Het voorbije joodse dordrecht

De familie Dasberg is er weer, maar Dordrecht is nu een jodenlege stad

Familie Dasberg

Op 1 april 1932 nam Samuel Dasberg afscheid als rabbijn van Dordrecht. Op dit groepsportret, gemaakt bij die gelegenheid in Hotel Ponsen, zit hij in het midden, op de bank naast zijn vrouw Dina. Een jaar later zou hij overlijden, waarschijnlijk als gevolg van alle grote emoties die de oprukkende nazi's bij hem veroorzaakten.
Foto: RAD (nr. 552-303494)

Los van Dordtse dichters als C. Buddingh’ en Jan Eijkelboom, heeft ook een joodse Dordtenaar een gedicht geschreven over joods Dordrecht:
Eli Dasberg. Hij woonde als kind aan de Varkenmarkt, schuin tegenover de synagoge, de sjoel.

Vanuit het raam kon Eli Dasberg, geboren in 1904, voor de oorlog nog volop joodse stadgenoten naar binnen zien gaan. Zijn vader was er de rabbijn, Samuel Dasberg. Na de oorlog bleek Dordrecht een jodenlege stad te zijn geworden. In het ‘Het huis waar ik geboren ben’ beweent Eli Dasberg dit. Het gedicht is deprimerend en akelig.

Correspondentie
Bij de vijf kinderen van Samuel Dasberg is Dordrecht altijd weemoed blijven oproepen. Zij koesterden hun geboortestad, maar voornamelijk in vooroorlogse staat, als een herinnering. Na de oorlog keerden zij er niet terug. De Dasbergen trokken voor het overgrote deel naar Israël, voor hen immers “het land van de joodse toekomst”. Het naoorlogse Dordrecht bezochten ze alleen nog af en toe; Dordrecht was voor hen “een dode stad” geworden, zoals Samuels kleinzoon Haim Dasberg het omschreef tijdens een lezing in Dordrecht in 1989. Een joodse gemeenschap vond je er niet meer.
         In november 1988 werd in het Gemeentearchief de tentoonstelling ‘Drie eeuwen Joods leven’ gehouden. Voorafgaand correspondeerden archiefmedewerkers met de nog levende nakomelingen van rabbijn Dasberg, de zonen Izak, Eli en Nathan. Zij waren indertijd 87, 83 en 80 jaar oud. Die brieven zijn gearchiveerd en kunnen in de studiezaal ingekeken worden. Nathan en Eli schrijven hartelijk over het Dordrecht van hun jeugd, zoals onderstaand uit citaten blijkt.
         Eli, zijn broer, had zich al eens uitgesproken over zijn Dordrecht, in een interview op 24 november 1982. De geluidsband is te beluisteren in het Joods Historisch Museum in Amsterdam. Daarnaast publiceerde hij in 1986 het boekje Verbanning en terugkeer (Uitgeverij Balans), dat 54 pagina’s aan sonnetten en liederen biedt, die hij tijdens de oorlog deels in het kamp Bergen-Belsen heeft geschreven, en kort na de oorlog in Nederland en Israël. Daarin staat dat sombere gedicht over zijn ouderlijk huis.

Familie Dasberg

Een foto van het jongste kind van de rabbijn, Nathan. Gemaakt bij diens huwelijk op 20 januari 1935 in Amsterdam met Lies Prins. De bruidsmeisjes zijn v.l.n.r. Netty en Mary Prins, Leny Nijstad en Dineke Dasberg. Nathan bezocht het na-oorlogs Dordrecht nog enkele keren,maar bleef in Israël wonen.
Foto: RAD (nr. 552-305205)

Rabbijn    
Eerst in grove streken een schets van de familie Dasberg, die in het Dordrecht van begin vorige eeuw een voorname rol speelde. Samuel Dasberg, het gezinshoofd, is in 1872 geboren in Rotterdam. Hij trouwde met Dina de Vries (Neede, 1875) en werd op 31 augustus 1894 officieel de rabbijn van Dordrecht. Hij trok in de ambtswoning van de joodse gemeente (kille) op de Varkenmarkt 7 (nu: 9-11), een groot pand met drie verdiepingen. Zeven kinderen kreeg het echtpaar: dochter Jette Geertruida (1896, die al overleed in 1900), dochter Rozette (1897) en de zonen Manuel (1899), Isaac (Ies, Izak; 1900), Simon (1902), Eliazar (Eli; 1900) en Nathan (1907).
         Volgens een kroniek van de familie Dasberg op de website Best Jewish Studies groeide Samuel Dasberg uit tot een gezaghebbend, geliefd, sociaal-bewogen en inspirerend rabbijn, die zich niet alleen bekommerde om de joodse gemeenschap, maar de gehele Dordtse bevolking. Op zijn zestigste verjaardag, in 1931, werd hij in Hotel Ponsen gehuldigd en geridderd. Een jaar later dwongen gezondheidsklachten hem om zijn ambt en vele nevenfuncties neer te leggen.       
         Nog een jaar later, in 1933, overleed hij, enkele dagen nadat hij in Amsterdam mee had geprotesteerd tegen het oprukkende nationaal-socialisme en de uitdijende jodenhaat in Duitsland. Hij werd begraven in Dordrecht, op 4 april 1933. Honderden aanwezigen bewezen hem de laatste eer.

