Het voorbije joodse dordrecht

De broers Mak van Waay en hun
gespleten houding tegenover joden

Twee foto’s van het ‘Algemeen Verkooplokaal’ van A. Mak aan de Visstraat

Twee foto’s van het ‘Algemeen Verkooplokaal’ van A. Mak aan de Visstraat. De ene is uit de jaren dertig.
Het veilinghuis bevindt zich achter de groep mensen. De andere foto dateert vermoedelijk van de jaren zeventig.
Mak is op deze foto achter de Volkswagen te zien.
Foto’s RAD (nrs. 555_12588 en 554_30114).

Twee broers. Allebei Dordtenaar. Allebei directeur van het veilingbedrijf Mak.
        De een is fel anti-Duits, de andere doet juist graag zaken met de nazi’s. De een wil beslist geen gestolen joods bezit veilen, de ander doet het met enthousiasme.
        Twee broers, volkomen tegengesteld. De een blijft stug in Dordrecht wonen, de ander gaat naar Amsterdam - en keert nooit meer terug.
        Dit verhaal gaat over Anton en Simon, de beide zonen van Anton en Elisabeth Mak van Waay, een oer-Dordts geslacht. Anton was ‘goed’ in de oorlog, Simon hartstikke ‘fout’: zonder scrupules veilde hij doorlopend roofkunst, die de bezetter had buitgemaakt op joodse families.
        Simon Mak van Waay is de zwarte bladzijde in de bedrijfshistorie van A. Mak Kunst- en Antiekveilingen, gevestigd aan de Visstraat, het oudste veilinghuis van de Benelux. Desondanks wil de huidige directeur, drs. Pieter C. Jorissen, dit foute verleden niet verzwijgen.

De foutief gebleken vermelding van Anton Mak op een officiële Duitse website over roofkunst. Er bestaat geen Anton Mak uit 1918

De foutief gebleken vermelding van Anton Mak op een officiële
Duitse website over roofkunst. Er bestaat geen Anton Mak uit 1918;
het is zijn broer Simon Jacobus (‘Siem’).
Foto Redactie Website

Instituut
Kunsthistoricus Jorissen draait er niet omheen als hij wordt geconfronteerd met de duistere feiten.
        Op de website van het Deutsches Zentrum Kulturverluste in Magdeburg komen enkele gegevens voor over A. Mak. Op de website van het Zentrum, in het Engels German Lost Art Foundation genoemd, is de research beschikbaar gemaakt over alle kunstobjecten die de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben gejat, geconfisqueerd, verplaatst, doorverkocht of verstopt – dikwijls was het bezit van joden. Het Zentrum is een officieel instituut, dat een internationaal aanspreekpunt wil zijn voor kwesties die Verloren Kunst betreffen.
        Op zijn site is een veelzeggende, beschuldigende zin gewijd aan Anton Mak. Deze luidt: “(Anton Mak, geb. 1918) Dordrecht, Visstraat 17: Kunsthändler und Auktionator, berichtete für Deutsche gearbeitet und konfiszierte Kunstwerke aüdischem Besitz verkauft zu haben.” Als de redactie van deze website Jorissen hierover om uitleg vraagt, mailt hij meteen terug. “Nee, dit is een misverstand. Dat is S.J. Mak uit Amsterdam, zijn broer. Anton was juist fel anti-nazi. Hij heeft direct na de oorlog ook meegewerkt aan de recuperatie van joods bezit.”
        Jorissen wil er best meer over vertellen, en nodigt de redactie uit langs te komen.
        Voorafgaand wordt eerst de familiegeschiedenis van de Maks van Waay doorgenomen. Dan blijkt al snel dat de database van het Zentrum een fout bevat: er bestaat geen Anton Mak die is geboren in 1918. De instantie wordt er op gewezen, tevens wordt gevraagd of er nadere gegevens voorhanden zijn over deze Anton. Pressesprecherin Freya Passchen deelt mee dat er geen andere informatie is. Het Zentrum baseert zich op een rapport, opgesteld op 1 mei 1946, van de Art Looting Investigation Unit (ALIU) in Washington DC, een onderdeel van het Amerikaanse ministerie van Oorlog. En daarin wordt over Anton Mak hetzelfde vermeld, op pagina 147: zie: docproj.loyola.edu/oss1/p147.html, maar dan in het Engels.

