Het voorbije joodse dordrecht

Ingepikte spullen van Amsterdamse
jodin werden verstopt in Dordrecht
* Dordtenaar bedroog jood die wilde onderduiken

Hof Welgelegen

Dit is een deel van Hof Welgelegen, gefotografeerd in de jaren vijftig.
Het buurtje, gelegen achter het postkantoor, is volledig gesloopt.
Foto Regionaal Archief Dordrecht (nr. 554_31260)

Zij vond het een regelrechte schurkenstreek.
        Gonda Nink, een joodse Amsterdamse, had na het overlijden in september 1940 van haar man, de slager Emanuel van Beek, aan een knecht van hem, Harry van Dam gevraagd om zolang een oogje op haar woning aan de Albert Cuypstraat 152 te houden. Of hij de woning wilde schoonhouden, de post wilde verzorgen en de kelder wilde leegmaken als die weer eens onder water stond.
        Zelf ging Gonda Nink inwonen bij weduwnaar Leo Grüneberg, met wie ze binnenkort ging trouwen. Grüneberg woonde in de Albrecht Dürerstraat, op nummer 23 huis.
        Harry kweet zich van zijn taak. Op een dag vertelde hij de weduwe dat hij in Dordrecht een pension wilde beginnen. Zou zij hem in verband daarmee misschien wat beddengoed en klein huisraad in bruikleen wilde geven? Gonda, die Dam vertrouwde, was daartoe wel bereid. Ze had toch veel goederen over en wilde hem graag helpen.
        Een tijdje later ging ze weer eens kijken in haar oude woning. Die bleek bijna compleet leeggehaald. Harry Dam had alles meegenomen wat hem maar zinde, en al die spullen opgeslagen in Dordrecht, op een zolder van woning nummer 14 in Hof Welgelegen. Wel drie tot vier keer per week reisde hij naar Dordrecht om de bezittingen van Gonda Nink, verpakt in koffers, op die zolder op te bergen.
        Gonda Nink was boos, begrijpelijk. Ze deed aangifte bij de politie, die in een onderzoek instelde. Harry Dam werd verhoord, en zo ook Gonda, haar aanstaande echtgenoot Leo én de bewoner van het huisje in het Hof, Hendrik Addink. Er werd in december 1942 een proces-verbaal opgemaakt, dat thans, in 2019, digitaal in te zien is via de website van het Amsterdamse Stadsarchief.
        In de taal van het proces-verbaal uitte Gonda Nink tijdens het verhoor haar verontwaardiging. Harry Dam, zei ze, had “op grove wijze ten eigen bate geprofiteerd van mijn goedheid, dit gaat lijken op diefstal”. Zij had hem een gunst willen verlenen, maar hij had haar niet minder dan een schurkenstreek geleverd. Hendrik Addink schrok toen de politie hem in Dordrecht opzocht. Die vertelde hem dat de goederen die bij hem op zolder lagen, “afkomstig zijn van Joden”. Nu hij dit wist, wilde Addink ze “geen seconde meer” in zijn woning hebben, weg ermee.
        Hoe is het afgelopen met de betrokkenen? Hebben Gonda en haar kinderen de Holocaust overleefd?
        Een verhaal over een ordinaire diefstal van joodse bezittingen, met een bijrol voor ‘Dordrecht’.

gezinskaart van Gonda van Beek-Nink en haar man, slager Emanuel van Beek

De gezinskaart van Gonda van Beek-Nink. Haar man, slager Emanuel van Beek, is op 12 september 1940 overleden. Midden in de oorlog hertrouwde Gonda met Leo Grüneberg.
Foto Stadsarchief Amsterdam


Albert Cuypstraat

De Albert Cuypstraat, waar de slagerij van het echtpaar Van Beek was gevestigd. Nadat haar man was gestorven, wilde Gonda het pand nog een tijdje aanhouden. Ze verzocht Harry Dam om er op te letten.
Foto Google Streetview

