Het voorbije joodse dordrecht

Het wrede verhaal achter een vrolijke
foto van twee joods-Dordtse kinderen

Nollus en Emma, met het hondje�van�de achterburen, op hun onderduikadres in Ede

Nollus en Emma, met het hondje van de achterburen, op hun onderduikadres in Ede.
Foto Familiebezit

Het is een leuke foto.
         Twee jonge kinderen poseren, samen met de hond, voor de fotograaf. Allebei kijken ze keurig in de lens, het meisje enigszins schalks, het jongetje vriendelijk. Zij aait de hond, die net de ogen dicht heeft, hij hangt er moeizaam boven.
         De foto straalt onbekommerde zorgeloosheid uit, vrolijkheid. Het is zo’n foto die ouders glimlachend toevoegen aan het familiealbum. Aan niets zie je af dat er iets huiveringwekkends staat te gebeuren.
         Kort nadat de foto tot stand kwam, in Ede, tijdens hun onderduik, zijn deze twee Dordtse kinderen, Nollus Heiman Overweg en Emma Sarah Overweg, industrieel vergast, in Auschwitz. Nollus is maar negen geworden, Emma stokte op 6-jarige leeftijd. Ze stierven in hun eentje, zonder hun ouders, Bertus en Bertha Overweg. Die zaten in een ander huis, in een andere woonplaats ondergedoken, en hebben de oorlog weten te overleven, en ontdekten toen pas wat hun kinderen, de enige die ze hadden, is aangedaan.
         Het is nog steeds een leuke foto – voor buitenstaanders. Voor de ouders werd het een foto die hen permanent, tot aan hun dood in 1979 en 1999, pijnlijk herinnerde aan het wrede lot van Nollus en Emma.
         Dit is het ongewone verhaal achter een schijnbaar normaal kiekje. Het kan verteld worden dankzij Margaret en Herman Frank Overweg, de nieuwe kinderen van Bertus en Bertha. Zij begonnen een nieuw gezin, misschien wel in een poging om over hun daverende verlies heen te komen.

trouwfoto van Bertus Overweg en�Bertha Frankenhuis

De trouwfoto van Bertus Overweg en
Bertha Frankenhuis.
Foto Familiebezit

Kinderen
Dordrecht was voor hen een beloftevolle stad. Hier vestigden zich de zojuist getrouwde Bertus Overweg en Bertha Frankenhuis. Hier begon hij een tandartspraktijk, hier zouden zij samen een gezin stichten. Waarom hun keuze op Dordrecht was gevallen, is onbekend. Bertus Overweg stamde uit Assen, zijn echtgenote uit Haaksbergen. Dordrecht ligt dan niet direct in je gezichtsveld. Familie woonde er niet. Misschien was de reden een simpele: in Dordrecht deed zich de gunstige gelegenheid voor tandheelkunde te bedrijven.
         Bertus Overweg was in 1903 geboren, als laatste van de vier kinderen van Nathan Overweg en Sara Lievenboom. Dit orthodox joodse gezin woonde in Assen naast de synagoge, in de Groningerstraat. Vader Nathan, die volgens kleinkind Margaret “een grote joodse eruditie bezat”, dreef samen met zijn vrouw Sara een manufacturenzaak, waarvan hij maar krap kon rondkomen. Hij ging vaak de boer op met stalen stof waar de boeren pakken van lieten maken, zij stond in de winkel.
         Bertus kon als enige gaan studeren, met hulp van moeder Sara’s familie. Hij deed dit in Utrecht, samen met zijn jeugdvriend uit Almelo, J.A. (Joop) Smit. Bertus haalde zijn tandartsenbul in november 1927, en was paranimf toen Smit promoveerde tot oogarts.






woning van het echtpaar aan de Oranjelaan 55 (nu 89)

