Het voorbije joodse dordrecht

Joop en Bertha Jansen verborgen acht joden in
hun zaak, ondanks hun twaalf eigen kinderen

Familie Jansen

Joop Jansen en Bertha Boelrijk, de latere eigenaren van de Dordtse beddenzaak Jansen, op hun trouwfoto. Hun huwelijk werd gesloten op 10 april 1918 in Zaandam.
Foto Privébezit

Joop en Bertha Jansen hadden zelf twaalf kinderen, maar waren ruim van hart en vol van compassie. Dus ja, joodse onderduikers konden er heus nog wel bij.
         In totaal acht joden hebben, korte of zeer lange tijd, tijdens de oorlogsjaren mogen schuilen in het voor- en achterhuis van hun beddenzaak op de hoek van de Voorstraat en de Ruitenstraat. En toen de Duitsers in Castricum de grootvader en grootmoeder van moeders kant verdreven, werd er ook voor hen meteen plaats gemaakt, in de naaikamer.
         Het langst is het gezin van Jacques Duits gebleven – van 1942 tot en met de bevrijdingsdag. Oorspronkelijk dook deze joodse Dordtenaar, eigenaar van het gelijknamige advertentiebureau op de Blekersdijk, er met zijn vrouw Cato en twee van hun drie kinderen onder, Ans en Jaap (Loes werkte in Australië). Maar de kinderen verdwenen al snel weer, en Jacques bleef met zijn echtgenote achter, tot 5 mei 1945.
         Het echtpaar Duits is de familie Jansen altijd dankbaar gebleven. Voor Bertha, officieel Gijsbertha Christina Maria Boelrijk geheten, werd in Palestina een boom geplant, zodra deze joodse traditie daar ingang vond. En bij het overlijden van Joseph Jansen, op 5 oktober 1962, plaatste Jacques Duits een advertentie, waarin hij de hulp die hij bij de onderduik had ondervonden, in gulle woorden goot, een monumentje oprichtend.
          Joop Jansen, schreef hij, “verschafte mij en mijn gezin gedurende de donkere bezettingsjaren een veilig onderkomen, trots de gevaren die voor hem en zijn gezin hieraan verbonden waren. Wij zullen dat nooit vergeten en ook zijn nagedachtenis zal bij ons steeds in hoger ere worden gehouden.”
         Rini Jansen-Klijn is de weduwe van Kees, één van die twaalf kinderen waaruit het rooms-katholieke gezin Jansen ooit bestond. Gevraagd hoe haar schoonouders er toe kwamen om zoveel joden zo lang te helpen, zegt ze: “Ze waren gewoon heel menselijk.”

Familie Jansen

Opnieuw Joop en Bertha Jansen, nu omringd door hun twaalf kinderen, van wie er thans nog vijf leven.
Foto Privébezit

Boekje
Het is deze Rini via wie de redactie van deze website, na naarstig speuren, ten slotte een familielid vindt dat helderheid kan verschaffen: wie hebben toch allemaal in hachelijke omstandigheden in de Dordtse beddenwinkel verstopt gezeten?

Familie Jansen

Dit zijn de heer en mevrouw Boelrijk, de vader en moeder van Bertha Jansen. Zij kwamen half 1943 ook bij hun dochter in Dordrecht wonen, verdreven als zij waren uit Castricum.
Foto Privébezit

         Het grote gezin Jansen bleek nogal uitgedund. Vader en moeder, geboren in respectievelijk 1893 (Zaandam, 4 augustus) en 1892 (Delft, 7 augustus), zijn ondertussen overleden, maar van hun twaalf kinderen resten er ook nog maar vijf, van wie er twee onfortuinlijk genoeg niet meer aanspreekbaar zijn.  

         Rini Jansen verwees direct hulpvaardig door naar haar schoonzus Trees. Deze is van 16 augustus 1927, en dus al behoorlijk op leeftijd, maar zij is een echte Jansen, geen aangetrouwde, en zij heeft bovendien, samen met haar zus Joop, enkele jaren geleden een “boekje” samengesteld over de familiegeschiedenis. Zelf moet deze Trees, bij de geboorte Theresia Gerarda genoemd en wonend in Zuidhorn, glimlachen om de omschrijving van haar typewerk: ‘Boekje’ is te veel eer, brochure is correcter, zegt ze, als ze eenmaal is benaderd.
         Maar verder klopt het: haar schrijfsel belicht het gezin Jansen, en dan vooral de oorlogsperiode. Ze stuurt het boekwerkje op en zo vallen, aangevuld met ander archiefmateriaal, de verwikkelingen in de beddenwinkel te reconstrueren.

