Het voorbije joodse dordrecht

Tsjechisch gezin uit Dordrecht
had steeds opnieuw alle geluk

 trouwfoto van Kamil Polacek en Agnes Glas

De trouwfoto van Kamil Polacek en Agnes Glas is gemaakt in Kolin,
de Tsjechische stad waar in januari 1933 hun dochter Kamila wordt geboren.
Foto Familiebezit

Kamil Polacek, zijn vrouw Agnes en hun dochter Kamila, Tsjecho-Slowaakse joden die nog maar kort Dordtenaar waren, hadden in de oorlog alle drie het geluk aan hun zijde.
        Ze bevonden zich al in de Hollandsche Schouwburg, die verzamelplaats voor joden in de Amsterdamse Plantagebuurt. Ze stonden op het punt om, net als duizenden lotgenoten, te worden gedeporteerd naar kamp Westerbork. Dat betekende het begin van het einde, want vanuit dit Drentse oord reden de treinen rechtstreeks naar de gaskamers.
        Maar geluk vergezelde hen. Nog in Amsterdam wisten Kamil, Agnes en Kamila aan de dreigende deportatie te ontkomen, en vervolgens met succes onder te duiken – Kamila in Santpoort, haar ouders in Utrecht.
        Ze redden het, ze kwamen ongekwetst de oorlog door. En toen keerden ze welgemoed terug naar Dordrecht, de stad waaruit ze vijf jaar eerder waren verdreven. Ze begonnen opnieuw.
        Wat voerde de Polaceks überhaupt naar het verre Dordrecht? Wat was er dan gebeurd in hun thuisland? En aan wie hebben zij het te danken dat zij in de oorlogsjaren, al is het dan weggedoken in de onderduik, in leven bleven? In dit verhaal: de lotgevallen van de familie Polacek.

De vader van Kamil, Salomon Polacek, is vermoord in Theresienstadt, op 4 mei 1943. Salomon’s vrouw Camilla was al in 1902 overleden.

De vader van Kamil, Salomon Polacek, is vermoord in Theresienstadt, op 4 mei 1943,
zoals deze mededeling op een Tsjechische Holocaust-site laat zien.
Salomon’s vrouw Camilla was al in 1902 overleden, in het kraambed, bij de geboorte van zoon Kamil.
Foto’s de websites holocaust.cz en geni.com

Schrijfwijze
De familienaam komt in allerhande archieven niet eenduidig voor. De spelling varieerde nogal verwarrend: van Polá?ek, Pollatschek en Polacik naar Polack, Polachek en Polaczek. Voor dit artikel is de schrijfwijze aangehouden die in de documentatie het meest gangbaar is gebleken: Polacek. Onder die achternaam is het gezin ook ingeschreven in de burgerlijke-standsregisters van Dordrecht.
        Kamil Polacek is geboren op 29 oktober 1902. Zoveel is zeker. Zijn vader heet Salomon Polacek: de zoon noteerde het zelf, op 8.8.1956, op een formulier van Yad Vashem, het Israëlische Holocaust-onderzoekscentrum. Al vulde hij het verkeerde geboortejaar van koopman Salomon (‘Sally’) in: het is niet 1876, maar 10 oktober 1873, in Kolin, in Bohemia.
        Kamil’s moeder heet Camilla Kraus (1878). Zij overleed op 29 oktober 1902. Dat is dezelfde datum als waarop Kamil ter wereld kwam. Zijn moeder is dus in het kraambed overleden, op 24-jarige leeftijd. Dat gebeurde in Pilsen (Plzen), een stad in het westen van Tsjechië die de bakermat en naamgever is van de pils. Op de genealogische website Geni staat de overlijdensadvertentie voor haar. “Um stilles Beileid wird gebeten”, verzoeken de zwagers en zwagerinnen.
        Over Agnes Glas, de latere echtgenote van Kamil, is nog minder archiefmateriaal voorhanden. Haar geboortejaar en geboortestad zijn gevonden op een gezinskaart in het Regionaal Archief Dordrecht (RAD): 4 oktober 1907 in Svitavy, een stad in de Tsjechische regio Parbucice, die in het Duits Zwittau wordt genoemd. Agnes, van wie de voornaam op de kaart is opgeschreven als Anezka, studeerde in Brunn op de Hogere Commerciële School en werkte als secretaresse in Praag.
        Haar ouders zijn Eduard en Klara Glas. Zij runden in Zwittau een grote onderneming in voedsel, dat ze met vrachtwagens overal vandaan importeerden.

