Het voorbije joodse dordrecht

Elisabeth en Stijntje, zó heten de
onbekend gebleven onderduikers

derde en vierde klas van de Rijks HBS in Oud-Beijerland in 1922

De derde en vierde klas van de Rijks HBS in Oud-Beijerland in 1922.
Op deze school leerden Jaap Burger (bovenste rij, vijfde van links) en
Elisabeth van den Berg (middelste rij, tweede van rechts) elkaar kennen.
De foto staat in het boek dat bij het 70-jarig jubileum van de HBS verscheen, in 1988.
Foto Archief Ph. Perneel

Het gebeurde onopzettelijk, maar daardoor raakten zij wel uit het zicht.
        In september 2009 kreeg het Regionaal Archief Dordrecht de dagboeken die de jonge Dordts-joodse onderduiker Jules Benedictus had bijgehouden tijdens zijn gedwongen verblijf op een zolder in een achterhuis aan de Wijnstraat. Het waren twee schriften en vijf boekjes, vol observaties, belevenissen, uitgeknipte kaartjes, zelfgetekende overzichten, verslagen, nieuwsfeiten en persoonlijke ervaringen. Benedictus, 15 jaar indertijd, begon ermee op 1 januari 1944 en eindigde op Bevrijdingsdag, 10 mei 1945.
        Het archief, destijds nog ‘Erfgoedcentrum Diep’ geheten, was erg blij met dit zeldzame en daardoor unieke materiaal – er zijn in Nederland, los van Anne Frank en Etty Hillesum, niet zo bijster veel dagboeken van joodse onderduikers bewaard gebleven.
        De dagboeken gingen onderdeel worden van een indringend lesproject, ‘Herinneringen aan Achter boven’ geheten, dat was geïnitieerd door Diep. Basisschoolleerlingen uit groep 7 en 8 maakten aan de hand van archiefstukken, foto’s en dagboekfragmenten een zogenoemd herinneringenboek, dat doorgegeven kon worden aan de volgende generatie. Op 5 april 2012 nam Jules Benedictus, inmiddels 84, in het stadhuis het eerste exemplaar in ontvangst, uit handen van een leerling van basisschool Mühring.
        In de publiciteit erover werd er vooral aan herinnerd hoe het ‘vierkoppige gezin Benedictus’ de onderduik heeft doorstaan. De gezinsleden waren vader Emanuel (1888), moeder Greta Bolle (1897) en de kinderen Suze (1923) en Jules Henri (1928). Op hen viel alle nadruk, en dat is zo gebleven. Het onderduikpand wordt sindsdien in de herinnering keer op keer, vrijwel automatisch, geassocieerd met alleen de familie Benedictus. Daar heeft Jules Benedictus geen enkele schuld aan; het is ongewild zo gegroeid.
        In werkelijkheid zaten in dat grote patriciërshuis van Jan Burger zes onderduikers. Hun namen werden destijds niet genoemd in de media, die zich baseerden op een gemeentelijk persbericht. Daarin stond slechts: “Ook twee andere joodse kennissen werden hier ondergebracht.” Zij bleven toen, en ze bleven nadien, ongenoemd, waardoor ze langzamerhand vervaagden, tot mistflarden van de geschiedenis.
        Dit verhaal geeft die anonieme onderduikers hun naam terug. Het zijn Elisabeth van den Berg en Stijntje den Hartog. Over Stijntje, geboren op 14 december 1906, is weinig terug te vinden – reden waarom zij hier slechts kort wordt beschreven. Over Bets van den Berg, zoals zij in de omgang werd genoemd, is des te meer documentatie gevonden, wat het mogelijk maakte haar levensloop in grote lijnen te schetsen.

Burger en Van den Berg zijn geslaagd voor hun HBS-examen

Burger en Van den Berg zijn geslaagd voor hun
HBS-examen, zo meldt de Voorwaarts op 16 juli 1923. Beiden zouden nu rechten gaan studeren.
Foto Delpher.