familie Mak van Waay

Van de familie Mak van Waay zijn in de beeldbank van het Regionaal Archief Dordrecht (RAD) alleen foto’s aangetroffen van Anton, de goede Dordtenaar. Deze vier foto’s tonen zijn (enige) zoon Jan, zijn vrouw, de zangeres Elisabeth Maria Dooremans en hemzelf. De foto’s, in chronologie oplopend en gemaakt door bekende Dordtse fotograaf H.G. Beerman, dateren kloksgewijs van 4.9.1923, 30.11.1924, 28.1.1928 en 12.2.1933. Van Anton’s broer Simon Jacob, of van hun vader en moeder, zijn geen foto’s gevonden.
Foto’s RAD (nrs. 309_561, 309_2781, 309_9780 en 309_20663)


Cornelis van Beverenstraat, op nummer 11

Eerst woonde het gezin van Anton Mak van Waay in de
Cornelis van Beverenstraat, op nummer 11 (nu: 15).
Foto Redactie Website

Oprichter
Simon Jacobus Mak, kunstschilder en lid van het Teekengenootschap Pictura, is de oprichter van het veilinghuis. In februari 1839 houdt hij in drie panden aan de Visstraat zijn eerste publieke verkoping. Deze is zo’n succes dat er meerdere volgen: Mak van Waay is gevestigd en anno deze eeuw nog steeds intact.
        Simon Jacobus (Dordt, 8.6.1804) is getrouwd met Hester Elisabeth ten Hagen (Gorkum, 1805). Zij krijgen één kind: Antonie, op 28 juni 1847. Twintig jaar later overlijdt zijn moeder, op 5 februari 1867. Nog eens dertien jaar later sterft zijn “zo actieve” vader, op 23 januari 1880, op 76-jarige leeftijd. Antonie volgt hem op.
        Volgens het bedrijfshistorische hoofdstuk op de website van Mak kon deze zoon zich echter “vanwege zijn zwakke gezondheid niet met dezelfde energie als zijn vader toeleggen op het bedrijf”. Dat verandert als twee van zijn kinderen in de firma worden opgenomen.
        Antonie was als 27-jarige op 24 juni 1874 getrouwd met de 21-jarige Elisabeth Johanna Maria Helena Dammermann (Dordrecht, 4.3.1853). Zij schonk hem zeven kinderen. In chronologische volgorde waren dit: 1. Herman Diederik (1.3.1877), 2. Antonie (‘Anton’, 20.2.1881), 3. Johanna Adriana (14.1.1893), 4. Hester Elisabeth (4.6.1879), 5. Elisabeth Johanna Maria Helena (4.1.1885), 6. Simon Jacobus (‘Siem’; 17.5.1875) en 7. Francisca Xaviera Agnes (14.1.1893). De nummers 2 en 6 werden de nieuwe directeuren, en zijn de hoofdpersonen van dit verhaal.
        De beide zonen zaten nog op de hbs toen hun vader hen vroeg om daarmee te stoppen en op kantoor mee te komen werken. Maar Anton en Simon waren ambitieus; ze wilden meer. De website: “Toen hun vader dit doorkreeg, stuurde hij hen naar Londen, Parijs en Duitsland, zodat zij daar de bekendste kunsthandels konden bezoeken en zich op de veilingen kunsttermen en usances eigen konden maken. Zo leerden zij de internationale markt kennen. Daarnaast knoopten zij relaties aan met buitenlandse en Hollandse handelaren.”
        Dit kwam het bedrijf “natuurlijk ten goede”. Toen vader Antonie overleed, op 5 mei 1899, “stonden beide broers aan het hoofd van een goedlopend bedrijf, dat qua omvang een viervoudige grootte had van de zaak waarmee hun grootvader was begonnen”. In 1900 besloten de broers om het veilinghuis om te bouwen tot een Gesammtkunstwerk: op de plaats van de drie oorspronkelijke panden verrees een multifunctioneel gebouw, ontworpen door de architect Henk P. Reus.
        In 1901 ging dit Verkoop Lokaal Mak open. Behalve (wekelijkse) veilingen zouden er in de navolgende decennia culturele manifestaties, partijen, diners, exposities, toneel- en poppenvoorstellingen worden gehouden. Inmiddels is het aangemerkt als modern rijksmonument.