dr. Kamil Polacek werkte bij de Stikstoffabriek aan de Kilkade

Totdat zijn gezin werd verdreven uit Dordrecht, werkte dr. Kamil Polacek bij de Stikstoffabriek aan de Kilkade.
Dit is een luchtfoto van de fabriek uit 1935.
Foto Beeldbank RAD (nr. 552_315653)


Kamil Polacek op een kermis in Dordrecht, misschien uit 1940

Deze foto is volgens Kamila Polacek gemaakt op een kermis in Dordrecht, misschien uit 1940, veronderstelt zij.
De man met de luchtbuks is haar vader Kamil.
Foto Familiebezit

Afgestudeerd
Begin jaren dertig treedt Kamil in het huwelijk met Agnes. Hij is inmiddels doctor en scheikundig ingenieur, hij studeerde chemie in Praag en Dresden. Op 13 januari 1933 wordt hun dochter Kamila geboren, in Kolin, de stad waar haar familie al sinds de 16de eeuw woont. Bij Kamila blijft het ook; er volgen niet nog meer kinderen.
        In 1938, kort na de zogenoemde Anschluss, de annexatie van Oostenrijk op 13 maart, wordt Tsjecho-Slowakije het volgende doelwit van Hitler. Voor het echtpaar Polacek is dit het sein om te vluchten. De ongebreidelde jodenhaat van de nazi’s is vreeswekkend.
        De ouders van Agnes verlaten Zwittau en trekken in bij hun dochter. Later worden alle joden van Kolin bijeengevoegd en naar Theresienstadt gedeporteerd. Aan het eind van de oorlog werden ze vermoord in Auschwitz.
        Agnes, Kamil en Kamila slaan ruim voor die tijd op de vlucht. Ze besluiten om naar Dordrecht te gaan. Volgens achtergrondgegevens op de website van Yad Vashem had dr. ir. Kamil Polacek “professional contacts” in Dordrecht, een zakenrelatie die hem nu van pas kwam. Hij kreeg een baan aangeboden bij de Stikstoffabriek aan de Kilkade, vlakbij de Wilhelminahaven. Voluit heette dit bedrijf NV Stikstofverbindingsindustrie Nederland, voor de chemisch ingenieur die Polacek was, was dit een uiterst geschikte werkgever.
        Volgens Kamila Spiro-Polacek, de in Israël opgespoorde dochter van Agnes en Kamil, had haar vader meerdere sollicitaties verstuurd, naar de VS, Engeland, Palestina en Nederland. “Hij koos uiteindelijk voor Nederland, omdat hij er zeker van was dat dit neutraal zou blijven, net als in de Eerste Wereldoorlog.”

Knipsels uit de Dordrechtsche Courant getuigen van de verhuizingen

Op 29 maart 1939 betreedt het gezin Polacek, op de vlucht voor de nazi’s, Dordrecht. Het logeert eerst in Hotel Bellevue aan de Boomstraat en verhuist daarna naar de Singel 146 (nu: 214), nog later naar de Levensverzekeringstraat 4 (4). In februari 1941 verlaat het gezin Dordrecht en vestigt zich in Utrecht. Knipsels uit de Dordrechtsche Courant getuigen van de verhuizingen.
Foto’s Regionaal Archief Dordrecht (RAD)

