Het voorbije joodse dordrecht

Oorlogsleed en naoorlogs geluk van Elizabet,
collectrice van de Staatsloterij in Dordrecht
* Emma Löwenstein-Poppert ten onrechte doodverklaard

Vader Maurits Emanuel Leuw met zijn vrouw Elisabet Heilbron en kinderen David, Betty en Elly

Vader Maurits Emanuel Leuw samen met zijn vrouw Elisabet Heilbron en de kinderen David, Betty en Elly.
De foto is gemaakt in een oorlogsjaar - Elisabet draagt immers zichtbaar de jodenster -
op de stoep bij het woonhuis van het gezin, op de Burgvlietkade in Gouda.
Foto Collectie-David Leuw

Dordrecht was voor hen allebei een nieuw begin.
        Elizabet Leuw-Heilbron was gehavend, maar anderzijds nog enigszins opgetogen uit de oorlog gekomen. De nazi’s hadden haar man Maurits Emanuel Leuw het leven ontnomen in Auschwitz en haar stiefmoeder Betje Slager in het concentratiekamp Vught. Maar haar drie kinderen bleken nog in leven. Zij waren ondergebracht op verschillende onderduikadressen, hun moeder had geen idee waar. In wanhoop had zij op 8 juni 1945 een oproep geplaatst in De Waarheid en warempel, via via werden ze teruggevonden.
        Rudolf Poppert had meer leed te verstouwen gekregen. Zijn moeder Amelie was omgebracht in Theresienstadt. Zijn broer Julius had zich uit angst voor de Gestapo opgehangen in Harburg, een stadsdeel van Hamburg. Zijn zus Karoline was vergast in Auschwitz. Rudolf zelf had de Holocaust overleefd, zo ook zijn vrouw Elsa Goldstein. Na de oorlog hervatten zij in Enschede zoveel mogelijk hun normale leven. Maar in 1956 trof Rudolf Poppert nieuw onheil: Elsa stierf, 51 jaar oud.
        In 1967 kwam weduwnaar Rudolf Poppert naar Dordrecht, waar de weduwe Leuw zich al in juni 1948 had gevestigd, komend uit Gouda. Hij ging per 15 maart 1965 bij haar inwonen, aan de Houttuinen. Dordrecht betekende voor hen beiden een nieuw hoofdstuk, al trouwden ze niet. Vier jaar later, op 20 april 1969, was hun hervonden geluk alweer voorbij: Rudolf stierf, 71 jaar oud. In de overlijdensadvertentie noemde Elizabet hem haar “lieve man”.
        Zij emigreerde naar België, vervolgens naar Israël, en kwam niet meer terug in Dordrecht − waar zij een vrij bekend gezicht was geworden als collectrice van de Staatsloterij.
        In dit verhaal: hoe Dordrecht na allerlei omzwervingen een volgende standplaats werd voor de families met wie Elizabet en Rudolf zich verbonden wisten: Heilbron, Leuw, Poppert en Goldstein, en hoe de jodenvervolging hun gelederen heeft uitgedund. Een relaas over leed dat niet meer ongedaan gemaakt kan worden.

Maurits Leuw aan het werk, hij was belastingcommies

Maurits Leuw (links vooraan) aan het werk. Hij was belastingcommies.
Foto Collectie-David Leuw

Kraambed
Ze zal het als baby niet hebben beseft, maar zonder twijfel wel op latere leeftijd: al bij haar geboorte overkwam Elizabet Heilbron een tragedie, haar eerste.
        Haar moeder is Evaline Wijler, geboren in Lochem op 17 januari 1874. Zij trouwde op 26 juli 1901 in haar geboortestad met plaatsgenoot David Heilbron, geboren op 25 juli 1864. Anderhalf jaar later kwam hun eersteling ter wereld, Levij Abraham, op 20 januari 1903. Maar de baby was het leven niet gegund, hij overleed na drie weken al, op 11 februari. Louis werd op 25 april 1904 het tweede kind van Evalina en David, die nog altijd in het Gelderse Lochem woonden. Dit kind heeft zich kunnen ontwikkelen tot een volwassene. Dat geldt ook voor Elizabet (zonder de gebruikelijke ‘h’ op het eind); zij heeft een respectabele leeftijd bereikt: 89.
        Evalina baarde haar dochter op 16 april 1908. Ze zal het kind hebben gezien en hebben geknuffeld, maar ze heeft het niet kunnen zien opgroeien. Moeder Evaline overleed in het kraambed, na anderhalve week, op 27 april, nog pas 34 jaar oud. Vader David, onderwijzer van beroep, had nu in zijn eentje twee koters op te voeden. Dat achtte hij, 44 jaar oud inmiddels, blijkbaar ondoenlijk, want hij hertrouwde al snel, op 30 december 1908, acht maanden nadat zijn eerste echtgenote was gestorven. Betje Slager heet zijn tweede, 42-jarige, vrouw. Ze is geboren in Rotterdam op 13 oktober 1866, en in die stad ook met David getrouwd. Maar ze zijn er niet gaan wonen, Lochem werd hun nieuwe woonplaats.

burgerlijke stand van Lochem

Het boek van de burgerlijke stand van Lochem. Elizabet is daar geboren op 16 april 1908.
Haar naam wordt zonder de gebruikelijke ‘h’ geschreven.
Foto Gelders Archief


voorwaardelijke vergunning voor een worstmakerij met rokerij

Rudolf Poppert, de naoorlogse partner van Elisabet, krijgt van B&W van Enschede een voorwaardelijke vergunning om in de Kalanderstraat 10 een worstmakerij met rokerij te beginnen, bericht de ‘Tubantia’ van 24 februari 1934.

