edith en Ilse. Hij heeft nog altijd contact met de familie Wellner.

Achtertuin
In november 1942 ging het grondig mis. De Duitsers omsingelden ’s nachts het huis van de Stempels, op zoek naar verzetslieden. Terwijl Jacobus (1921), de jongste zoon, een van de politiemannen afleidde, wist Ilse te vluchten, geholpen door moeder Jacoba, die haar vertelde naar wie ze heen moest gaan. Renée: “Ilse vluchtte op sokken via een achterdeur en de achtertuin.” Ze rende naar de familie Brandt Corstius, die een paar huizen verderop woonde. Ilse kende professor Brandt Corstius, want van hem kreeg ze bijlessen. Bovendien waren het vrienden van de Stempels.
        Klaas Stempels werd gearresteerd en is om zijn verzetswerk geëxecuteerd op 9 oktober 1943 bij fort Rhijnauwen in Utrecht.
        Ruim een jaar later dook Ilse onder in Dordrecht; eind 1943 dus. Daar was een jaar eerder haar zus Edith al vluchtend terechtgekomen. Edith was eerst naar Grubbevorst gebracht, maar moest er na een paar weken alweer vertrekken. Het adres was toch niet veilig. Gorinchem werd toen de volgende halte; ze verbleef er bij een familie Sillevis. Daarna belandde ze bij Johanna Hendrika Schaafsma-Reinhardt, de vrouw die voor haar tante Jo werd.
        Maar waarom daar, in Dordrecht? Ad Breevaart (1932) kan het eenvoudig verklaren. Zijn tante kende de familie Stempels uit Utrecht.
        Johanna Schaafsma, geboren in Dordrecht op 27 januari 1890, is de oudste zus van Breevaarts moeder, Jeanne Reinhardt. Hún beider moeder, Ad’s oma, overleed toen Johanna nog pas zestien was. Als gevolg daarvan moest zij al jong “gaan moederen”. Haar vader hertrouwde. Zijn tweede vrouw vond, vertelt Ad Breevaart, dat Johanna, kortweg Jo, “zich moest ontplooien”. Ze werd kleuterleidster, hoofd zelfs van een openbare fröbelschool in Utrecht.
        Ze trouwde met een veel jongere man, Hendrik Schaafsma en kreeg met hem twee zonen, Bouwe (‘Bob’; 1927) en Henk (1924). Na een huwelijk van 12,5 jaar scheidde ze in 1937. Ze verhuisde terug naar Dordrecht, met haar zonen. Daar ging ze als pensionhoudster kamers verhuren, in haar huis aan de Singel 26 (nu: 30). Breevaart: “Eerst aan dames, later ook aan studenten van de mts.”
        Bij deze vrouw, die volgens Ad “strak ingedeeld leefde”, kwamen Edith en Ilse uiteindelijk te schuilen, in Dordrecht eindigde het voortdurende vluchten. Tante Jo werd een veilig toevluchtsoord.

Ilse trouwt in 1948 met Bram van Zuiden; Edith in 1950 (kortstondig) met Alfred Meyer

Ilse trouwt in 1948 met Bram van Zuiden; Edith in 1950 (kortstondig) met Alfred Meyer,
aldus advertenties in hetNieuw Israelitisch Weekblad.
Foto’s Delpher


Edith gaf een pianoconcert in Kunstmin, op 17 juni 1945

Edith gaf een pianoconcert in Kunstmin, op 17 juni 1945. Ad Breevaart herinnert zich haar toen een boeket te hebben gegeven.
Foto Krantenbank RAD