Hotel
Volgens de RAD-documentatie betraden Kamil, zijn vrouw en kind Dordrecht op 29 maart 1939, komend uit Kolin. Zij verbleven eerst in de Boomstraat op nummer 27, het adres van Hotel Bellevue. Het gezin woonde dus na aankomst tijdelijk in een hotelkamer. Twee weken later vonden ze een eigen woning, zij het weer voor even, een pand dat ze betrokken op 13.4.1939. De Dordrechtsche Courant (DC) van 14 april 1939 meldde dat “K. Polacek en gezin, chemiker” is neergestreken op de Singel, op nummer 146 (nu: 214).
        Drie weken later, op 4 mei, trekt het gezin opnieuw verder, nu naar de Levensverzekeringstraat 4. Deze straat heet tegenwoordig Rozenhof; de nummering is ongewijzigd gebleven. Curieus is dat de Polaceks alle drie bij de ambtenaar van de burgerlijke stand als hun geloof opgeven dat zij ‘Ev’ zijn, evangelisch.
        Was dit uit angst, uit voorzorg gebeurd? Kamila, toelichtend in een e-mail: “Ja, mijn vader had ons in Tsjechië laten dopen. Hij had in 1993 Mein Kampf gelezen; hij wist dat de Duitsers de joden zouden vervolgen. Alleen niet dat zij de joden zouden gaan vermoorden!”
        En dan breekt in Nederland toch de oorlog uit. Kamila: “De grote problemen begonnen. Om emotionele redenen ben ik niet in staat om daar op in te gaan.”
        Opnieuw krijgen de Polaceks indringend te maken met op joden jagende Duitsers. Gaandeweg leggen zij de joden steeds meer beperkingen op. Ze worden toenemend buitengesloten, hun eigenheid wordt ze afgepakt. Zo’n eerste verbod dat het gezin treft, is dat buitenlandse joden zich vanaf september 1940 niet meer mogen ophouden in de kuststrook. Die moest gezuiverd worden van niet-Ariërs.
        Dordrecht, zo’n vijftig kilometer van zee gelegen, viel er onder. De zogenoemde Sicherungszone liep ongeveer van Den Helder, via Haarlem, Leiden, Dordrecht en Breda tot de Belgische grens. De Duitsers wilden hier alle soorten buitenlanders weg hebben, Duitse emigranten, net zo goed als Tsjechen, Polen, statenlozen, Fremdenlegionäre, zigeuners, et cetera (meldt dr. B.A. Sijes in zijn boek ‘Vervolging van Zigeuners in Nederland, 1940-1945).

twee woningen waarin de Polaceks in Dordrecht hebben gewoond

Dit zijn, in hedendaagse staat, de twee woningen waarin de Polaceks in Dordrecht hebben gewoond:
Singel 146 (nu: 214) en Levensverzekeringstraat 4 (4).
Foto Redactie Website


Ludwig Bretschneider

In Utrecht komen de Polaceks naast Ludwig en Alijda Bretschneider te wonen. Met hen en hun kinderen zullen de Polaceks een levenslange band houden. De foto toont de hoogleraar Ludwig Bretschneider op latere leeftijd, in 1956.
Foto Universiteit Utrecht