Burgemeester Jaslaan, nummer 57a

Later, vanaf 1937, verhuisde het gezin naar de
Burgemeester Jaslaan, nummer 57a (nu: 46).
Na het overlijden van zijn vader, ging zoon Jan in dit huis wonen.
Foto Redactie Website

Bijkantoor
Anton Mak van Waay trouwde op 29 november 1917 in Groningen met Elisabeth Maria Dooremans, een Dordtse, geboren op 4 februari 1892. Zij kregen één kind: Jan, op 14 mei 1919. Het werd geboren in de Cornelis van Beverenstraat 11 (nu: 15). In 1935, op 4 oktober, zou dit echtpaar scheiden.
        Broer Simon Jacobus trouwde tweemaal. Eerst, op 30 januari 1901, met Bernardina Chevalier, afkomstig uit het naburige Dubbeldam en geboren op 29 juli 1878. Zij baarde drie kinderen: Antonie (24.11.1902), Willem Jacob Leonard (7.4.1905) en Simon Everhardus (19.5.1909). Hun moeder stierf in Amsterdam, op 1 mei 1921, 42 jaar oud. Vier jaar later hertrouwde Simon in Amsterdam, op 5.3.1925, met Maria Sibilla Maes (Maastricht, 26.2.1891).
        Dat Amsterdam opdoemde in de levens van Mak van Waay was verklaarbaar: de broers openden er in 1918 een bijkantoor.
        Dordt werd te klein voor hen, verklaart de website van Mak. Zij hadden op buitenlandse reizen de internationale kunsthandel leren kennen en wilden zoiets ook. In 1918 kochten zij daartoe in de Doelenstraat op nummer 8 een pand. In 1919 namen zij het oude, in 1749 opgerichte kunstveilingenbedrijf C.F. Roos over. Daarmee kregen zij de beschikking over het Gebouw De Roos, dat was gelegen aan het Rokin 9-15, midden in het hart van Amsterdam.

Rokin 100

In dit hoge pand links aan het Rokin 100, het voormalige Leesmuseum,
vestigde S.J. Mak van Waay in 1932 het Amsterdamse filiaal. Hier ging hij zaken doen met de Duitsers.
Foto Google Streetview


Simon Jacobus, de broer van Anton, bekend dat hij zich heeft verloofd met Coralie Lotsy

In De Gooi- en Eemlander van 12 september 1930 maakt Simon Jacobus, de broer van Anton, bekend dat hij zich heeft verloofd met Coralie Lotsy.
Foto Delpher