Duits
Rudolf Poppert stamt uit een talrijker gezin en is daarnaast van Duitse origine.
        Zijn vader is Meyer Abraham Poppert, op 15 april 1854 geboren in Gronau, een stad in Noordrijn-Westfalen, de deelstaat die tegen Nederland leunt. Gronau ligt oostelijk van Enschede, direct aan de grens. Het is in Gronau dat Meyer Abraham met zijn echtgenote Amelie Poppert-Rosenthal (geboren in Hörde bij Dortmund, op 8 juli 1865) dertien kinderen op de wereld zet, deels in de eervorige, deels in de twintigste eeuw. Rudolf is kind nummer zeven, althans volgens de summiere, en niet volledig te checken familiegegevens op de genealogische website ‘Geni’.
        Rudolf Poppert is geboren op 21 december 1896. Op 27 december 1933 emigreerde hij als 37-jarige naar de andere zijde van de grens, naar Enschede. Hij was ondertussen getrouwd met landgenote Elsa Goldstein, geboren in Wildeshausen op 20 november 1904. Zij was de eerste van twee dochters van Moritz Goldstein (Wola Batorska, Polen, 27 juni 1870) en Minna Cohen (Osterholz, 16 februari 1869). De andere dochter is Gertrud (Wildeshausen, 27 maart 1900) en dan zijn er nog twee broers: Arthur (Wildeshausen, 23 juli 1902) en Julius (Wildeshausen, 10 april 1907).
        In Enschede wilde Rudolf in de Kalenderstraat 10c II een “worstmakerij met rookerij” beginnen. Burgemeester en wethouders verleenden hem bij besluit van 20 februari 1934 daartoe een voorwaardelijke Hinderwet-vergunning, berichtte het Twentsch dagblad Tubantia en de Enschedesche courant op 24 februari. Zijn vader was er toen al niet meer. Moritz was op 4 april 1909 overleden, slechts 38 jaar oud. En kort nadat Rudolf worsten kón gaan maken, stierf zijn moeder Minna, op 18 maart 1934, ook in Wildeshausen, 67 jaar oud.

Oud metaal
Hoe het intussen zijn broers verging? Julius ging naar Bremen, net als zijn broer Arthur. Maar waar Arthur er in de leer ging bij een bakker en ook ging werken bij een bakker in Nederland, werd Julius veehandelaar. Twee jaar eerder keerde hij, in 1927, naar Wildeshausen terug om zijn moeder, die als weduwe in financiële nood verkeerde, bij te staan, in 1929 gevolgd door Arthur. De beide broers probeerden, zo reconstrueerde de gymnasiumleerling Christopher Hoyer in januari 2012 volgens de website Spickergymwill.wordpress.com’, geld te verdienen als handelaren in oud metaal, schroot.
        Julius trouwde in 1934 Gerda Kayser uit Blumenthal. Hitler was al aan de macht gekomen en hitste het volk op tegen de joden. Op 24 oktober kreeg Gerda dochter Ellen, achteraf gezien het laatste joodse kind van Wildeshausen. Julius zag geen mogelijkheid meer om zijn bedrijf − hij was in 1930 zelfstandig gaan werken − voort te zetten. Hij verhuisde vanuit de Sögestraße 16 in Wildeshausen naar Blumenthal, om ten slotte in 1937 met vrouw en dochter te emigreren naar de Verenigde Staten.
        Arthur trad in 1930 in het huwelijk met Suze (‘Suse’) ten Bosch, geboren op 12 mei 1908 in het Gelderse ’s-Heerenberg en betrok met haar een woning in dezelfde Sögestraße, de woonstraat van zijn ouders. Op 8 juni 1931 werd hier dochter Selma geboren. Na de dood van zijn moeder en het vertrek van broer Julius ging Arthur in het ouderlijk huis, op nummer 16, wonen.
        Na de Kristallnacht, de grootscheepse jacht op joden in heel Duitsland in de nacht van 9 op 10 november 1938, werd Arthur gearresteerd, samen met alle andere joodse mannen van Wildeshausen. Zij werden naar Oldenburg gebracht en vandaar naar het concentratiekamp Sachsenhausen in oostelijk Duitsland, boven Berlijn. Toen hij na enkele weken werd vrijgelaten, was hij een zieke man. In 1939 moest het gezin de Sögestraße halsoverkop verlaten, joden werden niet meer geduld in Wildeshausen noch elders. Arthur verkocht het huis en vluchtte met vrouw en dochter naar Nederland. Ze belandden in Enschede.

Amsterdamse archiefkaart

De oorlog is uitgebroken. Deze Amsterdamse archiefkaart laat zien dat  het gezin Leuw van Gouda naar Amsterdam is verdreven, en er per 24 maart 1943 is gaan wonen in de Cilierstraat 15bis.
Foto Stadsarchief


Vader Maurits is opgesloten in kamp Westerbork

Vader Maurits is opgesloten in kamp Westerbork.
Hij bedankt met deze briefkaart van 5 oktober 1943
een bekende in Den Haag voor het ontvangen pakket,
twee weken voor zijn deportatie.
Foto Collectie-David Leuw

Ambtenaar
Terug naar Elizabet Heilbron, doorgaans Liesje genoemd.
        Zij was verliefd geraakt op Maurits Emanuel Leuw, op 18 juni 1902 geboren in Monnickendam. Op 25 mei 1937 was zij met hem getrouwd, in Lochem, hij was 34, zij 29. Hermanus was adjunct-commies der Directe Belastingen, daarvoor was hij een handelaar in kantoorbenodigdheden, ambtenaar begrafeniswezen en magazijnmeester geweest, volgens de persoonskaart in het Amsterdamse Stadsarchief. Ook zijn voorgaande woonplaatsen worden daarop vermeld: van Amersfoort ging hij per 16.9.1933 naar Elst, op 27.11.1935 streek hij neer in Gouda, aan de Gouwe 123.
        In Gouda ontstonden de drie kinderen die Elizabet en Maurits kregen, achtereenvolgens eerst de tweeling David Herman en Bertha Evelyn Beatrix, op 17 juni 1938 en in de oorlog, op 8 augustus 1941, Elly Irene. Het gezin woonde nu aan de Burgvlietkade, op nummer 60. In Tidinge van die Goude, het tijdschrift van de historische vereniging Die Goude, heeft Soesja Citroen de gebeurtenissen in en rond de familie Leuw ontvouwd, in 2014. Aanvullende gegevens kwamen nadien, in 2016, aan het licht via de website ‘Joods Monument Zaanstreek’ (JMZ). Beide bronnen worden hier geciteerd.
        In Tidinge is het zoon David Herman Leuw die – als overlevende – aan het woord komt. Op de website is dat vooral An Alma-Pot (1928), dochter van het Zaandijkse gezin Pot, bij wie David gastvrij kon onderduiken.
        Het gezin is tot oktober 1942 aan de Burgvlietkade kunnen blijven wonen, vertelt David. “Toen vorderden Duitse soldaten ons huis. In een halfuur moesten we het verlaten met medenemen van een koffertje. We zijn naar Goude 123 overgeplaatst en op 24 maart 1943 moesten we naar Amsterdam.” Daar kwam het gezin te wonen aan de Cillierstraat, op nummer 15 bis.
        David’s vader Maurits kreeg een aanstelling als portier in de Joodsche Invalide, een tehuis voor bejaarden en gehandicapten aan het Weesperplein 1. Hij was eind 1940 al ontslagen als joods ambtenaar. David omschrijft hem als “een betrouwbaar mens, echt Hollands, gevoelig voor autoriteit”. Elizabet wilde wel onderduiken, haar man juist niet. “Hij was astmatisch en bang zichzelf en anderen te verraden.”