Brieven
De Polaceks voelen zich gedwongen verder het binnenland in te evacueren. In de Dordrechtsche Courant van 6 februari 1941 wordt vermeld dat het gezin de Levensverzekeringstraat heeft verruild voor Utrecht, voor de Van Brakelstraat 25 bis.
        Aan deze ‘migratie’ gaat een interessante, veelzeggende correspondentie vooraf, die is teruggevonden in het RAD, in dossiers van de Dordtse Gemeentepolitie met ingekomen en uitgegane brieven.
        De briefwisseling begint ermee dat directeur E. Ch. Prins van de Stikstoffabriek op 23 september 1940 aan de Rijksvreemdelingendienst in Den Haag vraagt of voor dr. ir. Polacek een uitzondering kan worden gemaakt. Hij is weliswaar uitgewezen uit het kustgebied, en de fabriek heeft voor hem “een voorloopige plaatsing” kunnen verkrijgen op het laboratorium van prof. R.H. Kruyt van de Rijksuniversiteit in Utrecht, maar mag hij svp terugkeren naar Dordt? Want in Utrecht is Polacek “verstoken van alle speciale hulpmiddelen van ons bedryf en ook geregeld contact met zyn werken wordt ten zeerste voor ons bemoeilijkt”.
        De commissaris van de Dordtse politie steunt dit verzoek. Polacek staat “bij mij”, schrijft de commissaris aan de Rijksvreemdelingendienst, “bekend als een rustig en bezadigd man, niet behoeft te worden bevreesd dat hy zich aan eenige ontoelaatbare handeling zal schuldig maken”. Bovendien, voegt hij toe, is Polacek’s deskundigheid nogal van waarde voor de Stikstoffabriek. De firma heeft indertijd, op 15 februari 1939, verzocht hem als vreemdeling in dienst te mogen nemen, omdat hij “speciale ervaring” had met bepaalde stoffen.
        Op 1 oktober vraagt de Haagse dienst de Dordtse commissaris om nog één gegeven: is Polacek van arische afkomst? De commissaris moet het navragen bij de Hoofdcommissaris van Politie in Utrecht, en die antwoordt op 5 oktober: “Nee, hij is niet-arisch” (met andere woorden: joods). De commissaris geeft dit de 9de door aan de Rijksvreemdelingendienst, die daarop beslist dat Polacek “niet kan worden toegestaan” het kustgebied “te betreden of zich daarin op te houden”.
        Hij moet in Utrecht, waar hij al zolang woonde, blijven. Zijn werkgever, de Stikstoffabriek, mag hij niet meer bezoeken. Het is na deze afwijzing dat Polacek kennelijk besluit nu ook zijn gezin te laten overkomen, in februari 1941.

Kamila ging in Utrecht naar de joodse school in het Ondiep

Kamila ging in Utrecht naar de joodse school in het Ondiep, totdat zij moest onderduiken.
Zij staat op deze klassefoto: achteraan, als derde meisje van links. Ze steekt er een beetje bovenuit.
Iedereen kende Kamila toen, en daarvoor ook in Dordrecht, als Iluska.
Foto United States Holocaust Memorial Museum

Feitenrelaas
Van nu af zou dit verhaal moeten stokken. Het vertrek van de Polaceks uit Dordrecht is hun laatste openbare feit. Maar dankzij Yad Vashem kunnen hun verdere bewegingen worden gereconstrueerd. Nog weer later wordt in Israël Kamila gevonden, die zich alleszins bereid toont per e-mail ontbrekende gegevens toe te sturen, plus een serie familiefoto’s. Ze ondertekent haar e-mails met ‘Iluska’, naar Slavisch gebruik. Het heeft te maken met het ‘ila’ in haar naam.
        Yad Vashem heeft de twee families die de Polaceks tijdens hun onderduikjaren hebben geholpen, geëerd. En over hun inzet is op de website een toelichtend feitenrelaas te lezen, dat de hele heimelijke periode van onderduiken beschrijft.
        Wat gebeurde er? In Utrecht werden de Polaceks de buren van Ludwig en Alijda Bretschneider. Dr. Ludwig Herman Bretschneider was een Oostenrijker, geboren op 16 juni 1899 in Wenen. Hij studeerde er af in de biologie en zoölogie, emigreerde in 1924 naar Nederland, dat hem in 1933 het Nederlands onderdaanschap verleende. Alijda Röhrman was een bibliothecaresse, in Utrecht geboren in 1917. Zij trouwde op 6 oktober 1937 met Ludwig, hij al 38, zij pas 20.
        Volgens het relaas van Yad Vashem kreeg Agnes in de zomer 1942, toen de deportaties naar de vernietigingskampen op gang kwamen, de oproep zich te melden, voor werk in Oost-Europa. Haar man kreeg een Sperre, een vrijstelling van deportatie.
        Er waren, zo legt Joods Monument uit op haar website, “vele redenen” om voor zo’n Sperre in aanmerking te komen. Onmisbaar voor de oorlogsindustrie, bijvoorbeeld, werkzaam bij de Joodsche Raad of in het bezit van een paspoort van een ‘bevriende’ staat. In oktober 1942 dachten 17.000 joden “goede papieren te bezitten’. Maar de vrijstellingen waren altijd bis auf weiteres, slechts van tijdelijke aard. Ze waren uitstel van executie.