HBS
Elisabeth van den Berg is de dochter van Jakob van den Berg (7 augustus 1866) en Alida Kleerekoper (11 maart 1877). Zij deed haar intrede in de wereld op 5 juli 1906, in Oud-Beijerland. Het gezin woonde aan de Molendijk, op nummer 40. Haar vader was in het dorp geboren, getogen en gebleven, haar moeder was een Amsterdamse. Na Elisabeth kwamen er broers noch zusters; ze bleef enig kind.
        Ze ging naar de lagere school, en vervolgens, nog in datzelfde Oud-Beijerland, naar de Rijks Hogere Burgerschool, zojuist opgericht, in 1918. In datzelfde jaar leerde zij er Jaap Burger kennen – de latere Dordtse advocaat, Engelandvaarder en minister in het tweede (oorlogs)kabinet-Gerbrandy – die faam zou oogsten als vooraanstaand, gewiekst PvdA-voorman.
        Jacobus Albertus Wilhelmus Burger ging naar deze HBS, omdat dit voor hem, geboren in Willemstad op 20 augustus 1904, vermoedelijk de dichtstbijzijnde middelbare school was.
        In 1987 heeft Ph. Perneel uit Puttershoek een boek gepubliceerd over het naderende jubileum van de Oud-Beijerlandse school, getiteld Zeventig jaar in de Hoeksche Waard, de Rijks Hogere Burgerschool - Rijksscholengemeenschap te Oud-Beijerland. Op pagina 69 staat een foto van de derde en vierde klas in 1922. Daar staan ze: hij, brutaal uitdagend, in de bovenste rij, zij, gul glimlachend in de middelste rij: Jaap en Elisabeth.
        Later in hun leven zouden deze twee scholieren elkaar steeds weer tegenkomen. Dat blijkt uit de inleiding die Chris van Esterik schreef voor Oorlogsdagboek, het dagboek dat Burger in zijn bekende, trefzekere stijl bijhield van 10 mei 1940 tot en met 13 februari 1943, in de vorm van brieven aan zijn neef Abraham Burger. Van Esterik bezorgde en annoteerde deze aantekeningen, die door uitgeverij Bert Bakker werden gepubliceerd in 1995.

voormalige woonhuis van de familie Van den Berg

Deze archieffoto toont in het midden het
voormalige woonhuis van de familie Van den Berg.
De dijk is onherkenbaar veranderd.
Foto Collectie-Alie van den Berg

Voogd
De inleiding is een reconstructie van Burgers leven tot mei 1943 – toen hij heimelijk in een klein bootje de gevaarlijke oversteek naar Engeland maakte. En het is hierin dat Van Esterik meldt dat de joodse Bets net als mede-scholier Jaap, rechten ging studeren. Het is aan deze mr. Jaap Burger te danken dat mr. Bets van den Berg in dat huis aan de Wijnstraat kon onderduiken.
        Deze grote stap voorwaarts in hun beider leven behoeft enige toelichting.
        De vader van Jaap Burger, steenkolenhandelaar Hein, overleed al in 1914. Zijn broer Jan werd daarop voogd. Omstreeks 1928 verhuisde Jan Burger met zijn vrouw Cor Koomans en hun kinderen Bram en Rietje van Willemstad, naar Dordrecht, volgens Van Esterik naar “een enorm pand annex winkel” in de Wijnstraat. Dit pand, dat toentertijd als nummer 87 had, staat er nog altijd, zij het ingrijpend verbouwd, als het huis ‘De vier winden’ op nummer 139.
        “Het huis liep helemaal door tot de erachter gelegen Kuipershaven”, schrijft Van Esterik, “alleen de lengte van de gang bedroeg al 27 meter. Op de binnenplaats was een prachtige tuin met serre en een vijver.” Jaap Burger woonde in bij zijn oom Jan en tante Cor. Elders in Dordrecht had hij een advocatenkantoor, op het adres Prinsenstraat 6.
        Jan Burger, “spontaan en joviaal”, was lid van de CHU, wethouder en daarnaast “een modern ondernemer”. “Hij begon een winkel op basis van een voor Nederland gloednieuw, uit Amerika overgewaaid, systeem: huishoudelijke artikelen, te koop op afbetaling. Er waren fornuizen en meubelen, maar ook fietsen en kleren te koop. Het bedrijf had eigen incasseerders in dienst. (...) De ramen aan de voorkant van de zaak waren geblindeerd, waardoor voorbijgangers de klanten niet konden zien, zodat die zich niet behoefden te schamen om zich spullen op afbetaling aan te schaffen.”
        Zijn vrouw Cor was “een echte dame uit een goedburgerlijke familie”, doortastend en geëmancipeerd. Zij had de opleiding voor onderwijzeres voltooid, “toen nog een bijzonderheid”, benadrukt Van Esterik.