David Leuw met tulp

Deze foto van David Leuw met tulp gebruikte de ondergrondse
om een nieuw adres voor hem te vinden.
Foto Collectie-David Leuw

Redding
Studenten, aangesloten bij de ondergrondse, wisten Elizabet te overtuigen om de kinderen toch af te geven. David: “Mijn moeder was praktisch, dat was onze redding. Ieder van ons werd gescheiden en we zagen elkaar [pas] terug na de oorlog.” Alna Pot hoorde later van Elizabet dat zij oorspronkelijk het gezin al voorbereidde op deportatie. “Er was een oproep gekomen. Zij was bezig met het naaien van namen in ondergoed.” Uiteindelijk werd het onderduiken, maar zonder haar echtgenoot.
        Verzetsvrouwen in verpleegstersuniformen “kwamen de kinderen halen”, aldus JMZ. Op 30 april 1943 werden zij, én hun moeder, ondergebracht bij verschillende mensen. De locaties bleven geheim. Moeder Elizabet kon terecht in Monnickendam, “ze moest er in de huishouding werken”. De kinderen David, Bertha (‘Betty’) en Elly konden los van elkaar onderduiken in Nieuw-Vennep.
        Betty, vijf jaar oud, kwam terecht “bij een eenvoudige dagloner en heeft het daar goed gehad”, zegt David. Elly verbleef bij de familie Van Ingen. David zelf was door de ondergrondse weggebracht naar de “gezegende familie” Bogaard. Die had “meer dan honderd onderduikers op de boerderij”. Nadat een van hen, Kees, de SS-man Van Duyn had doodgeschoten, overvielen de Duitsers de boerderij begin oktober 1943. David: “We moesten ’s nachts door de velden vluchten en in de sloot staan, zodat de honden ons niet roken.”
        David Leuw moest er weg. Twee gezinsleden Bogaard die niet waren gearresteerd, brachten hem bij de “fantastische familie” Pot in Zaandijk. Daar is hij tot de bevrijding gebleven. Door zijn blonde haar viel hij als joodse onderduiker niet op. David kreeg de achternaam van de gastfamilie toebedeeld, en als voornaam Pietje. Anna: “We vonden dat een vervelende naam en gingen hem Herman noemen” – naar zijn tweede voornaam.
        Volgens Anna had David er “een fijne onderduiktijd”. “Hij was dol op mijn moeder. Hij mocht van haar niet ‘mama’ of ‘moeder’ zeggen, want hij had een vader en moeder. Het was ‘oom en tante Pot’. Het gezin bestond uit moeder Hendrika Pot-de Boer [Zaandam, 21.2.1893 – Koog aan de Zaan, 21.1.1990], vader Arijan [Wormer, 22.8.1887 – Zaandijk, 20.9.1952] en dochter Anna Margaretha [Zaandijk, 27.7.1928]. Moeder Hendrika heeft volgens JMZ geregeld dat David zijn zussen Betty en Elly één keer hebben kunnen zien. “Dat vond ze belangrijk voor de kinderen.”

Maurits Leuw

Een laatste foto van Maurits Leuw, die op 31 maart 1944 in Auschwitz om het leven is gebracht, 41 jaar oud.
Foto Website ‘Joods Monument’

Briefje
Vader Maurits heeft zijn gezin nooit meer teruggezien.
        Hij kwam per 6 september 1943 op het Weesperplein te wonen, in het tehuis. Hij had volgens Tidinge als werknemer “nog een allerlaatste uitstel van deportatie” gekregen. Maar op 29 september werden de laatste tienduizend in Amsterdam bijeengedreven joden naar Westerbork getransporteerd, zo ook Maurits, in de nacht erop. Hij heeft er een getuigenis van afgelegd, in een briefje gedateerd 3 oktober aan een oom en tante van hem; hun namen worden in Tidinge niet genoemd.
        “Zo jullie weten, ben ik op de nacht van j.l. woensdag op donderdag omstreeks half vijf van mijn bed gelicht en er was geen vrijkomen meer aan. In een kwartiertje moest ik klaar zijn, doch aangezien ik tevoren veel gepakt had, heb ik weinig vergeten. Beneden bij het kantoor stonden zo’n zestig collega’s en na een kwartiertje werden we per auto’s naar het Amstelstation gebracht, waar alles stampvol was.”
        Op 19 oktober werd Maurits Leuw van kamp Westerbork naar Auschwitz getransporteerd. Hij schreef zijn oom en tante vanuit de goederentrein: “Beste Oom, Tante, We zitten in de trein, onze goederenwagen herbergt 33 lotgenooten. De stemming is prima en we houden de moed in. Er zijn 25 dergelijke wagens, totaal ± 1000 personen. Ditmaal weinig kinderen en zieken. We werden vannacht om 3 uur gewekt en zijn uit onze barak vertrokken. Veel medeleven en hulp gehad. Geve God, dat de hele familie voor een transport gespaard blijven, maar als men eenmaal op reis is, is men weer hoopvol. Misschien valt onze toekomst mee.”
        Maar Westerbork was de laatste halteplaats voor de dood. Op 31 maart 1944 werd Maurits vermoord, op 41-jarige leeftijd. Gezien de tussentijd, de treinrit duurt gemiddeld drie dagen, heeft hij waarschijnlijk eerst nog beulsarbeid moeten verrichten.