De Hollandse Schouwburg en de crèche aan de overkant van de schouwburg

Kamil, zijn vrouw en zijn dochter zaten al in de Hollandse Schouwburg, op weg naar kamp Westerbork, toen zij net op tijd werd vrijgelaten, na tussenkomst van directeur Prins van de Stikstoffabriek. Kamila, ondergebracht in de de crèche aan de overkant van de schouwburg, ontsnapte via de tuin van de Hollandse Kweekschool.
Foto’s Redactie Website


Een plaquette op de muur van de schouwburg herinnert aan de honderden joodse kinderen die zo zijn gered

Een plaquette op de muur van de schouwburg herinnert aan de honderden joodse kinderen die zo zijn gered.
Foto’s Redactie Website

Moedig
Kamil ging proberen zijn Agnes te redden. Treinen waren inmiddels verboden voor de joden, maar hij zette niettemin door. Hij verstopte de verplichte gele ster achter zijn tas en meldde zich bij de Gestapo in Amsterdam. En hij kreeg haar vrij. Zijn dochter Kamila is er anno 2016 nog trots op. “Mijn vader werd weliswaar gedreven door wanhoop, maar was ook moedig. Een bijzonder mens.”
        In 1943 werd het gezin alsnog gearresteerd. Na een nacht in een Utrechtse cel worden Kamil, Agnes en Kamila de volgende ochtend overgebracht naar de Hollandsche Schouwburg aan de Plantage Middenlaan, een theater dat fungeerde als verzamel- en distributiecentrum voor joden. Kamila was inmiddels tien jaar. Zij werd gescheiden van haar ouders en naar de overkant van de straat gebracht, naar de crèche die een dependance was van de schouwburg. Hier moesten kinderen tot twaalf jaar hun deportatie naar kamp Westerbork afwachten.
        De crèche werd voor duizenden joodse kinderen hun eerste gevangenis, soms voor een dag of twee, soms voor weken, op weg naar de ondergang”, zoals het tijdschrift Ons Amsterdam schetste in de uitgave van mei 2015. “Maar voor vijfhonderd kinderen werd het de vluchtroute naar de vrijheid”: verzorgsters smokkelden de kinderen via de tuin van de minder zwaar bewaakte crèche naar de tuin van de buren, de Hervormde Kweekschool.

Na de oorlog keerden de Polaceks terug naar Dordrecht neer de Bagijnhof 44

Na de oorlog keerden de Polaceks terug naar Dordrecht. Nu werd Bagijnhof 44 (nu: 48) hun woonadres. Deze foto toont het pand in oude staat. De Polaceks woonde bovenin, boven de brillenzaak van Groeneveld. Kamila kijkt links uit het raam, naast haar zit een nicht, rechts is haar moeder Agnes te zien. De andere foto toont het pand in huidige tijd, het is totaal veranderd.
Foto Familiebezit.


In oktober 1948 verhuisde het gezin naar de Singel nummer 19, vlakbij de molen

In oktober 1948 verhuisde het gezin naar de Singel,
nummer 19 (nu 25), vlakbij de molen.
Foto Redactie Website

