Het voorbije joodse dordrecht

Twee avonden vierden de agenten feest
in het huis van de familie Kleinkramer

Sophia Kleinkramer-Weijl, met haar dochtertjes Esther Rosalina (1928) en Rosalina (1932)

Bij deze foto in het Regionaal Archief Dordrecht, op 31 mei 1933
gemaakt door de Dordtse fotograaf H.G. Beerman, staat slechts dat
het mevrouw Kleinkramer van de Reeweg betreft. Maar dan is dit onmiskenbaar Sophia Kleinkramer-Weijl, met haar dochtertjes
Esther Rosalina (1928) en Rosalina (1932). Er woonden indertijd
geen andere Kleinkramers op de Reeweg.
Foto RAD (nummer 309_22036)

Het is maar goed dat de Kleinkramers het zelf niet hebben geweten. Anders zouden zij zich tot op het bot vernederd hebben gevoeld.
        Kort nadat zij op de Reeweg Oost de complete familie Kleinkramer hadden opgepakt, een vette vangst, gingen de betrokken politieagenten dit vieren – in het leegstaande huis van de Kleinkramers. Twee avonden lang heeft dit feest geduurd. Er waren “enige vrouwen” bij, en het was liederlijk: een agent die langskwam, getuigde na de oorlog dat het er “een beestenbende” was.
        De Kleinkramers van de Reeweg waren niet de enige Kleinkramers in Dordrecht. Ook op de nabijgelegen Toulonselaan en op de Voorstraat in de binnenstad woonden Kleinkramers met hun gezinnen. Het onderlinge verband bestond eruit dat het broers waren, zonen van vader Simon en moeder Esther.
        Stuk voor stuk, allemaal, niemand uitgezonderd, zijn deze gezinnen de gasdood ingedreven. De Kleinkramers zijn in Dordrecht de tweede joodse familie, na de Braadbaarts, die grootschalig en meticuleus is vernield. Ze onderging een ware slachting, met 27 slachtoffers.
        De dienstkloppers van de politie deerde dat niets. Na gedane arbeid vierden zij uitbundig feest, in een leegstaand joods huis - de ultieme vernedering.
        In dit verhaal een schets van de uitgewiste familie Kleinkramer, van wie zeven decennia na dato bij toeval diverse privéfoto’s zijn aangetroffen in het Regionaal Archief Dordrecht (RAD).

woning van de familie Kleinkramer aan de Reeweg 195

Dit is de woning van de familie Kleinkramer aan de
Reeweg 195 (nu: 233), waar de agenten hun feest hielden.
Foto Redactie Website

Proefschrift
Het was dr. F.A.M. van Riet die de politiële party ontdekte.
        Tijdens research voor zijn proefschrift stuitte hij in het Dordtse archief op een lokaal naoorlogs onderzoeksrapport “inzake rechercheur Harry Evers”, van de zogenoemde Commissie van Onderzoek. De drie leden daarvan, mr. Jan Willem Gratama, mr. Hugo Heuvelink en mr. Lodewijk Salomonson, hadden allerlei Dordtenaren ondervraagd over de wijze van optreden van deze Henricus Maria Evers in dienst van de Politieke Politie (PoPo), en rapporteerden in dat rapport hun bevindingen.
        Evers zelf, een van Dordrechts beruchtste jodenjagers, was ook bevraagd. Hij vertelde de commissie op 10 augustus 1945 hoe bij een bepaalde, grote razzia was samengewerkt met Rotterdamse politieagenten. Frank van Riet was daarin geïnteresseerd. Zijn proefschrift, Handhaven onder de nieuwe orde getiteld, beschreef en analyseerde immers de politieke geschiedenis van de Rotterdamse politie tijdens de Tweede Wereldoorlog.
        Zo, al speurend, kwam dat agentenfeest boven water.
        Van Riet rept in zijn proefschrift van 2008 slechts kort over het voorval, reden waarom de redactie van deze website het RAD toestemming vroeg om hetzelfde rapport in te mogen zien. Want mogelijk viel daarin iets meer te vinden over dat feest. De goedkeuring werd verleend.

mevrouw Kleinkramer, met haar eerstgeborene, Esther Rosalina

In dezelfde collectie van Beerman bevindt zich ook deze foto,
gemaakt op 4 juni 1929. Dit is herkenbaar dezelfde mevrouw Kleinkramer, met haar eerstgeborene, Esther Rosalina.
Foto RAD (nummer 309_12970)