Dubbele naam
Aanvankelijk zetten de broers dit bedrijf voort onder de naam Firma A. Mak, zo vermeldt het tijdschrift Ons Amsterdam in een special over het Rokin. Maar Simon veranderde het in Mak van Waay, naar voorbeeld van zijn overgrootvader Antonie Mak, die leefde van 1780 tot 1829. Toen deze Antonie, de vader van Maks oprichter Simon Jacobus, trouwde met Maria van Waay (1777-1826), verzocht zijn schoonvader hem om de familienaam van zijn dochter er achter te plakken, om “deze voor uitsterven te behoeden”.
        De Anton van 1881 vond die dubbele naam volgens Ons Amsterdam maar “onzin”. In 1923 splitsten de broers het familiebedrijf op. Anton zette de Dordtse vestiging voort, onder de nog altijd gangbare naam A. Mak. Simon ging het Amsterdamse filiaal leiden onder de naam Mak van Waay, ook om te voorkomen dat “buitenstaanders de bedrijven door elkaar haalden”, aldus de website van Mak. Dat Anton zich terugtrok, had ook als reden dat de verbintenis die de broers waren aangegaan met de kunsthistoricus en Van Gogh-kenner mr. J. Baart de la Faille, voor problemen zorgde.
        Simon zelf brak ook met de firma, op 31 december 1927. Hierna bleef alleen nog zijn zoon Anton samenwerken met De la Faille. In 1932 richtten vader en zoon een Maatschappij voor kunst- en antiekveilingen op, en betrokken een pand elders aan het Rokin, op nummer 102, het leeggekomen gebouw van het Leesmuseum. En van hieruit ging Simon Mak van Waay zijn kwalijke zaken doen, heulend met de oorlogszuchtige Duitsers.
        Zijn gezin woonde toen al niet meer in Dordrecht. Amsterdam was hun woonplaats geworden op 3.2.1919, met als eerste adres de A.C. van Baerlestraat 81, daarna Amsteldijk 113. Per 14 april 1927 ging de familie in Blaricum wonen, aan de Molendrift 41. Broer Anton streek op 11 augustus 1937 neer in Dubbeldam, op de Burg. Jaslaan nummer 57a (nu: 46), komend van de Toulonselaan 35. Tot aan zijn dood zou hij hier blijven, waarna zijn zoon Jan het huis overnam, komend uit Leiden.

Anton Mak van Waay, eigenaar van het Dordtse veilingbedrijf A. Mak, is tijdens de oorlog blijven veilen

Anton Mak van Waay, eigenaar van het Dordtse veilingbedrijf A. Mak, is tijdens de oorlog blijven veilen, zoals bijvoorbeeld blijkt uit deze advertentie in het Dagblad voor Noord-Brabant en Zeeland van 12.9.1942. Ook hij heeft handel gedreven met de Duitsers, zegt huidig eigenaar Pieter Jorissen. Maar Anton Mak van Waay heeft volgens Jorissen nooit geroofde joodse bezittingen geveild, zijn broer S.J. deed veelal niet anders.
Foto Delpher

Joods
Al in de jaren dertig begon Simon Mak van Waay te veilen voor de nationaal-socialisten, vertelt de huidige directeur Pieter Jorissen (H.I. Ambacht, 1965) – die zijn verre voorganger consequent ‘SJ’ noemt. “Waar de spullen vandaan kwamen, weet niemand, maar SJ veilde belangrijke collecties 17de- eeuwse kunst uit Duitsland. Niet alleen schilderijen, ook beelden en meubels. Ga er maar vanuit dat die objecten waren ingepikt van joodse families.”
        Zijn broer in Dordt, Anton, gruwde daarvan. “Hij wilde niets meer met SJ te maken hebben. Ze zijn niet vrolijk uit elkaar gegaan. Zelf veilde Anton hier in Dordt gewoon antiek, als zelfstandig bedrijf. Hij heeft zichzelf moeten uitkopen.”
        In 1940 verliet zijn zoon Anton de Amsterdamse vestiging. Simon Mak van Waay nam een zekere H.S. Nienhuis aan als assistent. Een andere partner werd mr. Pieter Glerum, de vader van de bekende veilingmeester en televisiepresentator Jan Pieter Glerum (1943-2013). Jorissen: “Glerum liep volgens Jan van Valen [zie verderop, red.] in de oorlog rond in een zwart uniform; zijn kinderen in Jeugdstormpakken.”
        Simon kreeg het tijdens de oorlog “heel druk met het veilen van geroofde boedels”. Zozeer dat hij toenadering zocht tot zijn Dordtse broer. Of ze weer konden samenwerken. “SJ kon het niet meer aan; het was te veel wat hij binnenkreeg via de Duitsers.”Anton wees het verzoek af. “Hij weigerde samenwerking categorisch. Hij begon er niet aan. Ze kregen er ruzie over. Daarna heeft SJ alles geprobeerd om hem het veilen in Dordt moeilijk te maken.”
        Anton Mak van Waay is in Dordrecht door blijven veilen, tot september 1944. “Belangrijke klanten van hem kwamen uit Brabant. Maar Brabant was bevrijd; die klandizie viel weg. In Dordrecht was bovendien de spoorbrug vernield; er was helemaal geen verbinding meer. Alles kwam hier stil te liggen.” In hetzelfde jaar veranderde ook iets bij het Amsterdamse veilingbedrijf: in juli 1944, na D-Day, de landing van de geallieerden in Normandië, deed SJ alle aandelen over aan Nienhuis, die nu directeur werd, en na de oorlog Mak van Waay “tot grote bloei” zou brengen.