Station
Zijn gezin bleef bijna volledig intact tijdens de oorlog. Moeder Dina, de dochter en drie van de vijf zonen wisten te overleven. Manuel werd koelbloedig omgebracht in Auschwitz, op 19 november 1943, Simon stierf in Bergen-Belsen, op 24 februari 1945.
         Eli Dasberg, die Bergen-Belsen levend verliet, wekte argwaan toen hij met zijn gezin (man, vrouw, drie kinderen en moeder) bij terugkeer aankwam op het station in Breda. Een zo complete familie, schreef hij in zijn boek, “was zeer ongewoon”. Dit moesten wel mensen zijn die gecollaboreerd hadden met de Duitsers, redeneerde een controlerende beambte, semi-militair gekleed. Hij gelastte Eli om aan de kant te gaan.
         Dasberg kon de beschuldiging van collaboratie niet weerleggen. “Ik was niet in staat te praten. Ik had al mijn zelfbeheersing nodig om de man niet aan te vliegen.” Zijn vrouw Bertha de Vries vocht echter met “alle kracht der overtuiging” tegen de beschuldiging, en slaagde. Zij kreeg een verontschuldiging.
        

Familie Dasberg

De synagoge aan de Varkenmarkt waar Eli Dasberg als kind op uitkeek, vanuit het ouderlijk huis aan de overkant.
Foto: RAD (nr. 555-12470)

Ausradiert
Na de oorlog emigreerden de overlevende Dasbergs vrijwel allemaal naar Israël. In Dordrecht hadden ze niets meer te zoeken. Dr. Robert Cohen, een achterkleinzoon van rabbijn Dasberg, lichtte tijdens een lezing in 1988, bij de opening van de expositie over drie eeuwen joods leven in Dordt, toe hoe kil het er was. Dordtse joden “waren weggesleept uit hun dierbare stad”, de joodse gemeente was “ausradiert”. Joods leven in Dordrecht was vanaf 1943 “voltooid verleden tijd”.
         Een kleinzoon van de rabbijn, Haim Dasberg, sprak een jaar later nog hardere woorden, toen op 12 september in het stadhuis het joodse monument werd onthuld waarmee de gedode joden worden herdacht. Dasberg, zoon van Manuel en hoogleraar psychiatrie in Jeruzalem, constateerde dat er “niets meer is” in Dordrecht: 290 Dordtse joden zijn dood zonder graf, de sjoel is afgebroken, de joodse gemeente opgeheven. Het is “een vreemde stad, een dode stad voor ons, dit Dordrecht”.
         Tegelijk zei hij monter: “Maar wij zijn er nog. Wij zijn er wéér.” Hij vertelde dat alleen al de familie Dasberg “in groten getale” in Israël leeft, minstens zo’n honderd leden groot. Hetzelfde had Robert Cohen een jaar eerder ook met trots vermeld. In Dordrecht mag het joodse verleden dan voorbij zijn, zei hij, “in Israël blijkt het niet voltooid”, met die honderd nakomelingen van Samuel en Dina Dasberg. En, voegde hij toe, in vele van hun huizen is daar een tekening van de Grotekerk aan de muur te vinden.
         Haim Dasberg realiseerde zich dat hij bij de plechtigheid in het stadhuis “nog eenmaal de verdwenen Dordtse joden” kwam vertegenwoordigen. De uitnodiging voelde alsof er in Dordt “iets hersteld” werd. Maar wat eigenlijk? Bij nader inzien bedacht hij dat Dordrecht [joden] “niets”, alleen maar “vergetelheid”, heeft te bieden.
         Waarom hij dan toch uit Israël was gekomen? Als psychiater wist hij het treffend te verklaren. Hij zei dat het monument dat straks onthuld ging worden, “meer is dan alleen maar een eerbewijs aan de doden, het is een poging aan de vergetelheid te ontrukken, hetgeen niet in woorden te beschrijven is.”
         “Door de overlevering van herinneringen van de ene generatie op de andere krijgt het mensdom”, beklemtoonde Dasberg, “een kans om catastrofale ervaringen van hun herhalingsdwang te ontdoen. De geschiedenis hoeft zich niet te herhalen. (...) Het bewust laten blijven van hetgeen zo makkelijk wegglijdt in de vergetelheid; dit is de waarborg voor rationeel, ja ook ethisch gedrag.”
          Een monument is niet slechts een dode steen, maar een levende aanmaning voor komende generaties; daar komt het op neer. Ook wordt met het monument “een groot zwijgen doorbroken”, vond Dasberg, “er wordt iets mee goedgemaakt.”
         Er werd dus toch iets hersteld.