De woning van het echtpaar aan
de Oranjelaan 55 (nu 89).
Foto Redactie Website

Fabriek
Bertha Frankenhuis groeide op in een ander, zij het even joods milieu. Zij, dochter van Heiman Frankhuis en Esther Löwenstein, werd geboren in 1904. Haar vader had een fabriek in katoenafval en was redelijk vermogend. “Bertha was een knappe vrouw”, schetst dochter Margaret. “Ze was zeer creatief, een talentvol schilderes, bedreven in handwerken en ze kon lekker koken. Bovendien had zij een groot inlevingsvermogen in anderen en een wijs oordeel.”
         Met deze vrouw trouwde Bertus Overweg op 20 november 1930. Het jonggehuwde stel trok meteen naar Dordrecht. Daar troffen ze vanaf maart 1934 Bertus’ studievriend Joop Smit, die aan het Vrieseplein een oogartspraktijk begon, wellicht daartoe op ’t idee van Dordrecht gebracht door Bertus. Ze werden trouwe huisvrienden en zouden dat tot ver in de vorige eeuw blijven.
         Bertus en Bertha gingen wonen aan de Oranjelaan 55 (nu: 89). Zijn tandartspraktijk bevond zich in de binnenstad, aan de Voorstraat 271 rood. Ze settelden zich en kregen kinderen: Nollus Heiman op 18 januari 1935, Emma Sarah twee jaar later, op 29 oktober 1937. In Duitsland roerden nazi’s zich al agressief en haatdragend, maar in Dordrecht waren nog geen voortekenen te zien.

Bertus en Bertha Overweg met Nollus en de pas geboren Emma, 1937

Bertus en Bertha Overweg met Nollus
en de pas geboren Emma, in 1937.
Foto Familiebezit

Apart
De oorlog dendert Nederland binnen; langzaam maar zeker begint de jodenvervolging zich af te tekenen. De beklemming neemt toe. Het gezin Overweg voorvoelde grote narigheid en duikt in de loop van 1942 onder in Den Haag.
         Aanvankelijk slagen Bertus en Bertha er nog in bij hun kinderen te blijven, al was dat ultrakort: één week. Uit processen-verbaal van na de oorlog is te reconstrueren dat Nollus en Emma op 1 augustus samen met hun ouders werden ‘opgenomen’ door Catharina (To) Ras-Visser (1901) en exporteur Willem Antonius (Wim) Ras (1905), een kinderloos echtpaar dat in Voorburg woonde, aan het Westeinde 16.
         Maar vanaf 8 augustus, een week later dus, vertrokken Bertus en Bertha naar een ander adres, in Den Haag, naar de Laan van Meerdervoort 649. Daar woonde inmiddels Willem Bernard Günther en zijn vrouw Suus, ook een kinderloos echtpaar, dat van oorsprong uit Dordrecht kwam. Günther was er president-commissaris geweest van de NV Optische en Medische Instrumentenhandel aan de Groenmarkt 50 (nu: 68). Van deze firma bestaat in het stadsarchief een foto, die ook nog pontificaal te prijken staat in de huidige brillenwinkel Günther, tegenwoordig gevestigd aan de Reeweg-Oost.
         Bertus en Bertha zouden tot juni 1945, zo vermeldt het proces-verbaal, ondergedoken blijven bij oud-plaatsgenoot Günther – en wisten zo in leven te blijven. Hun kinderen daarentegen verhuisden. In februari 1943, een halfjaar later, reisden zij samen met hun onderduikouders, Wim en To, naar Ede. Eerst verbleven ze daar nog in het pand Zonneoordlaan 55, bij de familie Franken. In juni 1943 kwam Zonneoordlaan 53 leeg en namen Wim, To, en de kinderen Overweg daar hun intrek – en werd die onbezorgde foto gemaakt, met tussen hen in de hond van de achterburen.
         Deze gegevens zijn ontleend aan twee processen-verbaal. Het ene dateert van 24 september 1945 en betreft Catharina en Wim Ras, het andere van 12 juni 1946 en handelt over W.B.A.Günther. Het zijn feitelijk verhoorverslagen, opgesteld door de Politieke Recherche Afdeeling, en bedoeld om een rechtszaak op te bouwen. En het is Jan Kijlstra geweest die deze officiële documenten heeft opgesnord, geholpen door mede-onderzoekers Herman van de Kaa en Roel van Amerongen. Kijlstra, inwoner van Ede, onderzoekt de geschiedenis van joodse plaatsgenoten in de jaren 1940-1945, vandaar. Hij heeft de processen-verbaal ter inzage gegeven aan de redactie van deze website.

ansichtkaart, van Bertus, zijn vrouw en zijn twee kinderen

Deze ansichtkaart, van hemzelf, zijn vrouw en
zijn twee kinderen Frank en Margaret, gaf tandarts Overweg
in 1949 aan zijn studievriend Joop Smit.
Foto Privébezit Smit-Koot