Gezellig
Edith sprak over de onderduikperiode bij tante Jo van “een bijzondere tijd”. “De angst, het verdriet en de ongewisheid waren er natuurlijk wel. Maar de familie Schaafsma en de inwoners aan wie ze kamers verhuurde, vormden zo’n hechte en gezellige groep, dat Edith, het geen erg nare tijd vond. Voor het eerst had ze ook een beetje een gezinsleven. Haar ouders werden immers steeds opgeslokt door de zaak.”
        Ilse kwam pas een jaar later, en haar beviel het verblijf ook. “Ze heeft de hele periode in Dordrecht autonoom het volledige hbs-schoolprogramma gedaan, dankzij de boekenlijst die ze kreeg van Anneke Breevaart, de zus van Ad die één jaar jonger was. De heer M. Holleman, leraar aan de School voor Mulo aan de Groenedijk, gaf Ilse les, zodat zij na de oorlog direct naar de vijfde klas van de hbs kon. Ilse is na de bevrijding ook een jaar langer bij tante Jo gebleven, en heeft daar het eindexamen gedaan en gehaald.” Ad Breevaart: “Lezen deed je in de oorlog bij een lampje, terwijl iemand op de fiets voor licht zorgde.”
        Zodra de bevrijding voorbij was, probeerden de Wellners het normale leven te hernemen. Edith ging terug naar Amsterdam, net als haar moeder. Per 5 juni 1945 betrokken zij de oude woning aan de Beethovenstraat 7 I, om op 9 juli 1946 te verhuizen naar de Minervalaan 34 I. Ze woonden samen en lieten zich begin 1949 naturaliseren tot Nederlanders. Hun namen kwamen in de Staatscourant.
        Edith werkte bij de joodse voogdijraad, totdat ‘omi Wellner’ naar Zwitserland emigreerde, en Edith meeging. Daar, in Zürich, werd op 21 juni 1949 Renée geboren. Haar vader is haar onbekend, zegt ze kortweg. Een jaar later trouwde haar moeder met Alfred Meyer uit Bern; de bruiloft werd vermeld in het Nieuw Israëlitisch Weekblad van 24.11.1950. “Telegram-adres: Hotel du Nord, Zürich 1”, stond erbij.
        Maar dit huwelijk duurde slechts kort, en in 1952 emigreerde Edith naar Israël, samen met haar dochtertje. In 1958 keerden zij terug naar Zwitserland, naar Genève; in 1963 vestigden zij zich beiden definitief in Utrecht. Edith Wellner heeft “door allerlei omstandigheden geen grote carrière in de muziek” kunnen maken, maar ze heeft in de amateurwereld “veel en op hoog niveau kunnen betekenen”, meldt Renée.
        Edith, de pianiste, heeft kort na de oorlog in Dordrecht nog een concert gegeven, op 17 juni 1945. Ad Breevaart heeft er een herinnering aan. “Het was in de voorzaal van Kunstmin. Ik heb haar nog een boeket overhandigd.”

De vier leden van de familie Stempels uit Utrecht worden in 1970 geëerd door Yad Vashem, voor hun hulp aan de onderduikers zoals Edith en Ilse.

De vier leden van de familie Stempels uit Utrecht worden in 1970 geëerd door Yad Vashem, voor hun hulp aan de onderduikers zoals Edith en Ilse.
Ook wordt er een boom voor hen geplant in Israël, op 11 september 1971. Vier foto’s, afkomstig van Yad Vashem, geven er hier een beeld van. De vrouw die steeds terugkeert op de foto’s is Ilse Wellner, de man een zoon van de familie Stempels, Koos. De andere, langere man is de ceremoniemeester.
 Foto’s Yad Vashem

Exodus
Ilse voltooide de hbs in Dordrecht en volgde toen een opleiding die haar voorbereidde op emigratie naar Israël, de zogenoemde hachsjarah. Bij die gelegenheid leerde zij haar toekomstige echtgenoot kennen, Bram van Zuiden uit Hoogeveen. Nadat de opleiding was voltooid reisden ze samen via Marseille per schip naar Haïfa. Als Bram in Marseille geen blindedarmontsteking had gekregen, vertelt Renée, hadden Ilse en hij iets eerder, nog met de Exodus de overtocht kunnen maken. Dit immigratieschip is fameus geworden door het gelijknamige boek van de joods-Amerikaanse schrijver Leon Uris.
        In het beloofde land aangekomen, stichtten Isle en Bram, samen met enkele jonge mede-pioniers de kibboets Amiad, Upper Galilea. Ze trouwden, blijkens een bericht in het NIW, op 6 mei 1948. Achtereenvolgens kregen ze een dochter (Tamar, 1951) en twee zonen (Arnon, 1953) en Chagaï (1959). Anno 2016 leven Ilse en Arnon nog altijd in deze kibboets, Tamar in Tel Aviv en Chagaï in Denemarken. Bram van Zuiden is overleden op 11 september 2014.