Moeder Elizabet plaatst op 8 juni 1945 een oproep Herenigd met haar kinderen gaat Elizabet in Dordrecht wonen

Moeder Elizabet plaatst in ‘De Waarheid’ van 8 juni 1945 een oproep, waarin zij om inlichtingen vraagt over haar drie kinderen David, Betty en Elly. Zij weet niet waar zij ondergedoken hebben gezeten.
Foto Delpher

Herenigd met haar kinderen gaat Elizabet in Dordrecht wonen, vanuit Gouda. ‘De Dordtenaar’ meldt haar komst in de krant van 15 juni 1948. Foto Regionaal Archief Dordrecht (RAD)

Oproep
De oorlog was voorbij, en Elizabet Leuw was onwetend. Waar was haar man? Waar waren in vredesnaam de kinderen?
        Ze plaatste een advertentie in De Waarheid (en volgens JMZ ook in Trouw) van 8 juni 1945. De tekst luidde: “Inlichtingen gevraagd betr. drie kinderen, de 30e April 1943 afgehaald Cillierstraat 15 te Amsterdam”, en daarna de namen en geboortedata van de drie kinderen. “Verblijfplaats vermoedelijk omgeving Nieuw-Vennep. Inlichtingen aan Elisabeth Leuw-Heilbron (Moeder) p/a P. Snieder, Swammerdamstraat 16, A’dam, of M. de Groot, Havenstraat 24, Monnikendam.”
        Volgens Anna Walma-Pot “hoorde een verzetsman uit Monnickendam van het bericht”. Deze wist dat Elizabet net had gehoord dat haar man niet meer terugkomt. “Ze was helemaal over haar toeren.” Via via is de verzetsman bij vader Pot terechtgekomen. Die had David in huis, en kende het adres van de twee zusjes. Nu kon Elizabet worden ingelicht.
        Samen met een familielid dat de oorlog ook had overleefd, kwam zij naar Zaandijk. De hereniging met David was “ontroerend”, vertelt Anna. David zelf: “Ik weet nog dat ik voor het raam zat, mijn moeder zat op de fiets. ‘Dat is mijn moeder’, zei ik.” De hereniging met Elly verliep minder goed. Mevrouw Van Ingen, hoofd van de lagere school in Nieuw-Vennep, betreurde namelijk het vertrek van haar pleegkind. “Dan kan ik haar niet meer van Jezus vertellen”, zei ze.
        Elizabet Leuw-Heilbron verloor in de oorlog niet alleen haar man Maurits. Haar vader David werd omgebracht in Sobibor, op 21 mei 1943, 78 jaar oud. En enkele weken eerder was haar stiefmoeder Betje Slager al omgekomen. Zij verbleef in het concentratiekamp Vught en liet er het leven op 2t5 april 1943, 76 jaar oud. Het is maar de vraag of Elizabet destijds van hun dood heeft gehoord op haar onderduikadres in Monnikendam.

Houttuinen nummer 9

Dit is de woning die Elizabet betrok, aan de Houttuinen op nummer 9 (nu: 7; zie de rode bloemen bij de voordeur).
Foto Redactie Website

Gesneuveld
De familie Poppert bleef evenmin ongedeerd in de oorlog.
        Zoon Hermann, geboren in Gronau in 1891 was al in de Eerste Wereldoorlog gesneuveld, in 1915, 24 jaar oud. Moeder Amelie kwam tijdens de Tweede Wereldoorlog om in Theresienstadt, op 22 oktober 1942, 77 haar oud.
        Dochter Karoline (‘Caroline’, ‘Ine’), geboren in Gronau op 21 maart 1893, werd vergast in Auschwitz, op 18 mei 1944, 51 jaar oud. Drie dagen eerder was haar echtgenoot Willy (‘Willi’) Eichberg (Bochum, 18.3.1873) daar gedood, op 15 mei 1944, 70 jaar oud. Hun zoon Rudolf (‘Rudi’, Dortmund, 18.11.1930) eindigde een jaar eerder al in Sobibor, op 26 maart 1943, twaalf jaar oud. Hun jongste zoon Walter (Dortmund, 7.10.1932) overleed in Leiden, op 6 maart 1941, acht jaar oud. De website ‘Joods Monument’ erkent hem als slachtoffer van de Holocaust.
        ‘Joods Monument’ meldt dat Rudi samen met Walter in februari 1939 naar Nederland is gekomen. Rudi komt in Beverwijk terecht, waar hij tot juli blijft, daarna verhuist hij naar een opvangtehuis in Hilversum, vervolgens komt hij als pleegkind bij het gezin Perlstein in Heemstede. In oktober 1940 gaat hij samen met zijn broertje naar een pleeggezin in Leiden, waar hij blijft tot zijn deportatie. Walter sterft in Leiden. De ouders Meyer en Amelie waren in Dortmund achtergebleven; zij wilden naar de VS emigreren.
        Nog meer doodsberichten voor de familie Poppert: de echtgenoot van dochter Elfriede, Max Scheije (geboren in Vallendar bij Koblenz, 25 mei 1895), is vermoord in Auschwitz, op 25 november 1942, 47 jaar oud.
        Dan is er nog Julius Poppert, geboren op 20 juli 1899, als kind nummer twee van Meyer en Amelie. Op de website ‘Stolpersteine Hamburg’ staat een korte levensgeschiedenis over hem. Julius was getrouwd met de niet-joodse Lore. Vanaf 19 september 1941 had hij net als alle andere joden de gele ster te dragen, een uitzondering werd hem als gemengd getrouwde niet toegestaan.
        In oktober 1941 begonnen in Hamburg de grootscheepse deportaties van joden. Julius vreesde vroeg of laat ook een oproep van de Gestapo te krijgen. Die kwam er op 28 augustus 1942. Hij overschreed met opzet de deadline, en toen een politieman hem kwam halen, riep Lore hem. Vergeefs. Enkele seconden eerder had Julius zich in de slaapkamer aan een dwarsbalk opgehangen en ook zijn polsen doorgesneden. Hij had tevoren zijn vrouw en kinderen gezegd dat hij zelfmoord zou plegen.