Adreslijsten
Evers zet eerst uiteen hoe die “grote razzia” begint. Hij bedoelt ongetwijfeld de razzia die plaatshad in november 1942. Vier dagen lang, van maandag 9 tot en met donderdag 12 november, schuimden agenten ingespannen Dordrecht af, op zoek naar joden. Ze wisten ze in de meeste gevallen makkelijk te vinden. Er bestonden adreslijsten, die bereidwillig waren afgestaan door de gemeente. Tientallen Dordtse joden zijn tijdens deze marathon-razzia opgepakt, tezamen het grootste deel vormend van joodse gemeenschap.
        Ter inleiding verklaart Evers dit, in proces-verbaaltaal:
        “De grote Jodenrazzia is begonnen in dier voege dat op een middag omstreeks 5 uur een drietal auto’s met S.D.-agenten en leden van de Politieke Politie te Rotterdam in Dordrecht kwamen, die lijsten bij zich hadden van de Joden, die moesten worden opgehaald en assistentie van de Dordrechtsche Politie vroegen, waarbij de Politieke Politie als eerste werd ingeschakeld.”
        “Ik herinner mij nog”, vervolgt Evers, “dat Van Huiden de eerste is geweest, die opgehaald werd.” Max van Huiden en zijn vader Isidor zijn op maandag de 9de gearresteerd, samen met familieleden.
        Dan gaat het onderzoeksverslag aldus verder: “Inderdaad is een feest gehouden in het toen leegstaande huis van Kleinkramer aan de Reeweg. Dit heeft twee avonden geduurd en één van beide avonden ben ik daar ’s avonds omstreeks 7.30 uur gekomen, omdat de plannen voor de volgende dag moesten worden gemaakt. Het was er een beestenbende. Aan het feest namen een tiental mannen, hoofdzakelijk van de Rotterdamsche Politieke Politie en enige vrouwen deel. Ik heb er misschien één glas wijn gedronken en ben zo gauw mogelijk weggegaan. Lukassen was, naar ik mij herinner, zeer verontwaardigd, dat er geen jenever voor hem meer was.”
        Lukassen is Theodoor Reinhard Gerhard Lukassen, de NSB-agent en collega van Evers die net zo gretig meedeed aan de jacht op Dordtse joden.

Jacob Kleinkramer met Esther Rosalina, zijn eerste dochter

Nog een foto die Beerman plaatst op de Reeweg, gemaakt op
20 september 1930. Dit is zeer waarschijnlijk Jacob Kleinkramer
met Esther Rosalina, zijn eerste dochter.
Foto RAD (nummer 309_16024)

Antisemiet
De woning van de familie Kleinkramer, die nog altijd overeind staat, is op dinsdag 10 november leeggeveegd. Vier leden telde dit gezin: Jakob Kleinkramer, zijn echtgenote Sophia Helena Weijl en hun dochters Esther Rosalina en Rosalina. In totaal vingen de agenten die dag liefst 31 joden.
         Harry Evers deed het tegenover de onderzoekscommissie voorkomen alsof hij zich een beetje gegeneerd afwendde van het feestje in het huis van de Kleinkramers. Alsof hij moreel van een andere orde was. Maar Evers was “een openlijke en felle antisemiet”. “In talloze naoorlogse getuigenverklaringen wordt dit beeld bevestigd”, schrijven Ad van Liempt en Jan H. Kompagnie in hun boek Jodenjacht (Uitgeverij Balans, 2011).
        Samen met een groep onderzoekers bestudeerden zij ook de rol van Evers in Dordrecht. In strafdossiers vonden zij een verklaring van een Dordtenaar, die geschokt ooggetuige was geweest van de arrestatie van de familie Kleinkramer op de Reeweg. De ooggetuige had Evers terechtgewezen, waarop Evers haar afsnauwde en “fijntjes had laten weten: ‘Als ik zo’n medelijden met die rotjoden had, die zoveel ellende op de wereld hebben gezaaid, moest ik maar met ze meegaan’.”
        Bij een andere gelegenheid zei Evers, refererend aan de joodse familie Breemer: “Je bedoelt zeker die zwijnen.”
        Over het inrekenen van Max van Huiden en diens vrouw vonden Van Liempt cum suis ook een anekdote. Tijdens de arrestatie ontdekte Evers tot zijn grote genoegen een piano in Van Huidens woning aan de Voorstraat 112. “Hij speelde een foxtrot en bouwde een feestje. ‘Nu gaan jullie naar Polen’, schreeuwde hij de net opgepakte joden toe.”
        Nog geen negen dagen nadat de familie Kleinkramer uit haar woning was gesleurd, waren drie van de vier gezinsleden dood. Moeder Sophia en haar dochters gingen ten onder in Auschwitz, op 19 november 1942. Vader Jacob stierf ruim twee jaar later, in het concentratiekamp Gross Rosen in Oost-Polen, op 7 februari 1945.