Tuin
Eén van hen was Kamila, die overigens “volkomen verluisd” was. Ook zij kon na een maand worden weggetoverd, met medeweten van haar ouders.
        Dat zij weggesmokkeld is, gelooft ze meteen. Maar ze voegt uit eigen herinnering toe: “Ik herinner mij dat ze me in de crèche vertelden, dat er gewandeld werd onder opzicht van Duitse soldaten, die beziggehouden werden met de mooiste verpleegsters, joodse natuurlijk. En dan pakten de ondergrondse studenten intussen een paar kinderen.”
        Volgens Yad Vashem had Kamil zijn Sperre teruggekregen, en leidde dát ertoe dat hij en zijn vrouw werden vrijgelaten. Ook dit nuanceert Kamila: “Meneer Prins, de directeur van de Stikstoffabriek, ging persoonlijk naar de Gestapo om mijn vader, mijn moeder en mij uit de schouwburg te halen. Hij kreeg ons eruit (Kamila werd uit de crèche losgepeuterd, red.) en redde zo onze levens: wij waren al op weg naar de concentratiekampen.”
        De Polaceks doken vervolgens direct onder. “Daar had de heer Prins veel problemen mee”, vertelt Kamila. “En het allerdroevigst is dat hij en zijn vrouw, de oprichtster van de Montessori-lagere school aan het Kromhout in Dordrecht, twee zonen hadden, studenten in Amsterdam, die voor de ondergrondse werkten. De Gestapo heeft hun, als represaille voor het in de gracht gooien van een Duitse soldaat, doodgeschoten en hun lijken lange tijd laten liggen. Sindsdien was de familie kapot.”
        Kamila kwam terecht bij Simon van Kregten en zijn vrouw Magdalena de Vries in Santpoort. Magdalena, ook wel Leneke genoemd, was volgens Yad Vashem secretaresse van Kamil geweest. En nog voordat Kamil en zijn gezin naar Utrecht vertrokken, hadden Simon en Leneke hem toegezegd zo nodig voor Kamila te zorgen. Die belofte kwamen ze nu na. Leneke haalde Kamila op. Kamila kreeg vervalste papieren, met daarop de naam van een meisje dat recentelijk was overleden: Loesje Moll.
        In Zandvoort verliep het schuilen voor Kamilla probleemloos. Alle dagen bleef zij binnen, behalve op zondag. Dan vergezelde ze Leneke en Simon naar de dienst in de Hervormde Kerk. Als mensen het echtpaar vragen stelden, zei het dat Loesje aan tuberculosis leed, en daarom zoveel tijd thuis moest doorbrengen.
        Vader en moeder Polacek benaderden na hun vrijlating hun buren in Utrecht, de Bretschneiders, en vroegen om hulp. Die kregen ze: ze mochten bij hen onderduiken.
        Ludwig en Alijda waren overdag niet thuis. Volgens Yad Vashem was Ludwig werkzaam op de Universiteit van Utrecht, Alijda ging naar de bibliotheek. Ze hadden geen kinderen, ieder geluid in huis was dus verdacht. Kamil en zijn vrouw konden niet de wc doortrekken, en moesten hun schoenen uitlaten. Ze mochten ook niet in de buurt van de ramen komen, buren zouden hen anders kunnen herkennen. Als overdag toch een geluid klonk, en de buren maakten er een opmerking over, zeiden Ludwig en Alijda dat hun katten misschien iets hadden omgestoten.
        ’s Avonds was de sfeer wat losser. De Bretschneiders waren thuis en de onderduikers voegden zich bij hen. “Er ontstond vriendschap”, schrijft Yad Vashem.

het echtpaar Polacek (links) voor hun huis in Kfar Smarjahu met een vriendin

Moeder Agnes en dochter Kamile emigreerden in 1949 alvast naar Israel, in 1951 volgde vader Kamil. Deze foto toont het echtpaar Polacek (links) voor hun huis in Kfar Smarjahu met een vriendin.
Foto Familiebezit

