Het voorbije joodse dordrecht

Vier maanden oud werd Elsje even afgestaan,
maar ze zag haar Dordtse moeder nooit weer

Ellen's moeder Bertha (Bep) Hartog-Cohen

Ellen's moeder Bertha (Bep) Hartog-Cohen
in verpleegstersuniform,
mogelijk gefotografeerd in Dordrecht.
Foto Familiebezit

Ellen van der Spiegel Cohen heet ze, en dat is niet haar trouwnaam. Die schijn bedriegt. Tussen Van der Spiegel en Cohen hoort geen streepje.
         Meneer en mevrouw Van der Spiegel waren haar pleegouders. Meneer en mevrouw Cohen zijn haar echte ouders, ouders die ze nooit heeft gekend.
         Haar naam weerspiegelt de onbevattelijke tragedie die Ellen’s leven, dat inmiddels al de zeventig voorbij is, nog altijd beheerst.
         Vier maanden nadat zij werd geboren, op 19 juni 1942, als enig kind van Salomon Cohen en de uit Dordrecht afkomstige Bertha Hartog, legde een verzetsstrijdster haar als baby te vondeling bij het kinderloze echtpaar Van der Spiegel. Dat hadden haar ouders zo geregeld; dat achtten zij veiliger nu de Duitsers de joden massaal oppakten en afvoerden.
         Anderhalf jaar later was haar complete familie, zowel van vaders- als moederskant, uitgemoord. Haar ouders, haar grootouders, ooms, tantes, neefjes, nichtjes – allen waren onverbiddelijk, stuk voor stuk, wreed geslachtofferd. Aan vaderskant alleen al betrof het meer dan tachtig mensen. Slechts twee zussen van haar moeder wisten heelhuids de bevrijding te bereiken, maar van hen had de piepjonge Ellen geen weet.
         Hoe alleen op de wereld kun je zijn?
         Hoewel van oorsprong joods zijnd, werd Ellen christelijk opgevoegd. Hoewel van oorsprong Elsje Cohen hetend, werd ze Elly van der Spiegel genoemd. Pas na de oorlog ontdekt ze door toeval haar eigen naam, en gaandeweg: haar werkelijke identiteit.
         Dat ze twee namen heeft en twee identiteiten, maakte haar “een onzeker, angstig kind”, zoals ze zegt. “Ik hoorde naar mijn gevoel nergens bij. Een kind tussen twee werelden. Ik deed erg mijn best om mij overal aan te passen, om lief en dankbaar te zijn, om maar niet op te vallen in die onveilige wereld.”
         Maar ondanks die grote kwetsuur uit de oorlog, liet Ellen van der Spiegel Cohen haar leven niet in het ongerede gooien. Ze ging andere mensen helpen – als psychologe.

Sara Hartog-Monasch methaar man Selomo, in Scheveningen  Ellen's grootmoeder Sara en haar tante Carry met zoon Hans

Sara Hartog-Monasch, de grootmoeder van Ellen,
met haar man Selomo, in Scheveningen
op 7 juli 1936.
Foto Familiebezit

Nog een foto met Ellen's grootmoeder Sara (staand).
Ellen weet niet wie de vrouw rechts is,
maar herkent links haar tante Carry,
met zoon Hans (van 13 maanden),
een neef van Ellen die nu in Israël woont.
Foto Familiebezit


grootmoeder Sara met haar kinderen

Nog een nooit eerder gepubliceerde foto, van grootmoeder Sara
(in het midden) met haar kinderen.
Ellen herkent de achterste vrouw als tante Carry en
rechts haar eigen moeder Bertha (met bril).
Foto Familiebezit

 
grootmoeder Sara en Ellen's moeder Bertha

Op deze foto, gemaakt op een balkon op 23 augustus 1934,
staat rechts grootmoeder Sara, links Ellen's moeder Bertha
en in het midden Bertha's tweelingbroer Louis.
Foto Familiebezit