woonhuis van Abraham Simon Kleinkramer, aan de Toulonselaan 34

Het voormalige woonhuis van Abraham Simon Kleinkramer, aan de Toulonselaan 34 (nu: 52).
Foto Redactie Website

Tien
Uitzoomend blijkt dat de nazi’s niet alleen de levens van deze Kleinkramers afbraken. Verspreid over de stad woonden er nog meer gelijknamige gezinnen. Naspeuringen leerden dat deze onderling ook werkelijk met elkaar verbonden waren: alle Dordtse Kleinkramers, en ook enkele in andere gemeenten, stammen af van Simon Kleinkramer (Strijen, 5.2.1858) en Esther van Vollenhoven (’s-Gravenhage, 30.3.1861).
        Wie deze afstammelingen naloopt, schrikt: de Kleinkramers die nog leefden in de Tweede Wereldoorlog, vielen allemaal genadeloos ten prooi aan de Duitsers.
        Hoe stak het geslacht Kleinkramer in elkaar? Simon en Esther kregen, na hun huwelijk op 20 april 1887 in Rotterdam, bijna aan de lopende band kinderen, uiteindelijk tien in totaal. De eerste drie stierven al kort na de geboorte, zoals Ruben Simon (1888, acht maanden), Rozina (1890, zeven maanden) en Izak nr. 1 (1894, vijf maanden). Betsy (14.5.1891), kind nummer vier, bleef in leven, zoals ook gebeurde met Abraham Simon (22.2.1889) en de broers en zusters die na haar kwamen, allen in hun woonplaats ’s-Gravendeel: Ruben Salomon (3.4.1893), Sientje (3.11.1895), Jacob (10.6.1897), Roosje (21.11.1899) en Izak nr. 2 (26.2.1902).
        Moeder Esther overleed bij de geboorte van Izak. Zeven jaar later, op 20 april 1909, hertrouwde de 51-jarige Simon in ’s-Gravendeel met de 41-jarige Mathilda Kalker (Woudrichem, 10.8.1867). In februari 1925 verhuisde het gezin naar Dordrecht, naar de Singel 177 (nu: 289-291). De familie was nu ‘geland’ in Dordrecht, en aardde er. Vanuit het woonhuis aan de Singel zouden de gezinsleden zich verspreiden, over de stad en door het land.

Abraham Simon, de hoofdbewoner van de Toulonselaan 34

Bij deze foto in de Collectie-Beerman staat: Kleinkramer, Toulonselaan, en: 19 februari 1938.
In dat geval is dit Abraham Simon, de hoofdbewoner van de Toulonselaan 34.
Foto RAD (nummer 309_28349)


Voorstraat 281 (nu: 343), waarin het gezin van Ruben en Eva Kleinkramer woonde

Dit is het pand (met de blauwe gevelreclame) op
de Voorstraat 281 (nu: 343), waarin het gezin van
Ruben en Eva Kleinkramer woonde.
Foto Redactie Website