Verraden
Een proces was nodig, omdat Nollus en Emma zijn verraden. Hun verblijfplaats in Ede kwam ter kennis van politie-luitenant en SD’er Abraham Kipp, volgens Margaret Overweg “de enige NSB-agent bij de Edese politie en een berucht jager op joodse onderduikers”. Het verraad is de kinderen fataal geworden: ze werden gearresteerd, gedeporteerd en via Westerbork en Theresienstadt vervolgens ongenadig vernietigd – in Auschwitz, allebei op 25 oktober 1944, buiten medeweten van hun ouders.
         Vrijdag 7 januari is de dag dat het bestaan van Nollus en Emma kantelde. Eerder die dag was mevrouw Miep de Man uit Dordrecht komen logeren in Ede. Zij, echtgenote van Izaak de Man, was de tussenpersoon tussen de echte ouders van Nollus en Emma, en Wim en To Ras, de onderduikouders. Zij woonde in Dordrecht in de Prinsenstraat 33; ze kwam blijkbaar eens kijken hoe de kinderen het maakten.
         ’s Middags stonden eensklaps twee agenten voor de deur, Kipp en diens collega Vonk. Kipp vroeg de aanwezige To (Wim was op reis) om persoonsbewijs en trouwboekje. To en Wim leefden in Ede onder de naam Vreugdenhil, maar hun persoonsbewijzen en distributiebescheiden stonden op hun eigen namen. Zij overhandigde het persoonsbewijs, en dat was vervalst, besliste Kipp. Het trouwboekje kon ze niet tonen, dat was achtergebleven in Voorburg.
         Hij vroeg hierna om de levensmiddelenkaarten van man, vrouw en kinderen. To kon alleen die van haar en haar man geven. Van de kinderen waren er geen; die had haar man bij zich, zei ze. Kipp en Vonk bleven toen op Wim Ras wachten. Die kwam de volgende dag pas, om 15 uur. Kipp was intussen even weggeweest om telefonisch inlichtingen in te winnen in Den Haag. Terugkomend verhoorde hij Wim Ras en deelde ineens mee dat de kinderen Overweg heetten “en van Joodse afkomst waren”.
         Na dit verhoor arriveerde Izaak de Man in Ede, ook hij werd ondervraagd. Kipp had niets aan De Man. Izaak, zo vertelden Wim en To in het proces-verbaal, “wist zelfs niet dat zijn echtgenote tussenpersoon was”. Kipp verliet het huis aan de Zonneoordlaan, en nam Izaak en Miep de Man mee naar het politiebureau. Vandaar stuurde hij een auto, om de kinderen Overweg en Wim en To Ras op te halen.
         Al deze arrestanten werden ’s avonds overgebracht naar het Huis van Bewaring in Arnhem, en op maandag 10 januari naar Huize Windekind aan de Parkweg in Scheveningen, waar was gevestigd “een Duitse instantie voor behandeling van Joden-kwesties”. Kipp werd er “met gejuich ontvangen”, aldus het proces-verbaal. Een aanwezige Nederlander zei: “Ha, heb je er weer een stel?” Diezelfde dag, ’s avonds, werd iedereen geboeid getransporteerd naar de strafgevangenis in Scheveningen.

Bertus en Bertha met Wim en Suus Günther,

Bertus en Bertha met Wim en Suus Günther,
het kinderloze echtpaar bij wie zij onderdoken.
De foto is vermoedelijk in 1946 gemaakt.
Foto Familiebezit