Familie Dasberg

De ambtswoning van de Dordtse rabbijn staat nog altijd, danig opgeknapt, aan de Varkenmarkt.

Ronddwalen      
Vooroorlogs Dordrecht was nog levendig, schreef Nathan Dasberg in zijn brieven aan archiefmedewerkers. “Hoewel ik al heel veel jaren weg ben uit Dordrecht”, tikte hij op 13 november 1988, “en van mijn familie er niemand meer woont, hang ik in gedachten en in mijn herinnering nog sterk aan mijn geboortestad. Ik ben altijd van deze stad blijven houden. Enkele keren ben ik van Israël uit nog in Nederland geweest en dan ben ik naar Dordt gereisd en heb er uren rondgedwaald.”
         Zijn broer Eli schreef met de hand, op 5 december 1988: “Ik heb tot mijn 25ste in Dordrecht gewoond en kwam er met uitzonderingen bijna wekelijks op bezoek zolang mijn ouders er woonden. Ik heb er een heerlijke jeugd gehad.” Op 18 januari 1989 stuurde Nathan nóg een brief. Opnieuw schrijft hij “enige keren” te zijn terug geweest in de veertig jaar dat hij nu al in Israël woont.
         “En iedere maal heb ik één dag door Dordrecht gedwaald, alle plekken opgezocht die wat voor mij betekenen tot ik vermoeid op een bank in het park Merwestein neerstreek om later weer verder te dwalen. De mooiste stad in mijn herinnering, de mooiste tijd van mijn leven.”
         Nathan Dasberg is op 6 december 1992 overleden, zijn broer Eli op 30 augustus 1989. Ies Dasberg stierf op 29 april 1998. Rozette was al om 6 december 1975 heengegaan, in Amsterdam, de stad waar ook Dina, de mater familias, overleed, op 5 november 1956.

De overkant
Nu het mistroostige gedicht van Eli Dasberg, dat handelt over zijn ouderlijk huis. Die woning staat er nog altijd. Verder is de Varkenmarkt danig toegetakeld.

Het huis waar ik geboren ben

Als kind keek ik uit ’t raam van ’t kleine kamertje
naar ’t voorplein van de sjoel aan d’overkant
en zag de mensen die naar de sjoel gingen,
het Choemasj en het tallit in de hand.

Als kind keek ik uit ’t raam van ’t kleine kamertje.
Ik was te klein om zelf naar de sjoel te gaan,
maar ik kon alles zien, als ik het waagde
gevaarlijk op de tafel te gaan staan.

Hoe lang leeft vaag en ver van ’t kleine kamertje
het beeld van het verleden in herinnering?
De markt, de straat, de sjoel, de mensen,
de jeugd, het ouderhuis dat ik bezing.

De straat is weg. De sjoel is afgebroken,
er zijn geen Joden meer die naar ’t gebed toe komen
en geen rabbijn en geen gemeente is er meer.
Er staan geen kindertjes meer voor de ramen.

Het huis is onveranderd blijven staan
en geeft nu uitzicht op een saai en somber plein.
Men noemt het in de buurt ‘het huis van de rabbijn’,
maar diens gemeente is verbannen in de dood gegaan.

Trekt het mij nog, een keer daar weer te keren
naar d’oude stad en naar de oude straat.
Op de begraafplaats staan twee oude stenen,
als een herinnering aan wat niet meer bestaat.

Gebrek
Het is niet bekend of Eli Dasberg in zijn verzorgingstehuis Parents Home Queen Juliana in Herzlia er kennis van heeft genomen. Maar hij zal het er mee eens zijn geweest, met die snijdende zin die redactrice Lucette ter Borg van NRC Handelsblad op 1 februari 1989 schreef in een recensie over de eerder genoemde Dordtse tentoonstelling. Het slopen van de synagoge, in 1965 op last van de gemeente, vond zij “wijzen op een onbegrijpelijk gebrek aan piëteit jegens het joodse erfgoed”.

 


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'