drie van de vier leden van het gezin Benedictus

Dit zijn drie van de vier leden van het gezin Benedictus. Op de ene foto staat vader Emanuel,
op de andere de kinderen Jules en Suze.
Foto Regionaal Archief Dordrecht (RAD), nr. 552_305163 en nr. 309_15344)

Razzia’s
Elisabeth van den Berg werkte intussen op de juridische afdeling van de Joodse Raad in Amsterdam. Ze was dertiger, en nog steeds ongetrouwd. Overal in het land werden de razzia’s heviger, de klopjacht op de joden versnelde zich. De bejaarde ouders van Bets, 76 en 65 jaar, bleven niet onaangetast. Zij werden beiden op 1 februari 1943 vermoord in Auschwitz.
        Zij waren niet de enige slachtoffers in Oud-Beijerland. In 1941 bestond de joodse gemeenschap er nog uit 39 leden; van hen eindigden er 31 in de vernietigingskampen. Niet meer dan acht joden overleefden ongedeerd de Holocaust.
        Eén van hen was Elisabeth van den Berg. Zij had geluk. Zij kreeg begin 1943 plotseling bezoek van Jaap Burger, in Amsterdam. Hij vertelde dat hij van plan was, zo achterhaalde Van Esterik, om naar Engeland over te steken. Wetend dat joden massaal bijeengedreven en afgevoerd werden, drukte hij Bets “op het hart om bij zijn oom Jan in Dordrecht onder te duiken”.
        Dat deed ze. Toen de razzia’s in Amsterdam steeds grimmiger werden, belde Bets Jan Burger op vanaf de Joodse Raad, met de mededeling:
        “Meneer, het kastje dat u me gestuurd hebt, staat me niet aan.”
        Burger antwoordde: “Madame, direct!”
        Maar Bets wilde nog niet op stel en sprong onderduiken, en “sputterde in dezelfde codetaal tegen”.
        Burger antwoordde: “Nee, direct!”
        In mei 1943 haalde Jan Burger Elisabeth van den Berg in Amsterdam op – in dezelfde tijd dat zijn neef Jaap naar Engeland voer.
        Zo belandde zij in dat patriciërshuis tegenover de Nieuwbrug, waar ze twee jaar lang met nog vijf anderen een geheim leven zou leiden.

Greta Benedictus-Bolle (tweede van rechts)

En dit is de moeder van Jules en Suze, Greta Benedictus-Bolle (tweede van rechts).
De foto is gemaakt tijdens het huwelijk, na de oorlog, van Suze met soldaat Toio Migdali van de Jewish Brigade.
V.l.n.r. Jules, Toio, Suze, Greta en Emanuel.
Foto: Familiebezit


Jules Benedictus het huis waarin hij ondergedoken zat (het tweede huis van rechts)

Soms zag Jules Benedictus vanuit het huis waarin hij ondergedoken zat (het tweede huis van rechts) zijn schoolkameraden op de Nieuwbrug spelen.
Foto RAD, nr. 554_34405)