Bestanden
De misdragingen van Harry Dam zijn opgediept uit de 2890 bestanden van het Amsterdamse Bureau Joodsche Zaken, het zogenoemde Bureau 11 van de Gemeentepolitie. Het proces-verbaal over de kwestie, waaruit in dit artikel wordt geciteerd, heeft nummer 2470 C. Het is het enige document over deze zaak, verderop wordt er niet meer op teruggekomen. Om achtergrondgegevens over de drie belangrijkste betrokkenen te kunnen achterhalen, is daarom de website ‘Joods Monument’ geraadpleegd, en zijn persoonskaarten in het Amsterdamse Stadsarchief doorgenomen.
        Gonda Nink, zo viel uit dit alles op te maken, is geboren in Arnhem op 17 januari 1884, als dochter van Marcus Nink en Henriëtte Hamburg. Op 12 juni 1907 trouwde zij in Amsterdam met Emanuel van Beek, geboren in die stad op 4 oktober 1882, als zoon van Herman van Beek en Jette de Wolf. Emanuel was slager van beroep, zijn slagerij bevond zich in de Albert Cuypstraat. Ruim een jaar na het huwelijk werd zoon Herman geboren, op 11 november 1908. Acht jaar later kwam er pas een tweede kind, Max, op 3 juni 1916.
        Op 12 september 1940 overlijdt Emanuel, 57 jaar oud. Een jaar later, eind 1941, begint de trammelant met Harry Dam.

verklaring van Gonda

De verklaring van Gonda, afgelegd bij de politie op 9 december 1942: “Onze woning was zo goed als leeggehaald.”
Daar had zij geen toestemming voor gegeven.
Foto Stadsarchief Amsterdam


Albert Dürerstraat

Gonda Nink ging intussen wonen in de Albert Dürerstraat, in dit gebouw op nummer 23, bij Leo Grüneberg, een weduwnaar met wie zij trouwde in kamp Westerbork, op weg naar het concentratiekamp Bergen-Belsen.
Foot Google Streetview

Knecht
Harry Dam heet voluit Henri Gérard Jacques Dam, een Hagenaar geboren op 18 maart 1892. Hij trouwt op 16 november 1927 in Amsterdam met Johanna Dobbenberg (Apeldoorn, 5.4.1899), een huwelijk dat op 14 juli 1936 uitloopt op een echtscheiding. Drie maanden later hertrouwt in Amsterdam H.G.J. Dam met Theresia Vrsecky (Altrohlau, Tsjechoslowakije, 10.2.1897). Harry Dam is volgens de persoonskaart per 8 augustus 1930 vanuit het Franse Croix in Amsterdam komen wonen. Hij trekt van het ene naar het andere adres. Als de oorlog uitbreekt, woont hij in de Gerard Doustraat, op nummer 147.
        Gonda Nink vertelt de agenten die haar verhoren, Jan Bijlsma, Willem Cornelia Reede en Jacob Fijma, dat Harry Dam bij haar man Emanuel werkte als knecht. “Hij had van ons beiden het volle vertrouwen.” Nadat zijn baas was gestorven, voelde Gonda zich “alleen”, en is zij “als leidster” gaan wonen in de Albrecht Dürerstraat 23, “ten huizen van Grüneberg”. Zij wilde graag haar eigen woning aanhouden en gaf daarom de sleutels aan Harry Dam, met het verzoek de woning in de gaten te houden. De winkel was al geïnventariseerd, haar huisraad nog niet. Dit was eind 1941.
        Een jaar later vroeg en kreeg Gonda Nink een verhuisvergunning. Ze was intussen ook “een huwelijksverbintenis aangegaan met Grüneberg”. Tijdens het verhoor op 9 december 1942 vertelde ze de agenten dat ze over veertien dagen ging trouwen.