Manufacturen
Bij het uitbreken van de oorlog waren verschillende Kleinkramers al overleden. Izak de eerste bijvoorbeeld stierf al na een jaar, op 23 februari 1895. Mathilda, Simon’s tweede vrouw, overleed op 11 januari 1940, op 72-jarige leeftijd. Simon zelf, tachtiger inmiddels, leefde nog immer.
        De andere kinderen bevonden zich grotendeels in Dordrecht. Jacob, de veehandelaar, had zich met zijn gezin op de Reeweg Oost gevestigd. Zijn broer Ruben Salomon was aan te treffen op de Voorstraat, op nummer 281 (nu: 343). Hij, een handelaar in manufacturen, was getrouwd met Eva Breemer (Dordrecht, 8.11.1894). Twee kinderen hadden zij: Hendrik (Dordrecht, 27.5.1925) en Simon (Dordrecht, 30.8.1928).
        Vlakbij Jacob, op de Toulonselaan 34 (nu: 52), huisde nog broer, Abraham Simon. Hij had Henriëtte Sophia Roos (Lochem, 11.10.1895) gehuwd en met haar eveneens twee kinderen gekregen: Simon (Dordrecht, 27.3.1923) en Albert (Dordrecht, 20.7.1928).
        Drie gezinsleden hadden Dordrecht verlaten. Izak de tweede had Oss als woonplaats. Zijn vrouw heette Jetje Rozenthal (Oudewater, 19.10.1908), hun twee kinderen Esther Johanna (Oudewater, 30.10.1932) en Leonard (Oss, 19.5.1938). Bij hen in, aan de Doctor Hermanslaan 4 huis, woonde Johanna Rozenthal-Kähn (Nieuw-Lekkerland, 7.12.1871), de moeder van Jetje.
        In Gorinchem stonden twee Kleinkramers geregistreerd. Sientje woonde op de Langendijk 45 met haar man Jacques Philip van Vriesland (Gorinchem, 20.7.1891) en hun drie kinderen: Saartje (Gorinchem, 29.3.1923), Simon Philip (Gorinchem, 18.4.1924) en Esther (Gorinchem, 12.12.1926).
        Op het Nonnenveld 4 was Betsy neergestreken. Zij was op 30 juni 1930 getrouwd met Abraham van Dam (Dordrecht, 28 maart 1885). Deze was al eerder getrouwd geweest, met Emma Goldstein. Zeker drie kinderen kwamen eruit voort. Zijn huwelijk met Betsy bleef kinderloos.
        Roosje (‘Rooske’) was uitgeweken naar Rotterdam. Zij trad er op 8 februari 1928 in het huwelijk met de magazijnbediende en latere winkelier Louis van Gelderen (Rotterdam, 5.11.1897). Zij kregen één zoon, Isaäc (Rotterdam, 8.12.1929), en woonden aan de Taanderstraat 40.
        Alle telgen van Simon en Esther zijn hiermee opgesomd. Simon zelf, weduwnaar geworden net voor het begin van de oorlog, verbleef niet meer in Dordrecht toen de Duitsers hun klopjachten startten. Hij was opgenomen in de Joodse Invalide, een joods tehuis voor mindervaliden aan het Weesperplein 1 in Amsterdam.

Hendrik (1925), de eerste zoon van Ruben Salomon Kleinkramer van de Voorstraat 281

Dit jongetje komt ook voor in de Collectie-Beerman.
Er staat bij: Kleinkramer, Voorstraat, en: 17 december 1927. Vermoedelijk is dit Hendrik (1925), de eerste zoon van Ruben Salomon Kleinkramer van de Voorstraat 281. Zijn tweede zoon Simon
is geboren in 1928 en zou dan op de foto nog een baby moeten zijn.
Foto RAD (nummer 309_9509)

Moordpartij
Onder alle Kleinkramers die hiervoor zijn genoemd, richtten de Duitsers grootschalig en systematisch een moordpartij aan. Niemand bleef gespaard, al die levens werden verscheurd.
        Het noodlot dat Jacob en Sophia Kleinkramer van de Reeweg trof, is al beschreven. Hetzelfde overkwam zijn broers en zusters. Het is een afzichtelijk lijstje:
        Ruben van de Voorstraat: alle vier dood, alle vier tegelijk in Sobibor, op 9 juli 1943.
        Abraham Simon van de Toulonselaan: alle vier dood, de vader en zoon Simon op 30 november 1942 in Auschwitz, de moeder en zoon Albert op 3 september 1942 in Auschwitz.
        Betsy in Gorinchem, samen met haar man op 26 oktober omgebracht in Auschwitz.
        Sientje in Gorinchem: alle vijf dood, de moeder en twee kinderen op 5 oktober 1942 in Auschwitz, zoon Simon op 31 oktober 1943 in Schoppinitz, de vader eveneens in Schoppinitz, op 31 maart 1943.
        Izak in Oss: alle vier dood, de moeder en de drie kinderen tegelijk op 11 juni 1913 in Sobibor, Izak zelf in een onbekende gemeente, op 31 maart 1944, oma Rozenthal in Sobibor, op 14 mei 1943.
        Roosje in Rotterdam: alle drie dood. Zij en haar zoon Isaäc werden op 5 augustus 1942 in Auschwitz vermoord, haar man Louis enkele dagen later op 16 augustus.
        De enige die uit het concentratiekamp heeft kunnen blijven, is stamvader Simon. Hij is in de Joodse Invalide overleden, op 2 februari 1942, 83 jaar oud, een natuurlijke dood waarschijnlijk. Hij heeft hierdoor niet hoeven meemaken dat het tehuis op 1 maart 1943 volledig werd ontruimd. Alle verpleegden, en de Joodse Invalide kon er 400 huisvesten, werden op transport gesteld, het personeel volgde enkele maanden later.