Familie Jansen

Dit is, in huidige staat, het grote pand op de hoek van de Voorstraat en de Ruitenstraat waarin de beddenzaak was gevestigd.
Foto Redactie Website

Overgeplaatst
Een korte voorgeschiedenis ter introductie: Joop Jansen was medewerker bij Bischoff’s Modemagazijnen, een firma die vestigingen had in Zaandam, Dordrecht, Zevenbergen en Almelo. Hoe hij Bertha Boelrijk heeft leren kennen, weet Trees Jansen niet, in elk geval trouwden zij op 10 april 1918 in Zaandam. Piet (Dordrecht, 10 februari 1919) werd al eerste geboren, hij was de start van een lange reeks van broers en zusjes. Uiteindelijk zouden er acht jongens en vier meisjes worden gebaard. Flip (Philippus Maria) sloot de rij in 1934.
         Al deze kinderen kwamen op verschillende adressen in wisselende gemeenten ter wereld. Hun geboorteplaatsen weerspiegelen het rusteloze verhuizen waartoe Joop en Bertha waren genoodzaakt: òf doordat vader werd overgeplaatst, òf doordat het uitdijende gezin een groter huis behoefde. Om een indruk te geven: Piet, Nel, Dick en Joop begonnen hun levens in Dordrecht in de Javastraat, Bankastraat, Voorstraat en Singel; Bep en Jos in Zevenbergen; Trees, Frans, Jan, Gé en Kees weer in Dordrecht, op de Voorstraat, op diverse huisnummers, en Flip, de laatstgeborene, in Almelo.
         In die laatste woonplaats werd Joop Jansen ontslagen, “zogenaamd wegens disfunctioneren, in werkelijkheid omdat hij met z’n grote gezin een te dure kracht werd”, vermoedt Trees. Hij werd na bemiddeling opnieuw in dienst genomen bij Bischoff, nu in Zaandam, maar in 1936 volgde opnieuw ontslag. In de winter keerde het gezin terug naar Dordrecht.
         Daar, op de Voorstraat 360 (later 398 en afgebroken) begon hij een eigen zaak. Joop Jansen werd er toe aangezet door leveranciers die hem kenden van Bischoff. Zij waren bereid hem goederen in consignatie te leveren. Hij hoefde pas te betalen als de spullen waren verkocht. In het Handelsregister staat hij bij de “nieuw ingeschreven zaken”, op zaterdag 20 maart 1937: J. Jansen, manufacturen, meubelen, bedden, een onderneming die later ook een behangerij en stoffeerderij ging omvatten.

Familie Jansen

Jacques Duits, hier op een foto uit november 1931, die tijdens de oorlog met vrouw en twee kinderen bij de Jansens kon onderduiken.
Foto RAD (nummer 309_18476)

Jurkjes
Het winkelpand was flink, en dateerde van 1672. “Moeder”, schrijft Trees, “deed veel naaiwerk, maakte mutsen en schorten voor de meisjes van de Victoria Koekjesfabriek.” En voor de Stichting Kindervoeding en -kleding vervaardigde zij jurkjes en jongensblouses, die op bonnen werden afgehaald in de zaak. Maar het woonhuis was ook “erg bouwvallig”. In de winter lag de sneeuw op de jongensbedden, zo gammel was het dak. Het pand werd onbewoonbaar verklaard en het gezin verhuisde naar iets verderop, Voorstraat 370 (nu: 410), een kolossaal, diep hoekpand.
         Volgens de gemeentelijke gezinskaart gebeurde dit op 31 augustus 1939. Trees schetst de indeling: in het voorhuis was de beddenzaak gevestigd, erboven waren enkele ruime slaapkamers en een grote zolder. In het achterhuis, grenzend aan de Ruitenstraat, was beneden een woonruimte. Boven bevonden zich toonkamers voor slaapkamermeubelen, wiegen, bedden en matrassen.
         Tussen dit voor- en achterhuis was er een ‘niveauverschil’, en dat leverde loze ruimten op. Ruimten in die de Tweede Wereldoorlog van pas kwamen als schuilplaats voor onderduikers.