Lief
Hoe liep dit af?
         Nollus en Emma zijn op 17 januari weggevoerd naar doorvoerkamp Westerbork, vervolgens in april 1944 naar Theresienstadt. Margaret: “Er zijn verhalen hoe lief en zorgzaam ze daar waren voor elkaar, maar ook voor andere kinderen.” In oktober belandden zij in Auschwitz. Het proces-verbaal: “Zij zijn vandaar niet meer teruggekeerd.”
         De anderen, Wim en To Ras en Izaak en Miep de Man, zijn op 20 januari nog eens verhoord, “door de Duitser Neev, wonende te Bochum”, en daarna in vrijheid gesteld – op voorwaarde dat zij tweeduizend gulden ter beschikking zouden stellen van het Duitse Rode Kruis, wat zij ook deden. Miep en Izaak keerden terug naar Dordrecht, To en Wim verhuisden in 1946 terug naar Voorburg.
         Wie heeft de kinderen Overweg nu eigenlijk verraden?
         Günther verklaarde na de oorlog: “Het is mij niet bekend.” Maar, zei hij ook: “Ik wijt de dood van die kinderen aan Kipp voornoemd. Indien hij die kinderen niet had gearresteerd, waren zij hoogstwaarschijnlijk nog in leven geweest.”
         Wim Ras en zijn vrouw Catharina vertelden de rechercheurs dat zij de familie Franken (bij wie de oorspronkelijk inwoonden op nummer 53) “omstreeks april hebben ingelicht over de kinderen van Overweg”. De familie Franken verliet nr. 53 later die maand, omdat de familie Visser uit Rotterdam voor de deur stond: het pand was eigendom van de familie Visser. Maar deze familie “hebben wij nooit over de kinderen ingelicht”, verklaarden Wim en To Ras. “Wij hebben niemand ooit over de afkomst van de kinderen iets verteld.”
         Voor Margaret Overweg is de kwestie echter eenvoudig. In een overzicht met familiegegevens dat zij samen met haar broer Frank voor dit verhaal samenstelde, schrijft ze kortweg: Kipp was de verrader. “Het noodlot wilde dat Kipp met vrouw en twee jonge kinderen in dezelfde straat woonde, op Zonneoordlaan 59...”
         Tegen Kipp, die na de oorlog naar Argentinië vluchtte, is ook daadwerkelijk een proces aangespannen, en hij is bij verstek ter dood veroordeeld. Margaret: “Maar hij is nooit gevonden, en inmiddels overleden. Twee journalisten van het Haarlems Dagblad spoorden hem op in de jaren tachtig, maar hij kreeg er weet van en verdween weer.”

Bertha en Bertus op Curaçao, in 1955, met Margaret en Frank

Bertha en Bertus (tweede en derde van links) met vrienden
op het strand van Curaçao, in 1955.
Rechtsonder hun na-oorlogse kinderen Margaret en Frank.
Foto Familiebezit

Ontredderd
Peilloos was het verdriet van Bertus Overweg en Bertha. Pas na de bevrijding kregen zij van professor Eduard Maurits Meijers te horen wat hun kinderen was overkomen. Meijers had Theresienstadt overleefd en was op 25 juni 1945 teruggekeerd in zijn woonplaats Leiden. Hij vertelde het echtpaar Overweg dat Nollus en Emma na Theresienstadt in Auschwitz terecht waren gekomen, en dat er “geen hoop op terugkeer meer was”.
        Alsof dit al niet pijnlijk genoeg was, kwam, ook na de oorlog, nog de mededeling dat ook de ouders van Bertus, Nathan en Sara, in Auschwitz waren vermoord, én zijn zuén zijn broer Leo – zes dode dierbaren, een deprimerende rij. Eén broer had Bertus nu nog, Ies, maar deze verdronk in 1946, toen hij met zijn gezin aan zee was.
        Zodra “het verschrikkelijke nieuws over de dood van hun twee lievelingen” tot hun doordrong, verlieten zij tijdelijk Nederland, gebroken en ontredderd. Ze waren nog wel even teruggekeerd naar Dordrecht, getuige de woonkaarten in het stadsarchief. Op 25 mei 1945 waren Bertus en Bertha gaan wonen op de Prinsenstraat 33, en op 9 januari 1946 trokken ze door naar de Singel 229 (nu: 351), een huis dat ze volgens de administratie tot 3 oktober 1946 aanhielden.
        Maar ze wilden weg, het leed ontlopen. Ze trokken naar Engeland. Daar bezochten ze de ouders, broer, schoonzuster en zuster van Bertha: de familie Frankhuis was in 1939 uit Enschede vertrokken naar Southport, om er in Oldham een nieuwe fabriek in katoenafval op te zetten. En in dat Southport, in het huis van haar oom Salo Frankenhuis en haar tante Trudy Menco, is Margaret geboren, op 2 juli 1946.
        Kennelijk wilden haar ouders, die toen 42 jaar oud waren, proberen een nieuw gezin te stichten, een nieuw bestaan op te bouwen. Terug in Nederland ging het echtpaar in Den Haag wonen, aan de Wildhoeflaan 38. Daar zette Bertus een nieuwe tandartspraktijk op. Twee jaar later, op 10 januari 1948, werd een tweede kind geboren, Herman Frank.
        Dordrecht was nu voorgoed voorbij, al zouden de Overwegs altijd innig contact blijven houden met Bertus’ jeugdvriend Smit. Na het overlijden van zijn vrouw Dien, trouwde Joop Smit in 1968 met Hannie Koot (Utrecht, 1924), en deze, in de negentig intussen, leerde toen de Overwegs goed kennen, tijdens bezoeken over en weer.