Simon Kleinkramer met zijn tweede vrouw Mathilda Kalker en zijn zonen en dochters

Bij deze vier portretfoto’s vermeldt het archief: Kleinkramer, Singel, en de jaren dat de foto’s gemaakt zijn,
respectievelijk op 4 mei 1927, 19 juli 1930, 6 mei 1927 en 9 januari 1926.
Aan de Singel woonde in die tijd Simon Kleinkramer, de stamvader, met zijn tweede vrouw Mathilda Kalker
en zijn zonen en dochters. Zijn vrouw Esther was al in 1902 overleden. Misschien is hij de oudere man (1858)
op de eerste foto, en Mathilda (1867) de oudere vrouw op de tweede. De anderen twee foto’s zijn kinderen van Simon.
Maar wie wie precies, is niet met zekerheid te zeggen.
Foto RAD (nrs. 309_8076,  309_15677, 309_8085 en 309_5054)


Simon Kleinkramer, aan de Singel op nummer 177

Het pand direct achter de boom, met de blauwe deuren,
is het voormalige woonhuis van stamvader
Simon Kleinkramer, aan de Singel op nummer 177
(nu: 289-291).

Drama
Van het gezin van Abraham Simon, hij van de Toulonselaan, is naderhand komen vast te staan dat Abraham en zijn vrouw Henriëtte uit voorzorg al in 1942 waren ondergedoken - in de beddenzaak van de familie Jansen op de Voorstraat 370 (nu: 410; zie verhaal 49 op deze site). Hun kinderen, Simon en Albert, waren elders in Dordrecht ondergebracht.
        De afwezigheid van hun kroost leidde bij de ouders tot een klein drama. Op een dag hielden ze het niet meer uit en verlieten ze ’s avonds hun onderduikadres om hun kinderen op te zoeken. Ze wilden bij hen zijn. Onderweg ernaartoe werden Abrabam en Henriëtte gearresteerd. De agenten ondervroegen het echtpaar hardhandig, waarop ze bekenden naar wie ze op weg waren en waar ze vandaan kwamen.
        Bij de Jansens volgde daarop een huiszoeking. De agenten ontdekten de onderduikers gelukkig niet. Wel vonden zij elders in Dordt Simon en Albert, de kinderen. Op woensdag 26 augustus 1942, zo blijkt uit de dagrapport van de Dordtse politie, werden deze vier Kleinkramers opgesloten op het politiebureau, om de volgende ochtend te worden overgebracht naar Rotterdam - een volgende etappe op weg naar hun onvermijdelijke einde.

Roosje Kleinkramer,  Louis van Gelderen en hun zoontje Isaäc in Rotterdam

Een van de zeven gezinnen Kleinkramer die het in de oorlog niet redden – dat van Roosje Kleinkramer,
Louis van Gelderen en hun zoontje Isaäc in Rotterdam.
Foto Gemeentearchief Rotterdam