Brandstof
Midden in de oorlog, in 1942, vroeg Jacques Duits aan Joop Jansen, een klant van zijn advertentiebureau, of hij bij hem zou kunnen onderduiken. Joden werden inmiddels stelselmatig achtervolgd; ze sloegen op de vlucht of verstopten zich. Joop en Bertha overlegden met vrienden en kapelaan Abeln. Het verzet zegde toe dat het het echtpaar Jansen, dat immers ook een schare kinderen had te verzorgen, zou bijstaan, met brandstof, bonkaarten voor voedsel en wat geld. Trees: “Zo werd het een volmondig ‘ja’.”

Familie Jansen

Cato Duits, de echtgenote van Jacques Duits, gefotografeerd in oktober 1929.
Foto RAD (nummer 309_9046)

         Het winkelpand werd enigszins heringericht. In het voorste deel boven werden enkele kamers ontruimd – zogenaamd omdat het oorlog was en het te duur was geworden om die kamers te verwarmen en schoon te houden. In werkelijkheid werd dit de geheime schuilplaats voor de onderduikers. In de gang kwam een dik gordijn te hangen dat voor en achter scheidde. “De voorste helft was taboe voor ons.” Slaapruimte voor de Jansens zelf werd gevonden in de achterste kamer en op zolder.
         Jacques Duits (Dordrecht, 4 november 1883) kwam vóór te wonen, samen met zijn vrouw Cato (Kaatje) de Vries (Giessendam, 26 maart 1883) en hun kinderen Annie (Ans; Dordrecht, 23 november 1913) en Jaap (Dordrecht, 1 oktober 1917). De ‘kleintjes’ Jansen hadden hier geen weet van. Pas als deze jonge kinderen uit de weg waren – naar school, buiten spelend, aan tafel of in bed – konden de onderduikers naar de wc, kregen zij beneden hun warme eten of konden ze wat heen en weer lopen.
         Ans en Jaap vertrokken alweer vrij snel. Trees Jansen, destijds zo’n 14 jaar, weet niet waarom en evenmin waar zij zijn gebleven. Duidelijkheid hierover geeft echter Sal Duits (1935), een neef van Jacques Duits, wonend in Dordrecht. Sal is een zoon van Abraham Duits, die al voor de oorlog van Dordrecht naar Amersfoort was vertrokken, en die in november 1944 in Neuengamme is vermoord. Zijn vrouw overleefde de oorlog, evenals Sal.

Familie Jansen

Annie (Ans), de dochter van Jacques en Cato Duits, hier op een foto uit oktober 1931. Annie verliet het onderduikadres al vrij snel. Zij is in verschillende kampen terechtgekomen, maar wist de oorlog te overleven en emigreerde naar Amerika.
Foto RAD (nummer 309_18411)

 

Emigratie
Ans is, licht Sal toe, in verschillende kampen terechtgekomen, met als eindpunt Theresienstadt. Maar zij is in leven gebleven en trouwde na de oorlog met Paul Theodoor Herman Roessel (4 juni 1917), met wie zij in Amsterdam dochter Tanja Zora Hendrine kreeg, nu geheten Tanja Wood. Zij emigreerden in 1954 naar de Verenigde Staten. Zij is op 11 juli 2012 overleden, in Tulare, Californië. Trees Jansen: “Tot eind 2009 mailden we met elkaar!”
         Jaap Duits werd na zijn verblijf bij de Jansens ook opgepakt. Volgens Sal wist hij evenwel “uit een rijdende transporttrein” te springen, en slaagde erin de rest van de oorlog in het noorden van Frankrijk door te brengen, in de onderduik. Na de oorlog is hij samen met zijn Surinaamse vriend in Amsterdam gaan wonen, waar hij werkte als tolk/vertaler Frans, Engels en Nederlands. Eind jaren zeventig overleed hij, jong nog, want voor zijn zestigste.
         Sal Duits weet ook waarom het derde (en eerste) kind van Jacques ongenoemd is gebleven in het geschrift van Trees: deze Loes Meerloo-Duits (Louisa Betsie, Dordrecht, 19 juli 1912) was al voor de oorlog als verpleegster naar Australië vertrokken. “Na een veelbewogen leven, twee huwelijken en voornamelijk in de Verenigde Staten wonend, keerde zij terug naar Nederland, waar ze in 2001 in Amsterdam is overleden.”