Ingenieus
De joodse familie Benedictus was er al veel eerder ondergedoken, in oktober 1942. Niet dat de vier gezinsleden daarvoor een grote afstand hoefden af te leggen, in tegendeel. De familie, waarvan vader Emanuel commissionair in effecten was, woonde lang voor de oorlog al op de eerste etage van het huis, aan de voorkant. Voor de onderduik verhuisden ze op dezelfde etage naar het achterhuis, naar een zolder boven het magazijn van een smederij, die het ‘Jodenzoldertje’ werd genoemd.
        Van Esterik, maar ook Jules Benedictus, heeft beschreven hoe ingenieus deze schuilplaats aan het zicht van de Duitsers was onttrokken:
        “Achter een schilderijtje in de muur van de laatste toonkamer achter in het huis, hing een touwtje”, begint Van Esterik. “Als daar aan getrokken werd, schoot er een pal los, die de hele ‘muur’ van de toonkamer op zijn plaats hield. Door het losschieten van de pal, kwam er een contragewicht in werking, waardoor de muur omhoog werd getrokken. Daarachter bevond zich een kolenkast.”
         In die kolenkast, verstopt achter kolen, bevond zich een oude, niet meer gebruikte trap naar boven, die toegang gaf tot de kamers op het zoldertje.
        Jules Benedictus is nog gedetailleerder in zijn uitleg, en zijn versie luidt ook iets anders. Hij schetste de schuilplaats in een interview met Sander van Bladel, voor het Dordtse cultuur-historische tijdschrift Diep, in 2009.
        Benedictus heeft het ook over een beweegbare wand, maar zegt dat zich daarachter een schuur bevond, en aan de achterkant dáárvan een luikje met twee roestige spijkers. “Tilde je die op, dan kwam je in een tunnel en vervolgens op het binnenplaatsje waar de ladder naar het raam van onze voorkamer stond. Onze vertrekken boven het magazijn waren een slaapkamer, een eettafel met (kook)kachel, een voorvertrek met zitstoelen en een wc-ruimte.”
        Er was geen elektriciteit, gas of stromend water. “Ik had de taak om de wc-emmer en de emmers met het spoelwater te legen en om schoon water omhoog te brengen.”
        Behalve Bets van den Berg en de vier leden van het gezin Benedictus omvatte de groep ook Stijntje den Hartog. Jules weet over deze vrouw niet meer te melden dan dat zij “een bescheiden figuur” was, “die wij al van vóór de onderduik kenden”

voormalige pand van Jan Burger

Dit is het voormalige pand van Jan Burger in tegenwoordige staat. Het is ingrijpend veranderd.
Het 'Jodenzoldertje' is in 2000 afgebroken.
Foto Redactie Website

Bridge
’s Avonds kwamen de onderduikers te voorschijn. Die avonden, die meestal werden doorgebracht in de vertrekken van de familie Burger, hadden “een vast ritueel”, volgens Van Esterik. “Om kwart voor zes, als het personeel weg was, klopte Jan Burger bij de familie Benedictus aan. Daarna werd er wat gegeten en tot kwart over acht gebridged, want Jan Burger was een hartstochtelijk bridger. Van kwart over acht tot kwart voor negen werd er naar Radio Oranje geluisterd. Daarna werd er over de nationale en internationale situatie gesproken of ontbrandde er een fikse discussie over een van de gemeenschappelijk gelezen boeken. Om half elf riep Burger: ‘Lampenist!’, het sein voor Jules de lamp te halen om bij te lichten op weg naar het achterhuis.”
        Achter de voordeur was een zogenaamde contrabel aangebracht, die de onderduikers waarschuwde voor ongewenst bezoek. Voor noodgevallen en bij onraad waren er twee vluchtroutes naar de zolderverdieping, via de Wijnstraat en via de Kuipershaven.
        Jules vertelde Van Bladel dat de onderduikers “al die tijd geen contact hadden met de gewone leefwereld”. Soms zag hij op zondag vanuit het huis schoolkameraden op de Nieuwbrug, maar hij kon ze onmogelijk groeten.
        Geplaagd door ondraaglijke kiespijn is hij wel eens naar buiten gegaan, in het donker, op weg naar een vertrouwde tandarts. Om dat lopen zo gewoon mogelijk te laten lijken, ging Alie Koomans mee, een nichtje van de Burger. Als een verliefd stelletje begaven ze zich gearmd door de binnenstad. Zus Suze is een keer op de tafel van Jan Burger geopereerd, door de “ons goed gezinde” geneesheer-chirurg J.F. Hagen van het Gemeente-Ziekenhuis, aan een knobbeltje in de borst.