Logeren
De Kleinkramers zijn onnaspeurbaar van de aardbodem gevaagd. Toch is er nog één iemand gevonden, die “een goede herinnering” heeft aan een van hen, aan Jacob Kleinkramer. Het is Henriëtte Goudsmit-Weijl (Lochem, 1931), de echtgenote van Alfred Goudsmit die sinds 1956 in Brussel woont. Zij is een nicht van Jacob’s echtgenote Sophia Weijl. Voor de volledigheid: Sophia was de enige zus van Henriëtte’s vader, de jong overleden koopman Joseph David Weijl (Lochem, 1898 - 1936), die getrouwd was met Fokje Kuijt (Sneek, 1902 - 2002).
        Henriëtte Goudsmit was nog een kind in de oorlog. Zij herinnert zich vooral haar tante Sophia en haar oom Jacob, door haar ‘Jaap’ genoemd. De andere familieleden van Jacob heeft zij “niet gekend”. “Jaap”, vertelt ze, “werkte voor Unilever in Rotterdam.” In de receptiehal van het (oude) hoofdkantoor van Unilever aan het Museumpark in Rotterdam hangt nog altijd een bord met de namen van de omgekomen medewerkers. “Jaap staat er ook op.”
        “Mijn tante en haar twee dochters, Stella en Rosalie, werden vermoord. Oom Jaap overleefde tot in januari 1945 en stierf toen. Hoe weet ik niet. Uitputting?”
        Samen met haar ouders en haar zus ging Henriëtte wel eens logeren bij de Kleinkramers op de Reeweg. En ’s zomers reisden ze naar Scheveningen, waar Jacob met zijn gezin steeds een huis huurde. Foto’s kan ze er niet van laten zien, van die uitjes. “Ik heb geen foto’s, omdat wij niets mee konden nemen in de onderduik. Na de oorlog hadden wij geen fototoestel.” Henriëtte, haar zus Roselina (Lochem, 1929) en haar moeder hebben tijdens de oorlog alle drie ondergedoken gezeten in Friesland.
        Dit is al wat ze weet. Haar Haagse zus Roselina kan haar herinneringen niet aanvullen. “Zij weet niet meer dan ik, helaas.”

In Gorkum treedt Betsy Kleinkramer  in het huwelijk met Abraham van Dam   Twee advertenties in het Nieuw Israëlitisch Weekblad van 3 augustus 1917 en 5 augustus 1927, waarin Mathilda Kalker,  de tweede vrouw van stamvader Simon Kleinkramer, wordt gefeliciteerd met haar 50ste en 60ste verjaardag

In Gorkum treedt Betsy Kleinkramer
in het huwelijk met Abraham van Dam,
een bericht uit de Nieuwe Gorinchemsche Courant van 25 juni 1930.
Foto Krantenbank Gorinchem

 

Twee advertenties in het Nieuw Israëlitisch Weekblad van
3 augustus 1917 en 5 augustus 1927, waarin Mathilda Kalker,
de tweede vrouw van stamvader Simon Kleinkramer,
wordt gefeliciteerd met haar 50ste en 60ste verjaardag.
Foto’s Delpher


recente foto van Henriëtte Goudsmit-Weijl, met haar echtgenoot Alfred en hun getrouwde zoons Eric en Ronald

Een recente foto van Henriëtte Goudsmit-Weijl, met haar echtgenoot Alfred en hun getrouwde zoons Eric en Ronald.
Henriëtte en Alfred hebben vijf kleinkinderen.
Foto Familiebezit

Beeldbank
De Kleinkramers bestaan niet meer, gewoonlijk los je dan op in de vergetelheid. Maar het is gelukt om foto’s van hen terug te vinden. Via de beeldbank van het Regionaal Archief Dordrecht kon worden achterhaald dat zich in de Collectie-Beerman (de imposante verzameling van de welbekende lokale beroepsfotograaf H.G. Beerman) enkele foto’s bevinden van Kleinkramers.
        Weliswaar waren er maar een paar administratieve gegevens bekend, zoals de straat waar ze woonden en de dag waarop de foto’s door Beerman zijn gemaakt. Maar met enig deduceren konden de meeste foto’s worden thuisgebracht. Ze staan bij dit verhaal. Onder anderen Sophia en Jacob en hun twee dochtertjes hebben zo weer een gezicht gekregen.
        De dood van alle Kleinkramers is op zich al afschuwelijk. Maar wat het verscheiden van Jacob nog triester maakt, naargeestiger en onbehaaglijk, is dat hij een levensverzekering had afgesloten. Op de website van de Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa (SIVS) staat zijn polis vermeld.
        De SIVS, opgericht in november 1999, heeft als “belangrijkste taak”, zoals zij het zelf formuleert, om “na te gaan of iemand aanspraak heeft op een betaling uit een levensverzekering, van een door de oorlog getroffen verzekerde die vervolgd is vanwege zijn of haar joods-zijn”.
        De levensverzekering van Jacob Kleinkramer is er zo een. Onderzoek in de archieven van verzekeraars heeft een lijst opgeleverd van ongeveer tweeduizend levensverzekeringen, die niet zijn uitgekeerd.
        Het wrange is dat dit ook niet meer zal gebeuren. Jacob zal dit geld niet komen incasseren. Want hij en de zijnen zijn weg, kapotgemaakt.


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'