Elizabet Heilbron werd collectrice van de Staatsloterij

Elizabet Heilbron werd collectrice van de Staatsloterij. In het lokale dagblad ‘De Dordtenaar’ adverteerde zij regelmatig, zoals in de editie van 4 januari 1949.
Foto RAD

Geen documentatie
Van de dertien kinderen Poppert (zie het overzicht via deze link) waren er vijf jong of op onbekende leeftijd overleden. Van de overgebleven zeven kwam er drie om in de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Vijf zijn er in leven gebleven. Dit zijn: Elfriede (Gronau, 25.3.1894), Bernadine (‘Bertel’, Gronau, 1887), Walter (Gronau, 11.8.1902), Emma (Gronau 8.3.1904) en de al genoemde Rudolf – de man die ver na de oorlog, in 1965 in Dordrecht verzeild raakte, en er de nieuwe partner zou worden van Elizabet Leuw-Heilbron.
        Over de onderduiktijd van de overlevende kinderen Poppert is geen documentatie aangetroffen. Noodgedwongen kan er hier dan ook niets over worden vermeld. Dit gaat ook op voor Louis Heilbron, de broer van Elizabet. Over hem is evenmin bekend hoe hij de oorlog heeft weten te doorstaan. Volstaan moet worden met de mededeling dat papierhandelaar Louis, die op 15 maart 1938 in Lochem trouwde met Alida (‘Ali’) Henriëtte Hartog (Enschede, 10.7.1906), na de oorlog zijn leven heeft kunnen vervolgen tot 13 december 1959. Hij stierf als 55-jarige in zijn geboortestad. Alida overleed daar op 6 mei 1986, 79 jaar oud.
        Wat dreef weduwe Elizabet ertoe om zich na de oorlog in Dordrecht te settelen?
        Volgens dochter Bertha (alias Betty) was de reden een simpele: zij kon er collectrice van de Staatsloterij worden. “Als oorlogsweduwe had zij de kost te verdienen voor drie kleine kinderen. In Dordrecht was een vacature.” Op 7 juni 1948 betrad Elisabet Leuw Dordrecht. Haar voorgaande adres was de Turfmarkt 47 in Gouda. Elizabet was dus aanvankelijk teruggegaan naar de stad waar haar gezin was ontstaan. In Dordrecht ging zij met de kinderen aan de Houttuinen wonen, op nummer 9 (nu: 7), een kleine woning, midden in de binnenstad, vlakbij de havens.

26 augustus 1956 overlijdt Elsa Goldstein Arthur Goldstein op een herdenkingsgedenksteen

Op 26 augustus 1956 overlijdt Elsa Goldstein, de eerste vrouw van Rudolf Poppert. Op haar grafsteen op de joodse begraafplaats Esmrondw in Enschede worden ook haar ouders Moritz en Minna in de herinnering gehouden.
Foto ‘Het Stenen Archief’

Op de joodse begraafplaats in zijn geboortestad Wildeshausen staat de naam van Arthur Goldstein op een herdenkingsgedenksteen voor alle plaatselijke slachtoffers van de Holocaust.
Foto Website ‘Alemannia Judaica.de’ 


Louis, de broer van Elisabet, trouwt met Alida Hartog

Louis

Louis, de broer van Elisabet, trouwt met Alida Hartog, in maart 1938. Mede namens de wederzijdse ouders bedankt het echtpaar in de ‘Tubantia’ van 15.3.1938 voor alle ondervonden belangstelling. Op de pasfoto: Louis, in een onbekend jaar.
Foto’s Delpher en website ‘Geni’


Weduwnaar
Rudolf Poppert, die haar later in Dordrecht zou komen vergezellen, woonde intussen weer in Enschede, nog altijd met zijn echtgenote Elsa Goldstein.
        In haar familie had de oorlog ook leed teweeggebracht. Haar broer Arthur was midden in de oorlog overleden, in Enschede, op 30 september 1943, 41 jaar oud. Hij wordt genoemd op de herdenkingswebsite ‘Joods Monument’. Zijn vrouw Suze en dochter Selma overleefden de jodenvervolging.
        Gertrud Goldstein, de zus van Elsa, overleefde de Holocaust evenzeer, maar niet haar man Bernhard Weijl. Hij, geboren op 1 november 1893 in het Duitse Ochtrup en slachter van beroep, was met Gertrud getrouwd in haar geboortestad Gronau. Samen kregen zij er op 9 maart 1927 zoon Max. Ook dit gezin woonde in de oorlog in Enschede, op het laatst aan Zuiderhagen 88. Bernhard kwam om het leven in Mauthausen, op 5 november 1941, 48 jaar oud. Na de oorlog hertrouwde Gertrud met Salomon Izak de Haas (Aalten, 7.9.1890). Deze was eerder getrouwd geweest, vanaf 1919, met Frona Cohen (Doesburg, 4.8.1875 – Arnhem, 20.10.1941, 66 jaar), en had met haar dochter Sophie gekregen. Ook Frona wordt vermeld op ‘Joods Monument’.
        Samengevat: van de oorspronkelijke zes gezinsleden Goldstein waren er na de oorlog nog drie in leven, de dochters Elsa en Gertrud, beiden in Nederland, in Enschede, en zoon Julius in de VS.
        Elsa echter heeft niet lang van de hervonden vrijheid mogen genieten, slechts elf jaar. Zij overleed in Enschede op 26 augustus 1956, relatief jong: 51 jaar.
        In maart 1965 verliet weduwnaar Rudolf Poppert de woning aan de Minister Idenburgstraat 1 in Enschede en verhuisde naar Dordrecht, waar hij introk bij de weduwe Elizabet Leuw-Heilbron, aan de Houttuinen. Zij was nu 56, hij 68.
        Elizabet had thans als familielid alleen nog een broer, Louis, die nog altijd in Lochem woonde. Van Rudolf’s omvangrijke familie leefden er nog vijf, de zussen Bernadine, Elfriede en Emma, respectievelijk in Kaapstad, Amersfoort en Bussum, broer Walter, eveneens in Kaapstad, en Rudolf zelf. Dat Emma Poppert nog leefde, was overigens in haar voormalige geboorteplaats Ibbebüren onbekend. Daar werd aangenomen dat zij vernietigd was in Polen. In een kader hieronder wordt deze pijnlijke vergissing toegelicht.