Dordrecht
Zelf is ze in Rotterdam geboren en opgegroeid, maar Dordrecht is onmiskenbaar de standplaats van zowel haar grootouders als haar overgrootouders, de bron die in ieder geval teruggaat tot de eervorige eeuw.
         Louis Monasch en Rosette Bremer heetten haar overgrootouders. Zij leefden in Dordrecht respectievelijk van 1853 tot 1904 en van 1855 tot 1885. Op 1 februari 1880 krijgen zij Sara als dochter. Op 18 december 1907 trouwt deze Sara in Dordrecht met Selomo Hartog, afkomstig uit ’s-Gravendeel, daar geboren op 30 januari 1869. Beiden zijn joods. Hij is veehandelaar, zij is van betere huize: de Monaschen zijn een familie van rabbijnen en voorzangers.
         Sara Monasch heeft een wonderlijke omweg gemaakt naar Dordrecht, die Ellen van der Spiegel te aardig vindt om hier onvermeld te laten.
Hoewel geboren in Dordrecht op 1 februari 1880, vertrekt zij op 21 december 1903 naar Amsterdam, om daar eerst aan de Sarphatistraat 107 in te gaan wonen bij een familie De Solla en later, in 1905, aan de Weesperzijde 107. Op 29 september 1906 wordt zij in Amsterdam uitgeschreven, omdat ze nu weer verhuist naar Borghout bij Antwerpen, naar Hoogveld 34. Maar in 1907 is ze weer terug in Dordrecht, om Selomo Hartog te huwen. Zij worden de grootouders van Ellen.
         In gestage opeenvolging komen er kinderen, bij elkaar zes. Gudula is de eerste, op 2 april 1908. Daarna volgen: Rozette Bertha (13 mei 1909), Herman Louis (18 oktober 1910), de tweeling Bertha en Louis (op 25 mei 1912) en als laatste Anna (13 mei 1914). Met zijn gezin woont Selomo Hartog aan de Prinsenstraat 6, een adres dat ondanks de omnummering in de jaren vijftig niet is veranderd, en dat ook nog bestaat. Het is een fors pand met meerdere verdiepingen.
         Hun volwassenheid bereikend, waaieren de kinderen uit. De gezinskaart in het Dordtse archief oogt als een volgeschreven kladblaadje, zo veel verhuizingen zijn er genoteerd. Leerling-verpleegster Gudula, de eersteling, vertrekt eerst in februari 1928 naar Rotterdam, naar de Schietbaanlaan 42. Later, in 1933, gaat ze naar Amsterdam, zo valt te ontcijferen.
         Rozette Bertha meldt zich in juli 1928 eveneens in de Rotterdamse Schietbaanlaan, om in maart 1929 naar de Clarastichting in Zandvoort te gaan. Zij is ook leerling-verpleegster. Schietbaanlaan 42 is hoogstwaarschijnlijk het adres waar zij haar opleiding kreeg: het joods ziekenhuis was er gevestigd.
         De overigen blijven evenmin in Dordrecht. Koopman en veehandelaar Herman Louis duikt op in Den Haag (in april 1927), net zoals magazijnbediende Louis (november 1933). Anna, kantoorbediende, vertrekt naar Arnhem (augustus 1937).

Bertha in Etten-Leur

Nogmaals Bertha, nu in Etten-Leur, waar ze in 1933 werkte in een gezondheidskolonie.
Foto Familiebezit