Een zeldzame foto van tante Jo

Een zeldzame foto van tante Jo, hier gefotografeerd tijdens de vijftigste verjaardag van Anneke Breevaart,
in december 1978. Links zit tante Jo, 88 toen, rechts Edith Wellner, 57 toen.
Foto Ad Breevaart


Tante Jo, de oorlogspleegmoeder van Edith en Ilse, is in maart 1980 overleden, 90 jaar oud.

Tante Jo, de oorlogspleegmoeder van Edith en Ilse, is in maart 1980 overleden, 90 jaar oud. Zij kreeg op haar verjaardag steevast taart en enig geld van moeder Amalia.
Foto Begraafplaatsen.nl


Visite
Het contact van de Wellners met de familie Schaafsma is altijd in stand gebleven, met bezoeken over en weer - in ieder geval totdat sommige betrokkenen overleden.
        Amalia Wellner, de moeder van Edith en Ilse, stierf in Lausanne, in januari 1985, op 91-jarige leeftijd. Breevaart: “Zij is hier, bij mij thuis, eens op visite geweest. Zij was een kleine vrouw, heel levendig. Ze zat met korte, bungelende beentjes op de stoel. Zij was een echte handelsvrouw. Al vrij snel na de oorlog deed ze weer zaken. Ze trok de wereld in, zowel naar New York als naar Moskou.”
        Volgens hem vergat zij nooit de verjaardag van tante Jo, op de 27ste januari. “Ze liet vanuit Zwitserland altijd een taart bezorgen bij haar, en maakte vijftig gulden over. Ook heeft ze tante Jo eens een klein bontjasje geschonken.” Edith en Isle hielden ook trouw contact; tante Jo is zelfs een keer bij Ilse en Edith in Israël op bezoek geweest.
        Inmiddels is Edith Wellner overleden, in Utrecht, op 30 maart 2014, op 92-jarige leeftijd. Ook tante Jo bereikte een hoge leeftijd: zij stierf op zondag 30 maart 1980 op 90-jarige leeftijd. Andere betrokkenen uit de oorlogstijd leven niet meer. Ad’s moeder Jeanne stierf op 15 februari 1970, 67 jaar oud. Vader en moeder Stempels, de Utrechtse onderduikgevers, overleden in respectievelijk 1966 en 1962. Van de zonen Schaafsma is de NRC-redacteur Henk Schaafsma overleden, in 1988; zijn broer Bouwe, die op 2 mei 1957 naar het Canadese Edmonton emigreerde, leeft nog.

***

Zeven decennia zijn verstreken. Vluchten hoeven de Wellners heus niet meer. Maar onbevangen zijn ze nog altijd niet, vertelt Renée. “Als tweede generatie van de Holocaust-slachtoffers en -overlevenden zijn wij vaak angstig en voorzichtig. We leven helaas in een tijd met veel haat en opkomend antisemitisme.”
        Joden moeten zich nog onverminderd onder het maaiveld houden.

 foto van de zusjes Wellner in 2006

Nog een foto van de zusjes Wellner in 2006. Volgens Renéé Wellner, de dochter van Edith, waren ze altijd aan het kibbelen. Edith is overleden in 2014, op 92-jarige leeftijd. Haar zus Ilse (1927) leeft nog altijd, in Israël.
foto Familiebezit.




< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'