Emigratie
Leo Grünenberg is afkomstig uit het Duitse Beuel. Hij is er geboren op 20 maart 1884, en ontwikkelde zich er tot worstfabrikant. Op 8 augustus 1908 trouwde hij in Beuel met stadsgenote Henriëtte Levy (6.9.1883). In 1910, op 30 mei, werd hun zoon Alfred geboren, in Bonn. Vandaar vertrokken zij, waarschijnlijk op de vlucht voor Adolf Hitler en het oprukkende nationaal-socialisme, naar Nederland, naar Amsterdam. Daar vestigden Leo en Henriëtte zich per 20 oktober 1937 in de Wouwermanstraat 22 boven. Op 4 april 1939 verhuisden zij naar de Albrecht Dürerstraat, nummer 23 huis. Hun zoon Alfred was jaren eerder al naar Nederland geëmigreerd, volgens de archiefkaart vanuit Bonn op 15 september 1933. Hij vond het blijkbaar veiliger om het bewind van Adolf Hitler, in januari 1933 benoemd tot rijkskanselier, zo snel mogelijk te ontwijken.
        Alfred ging zich in Nederland Siegfried noemen, en trouwde er op 22 november 1939 met Margit Gänsler (Illava, Hongarije, 6.10.1903). Van beroep was hij grossier in hotelbenodigdheden.
        Nadat Nederland was bezet, kreeg Siegfried alsnog te maken met de jodenhaat van de nazi’s. Midden in de oorlog werd hij opgepakt en naar Auschwitz vervoerd, waar hij als 32-jarige op 19 augustus 1942 werd vermoord. Zijn vrouw Margit, een directrice tricotage, overkwam hetzelfde in Birkenau, op 15 juli 1942. Zij was 38 jaar oud. Bij Siegfried en Margit in huis, in de Deurloostraat 52 huis, woonden de ouders van Margit, Josef Gänsler (Trebitsch, 6.2.1869) en Sofie Gänsler-Laub (Zagrody, 14 juni 1876). Ook deze mensen werden vernietigd, beiden in Sobibor op 23 juli 1943, hij 74 jaar oud, zij 67.
        Henriëtte, de moeder van Siegfried, overleed in Nederland, in haar woonplaats Amsterdam, op 18 augustus 1942, op 58-jarige leeftijd. Het was met háár man, de weduwnaar Leo, dat Gonda Nink een relatie aanknoopte.

gezinskaart van Harry Dam

De gezinskaart van Harry Dam, de man die de woning van Gonda leeghaalde. Hij was eerst getrouwd geweest van Johanna Dobbenberg, na de echtscheiding trouwde hij met Theresia Vrsecky.
Foto Stadsarchief Amsterdam

Pension
Terug naar Harry Dam. Hij vertelde Gonda dat hij “in verband met de tijdsomstandigheden” een pension wilde oprichten en deed bij die gelegenheid zijn bescheiden verzoek: of hij wat beddengoed en klein huisraad te leen kon krijgen. Gonda stond het hem gulhartig toe, zij vertrouwde hem en wilde graag helpen.
        Dit pakte compleet verkeerd uit, hij roofde haar huis leeg.
        Toen Harry Dam hierover werd verhoord, zei hij dat hij de goederen die hij uit de woning van Gonda weghaalde, eerst in zijn eigen woning had opgeborgen. Ook bekende hij: “Ik heb nimmer een pension begonnen. Ik heb dus nagelaten om de goederen weer terug te brengen”, zoals was afgesproken met Gonda Nink.
        In plaats daarvan bracht hij “een groot gedeelte” van de goederen over naar Dordrecht, “met de bedoeling daar te gaan wonen”. “Ook dat is niet doorgegaan.” Hij sloeg de spullen op bij een kennis van hem, Hendrik Addink, een fabrieksarbeider, geboren in Dordrecht op 1 augustus 1902, die woonde in Hof Welgelegen, op nummer 14.
        In het proces-verbaal zegt Dam over dit wegsluizen van goederen: “Ik heb voorgegeven dat de goederen van mij persoonlijk waren. Een gedeelte van de goederen, zijnde lijfgoederen, heb ik beleend en daarvoor het geld ontvangen.” Hij betuigt spijt, maar wil niets weten van diefstal: “Ik voor mij heb geheel onnadenkend gehandeld en kan het niet goedpraten hetgeen ik gedaan heb ten opzichte van mijn afspraak met mevrouw Van Beek. Ik kan niet zeggen dat ik het heb gestolen, doch [dat ik] wel de bedoeling [had] om het in mijn bezit te hebben.”
        Gonda van Beek-Nink was behoorlijk kwaad. Tijdens het verhoor zei ze dat ze haar woning “zoo goed als leeg” aantrof. “Hiervoor heb ik hem [Dam] nimmer toestemming gegeven en [ik] vind het erg vreemd, dat op zoo een manier mijn woning is leeggehaald.” Zodra ze van de agenten hoorde dat haar goederen ook nog eens naar Dordrecht waren versleept, oordeelde ze dat Dam grof had geprofiteerd van haar goedheid. “Hij mocht alleen eenig goed van mij hebben als hij een pension zou gaan beginnen, doch dat pension heeft hij niet opgericht.”
        Zij verklaarde tot slot dat zij als jodin “heel goed weet” dat zij geen goederen in bewaring mag geven. “Doch deze heb ik hem niet gegeven, doch heeft hij genomen.”
        Voordat ze haar verklaring had gelezen en zou ondertekenen, maakte ze nog een opmerking die veelzeggend is: “Harry Dam heeft mij nog gezegd: ‘Hij vond het zoo gemeen van de joden, dat zij liever de goederen laten weghalen door de ‘moffen’ dan dat zij het aan Christenmenschen geven.’”