Familie Overweg op Curaçao

Tandarts Overweg (links) geeft op Curaçao kinderen
voorlichting over hoe zij hun tanden dienen te poetsen.
Foto Familiebezit

Op deze twee foto's, gemaakt voor hun huis op Curaçao, staan Bertus en Bertha beide keren met
hun zoontje Frank.
Foto Privébezit Smit-Koot

Geelzucht
De oorlog is Bertus en Bertha altijd blijven kwellen. Toen in 1950 bijvoorbeeld een volgende wereldoorlog dreigde als gevolg van de Korea-crisis, besloot Bertus Overweg uit voorzorg te emigreren. Het werd Curaçao, waar hij zijn tandartsdiploma niet opnieuw hoefde te halen, omdat het een Nederlands gebiedsdeel was. Het gezin bleef er tot 1959. Margaret: “Mijn ouders hadden er heerlijke zorgeloze jaren. Zon, strand, vrienden en gezelligheid. Ook waren ze er lid van de bloeiende joodse gemeente, en bezochten ze de prachtige oude synagoge.”
        Moeder Bertha kreeg ernstige geelzucht, waarop het gezin terugkeerde naar Nederland. “Het weerzien bracht heftige emoties teweeg” bij Bertus en Bertha Overweg, meldt Margaret. “Alle doorstane oorlogsellende kwam weer extra bij hen naar boven.”
        Een jaar woonden ze aan de Zeekant in Scheveningen, daarna aan de Gerrit Kasteinweg in Den Haag. Een eigen praktijk wilde Bertus Overweg, die inmiddels hartproblemen had gekregen, niet meer. Hij trad in dienst bij een chronisch zieke collega, van wie hij de praktijk permanent waarnam.

1955 het echtpaar Overweg en hun kinderen

Deze beide foto's dateren van 1955 en tonen het echtpaar Overweg en hun kinderen, 9 en 7 jaar oud.
Foto Familiebezit

        Margaret ging naar het Nederlands Lyceum in Haag; Frank naar de Internationale School Eerde in Ommen.
        Ter afsluiting: Na haar studie Engels trouwde Margaret in 1969 met Louis (Lout) Mogendorff in Arnhem. Zij hebben twee zoons, Daniel (1971) en Gideon (1974), die zelf ook alweer kinderen hebben. Frank, die na een avondopleiding aan de Hogere Textielschool in Enschede kwam te werken in het familiebedrijf Frankenhuis & Zn. in Haaksbergen, trouwde in 1971 met Liberta van den Bergh. Met haar kreeg hij vier kinderen, twee tweelingen: Olivier en Heleen (1973), Pieter en Carsten (1975).
        Bertus en Bertha Overweg verhuisden in 1974 naar een serviceflat in Oosterbeek, om dichter bij hun kinderen te wonen. Ondanks alle schrijnende oorlogsleed wisten zij volgens Margaret “steeds weer een gastvrij en warm huis te creëren”, waar familie en vrienden “zich zeer welkom voelden”. Bertus was “een charmante, vrolijke geïnteresseerde man, die met iedereen goed kon opschieten. Zijn patiënten en vrienden waren dol op hem. Bertha was een lieve, hartelijke gastvrouw, die haar gasten graag verwende”.
        Tandarts Overweg overleed in 1979 aan een hartinfarct, 76 jaar oud. Bertha, die in 1986 verhuisde naar het joods bejaardenhuis Beth Zikna in Arnhem, stierf in 1999, bijna 95 jaar oud. Hun altijd zo voelbare verdriet weekte zich los en verdween.

1960 het echtpaar Overweg en hun kinderen

Het gezin Overweg in 1960, nu weer terug in Nederland.
Foto Familiebezit


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'