Huishoudster
Bertha ten slotte maakt omzwervingen. Zij komt in 1933 als (gediplomeerd) kinderverpleegster te werken in Etten-Leur, in een Israëlitische gezondheidskolonie. In november 1934 blijkt zij als huishoudster te werken in Rotterdam, aan de Spoorsingel 78b, komend uit Hilversum. Een maand later gaat ze terug naar Dordrecht, naar de Albert Cuypsingel 189 (nu 303), waar haar ouders dan inmiddels zijn gaan wonen.
         In maart 1936 is ze opnieuw als huishoudster werkzaam in Rotterdam, blijkens de Rotterdamse gezinskaart, nu op de Middensingel 30b. In mei 1938 bevindt ze zich op de Westewagenstraat 51b, op 29 maart 1939 verhuist ze binnen Rotterdam nog eens: naar de Schieweg 85b.
         Waarom deze bewegingen hier zo worden vermeld? Bertha is de moeder van Ellen van der Spiegel Cohen. Zij huwt op die 29ste maart Salomon Cohen. Hoewel hij is geboren in het Duitse Neheim, op 29 mei 1913, is hij van origine Nederlands-joods. Zijn vader, Emanueel Cohen (1880) stamt uit Leeuwarden, zijn moeder, Elisabeth van Kleef (1875), uit Groningen, zo staat beschreven in een biografie over Ellen op de website Joods Rotterdam.
         Op 2 mei 1938 verlaten ook vader Selomo en moeder Sara hun woonstad Dordrecht; de reden is niet bekend. Hun nieuwe adres wordt Rotterdam, de Westewagenstraat 51b, het adres dus waar ook hun dochter Bertha korte tijd verbleef, tot haar huwelijksdag. Het zal niet hun laatste adres zijn, overigens. Als Selomo en Sara tijdens de oorlog worden gearresteerd, is dat in hun woning aan de Schieweg 226b, in de buurt van Bertha, die op 85b huist, een bovenwoning.


geboorte van Elsje

De geboorte van Elsje wordt vermeld in
het Dagblad van Rotterdam, op 22 juni 1942.
Redactie Website

Baby
Hun kinderen krijgen zelf kinderen, de familie Hartog dijt uit, zoals dat in Dordrecht en daarbuiten gebeurt met de familie Monasch, Sara’s kant.
         Een gelukkige Bertha, in eigen kring Bep genoemd, bevalt op 19 juni 1942 van dochter Ellen (Elsje). In het Dagblad van Rotterdam van 22 juni wordt de geboorte vermeld. Ellen is verbaasd als zij dit bericht in 2015 onder ogen krijgt. “Mijn vader heeft me nog gewoon aangegeven bij de burgerlijke stand. Dat ze dat in juni 1942 nog durfden.”
         Het was inderdaad moedig, want de hetze tegen de joden was al volop gaande. Spoedig zouden ze in het hele land worden opgejaagd, weggevoerd en de dood in gejaagd.
         Salomon en Bertha voorvoelden dit. Zij besloten om hun baby via het verzet onder te brengen bij een kinderloos gebleven, wat ouder echtpaar, de Van der Spiegels, die dicht in de buurt wonen.
         In 2009 heeft Ellen voor de website ‘Late gevolgen van Sobibor’ over haar onderduik verteld, in een interview met prof. Selma Leydesdorff. Dit gesprek is afgenomen in het kader van het proces tegen een bewaker uit Sobibor, Ivan Demjanjuk, dat destijds plaatshad in München. Ellen vertegenwoordigde er als mede-aanklager haar vermoorde ouders.
         Het interview met Leydesdorff, dat in videobeelden is te zien, is schriftelijk kort samengevat. En uit die samenvatting valt af te leiden dat Ellen’s ouders zelf niet onderdoken. “Zij denken sterk genoeg te zijn om het te redden in de werkkampen.”
         Bep Liesveld, een tussenpersoon van een studentenverzetsgroep, zorgt ervoor dat Elsje, nog pas vier maanden oud, op de stoep wordt afgeleverd bij het echtpaar Van der Spiegel, van wie de man leraar is aan het christelijk gymnasium. Vermoedelijk weten Bertha en Salomon niet welk adres het is, uit voorzorg. Op een dag wandelt haar pleegmoeder met Ellen in de kinderwagen als haar echte moeder de wandelwagen van haar dochtertje herkent. Maar dit hoort Ellen pas veel later, aldus de website. Ze heeft zich vaak voorgesteld hoe hartverscheurend dit voor haar moeder moet zijn geweest.
         De kleertjes die Elsje bij aflevering droeg, bewaart Ellen nog altijd. Tijdens het interview met Selma toont zij ze steeds weer, evenals andere tastvare voorwerpen, zoals een haarborsteltje. “Ik begreep pas later”, schrijft Leydesdorff in een apart kadertje, “dat ze me vooral de babykleertjesliet zien, omdat die het enige voorwerp zijn waarvan ze zeker weet dat het in handen van haar moeder is geweest.”