Jan Mak van Waay

Nogmaals Jan Mak van Waay, nu op oudere leeftijd, op 31 mei 1972. Hij overhandigde bij de opening van het nieuwe veilinggebouw aan de Lange Breestraat, een zijstraat van de Visstraat, een meer dan twee meter grote klokwijzer aan drs. J.M. de Groot, indertijd directeur van Museum Van Gijn. De klokwijzer was dertig jaar daarvoor van de Grotekerkstoren gehaald en opgeslagen bij Mak.
Foto RAD (552_322641)

Lantaarnpaal
Op 5 mei 1945 overleed Simon, zogenaamd bij een voedseldropping. Pieter Jorissen begint te glimlachen.
        “Sal Meyer, de joodse eigenaar van het antiquariaat De Pampieren Waereld, heeft de oorlog overleefd. Hij heeft de ware toedracht eens verteld. SJ zou uit een lantaarnpaal gevallen zijn, toen hij in Amsterdam een dropping wilde zien. ‘Ja’, zei Meyer, ‘hij is inderdaad uit een lantaarnpaal gevallen, maar er zat een touw aan.’ SJ heeft gewoon zelfmoord gepleegd, omdat ie wist dat hij na de oorlog aangepakt zou worden. Hij vreesde de doodstraf te krijgen voor zijn gecollaboreer.”
        Jorissen zegt terugblikkend dat SJ “goed fout” is geweest. “Hij heeft werkelijk van álles verkocht: schilderijen, porselein, zilver – álles wat kostbaar was, heeft hij in opdracht van de Duitsers geveild.”
        In zijn oordeel staat hij niet alleen. NRC-redactrice Lien Heyting heeft in de krant van 31 oktober 1997 een uitgebreide beschouwing gepubliceerd over de duizenden spoorloos verdwenen, en soms maar deels teruggevonden schilderijen uit joods kunstbezit. Ook zij wijst met de vinger naar het veilinghuis van Simon Mak van Waay.
        “Er bestonden ook nauwe betrekkingen tussen de Liro en het Amsterdamse veilinghuis Mak van Waay”, signaleert Heyting. [De Liro-bank was de van oorsprong joodse bank Lipmann Rosenthal, red.] “Bij Mak van Waay is acht procent van de door de Liro in beslag genomen goederen geveild, waaronder 300 schilderijen. Er was één voorbehoud: Nederlandse veilingen mochten geen werk van joodse kunstenaars aanbieden. Daar had Mak van Waay wat op gevonden: op de doeken van bijvoorbeeld Isaac Israëls werd de signatuur simpelweg overgeschilderd.”
        Jorissen kent deze praktijk. “SJ had een schilderijen-restaurateur, Pieter Dik uit Laren. Die schilderde ijskoud de namen weg van Jozef en Isaac Israëls. De schilderijen werden vervolgens als onbekend werk verkocht.” De Liro was een Duitse bank in Nederland, licht hij toe, die de Duitsers gebruikten voor deviezen. “Vanaf 1936 heeft Mak van Waay het geld van de opbrengst van de veilingen voor de Duitsers, op de Lirobank gestort. De Duitsers hadden dus Nederlands geld, wat belangrijk was in verband met deviezen.”