Katten
Agent Fijma vertrok op 8 december 1942 naar Dordrecht om daar Hendrik Addink te horen, de bewoner van het hofhuisje. Hof Welgelegen lag bij het Achterom, achter het postkantoor. Dit hele gebied is in de jaren zeventig gesloopt.
        Addink vertelde dat Dam drie tot vier maal per week een partij goederen kwam brengen, verpakt in koffers. “Hij gaf voor naar Dordrecht te willen komen en bracht zijn goederen naar hier. Ik had hiertegen geen bezwaar en had de zolder voor hem vrij.” De laatste tijd kwam er regelmatig een persoon mee met Dam, genaamd Tet. Ook is de vrouw van Dam, Theresia, een keer meegekomen. “Ook zij gaf voor dat het goederen waren van henzelf.”
        Die Tet, vulde Addink aan, had een zak bij zich, “waarin hij katten had”. “Dat heeft hij gedaan om deze katten mede te nemen naar Amsterdam, om die beesten te slachten en het vleesch te verkoopen.”
        Nadat Fyma had verteld dat de goederen van Dam in werkelijkheid toebehoorden aan joden, wilde hij er niets meer mee te maken hebben, geen seconde meer. En hij zei dat hij het “niet mooi” vindt van Harry Dam dat deze “van mijn aanbod en om hem behulpzaam te zijn”, op zulke “grove wijze misbruik heeft gemaakt”.
        In het proces-verbaal wordt genoteerd dat de goederen uit Dordrecht in beslag zijn genomen en dat deze zijn overgebracht naar “het Duitsche Lager, gelegen aan de Handelskade”. Een inventarisatielijst werd bij het proces-verhaal gevoegd.

Gonda en Leo werden uitgeruild tegen Duitsers die in Palestina vastzaten

Gonda en Leo hadden groot geluk: zij werden in Bergen-Belsen beiden, met 218 andere joden, uitgeruild tegen Duitsers die in Palestina vastzaten. Dit document in het United States Holocaust Memorial Museum in Washington noemt Gonda, en rept van 242 mensen, maar het waren er 220.
Foto USHMM

Uitruil
Of het verbaal tot een veroordeling heeft geleid, is niet bekend, evenmin of Gonda Nink haar spullen heeft teruggekregen.
        Vaststaat alleen dat zij inderdaad met Leo Grüneberg is getrouwd, en nog wel in kamp Westerbork, dat doorgangskamp naar Duitsland en Polen, op 28 december 1942. Zo bezien zijn zij inderhaast, misschien wel in het zicht van een naderende dood, nog een huwelijk aangegaan.
         Maar Gonda en Leo hebben het gered, op miraculeuze wijze. Gonda en Leo zijn vanuit Westerbork in het concentratiekamp Bergen-Belsen beland. Dit doodsoord, waar ook Anne Frank stierf, hebben ze weten te overleven. Zij hadden groot geluk.
        Gonda en Leo, zo blijkt uit het archief van het United States Holocaust Memorial Museum (USHMM), behoorden namelijk tot de 222 joden die werden uitgewisseld tegen Rijksduitsers die in Palestina verbleven. Op 10 juli 1944, na een reis van elf dagen per trein uit Bergen-Belsen, kwam deze groep aan in Haifa, in het Britse mandaatgebied Palestina. De Britten verleenden slechts tijdelijk toegang. Op 9 maart 1946 keerden Gonda en Leo terug in Amsterdam, en vestigden zij zich in de Krammerstraat, op nummer 20 huis.
        Op 10 mei 1946 vertrekken de echtelieden naar de Deurloostraat 64 II. Drie jaar heeft Gonda hier nog geleefd. Zij sterft op 15 september 1949, in de leeftijd van 65 jaar. Haar echtgenoot overlijdt veertien jaar later, eveneens in Amsterdam, op 79-jarige leeftijd, op 1 december 1963.
        En haar kinderen? Herman is ten prooi gevallen aan de nazi’s. Zij vergasten hem in Auschwitz, op 30 april 1943, 34 jaar oud. Herman van Beek, correspondent van beroep, was getrouwd met Sybilla de Wijze (Boxmeer, 14.3.1919). Het echtpaar woonde in Oss, aan de Floraliastraat 23. Zij is eveneens in Auschwitz omgebracht, eerder dan haar man, op 12 februari 1943, 23 jaar oud. Max, de broer van Herman, was al in juni 1937 naar Batavia verhuisd. Na de oorlog woonde hij kort bij zijn ouders in de Deurloostraat, van 21.1.1948 tot 20.9.1948. Daarna keerde hij terug naar Batavia. Van hem is geen overlijdensdatum bekend.
        Harry Dam ten slotte, de man die Gonda bestal, is op 9 oktober 1964 in Amsterdam overleden, hij is 72 jaar geworden. Zijn tweede echtgenote Theresia kwam veel eerder te overlijden, op 10 oktober 1948, 51 jaar oud.