>Krantenberichten die iets vertellen over gebeurtenissen in het gezin Leuw-Heilbron

Krantenberichten die iets vertellen over gebeurtenissen in het gezin Leuw-Heilbron: zoon David viert zijn bar mitswa in juni 1951 (‘Nieuw Israëlitisch Weekblad’, 15.6.1951); dochter Elly Irene vertrekt naar Israël (‘De Dordtenaar’, 15.3.1962), Elly Irene trouwt er met Henry Chétrit en krijgt in Berseba een dochter, Elizabeth, zo deelt moeder Elizabet, de oma, mee (DD, 11.1.1964) en ten slotte: dochter Bertha Evelyn Beatrix verlaat Dordrecht en vestigt zich in Amsterdam (DD, 12.101966).
Foto’s Delpher en RAD


Rudolf Poppert sterft op 21 april 1969

Rudolf Poppert gaat negen jaar na het overlijden van Elsa in Dordrecht samenwonen met Elizabet Leuw-Heilbron, maar sterft na vier jaar al, op 21 april 1969. Hij werd begraven op de joodse begraafplaats in Dordrecht.
Foto ‘Het Stenen Archief’




Elizabet blijkt een winnend lot te hebben verkocht

Elizabet blijkt een winnend lot te hebben verkocht dat een ton waard is, bericht ‘De Dordtenaar’ op 15 december 1972.
Foto’s RAD



Advertenties
Waarom ging Rudolf Poppert eigenlijk naar Dordrecht? Kende hij Elizabet?
        Dochter Betty weet het niet meer, zegt ze. “Mogelijk heeft de heer Poppert mijn moeder door een advertentie leren kennen. Zeker zijn we er niet van.” In haar herinnering is Rudolf Poppert pas in 1967 bij haar moeder ingetrokken, en zijn zij slechts twee jaar samen geweest: Poppert overleed immers op 20 april 1969. Maar de gemeentelijke woningkaart wijst uit dat hij al op 15 maart 1965 op de Houttuinen kwam in te wonen bij Elizabeth Heilbron. Ze zijn niet hertrouwd, ze waren elkaars partner. Vier jaar heeft hun omgang geduurd.
        Voor de komst van Rudolf had Elizabet zich als collectrice van de Nederlandse staatsloterij al enigszins doen gelden in Dordrecht. Zij liet in het lokale dagblad De Dordtenaar verscheidene kleine advertenties plaatsen, waarin zij zich aanprees als verkoopkantoor van staatsloten, meestal met dezelfde tekst − zoals deze op 4 april 1949: “E. Leuw-Heilbron. Collectrice Ned. Staatsloterij, Houttuinen 9. DAGELIJKS van 9-5 uur loten verkrijgbaar.” Deze annonce was een correctie van die van de dag ervoor, waarin abusievelijk werd meegedeeld dat Elizabet alleen op maandag en donderdag de deur opende voor lotenkopers.
        Op 15 december 1972 haalde zij de voorpagina van De Dordtenaar. “Weer is in Dordrecht een prijs van ƒ 100.000 van de Staatsloterij gevallen”, luidde het korte nieuwsbericht. “Het betrof lot nr. 033574, verkocht door mevrouw E. Leuw-Heilbron, Houttuinen 7.” Het valt op dat zij de achternaam van haar eerste echtgenoot is blijven hanteren, maar dat is ook niet onlogisch: wijlen Rudolf Poppert was haar partner, niet officieel haar tweede echtgenoot.
        Vanzelfsprekend gingen de kinderen intussen naar school. Dochter Betty: “Mijn broer Herman zat op de mulo en later op de technische Christiaan Huygensschool in Rotterdam. Zelf heb ik op de hbs aan het Oranjepark gezeten, met als rector dr. Izaäk Vijlbrief en als conrector Jaap van Praag, een van de oprichters van het Humanistisch Verbond. Mijn zus Elly heeft een opleiding tot kleuteronderwijzeres gevolgd.”
        Het gezin maakte deel uit van de joodse gemeenschap in Dordrecht. Betty: “Joods leven was er zeker in de jaren vijftig. Het was een kleine, maar hechte en warme gemeenschap.”

In 1973 stopt Elizabet als collectrice

Een jaar later, in 1973, stopt Elizabet als collectrice. Haar werk wordt overgenomen door Karel Fonteijn, die een verkooppunt vestigt in het postkantoor, zo blijkt uit deze advertentie van hem in ‘De Dordtenaar’ van 10 maart 1973.
Foto’s RAD






Opvolger
Voordat zij Rudolf leerde kennen, wist Elizabet zich in haar eentje staande te houden, ook financieel. En na zijn verscheiden ook weer. Maar in 1973 gaf zij er de brui aan. Ze droeg het lootjesverkopen over aan Karel Anton Fonteijn, een joodse stadgenoot, geboren in Den Haag op 12 december 1925. Fonteijn liet op 10 maart een grote advertentie in De Dordtenaar zetten, waarin hij verklaarde tot opvolger van mevrouw E. Leuw-Heilbron te zijn benoemd. Hij pakte de verkoop anders aan. Fonteijn, die overigens nog leeft, vestigde een verkooppunt in het postkantoor aan het Bagijnhof.
        De kinderen hadden hun volwassenheid bereikt, ze zwermden uit. Begin en midden jaren zestig verlieten zij Dordrecht. Twee van hen emigreerden naar Israël.
        Elly Irene, de jongste dochter, ging als eerste, in 1962. Zij was toen net twintig. Haar vertrek stond in De Dordtenaar, in de rubriek ‘Gaande en komende man’. Zij trouwde met Henry Chétrit (Meknes, Marokko, 1942) en ging met hem wonen in Beershewa. Op 11 januari 1964, twee jaar later, gaf haar moeder “met grote blijdschap” in de plaatselijke krant kennis van de geboorte van een kleindochter, Elizabeth geheten, in het Hebreeuws Elisheva geheten. Later kregen Elly Irene en Henry nog een tweede kind, Ehud.
        Elly heeft niet lang moeder kunnen zijn. In 1972 kwam zij tijdens een vakantie in Dordrecht “na een zeer kortstondige ziekte” te overlijden, op vrijdag 4 augustus, nog pas 30 jaar oud. Zij is begraven in haar woonplaats Beershewa.
        In Israël kwam, ook al vanaf de jaren zestig, nog een familielid te wonen, in Haifa: broer David Herman, de ene helft van de tweeling. Hij trouwde met Ruth (‘Ruthy’) Miriam Lesly, kreeg met haar drie kinderen: Elinore Auzlai Leuw, Nimrod Menahem Leuw en Zohar Emanuel Leuw.