Lexicon

Lexicon
De Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie (RKD), tegenwoordig het Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis geheten, oordeelt ook onverbloemd over Mak van Waay. Op zijn website wordt verklaard: “Kunsthandel Mak van Waay heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog goede zaken kunnen doen. De firma deed veel taxaties van kunstwerken voor Duitse instanties. Daarnaast stelde veilinghouder S.J. Mak van Waay voor het departement van Volksvoorlichting en Kunsten (DVK) een lexicon samen met schilders en beeldhouwers in de periode 1870-1940. Joodse kunstenaars hebben in de lexicon een ‘J’ achter hun naam en zijn zo kort mogelijk beschreven.”
        De overleden schrijver Adriaan Venema haalt dit aparte lexicon van SJ ook aan, in een artikel geplaatst in NRC Handelsblad van 7 november 1991. “Had Mak van Waay daar erg veel moeite mee?”, werpt Venema op, reppend over die aanduiding (J). “Welnee. Hij schreef een brief aan het Departement waarin de cynische zin: “De joden interesseren mij niet, dus voegde ik – waar ik het wist – een J bij, maar het zou vervelend zijn, als er een J staat en het is geen jood (er zijn b.v. van Gelder’s, die jood maar ook die geen jood zijn, Polakken idem.”
        In het rapport Museale Verwervingen vanaf 1933 van 29 oktober 2013, wordt het dubieuze verleden van Mak van Waay eveneens genoemd. Een citaat:”Andere firma’s die door de bezetter geconfisqueerd bezit hebben geveild, waren onder meer de veilinghuizen Frederik Muller & Co. en S.J. Mak van Waay te Amsterdam. De laatstgenoemde firma heeft tijdens de oorlog vele Joodse eigendommen voor de Liro-bank getaxeerd en verkocht.”
        Het rapport doet verslag doet van een onderzoek naar de herkomst van museale collecties, verkregen door roof, confiscatie of gedwongen verkoop in de periode 1933-1945, onder voorzitterschap van prof. dr. Rudi E.O. Ekkart, oud-directeur van de RKD.

Twee overlijdensgevallen die samenhangen met het veilinghuis Mak van Waay

Twee overlijdensgevallen die samenhangen met het veilinghuis Mak van Waay. De eerste advertentie, uit de NRC van 20.10.1972, meldt het overlijden P.J. Glerum, die volgens directeur Nienhuis van Mak van Waay in Amsterdam met “onkreukbare eerlijkheid, ijver en trouw”, heeft meegeholpen de firma tot grote bloei te brengen. De andere advertentie, uit de NRC van 31.3.1976, meldt het overlijden van mevrouw Dooremans, de echtgenote van Anton Mak van Waay.
Foto’s Delpher


afscheid van Jan van Valen

Op deze foto wordt op 5 januari 1966 afscheid genomen van Jan van Valen (links), de directeur van de Dordtse vestiging die Pieter Jorissen heeft ingewijd in het veilingvak.
Foto RAD (nr. 552_300192)