Ellen van der Spiegel Cohen

Ellen van der Spiegel Cohen, zoals ze te zien is in een video op de website 'Long Shadow of Sobibor'.
Foto Redactie Website


Sobibor
De kleertjes herinneren haar aan haar ouders, die ze nooit meer heeft teruggezien. Salomon en Bertha worden in het voorjaar van 1943 in Rotterdam opgepakt. Op de 10de april 1943 arriveren ze in het doorgangskamp Westerbork, waar ze worden ondergebracht in barak 57. Op 20 april 1943 gaan ze met het 8ste transport, tezamen met 1166 andere mensen, naar Sobibor, waar ze direct na aankomst worden vermoord, op 23 april – hij 29 jaar oud, zij 30.
         De vernietiging reikt verder. Alle vier haar grootouders worden ook vermoord, in Auschwitz. Van de grote familie van vaderskant, de Cohens, overleeft niemand. Van de broers en zussen van haar moeder, evenals hun nakomelingen: ze sterven allen, op twee zussen na, zo blijkt pas later: Rozette Bertha (tante Ro) en Anna (tante Carry). Het was een massaslachting, niet eens zonder weerga.
         Ellen was nu alleen, voor zover ze zelf wist en voor zover ze dat als kind besefte. Het enige houvast dat ze nog had, waren haar pleegouders, die haar christelijk opvoedden. Op de website Joods Monument staat over de Van der Spiegels: “Ze werd er goed verzorgd, maar Elsje miste er wel de warmte van haar moeder. Bovendien durfde het echtpaar zich niet te veel aan Elsje te hechten, want ze gingen ervan uit dat haar ouders zouden terugkomen. Het echtpaar noemde Elsje Elly.”
         Haar ouders kwamen niet weerom. Na de oorlog ontdekte ze haar echte naam. Ze was nu vijf jaar oud. Overal ligt sneeuw, in huis staat een kerstboom. Ellen staat voor het raam en ziet een postbode het portiek binnengaan met een pakje. Zij rent naar de deur en opent deze voordat de postbode kan aanbellen. “Woont hier Elsje Cohen?”, vraagt hij. Ellen schudt teleurgesteld het hoofd. Dan komt haar pleegmoeder naar de deur. De postbode herhaalt de vraag. “Woont hier Elsje Cohen?”
         “Ja, geeft u het pakje maar.”

moeder Bep met Ellen

De enige foto die Ellen bezit van haar als kind met haar moeder Bep.
Foto Familiebezit

Identiteit
Waarschijnlijk dankzij haar oorlogspleegouders kan Ellen van der Spiegel een hogere opleiding genieten dan anders het geval zou zijn geweest.
         Tot haar zeventiende blijft zij bij hen wonen, ofschoon de overlevende zussen van haar moeder haar graag in hun gezinnen wilden opnemen. Ro en Anna ijverden ervoor, maar de rechter besliste dat zij bij haar onderduikouders moet blijven. Al wordt wel bepaald dat Ellen deels joods opgevoed hoort te worden. Zulks gebeurt: behalve de zondagsschool bezoekt ze voortaan op zaterdagen in de synagoge nu ook de joodse les.
         Ellen: “Dat ik bij mijn onderduikouders ben gebleven, hebben mijn tantes in het begin moeilijk gevonden, maar later hebben zij zich er bij neergelegd.”
         Ze gaat studeren en op kamers wonen. Eerst Nederlands (MO-B) aan de Universiteit van Amsterdam, later Psychologie in Leiden. Ze gaat een paar jaar Nederlandse les geven, werkt in de jaren zestig tijdelijk als journaliste bij Trouw en Het Parool en krijgt dan een betrekking die ze 25 jaar aanhoudt: als psycholoog bij het Revalidatiecentrum Hoensbroeck in Zuid-Limburg.
         Zij bleef zich aldoor dit afvragen: “Mag je als enige overlevende van je familie wel van het leven genieten? Of moet je dan van jouw leven juist iets heel bijzonders maken?” Zij gaat in elk geval hard studeren en als psycholoog gaat ze vervolgens anderen helpen, aldus de depressie die altijd op de achtergrond dreigt, weerstaand.