Luikje
Nadat Ans en Jaap de beddenzaak hadden verlaten, kwamen er in hun plaats drie andere joodse onderduikers. De ene was de weduwe Paula Straus-Mannsbach. Zij was in 1938 met haar man Moritz Straus vanuit Keulen naar Dordrecht gevlucht, waar hij in 1941 overleed en is begraven. De anderen waren vader en moeder Kleinkramer, om precies te zijn: Abraham Simon Kleinkramer (’s-Gravendeel, 22 februari 1889) en Henriëtte Sophia Kleinkramer-Roos (Lochem, 11 oktober 1895), afkomstig uit de Toulonselaan 34 in Dordrecht.

Familie Jansen

Annie (midden) met haar broertje Jaap en zus Loes (Loekie) tijdens hun kinderjaren. Annie was even groot als haar zus, maar stond, verduidelijkt haar dochter Tanja Wood, vermoedelijk op een verhoging.
Foto Privébezit

         Dit echtpaar had twee kinderen, Simon (Dordrecht, 27 maart 1923) en Albert (Dordrecht, 20 juli 1928). Deze zonen waren elders ondergebracht, en dat leidde uiteindelijk tot een drama. De ouders bleken niet zonder hun kinderen te kunnen; zij wilden bij hen zijn. Op een zekere avond, rapporteert Trees, vertrokken ze om de kinderen op te zoeken, maar onderweg werden ze opgepakt. “Hardhandig ondervraagd bekenden ze waarheen ze op weg waren en waar ze vandaan kwamen.”
         Kort na hun arrestatie werd bij de Jansens een huiszoeking gedaan, maar “gelukkig is er niemand gevonden”. Jacques, Cato en tante Paula zaten tijdelijk in die tussenruimten, die te bereiken waren via een luikje in de wc-vloer op de bovengang.
         Alle leden van het gezin Kleinkramer zijn vergast in Auschwitz, vader en Simon op 30 november 1942, moeder en Albert op 3 september 1942.

Familie Jansen

Jaap Duits, de zoon van Jacques en Cato, op een foto uit november 1931. Ook hij wist zich te redden in de oorlog. Hij is eind jaren zeventig in Amsterdam overleden.
Foto RAD (nummer 552_306354)

Vondeling
In de winter van ’43-’44 kwam er nog een joods onderduikertje bij, een baby. Om het een veilig thuis te bezorgen, werd er iets in scène gezet.
         Nadat de baby was afgeleverd, legden Trees en haar oudere zus Joop (Johanna Catharina Gerarda, 1922) het “dik ingepakte kindje” te vondeling in de nabije, besneeuwde Grotekerksbuurt. Met hun ‘vondst’ meldden zij zich snel bij het politiebureau in diezelfde straat. De dienstdoende inspecteur “had wel zo zijn vermoedens”, maar stemde ermee in dat de baby werd meegenomen naar huis.
         Moeder Jansen gaf het naamloze kind de naam ‘Marjo”, een samenvoeging van Maria en Joseph.
         Marjootje is maar een paar weken gebleven, tot verdriet van de kinderen Jansen. “Wij vonden het wel leuk, een kindje in de box.” De baby is geadopteerd door een kinderloos echtpaar en Trees meldt dat de echte moeder de oorlog heeft overleefd en dat zij Marjootje heeft teruggekregen. Het is niet gelukt te achterhalen wie dit betrof. Trees: “Van horen-zeggen weten we dat beiden het goed maakten.”
         Halverwege 1943 waren er ook al “nieuwe gasten” gekomen, ditmaal niet-joden: grootvader en grootmoeder Boelrijk uit Castricum. Zij waren daar weggejaagd door de Duitsers, die de kust wilden vrij hebben bij een eventuele Engelse invasie. Opa en oma Boelrijk kregen de naaikamer, die naast de eetkamer was. Hij overleed in augustus 1944, zij in 1947, terug in Castricum.
         Dochter Joop verrichtte onderwijl ook nog koerierswerk, soms samen met haar zus Trees. In januari 1945 brachten zij bijvoorbeeld, lopend in de sneeuw naar Rotterdam, een boodschap over van de ondergrondse, aan de echtgenote van een ondergedoken burgemeester. In februari 1945 fietsten zij via Amersfoort naar Deventer, waar de secretaresse van Jacques Duits zat ondergedoken, en daarna naar Almelo, waar een vriendin van Joop woonde. Op de terugweg naar Dordrecht haalden zij weer nieuwe post op.