Recuperatie
Ook Anton Mak van Waay, verheelt Jorissen niet, heeft tijdens de oorlog via veilingen handel gedreven met en voor de Duitsers. “Dat was in die tijd niet te vermijden. Er was zelfs een tussenpersoon, die namens de Duitsers spullen kocht: Han Jüngeling, een Rijksduitser die Nederlands sprak en in Nederland woonde. Hij was kunsthandelaar en veilinghouder, en bovenal nieuwslezer van het ANP, een man met een gouden stem. Maar Anton heeft nooit joods bezit geveild, terwijl SJ in feite veelal joods bezit veilde.”
        Anton is na de oorlog ook niet bestraft, vervolgt Jorissen. “Hij is gewoon doorgegaan.” Hij wijst er op dat Anton meegeholpen heeft aan de recuperatie, het in bezit teruggeven van joodse eigendommen. “Voorraden van joodse kunsthandelaren die na de oorlog terugkwamen naar Nederland, heeft hij hier opgeslagen en ervoor gezorgd dat ze teruggingen naar degenen van wie ze waren, zoals de joodse broers Benjamin en Nathan Katz uit Dieren.”
        Hoe verging het het Amsterdamse en Dordtse veilinghuis verder?
        In 1964 kwam Jan Pieter Glerum bij Mak van Waay te werken, net als zijn vader. Het was inmiddels uitgegroeid tot het grootste veilinghuis van Nederland. Glerum, die zijn studie kunstgeschiedenis had afgebroken, maakte volgens Wikipedia tot 1974 voornamelijk catalogi. Van directeur Nienhuis leerde hij hoe hij een veiling moest leiden. Zo werd hij veilingmeester. Hij ontwikkelde een eigen stijl: wilde armgebaren, zwaaien met de hamer, theater kortom. De website eigenkoninkrijk.nl: “Het leverde hem de bijnaam Dutch Windmill op.”
        Het Engelse Sotheby’s, aangetrokken door het succes van Mak van Waay, startte in 1972 een Amsterdamse filiaal, op een steenworp afstand. In 1974 nam het Mak van Waay over; alle aandelen van Nienhuis belandden in Engelse handen. “Hiermee kwam een einde aan de Amsterdamse vestiging”, besluit de website van A. Mak.
        Glerum trad in dienst van Sotheby’s als directeur, maar startte in 1989 een eigen veilinghuis, Glerum c.s. Met zijn karakteristieke haarlok zou hij “zoniet de beste dan toch de snelste veilingmeester van Europa worden”, vindt de site eigenkoninkrijk, roem vergarend met zijn tv-optredens.

Pieter Jorissen

Een schaarse foto van Anton, de anti-Duitse Mak van Waay. Hij overleed op 23.11.1956. Het Algemeen Handelsblad plaatste bij die gelegenheid deze foto van hem.
Foto Delpher

Jorissen
In Dordrecht bleef Anton Mak van Waay directeur tot aan zijn overlijden, op 23 november 1956. Niet zijn enige zoon Jan, maar directeur Jan van Valen neemt de hamer over. Hij zal de firma ruim veertig jaar leiden. Pieter Jorissen kwam in 1988 als stagiair het bedrijf in, bezig met zijn studie kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Utrecht. In de jaren daarna veilden Van Valen en Jorissen afwisselend. In 1992 haalde Jorissen het veilinghoudersdiploma, in 1993 wordt hij beëdigd als taxateur kunst, antiek en inboedelgoederen. In hetzelfde jaar neemt hij het bedrijf over van de familie Mak van Waay, de laatste jaren leidt hij het samen met zijn vrouw Mariette E. Jorissen-de Raadt.
        “Ik kende de familie Mak goed, via zoon Jan”, vertelt Jorissen, terugblikkend. “en ook mijn voorganger, Jan van Valen. Die is hier in 1943 komen werken, als 18-jarige. Hij heeft al dat gedoe tussen Anton en SJ meegemaakt en mij erover verteld. Jan Mak van Waay vertelde mij dat hij niets te maken wilde hebben met de Deutschfreundlichkeit van zijn oom SJ.”
        Jan Mak van Waay is inmiddels overleden, op 25 september 1991, in Aerdenhout, 72 jaar oud. Zijn moeder Elisabeth Dooremans was al in 1976 overleden in Rotterdam, op 28 maart op 84-jarige leeftijd. Deze Bets was bij leven zangeres; ze zong als sopraan bijvoorbeeld bij het Amsterdams Vocaalkwartet. Haar man Anton stierf eerder: op 23 november 1956 in Dordrecht, 75 jaar oud.
        “Kenmerkend” voor de gêne die de kinderen van SJ voelden, vindt Jorissen dat zij “gebroken hebben met hun vader, vanwege dat oorlogsverleden”. “Zij hebben wel altijd contact gehouden met oom Anton. Hij was een soort plaatsvervangende vader. Eén zoon, Willem Jacob Leonard, is naar Noord-Amerika geëmigreerd, overigens al op 20 maart 1926, en er beursmakelaar geworden. Een andere zoon, Simon Everhardus uit Blaricum, heeft nog bij Mak in Dordt gewerkt.”