Oorlogsdagboek van Jaap Burger

In 1995 verscheen het 'Oorlogsdagboek' van
Jaap Burger, bezorgd door Chris van Esterik.
Hierin staan veel details over de onduikperiode
van de familie Benedictus, Stijntje den Hartog
en Elisabeth van den Berg.
Foto Redactie Website

Leerstof
Bets van den Berg heeft zich tijdens de onderduik nuttig kunnen maken voor Jules Benedictus. Tante Cor gaf hem en Suze les, om de kinderen niet achterop te laten komen. Dit werd later overgenomen door Bets. “Zij heeft mij”, vertelde Jules de redactie van deze website, “dagelijks lesgegeven in de HBS-leerstof van het tweede en derde leerjaar. Daar heb ik erg veel aan gehad. Met haar gymnasium bèta-opleiding beheerste ze alle vakken: talen, scheikunde, wis- en natuurkunde.”
        De kinderen misten op die manier geen dag school. Dat leidde er bij Jules toe dat hij na de bevrijding slechts van mei tot juli in de derde klas hoefde te zitten en daarna kon overgaan naar de vierde klas. Bets van den Berg schreef ook toneelstukjes voor Jules en Suze, waarin zij samen met Rietje Burger rollen speelden. “Ze was heel creatief.”
        Jules Benedictus hield gedurende de onderduik nauwkeurig en nauwgezet dagboeken bij. Oorlogspremier mr. P.S. (Pieter) Gerbrandy had de landgenoten daartoe vanuit Londen opgeroepen. Toen Jules in 2012 van een scholier het eerste herinneringboek in ontvangst nam, bekende hij dat zijn 2,5 jaar in het achterhuis niet alleen maar naar waren geweest. “Het was ook wel heerlijk om ondergedoken te zitten.”
        Mensen wísten van de onderduik. Al was het bijvoorbeeld maar doordat Rietje Burger bij sigarenwinkel Hofman op de Voorstraat nog ‘gewoon’ de sigaren kwam halen die meneer Benedictus rookte. Maar iedereen zweeg, en zo haalden de zes onderduikers veilig de bevrijding.
        Bets van den Berg heeft volgens Van Esterik eens aan mevrouw Burger gevraagd waarom zij toch uit vrije wil al die gevaren en risico’s heeft willen lopen met de onderduikers. Haar antwoord: “Omdat het mijn christenplicht is.”

na-oorlogs krantenbericht

Een na-oorlogs krantenbericht, waarin
mr. Elisabeth van den Berg namens de vermoorde familie vraagt of er nog uitstaande vorderingen zijn, of gelden en goederen die teruggegeven dienen te worden.
Foto Collectie-Alie van den Berg

Bewindvoerster
Hoe zette mr. Van den Berg haar leven na de oorlog voort?
        Ze bleef in Dordrecht; dat staat vast. Op 27 oktober 1945 betrok zij de woning aan de Bankastraat 9 (nu 13), en daar zou ze volgens de gemeentelijke woningkaart tot 3 september 1965 blijven. Zeker is ook dat zij docente werd op de HBS in Dordrecht. “Ik meen in staatsinrichting”, zegt Jules, die haar op die school meemaakte.
        Tegelijkertijd was zij ook werkzaam als advocaat. In het Nieuwsblad voor de Hoeksche Waard is een bericht aangetroffen, van eind 1945, dat zulks aangeeft. Mr. B. v.d. Berg deelt daarin mee dat zij door het Nederlands Beheersinstituut in Oud-Beijerland is benoemd tot bewindvoerster over het vermogen van slager Abraham Rood, diens echtgenote Betje den Hartog en de kinderen Elias en Vrouwtje.
        Alle leden van dit gezin, dat woonde op Molendijk 20, zijn op 30 september 1942 tegelijk omgebracht in Auschwitz. Bets riep “allen” die iets van deze familie te vorderen hebben of die de gezinsleden iets verschuldigd zijn in goederen, gelden of andere waarden, om dit vóór 30 november 1945 op haar kantoor op te geven of te komen betalen. Van den Berg gaf twee adressen op, haar Dordtse aan de Bankastraat, en een Oud-Beijerlands, aan de Oostdijk 105.
        Jules Benedictus herinnert zich vaag dat het juridisch optreden van Bets van den Berg “na de oorlog enige kritiek ondervond”, omdat zij vond dat ook “verkeerde’ mensen recht op verdediging hadden”. Maar het fijne weet hij er niet van.
        In 1965 verhuisde Bets van den Berg naar Rotterdam, naar de Cornelis Heinricksestraat 58. Daar kreeg ze, in 1980, bezoek van Alie van den Berg (1938), afkomstig uit Oud-Beijerland, maar geen familie.