In oktober 2015 werd in het Dordts lyceum een reünie gehouden

In oktober 2015 werd in het Dordts lyceum een reünie gehouden. Betty Knoop-Leuw, getrouwd met de vermaarde journalist Hans Knoop, was ook aanwezig. Zij is de vrouw uiterst links in de middelste rij.
Foto Jaap Romijn

Oorlogsmisdadiger
Betty, de andere helft van de tweeling, verliet Dordrecht als laatste. Zij had in Rotterdam vier jaar gestudeerd aan de Academie van Sociale Wetenschappen. Na de studie werkte ze eerst in België, daarna in de VS, vervolgens emigreerde zij naar Israël. Na een verkeersongeval keerde zij terug naar Nederland voor een operatie. In oktober 1966 toog zij naar Amsterdam, waar ze een baan kreeg als sociaal werkster. Eind 1967 leerde zij in Amsterdam Hans Knoop (Naarden, 1943) kennen, met wie zij in 1968 in Dordrecht trouwde.
        Knoop werd een gereputeerde journalist. Hij oogstte grote faam met de ontmaskering en arrestatie van de oorlogsmisdadiger Pieter Menten, in de tijd dat Knoop, begonnen als verslaggever bij De Telegraaf, hoofdredacteur was van het opinieweekblad Accent. Een dramaserie over de Zaak-Menten van de omroep Max is in 2016 uitgezonden, en in 2018 herhaald.
        Rond 1975 verliet ook moeder Elizabet Dordrecht, iedereen was er nu weg. Elizabet streek neer in Bussum. Dat was in de buurt van dochter Betty, die met Hans Knoop in Naarden was gaan wonen. Toen het echtpaar Knoop later verhuisde naar België, waar het tegenwoordig nog altijd resideert, volgde Elizabeth hen. Midden jaren negentig emigreerde zij eveneens naar Israël. Op haar oude dag verbleef zij in Beth Juliana in Herzliya bij Tel Aviv. Elizabet Leuw overleed op 27 december 1997 in Kfar Saba, op 79-jarige leeftijd.
        Bety en haar broer David zijn van het gezin Leuw als enigen nog in leven. Betty vertelt dat Dordrecht geenszins definitief uit haar gedachten is verdwenen. “We hebben er goede, warme herinneringen aan. Uiteraard zijn we er uiteraard regelmatig teruggeweest, ook na de dood van mijn moeder.”
        De andere direct of indirect betrokkenen uit dit verhaal zijn intussen allen heengegaan. Voor de volledigheid worden zij hier afrondend vermeld.
        De familie Golstein: Elsa, de eerste echtgenote van Rudolf Poppert, stierf op 26 augustus 1956, 51 jaar oud, in Enschede. Haar zus Gertrud stierf eveneens in Enschede, op 8 maart 1985, 84 jaar oud. Van hun broer Julius in de VS zijn geen gegevens voorhanden, maar aangezien hij is geboren in 1907, mag worden verondersteld dat hij is overleden.
        De familie Heilbron: alleen Betty en David leven nog.
        De familie Poppert: Elfriede Scheije-Poppert is op 25 maart 1979 in Amersfoort overleden, 84 jaar oud. Haar broer Walter stierf in Johannesburg, op 10 augustus 1984, 82 jaar oud. Zus Emma overleed op 26 april 1996 in Bussum, 92 jaar oud.

30 augustus 2012 wordt op de Burgvlietkade een Stolperstein gemetseld voor Maurits Leuw

Op 30 augustus 2012 wordt op de Burgvlietkade een Stolperstein gemetseld voor Maurits Leuw, de eerste man van Elizabet. In het midden staat zoon David, naast hem zijn zus Bertha (Betty).
Foto Stichting Gouds Metaheerhuis



***


Eind augustus 2012 werden op instigatie van de afdeling Stolpersteine van de Stichting Gouds Metaheerhuis struikelsteentjes geplaatst voor de vermoorde oud-bewoner Maurits Emanuel Leuw, de man van Elizabet.
        Dat gebeurde in hun vroegere woonstraat, de Burgervlietkade, in aanwezigheid van David en zijn zus Betty. Zij waren er ook bij toen vervolgens in Lochem Stolpersteine werd aangebracht voor hun vader David Heilbron en hun stiefmoeder Betje Heilbron-Slagter. “Wat zou ze blij geweest zijn, als ze dit geweten had”, zei David, doelend op zijn moeder Elizabet.

Emma Löwenstein-Poppert ten onrechte doodverklaard

In het centrum van de Duitse stad Ibbenbüren, een gemeente niet al te ver verwijderd van Oldenzaal, liggen acht merkwaardige Stolpersteine voor leden van de familie Löwenstein. Zes van hen zijn eind jaren dertig gevlucht naar Zuid-Afrika, waar de Tweede Wereldoorlog zich niet heeft afgespeeld. En twee andere steentjes betreffen Manfred en zijn vrouw Emma Poppert. Zij zijn naar Nederland uitgeweken. Van Manfred wordt gezegd dat zijn lot onbekend is, van Emma dat zij vermoord is in Polen.
        Dit klopt niet. Wat is er in werkelijkheid gebeurd?

acht steentjes in Ibbenbüren voor leden van de familie Löwenstein en aanhang

Een overzichtsfoto van de acht steentjes in Ibbenbüren voor leden van de familie Löwenstein plus ‘aanhang’.
Foto Wikipedia