Baby
In september 1944 is Maastricht al bevrijd door de geallieerden. De Duitsers evacueren nog meer Santpoorters, uit angst voor een invasie. De tram rijdt niet meer, de elektriciteit is afgesloten. Simon en de zojuist bevallen Leneke van Kregten moeten ook weg. Ze trekken in, samen met Kamila en de baby, bij Simon’s ouders in Den Haag. Kort daarna krijgt Simon de oproep zich te melden voor de Arbeitseinsatz. Hij weigert en duikt in plaats daarvan nu zelf ook onder, in een kelder in Santpoort, waar hij tot aan het einde van de oorlog blijft.
        Kamila kan niet meer in Den Haag blijven, en wordt verenigd met haar ouders in Utrecht. “Ik begon bij de Van Kregtens in Santpoort”, licht Kamila toe. “Daarna kwamen er nog drie andere families − verstopplaatsen die werden verzorgd door de Utrechtse groep van de ondergrondse. Uiteindelijk was er geen plaats meer voor mij en kwam ik ook bij de Bretschneiders.”
        Elf jaar is het meisje inmiddels, en ze vindt het buitengewoon lastig om zich de ganse dag muisstil te houden. Op een dag vallen de Duitsers de woning binnen. Kamila Polacek doet zich voor als de dochter van de Bretschneiders. De soldaten geloven haar, volgens Yad Vashem mogelijk doordat zij vloeiend Duits spreekt.
        De hongerwinter van 1944-1945 vergt het uiterste van de Bretschneiders. Er was een groot gebrek aan voedsel. Toch lieten zij de Polaceks in huis. In de laatste maanden van de bezetting werd Utrecht frequent gebombardeerd, maar niemand van de Polaceks raakte gewond. Ze bleven geluk hebben.
        Dochter Kamila: “Mijn vader was, zelfs tijdens de onderduik, vrijwilliger voor het verzet. Hij was een bekwame grafoloog. Hij vervalste Duitse en Nederlandse nazi-documenten, handschriften en officiële stempels.”
        Gedrieën wisten zij het uit- en vol te houden tot en met de bevrijding. Nu konden ze veilig tevoorschijn komen, nu konden ze hun levens weer naar eigen goeddunken inrichten. Het bezettingsleed althans was geleden.

In 1974 herbezochten Agnes en Kamila hun Dordtse woning aan de Levensverzekeringstraat

In 1951 trouwde Kamila met Joseph Spiro. Dit is de trouwfoto.
Foto Familiebezit


In 1951 trouwde Kamila met Joseph Spiro

In 1974 herbezochten Agnes en Kamila hun Dordtse woning aan de Levensverzekeringstraat, die is hernoemd tot Rozenhof. De foto is gemaakt door Kamila’s echtgenoot Joseph Spiro.
Foto Familiebezit

Terug
De Polaceks doken weer op in Dordrecht, vermoedelijk domweg omdat Kamil weer bij de Stikstoffabriek kon komen werken. Op 13 augustus 1945 werd het gezin ingeschreven, met Bagijnhof 44 (beneden en boven, nu 48) als nieuw woonadres. In dit winkelpand, onherkenbaar veranderd door verbouwingen, bleven zij tot 1 oktober 1948. Die datum verhuisden de Polaceks naar de Singel, naar het achterste deel vlakbij de Noordendijk, niet ver van de molen ‘Kijck over den Dijck’. Ze vestigden zich op nummer 19 rood (nu: 25).
        Agnes zonk weg in een diepe depressie, die ontstond zodra ze hoorde dat “haar hele familie was vermoord”, aldus Yad Vashem. De Holocaust trof ook Kamil: zijn vader Salomon bleek met Transport R nr. 562 op 18 januari 1942 van Pilsen naar Theresienstadt te zijn vervoerd, en op 4 mei 1943 te zijn vernietigd, in datzelfde kamp.
        Hoewel Kamila deel ging uitmaken van de directie van de Stikstoffabriek, bleven hij en zijn echtgenote niet in Nederland. Volgens de gemeentelijke woningkaarten emigreerden Agnes en Kamila in 1949 alvast naar Israël, naar Tel Aviv. “Mijn moeder”, zegt Kamila, “was geestelijk gebroken. Bijna al haar familieleden waren vermoord, ze kon Europa niet meer verdragen.”
        Kamila was pas 16 jaar, door de emigratie eindigde haar schooltijd voortijdig. “Ik ben met mijn moeder meegegaan naar Israël, omdat ik wist dat zij het alleen niet aankon in een nieuw land met een andere taal.” Haar vader volgde in 9 oktober 1951, hoewel hem een professoraat in Wageningen was aangeboden. In Israel kreeg hij meteen “een goede baan” bij het ministerie voor Gewasbescherming.
        In datzelfde jaar trouwde Kamila met Joseph Spiro, een douanebeambte uit Tel Aviv van Poolse oorsprong. Hij was geboren in Berlijn en vluchtte in 1933 naar Palestina, nadat hij door zijn klasseleraar, een nazi, bruut in elkaar was geslagen. Kamila was toentertijd pas 17,5 jaar oud. Ze trouwde zo jong “om eindelijk mijn eigen leven te kunnen leven”.
        Joseph en Kamila kregen drie zonen (Amos, Daniel en Israel), die inmiddels, anno 2016, allemaal getrouwd zijn en voor zeven kleinkinderen en twee achterkleinkinderen te hebben gezorgd. Daniel woont al 40 jaar in Amerika. Haar oudste zoon Amos is in 2014 overleden als gevolg van kanker. “Het leven is niet makkelijk”, verzucht Kamila.