Gedenkstenen
Ter toelichting: Alie van den Berg kwam in 1959 te werken op de huishoudschool in Oud-Beijerland, als docent zorg en welzijn, later ook godsdienst en maatschappijleer. De huishoudschool was gevestigd in de voormalige synagoge. Twee gedenkstenen in de gevel herinneren aan de oorsprong van dit gebouw. Elke dag liep Alie van den Berg er langs. De kerkzaal van de synagoge, in 1947 verkocht aan een schoolbestuur, was haar keuken.
        Doordat zij bovenmatig geïnteresseerd was in zowel het joodse volk als in geschiedenis, is zij met behulp van haar vader in 1980 begonnen alles uit te pluizen over de (ondergang van de) lokale joodse gemeenschap. Alie van den Berg werd hierdoor een veelvuldig geraadpleegde deskundige. Ze achterhaalde dat van de 39 joodse inwoners er 31 werden vermoord, dat slechts één iemand Auschwitz heeft ‘doorstaan’, en dat zeven zich wisten te redden door onder te duiken.
        Alle eerste bevindingen die haar speurwerk naar de vernielde joodse gemeenschap opleverden, verschenen in 1982 in een gestencilde uitgave. Deze werd later, in 1987, omgewerkt tot een kleiner boekje en een lesbrief voor de schooljeugd. Na haar pensionering, in 1999, vond zij zoveel aanvullend materiaal in archieven, dat er een heus boek kon verschijnen, in 2008, in samenwerking met de Historische Vereniging Oud-Beijerland.
        De titel luidt: Het Joodse verleden van Oud-Beijerland en bijna precies zo heet de website die zij samen met Ingen Visser beheert en voortdurend actualiseert, ‘Joods leven in Oud-Beijerland’.
        Zij is verder medewerker van ‘Het Stenen Archief’, een gemeenschappelijk project van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap en Akevoth. Het is gericht op het fotograferen, digitaliseren en het vertalen van de grafstenen, in Nederland, Engeland en Israël. De joodse begraafplaats in Dordrecht is klaar, thans wordt de Rotterdamse behandeld.

zeldzame foto van Elisabeth van den Berg, gemaakt in 1987

Een zeldzame foto van Elisabeth van den Berg, gemaakt in 1987, toen in Oud-Beijerland
het monument voor de omgekomen joden werd onthuld.
Elisabeth is tweede van rechts.
Foto Corrie v.d. Heiden

Jules Benedictus

Jules Benedictus demonstreerde op 2 oktober 2009, in een uitzending van de actualiteitenrubriek Netwerk (EO-NCRV),
hoe hij de trap naar de schuilplaats beklom.
Foto Redactie Website


monument plus namenwand bij de haven van Oud-Beijerland

Het monument plus namenwand bij de haven van Oud-Beijerland.
Foto Redactie Website

Namenwand
Bets van den Berg is nog betrokken geweest bij het herdenkingsmonument voor de omgekomen Oud-Beijerlandse joden, dat op 29 oktober 1987 is onthuld op de Havendam. Zij was aanwezig, als enige nog in Nederland levende overlevende, op die besmette datum: 29 oktober is ook de dag in 1942 dat de laatste nog overgebleven joden per tram uit Oud-Beijerland vertrokken, naar de beruchte Loods 24 in Rotterdam. De ouders van Bets waren op 17 oktober al weggevoerd.
        Het gedenkteken, dat is ontworpen door de joodse kunstenares Marga Vogel uit Amsterdam, is naderhand uitgebreid met een namenwand. Dit is gebeurd in opdracht van de Oranjevereniging Prinses Juliana, die oordeelde dat de zwarte bladzijde in de plaatselijke geschiedenis niet vergeten mag worden. Ook de namenwand is gemaakt door Marga Vogel, die verrast reageerde op het verzoek van de Oranjevereniging en meteen gratis haar diensten aanbood.
        Op 8 juli 2014 is de namenwand onthuld, door drie overlevenden van de Tweede Wereldoorlog, van wie er twee in Oud-Beijerland hebben gewoond.
        Bets van den Berg was er toen niet bij. Zij is op 18 maart 1995 overleden, 88 jaar oud – ongetrouwd en zonder enig nabestaand familielid.