Pensioen
Inmiddels is ze al lang met pensioen. Mensen die haar omringden, vallen weg. Haar pleegvader is in 1970 overleden, haar pleegmoeder in 1984. Ellen was bijvoorbeeld twee keer getrouwd, eerst ongeveer 15 jaar met Wim Hermens, daarna dertig jaar met Annet Habets. En Annet is ook al overleden, in 2013. “Ik heb geen kinderen, helaas.”
         Haar twee tantes: ook gestorven. Tante Carry (Anna) in 1987, tante Ro in 2002. “Het was geen makkelijk contact”, zegt Ellen over hen. “Ik denk dat dit voor ons allemaal komt door de pijnlijke associatie met het pijnlijke familieverleden. Achteraf heb ik er spijt van dat ik mijn tantes niet meer over mijn ouders en hun broers en zussen en hun grootouders heb gevraagd. Maar het was te pijnlijk.”
         Het is Ellen ook pas naderhand gebleken dat tante Carry en haar man Ies Mol direct na de oorlog een advertentie hebben geplaatst om haar zo op te sporen. Ellen heeft toen wel contact gekregen met haar familie, maar, zegt ze, “ik moest natuurlijk een stuk ouder worden om de impact daarvan te begrijpen.”

De herdenkingssteen die Ellen plaatste in Sobibor

De herdenkingssteen die Ellen plaatste in Sobibor,
op het pad dat naar de gasovens voerde.
Foto Privébezit

         Nu ze met pensioen is, heeft zij de tijd (“en ook meer de moed”) om zich te verdiepen in haar joodse achtergrond, om de voorgeschiedenis van haar familie uit te zoeken. Het is een zoektocht, die nog altijd voortduurt. In Dordrecht, toch voor haar “altijd de plaats” waar haar famile woonde, leverde dat tot nog toe weinig op. Maar Ellen speurt gewoon verder. In ieder geval heeft zij onlangs de precieze datum achterhaald waarop haar grootouders Dordrecht verlieten: 2 mei 1938. Dat wilde ze toch graag eens weten.
         Ze heeft verder contacten met familieleden tot in Israël en Amerika toe, en haar ouders hebben een bescheiden, tweeledig eerbetoon gekregen. Voor hun flatwoning aan de Schieweg liggen sinds augustus 2012 twee Stolpersteine. In het Poolse Sobibor heeft ze in 2007 een steen met tekstbordje geplaatst – in de Himmelstrasse, zoals SS’ers cynisch de smalle corridor vanaf het perron noemden: het pad waarover Salomon en Bertha, onwetend, hun dood tegemoet liepen.
         Na deze herdenkingsreis schreef ze dit gedicht:

KADDIESJ
Hoeveel namen mag je noemen
Hoeveel namen moet je noemen
Hoeveel namen kun je noemen
Hoeveel namen moet je noemen

Stemmen die willen spreken
Gezichten die tot leven willen komen
Al zo vele jaren
met mij meegedragen
In mij verborgen

De angst niet alle namen
Te noemen
Te kennen
Op te roepen

De pijn
Geen van de gezichten
Te kennen

Het verdriet
Alleen
De namen
Te kennen

Hoeveel namen kun je noemen
Door je tranen heen?

De zon breekt door de wolken
en verlicht de namen
Op mijn steen

de zogenoemde Himmelstrasse

Dit is de zogenoemde 'Himmelstrasse', het pad naar de dood.
Foto Privébezit



< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'