Kamila samen met Suus Migdali en rechts een familiefoto

Dit is nogmaals Kamila (links), samen met een andere joodse Dordtse: Suus Migdali, die voor haar emigratie naar Israël Suze Benedictus heette. Zij is een zus van Jules Benedictus. De familie Benedictus heeft zich tijdens de oorlog verborgen weten te houden in het huis van de familie Burger aan de Wijnstraat.
Foto Familiebezit

Een familiefoto van jaren later. Kamila (met bril) achter haar moeder en verder twee van haar drie zonen, en een kleindochter die inmiddels studeert aan de universiteit van Harvard, Boston.
Foto Familiebezit

Rechtvaardigen
Met haar onderduikgevers, de Van Kregtens en de Bretschneiders, is Kamila ondanks de emigratie loyaal contact blijven houden, ook later met hun kinderen. “Ze komen iedere twee jaar bij mij; we hebben een hechte band. We voelen ons als een familie. Ze zijn dol op mijn kinderen en kleinkinderen.”
        Op 22 november 1989 erkende Yad Vashem, op voordracht van Kamila, Simon en Leneke van Kregten als ‘rechtvaardigen onder de volkeren’, een eerbetoon voor hun hulp tijdens de oorlog. Diezelfde hulde werd ook Ludwig en Alijda Bretschneider betoond, op 27 december 2011.
        Ludwig was na de oorlog conservator geworden van zoölogisch laboratorium, in 1950 werd hij lector in de cytologie en de elektronenmicroscopie. Per 19 september 1955 volgde zijn benoeming tot gewoon hoogleraar in de faculteit veeartsenijkunde in cytologie, histologie en microscopische anatomie, tevens tot buitengewoon hoogleraar in de faculteit wis- en natuurkunde, in de leer van de submicroscopische celstructuren.
        Hij is op 7 september 1964 overleden. Over zijn echtgenote en Simon en Leneke van Kregten zijn geen openbare gegevens beschikbaar.

***

Van de originele familie Polacek leeft alleen Kamila nog. Haar vader overleed in 1975, op 19 augustus, 73 jaar oud. “Erg jong”, vindt Kamila dat. Haar eigen man Joseph stierf op nog jongere leeftijd, 55, op 9 september 1979.
        Na het overlijden van haar vader trok haar moeder bij haar in, gedurende 26 jaar. Dat was toen nog in het dorp Kfar Shmarjahu, waar Kamila vijftig jaar achtereen heeft gewoond, en waar haar zoon Israel nog altijd woont. Nu is de nabijgelegen stad Ranana haar woonplaats.
        Moeder Polacek overleed op 93-jarige leeftijd op 11 februari 2001. Kamila: “Ze zei altijd dat haar leven ellendig was geweest, maar de ouderdom bij haar dochter de hemel.”
        Kamila, 83 jaar nu, leeft op zichzelf. “Ik vraag me af waar de jaren gebleven zijn. Ik mis mijn man en mijn ouders.”

twee foto’s uit Kamila’s familiealbum

Nog twee foto’s uit Kamila’s familiealbum. Op de ene staan twee schoondochters, een zoon (Israel) en een kleinzoon. Op de andere twee zonen, Daniel (grijs) en Israel, twee kleinzonen en schoondochter. Daniel woont al veertig jaar in Amerika. De oudste zoon, Amos, in 2014 overleden.




< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'