Jules Benedictus in Dordrecht aanwezig bij verschillende Stolperstein-leggingen

In februari 2015 was Jules Benedictus in Dordrecht aanwezig bij verschillende Stolperstein-leggingen.
Hier is hij in gesprek met mevrouw Paula Marseille-Hofman.
Foto Perry Bos


huis aan de Bankastraat, waar de familie Den Hartog voor de oorlog woonde

Dit is het huis aan de Bankastraat, waar de familie Den Hartog voor de oorlog woonde. Na hun onderduiktijd in de Wijnstraat keerde Stijntje den Hartog er kort terug, en woonde
Elisabeth van den Berg er tot 1965.
Foto Redactie Website

Stijntje, die andere ‘vergeten’ onderduikster

Stijntje den Hartog heette voluit Stijntje Elisabeth. Zij is het laatstgeboren kind van Benjamin den Hartog (Heerjansdam, 26 maart 1869) en Carolina Braadbaart (Dordrecht, 12 maart 1876). Het gezin bestond verder uit eerstgeborene Simon (19 mei 1900), Saartje (21 april 1902) en Philip Nathan (8 december 1903).

        De familie Benedictus kende de familie Den Hartog, vertelt Jules. “Wij hadden een goede relatie met de zussen Stijntje en Saar, en ook met hun ouders. We kwamen daar wel op bezoek. Ze woonden vanaf de Oranjelaan gerekend, aan het begin van de Bankastraat.” Inderdaad, op nummer 9.
        Saar was ook een bekende van de familie Burger. Jules: “Saar bridgete al royaal vóór 1942 met Jan Burger en mijn vader, en misschien ook met Jaap Burger.” Met andere woorden: zo ongewoon was het dus niet dat
Stijntje den Hartog onderdook bij de familie Burger.

Stijntje overleed op 18 maart 1975

Stijntje den Hartog emigreerde na de oorlog
naar Israël, evenals Suze Benedictus.
Stijntje overleed op 18 maart 1975,
blijkens de overlijdensadvertenties in
het Nieuw Israëlitisch Weekblad.

Israël
De familie Den Hartog is hard getroffen door de jodenvervolging. Vader Benjamin en moeder Carolina (‘Lien’) gingen beiden ten onder in Sobibor, op 9 juli 1943. Zoon Philip stierf ergens in Midden-Europa, op 31 maart 1944.
        Saartje trouwde nog midden in de oorlog, op 2 september 1942, met de Dordtse huisarts Oscar Cahen (Leiden, 25 september 1874). Oscar werd in Sobibor omgebracht, op 13 maart 1943. Zijn vrouw wist te overleven; hoe en waar is niet meer na te gaan. Zij emigreerde na de oorlog naar Israël, naar Haïfa.
        Broer Simon was ook getrouwd, met Margaretha Hen (Veghel, 29 maart 1909). Het echtpaar woonde in Oss, aan de Kruisstraat 89. Beiden werden in Auschwitz vermoord, op 6 maart 1944. Hun kinderen, van wie geen namen bekend zijn, overleefden de oorlog.

Ongetrouwd
Stijntje is ongetrouwd gebleven. Ook zij wist de oorlog te overbruggen, in de onderduik bij de familie Burger. Op 2 augustus 1945 keerde zij terug in het ouderlijk huis aan de Bankastraat 9. Daar trok in oktober ook Bets van den Berg in, haar mede-onderduikster. Jules Benedictus weet desgevraagd niet hoe het Stijntje later vergaan is. “Ik ben haar uit het oog verloren.”
        Dat is niet verwonderlijk. Op 31 december 1951 verruilde ook zij Nederland voor Israël, voor Haïfa.
        Misschien voegde ze zich bij haar zus Saartje. Misschien heeft ze er ook wel Suze Benedictus herontmoet, die in 1946 al naar Israël vertrok, en daar is gebleven. Met haar man stichtte ze er een gezin. Suus Migdali-Benedictus leeft nog immer voort, zoals haar broer Jules dat doet in Rotterdam.
         Stijntje den Hartog is op 18 maart 1975 in Haïfa overleden, op 68-jarige leeftijd.


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'