Overlevenden
Dat er steentjes zijn voor joden die zich op tijd uit de voeten hebben gemaakt, hoeft niet te verbazen. Gewoonlijk worden Stolpersteine alleen gelegd − en in sommige Europese steden, zoals Dordrecht zelfs uitsluitend − voor joden die zijn vermoord. Maar Gunter Demnig, de Duitse uitvinder van deze struikelstenen, trekt het begrip ‘slachtoffer van het nationaalsocialisme’ veel breder. De gedenktekens mogen van hem bedoeld zijn voor álle mensen die door de nazi’s werden “verdreven, gedeporteerd, vermoord of tot zelfmoord gedreven” (Wikipedia). En onder ‘mensen’ worden niet alleen joden verstaan, ook Sinti, Roma, politieke gevangenen, dienstweigeraars, homoseksuelen, Jehova’s getuigen en gehandicapten.
        Inmiddels zijn in Berlijn zelfs al Stolpersteine geplaatst voor overlevenden. Dat gebeurde in maart 2014 op nummer 177 van de Kurfürstendamm, een chique winkelstraat in het stadsdeel Charlottenburg. Daar werden in het trottoir steentjes gemetseld voor drie leden van de joodse familie Grünberg, dr. Hans Max Grünberg (1892), Kate Grünberg (1897) en Ruth Clara Grünberg (1931). Zij sloegen in 1933 op de vlucht voor de nazi’s en wisten via België, Frankrijk, Zwitserland en Italië uiteindelijk Chili te bereiken.
        Demnig trok zich niets aan van de kritiek die werd geuit. Volgens de Berliner Zeitung oordeelden nabestaanden dat Stolpersteine devalueren als ze nu óók al voor overlevenden gaan gelden. Demnig was stinksauer, pisnijdig, op “de conservatieve en provinciaalse Berlijners”, zei hij. “De Stolpersteine zijn mijn idee. Als men het project niet verbreedt, schei ik ermee uit.”

Verdreven
In Ibbenbüren liggen acht van die ‘ongewone’ steentjes, op het adres Unterer Markt 2. Op deze plek dreef de familie Löwenstein meerdere generaties achtereen een warenhuis. Het gezin waar het om gaat, bestaat uit de de ouders Sally en Bertha Löwenstein en hun drie kinderen Manfred, Julius en Lily.
        De crisis in de jaren dertig dwong Sally er in 1928 toe het faillissement aan te vragen. Maar enige tijd daarna heropende Manfred het Kaufhaus. Niet voor lang: in 1935 organiseerde de NSDAP-Ortsgruppe een lokale boycot tegen zaken die door joden geleid werden. Manfred moest zijn onderneming opgeven. Hij verpachtte de bedrijfsruimten aan een SA’er, die evenwel weigerde de pacht te betalen en na een jaar afhaakte. Manfred verpandde bij zijn schuldenaar delen van zijn huisraad en beschuldigde de SA’er er in het openbaar van “lomp en een bedrieger” te zijn, aldus de Wikipedia-pagina over Stolpersteine in Ibbenbüren.
        Dit veroorzaakte nogal wat ophef. Korte tijd later zagen Manfred en zijn vrouw Emma Poppert zich genoodzaakt naar het nabijgelegen Enschede te vertrekken.

onterrechte stolpersteine in Ibbenbüren van Manfred Löwenstein en zijn vrouw Emma Löwenstein-Poppert

Detailopnames van twee steentjes waarvan de tekst niet correct is, voor Manfred Löwenstein en zijn vrouw Emma Löwenstein-Poppert. Over Manfred wordt gemeld dat zijn lot onbekend is. In werkelijkheid heeft Manfred kunnen leven tot 22 mei 1962 in Amersfoort. In de overlijdensadvertentie, in het ‘Algemeen Handelsblad’ van 23 mei 1962, staat de naam van Emma. Van Emma wordt op het steentje gemeld dat zij is vermoord in bezet Polen. Maar de advertentie toont aan dat ook zij de oorlog heeft overleefd. Emma is overleden in Bussum, op 26 april 1996.
Foto’s Wikipedia en Delpher

Steentjes
In 2016 werden voor de acht leden van de familie Löwenstein − de ‘aanhang’ meegeteld − Stolpersteine gelegd. Op zes steentjes staat dat zij gevlucht zijn naar Zuid-Afrika, in verschillende jaren: 1936, 1938 en 1939. Geen van allen zijn zij door de nazi’s omgebracht. Dit zijn dus overduidelijk steentjes voor verdreven joden. Enigszins geldt dit ook voor de twee resterende steentjes, die voor Manfred en Emma. Van hen wordt gemeld dat zij naar Holland zijn gevlucht, zij in 1937, hij in 1938. Ook zíj zijn verdreven.
        Maar bij Manfred staat verder: Schicksal unbekannt. En bij Emma: Interniert Westerbork / Deportiert / Ermordert im bezetzten Polen. In het geval van Manfred is deze informatie onvolledig, in het geval van Emma is het zelfs gewoon onzin.
        Manfred Löwenstein heeft, zoals in het verhaal hierboven staat, na de oorlog zijn leven kunnen leven tot 1962. Hij stierf in Amersfoort, 59 jaar oud, op 22 mei.
        En Emma is niet vergast in Polen, integendeel. Aan de zijde van haar man heeft ook zij tot lang na de oorlog kunnen blijven voortbestaan. Ze is zelfs behoorlijk oud geworden: zij overleed op 92-jarige leeftijd in Bussum, op 26 april 1996. Hiernaast staan hun overlijdensadvertenties afgebeeld, alsook de steentjes voor hen in Ibbenbüren.
        Emma is ten onrechte doodverklaard. De organisatoren van de Stolpersteine in Ibbenbüren hadden dit eenvoudig kunnen controleren via de officiële, betrouwbare website van Das Bundesarchiv. Daar zijn in het Gedenkbuch álle namen te vinden van joden die het slachtoffer zijn geworden van de “nationaalsocialistische tyrannie in Duitsland 1933 – 1945”. Emma staat er niet tussen.

        Deze bevindingen zijn voorgelegd aan Gernold Mudrack, projectmedewerker Stolpersteine van het Stadtmuseum Ibbenbüren. Hij deelde mee dat de tekst op de steentjes voor Manfred en Emma Löwenstein volgend jaar gecorrigeerd gaat worden. Mudrack had van een vroegere buurman van Manfred al eens gehoord dat Manfred “de oorlog had overleefd in Amersfoort en er een nieuwe winkel” was begonnen. “Maar ik wist niet dat zijn vrouw Emma ook een overlevende is.” Het was een boek over de nazi’s en de joden in Ibbenbüren dat meldde dat Emma op 27 juli 1937 was geëmigreerd naar Enschede en dat zij via kamp Westerbork was gedeporteerd naar een concentratiekamp in Oost-Europa. Voor de tekst op het steentje had men zich op die informatie gebaseerd.


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'