Familie Jansen

Dit is Trees Jansen, de vrouw die vooral de oorlogsbelevenissen van het gezin Jansen tot een 'boekje' verwerkte.
Foto Privébezit

Gelukwensen
Nederland werd bevrijd. De onderduikers waren eindelijk weer veilig; zij hadden de eindstreep gehaald. Ze begaven zich op straat en toen kwam uit dat buren heus wel doorhadden wat zich in de beddenwinkel afspeelde.
         Trees: “Op 5 mei stonden wij op de stoep voor de zaak, samen met de onderduikers, die zich nu weer buiten durfden te vertonen. We keken naar de vlaggen die werden uitgestoken, en naar de buren, die elkaar gelukwensten. De familie Duits en tante Paula werden hartelijk begroet. Sommigen bekenden dat ze toch wel vermoed hadden dat er bij Jansen voor-boven iets aan de hand was. Maar ze hadden gezwegen. Het was een dag vol ontroering en blijdschap.”
         Jacques Duits en Cato togen terug naar de Blekersdijk, naar hun oorspronkelijke woning op nummer 23 rood (nu: 31). “Oom Jacques nam het heft weer in handen in zijn eigen zaak, die door een Verwalter was waargenomen.”
         Cato stierf in maart 1950. Haar man is later hertrouwd met Rozetta Engers, en overleed zelf in juni 1967. Sal Duits meldt dat het Advertentiebureau Jac. Duits NV na de dood van Jacques Duits is overgenomen door zijn medewerker Jan van der Linden, die het bureau in 1969 verplaatste naar de Toulonselaan. Het bureau bestaat nog steeds, zij het onder de naam ‘Cooks’, aan het Grotekerksplein.
         Paula Straus, die tante Paula werd genoemd, heeft de oorlog overleefd. Zij emigreerde in 1951 naar de Verenigde Staten en overleed in 1974, op 98-jarige leeftijd.

Familie Jansen

In dit pand aan de Blekersdijk 31, naast de voormalige elektriciteitszaak van Van Hees, ging Jacques Duits na de oorlog weer wonen en heropende hij zijn advertentiebureau.
Foto Redactie Website

Missiezuster
Voor de vele Jansens werd het leven na de oorlog ook weer normaal. Zij kregen banen, kinderen en zwermden uit – over Nederland en de rest van de wereld. Nel bijvoorbeeld vertrok als medisch missiezuster naar het toenmalig Indië, in 1948. Piet had Kisangani in Zaïre als standplaats. Bep hield zich met haar man Timo van Kerk Oerle op in Lavington, in Australië. De anderen bleven in Nederland, verspreid over Sas van Gent, Den Haag, Utrecht, Hilversum, Warmond en Heemstede, later gevolgd door Woubrugge, Roodkerk, Amsterdam , Gennep, Uden, Boxtel en Aalsmeer.
         Moeder Jansen heeft, om contact te kunnen houden met haar kinderen en hun partners, in 1948 een briefschrift geïntroduceerd, schriften die “het hele kluppie” rondgingen, en waarin iedereen steeds iets schreef. Dit stopte medio 1950. In 1963 werd geprobeerd deze rondschrijvens te herinvoeren, maar dit lukte maar één jaar en in 2002 nog korter.
         Moeder Jansen overleed op 9 juli 1973 in Huize Nieuw Mariënburg, te Soestdijk, wetend dat in ël een boom was geplant voor haar, door de familie Duits. Zij werd begraven in het Brabantse Geffen, bij haar zes jaar eerder (op 4 oktober 1962) gestorven man.

Familie Jansen

Uit dank voor al hun hulp tijdens de onderduik lieten Jacques en zijn vrouw Cato voor Joop en Bertha Jansen een boom planten in Israël. Bij de oorkonde daarvan zijn in het familiealbum pasfoto's van het echtpaar Jansen gevoegd en de overlijdensadvertentie die Jacques Duits liet plaatsen.
Foto Privébezit


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'