Verzwijgen
Anton, de zoon van SJ, trouwde met Cornelia Johanna Lotsy, in Blaricum. Zij kregen drie kinderen, allen dochters. In zijn Dordtse tijd woonde hij op de Singel 224 (nu: 302). Zijn stiefmoeder Maria Sibilla Maes overleed in Naarden, op 4 februari 1967. Deze Anton, nogmaals: geboren in 1902, is zeer waarschijnlijk de Anton die te voorschijn komt op de website van het Deutsches Zentrum Kulturverluste, zij het onder een verkeerd geboortejaar.* Overigens is deze Anton (eigenlijk Antonie) overleden op 6 april 1980 in Eefde, op 77-jarige leeftijd. Bij het overlijden van Cornelia Johanna Lotsy, op 59-jarige leeftijd op 26.9.1968 in Amsterdam, werd zijn naam in de overlijdensadvertentie al niet meer genoemd. Vermoedelijk waren zij gescheiden.
        Kleinzoon Adriaen Mak van Waay (zoon van Dudoine Mak van Waay, die een dochter is van A. Mak van Waay) wijst er nadrukkelijk op dat zijn grootvader Anton op geen enkele manier heeft meegewerkt met de Duitsers. “Reeds voor de aanvang van de oorlog verhuisden hij en zijn gezin naar Zwitserland en verbleven daar tot na de oorlog vanwege medische omstandigheden.”

Pieter Jorissen

Pieter Jorissen, de huidige drecteur: “Ik wilde de ware feiten boven water krijgen.”
Fotio Redactie Website

         Afrondend: vindt Jorissen als huidige directeur die beschamende oorlogsperiode van Mak van Waay niet gênant?
        Hij schudt resoluut het hoofd. “Waarom is het gênant? Ik heb die tijd niet meegemaakt en ook nooit die keuze hoeven te maken. Ik vind dat je er dan niet over kunt oordelen.”
        Sommige bedrijven zouden zo’n beladen verleden liever wegmoffelen.
        Weer het hoofd schuddend, benadrukt hij dat hij zich juist zonder aarzelen bij de commissie-Ekkart meldde. “Ik was de eerste die zei dat ik wilde meewerken, mits het een serieus onderzoek zou worden. Anders niet. Het is een afgesloten tijd, de mensen die erbij betrokken waren, leven niet meer. Ik wilde dat verleden niet verzwijgen; ik wilde de geschiedenis recht doen. (Glimlachend:) Sotheby/Mak van Waay in Amsterdam zei tegen de commissie: ‘Het archief is zoek.’ Inmiddels is dit archief wel bekend; het bevindt zich bij de Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag. Het is overgedragen bij het definitieve vertrek van Sotheby uit Amsterdam.”
        Maar waaróm wilt u de geschiedenis recht doen?
        “Er doen veel indianenverhalen de ronde over Mak en Mak van Waay. Ik wilde de ware feiten boven water hebben, de naakte waarheid. Die krijg je alleen als je openheid geeft. Als mensen bang zijn, krijg je geen openheid.”

*[Het Zentrum heeft, na lezing van bovenstaand verhaal, het verwarrende jaartal 1918 verwijderd.]



< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'