gezinskaart van Hendrik Addink

De gezinskaart van Hendrik Addink, voor- en achterzijde, laat zien dat hij, net als Harry Dam, getrouwd was met een Theresia Vrsecky, zij het dat de Dordtse Theresia van 1904 is, de Amsterdamse van 1897. Het gezin kwam in 1938 in Hof Welgelegen te wonen.

Verrassend
Hendrik Addink, de man die Dam toestond zijn zolder te gebruiken, heeft “een gezegende leeftijd” bereikt, stond in de overlijdensadvertentie in De Dordtenaar: 86 jaar. Hij is overleden op 2 december 1988, onverwachts, na een kortstondige ziekte. De advertentie, gepubliceerd op de derde december, was in een ander opzicht verrassend. Vermeld wordt namelijk dat Hendrik weduwnaar is van Berta Grete Schwan, maar dat hij eerder weduwnaar was van Theresia Vrsecky.
        Deze ‘Dordtse’ Theresia is echter een andere dan de Amsterdamse. Hun namen komen volledig overeen, maar hun geboortedata niet. De Theresia die op 24 januari 1925 in Zwijndrecht huwde met opperman Hendrik Addink is geboren op 13 oktober 1904 in Komotha Chodau in Tsjechoslowakije. Zij en Hendrik kregen vier kinderen, allen in Zwijndrecht: Karolina Johanna (1.4.1925), Neeltje Arina (5.4.1926), Johannes (13.11.1927), Gisela Caecilia (15.8.1934). En op 25 oktober 1938 kwam dit gezin in Hof Welgelegen te wonen, op nummer 14, komend uit Zwijndrecht, van Ringdijk 274.
        De ‘Amsterdamse’ Theresia is, zoals al gemeld, afkomstig uit het eveneens Tsjechische Althrohlau, en is geboren op 10 februari 1897, zeven jaar eerder dan haar Dordtse naamgenote. Zij was, voordat ze op 14 oktober 1936 trouwde met Harry Dam, getrouwd geweest met ene Josef Enzmann, een huwelijk dat op 14 januari 1932 eindigde in een echtscheiding. De Amsterdamse Theresia is overleden op 10 oktober 1948, op 51-jarige leeftijd; de ‘Dordtse’ Theresia in hetzelfde jaar, op 3 augustus, 43 jaar oud.

        Tamelijk eigenaardig is toch dat Hendrik Addink Harry Dam in de oorlog hielp aan een opslagplek en dat zij beiden bij toeval een Theresia Vrsecky als echtgenote hadden. Tenzij ze elkaar al kenden, doordat de beide Theresia’s familie van elkaar zijn.

Dordtenaar bedroog jood die wilde onderduiken

In de dossiers van het Bureau Joodsche Zaken is nóg een kwestie gevonden die met Dordrecht te maken heeft. Op 11 augustus 1942 is in Amsterdam de protestantse Lambertus Roggeveen gearresteerd. De Polizeikommissar, niet bepaald op de hand van joden, beschuldigt hem er ronduit van een woekeraar te zijn, die de jood Joseph Krant heeft bestolen.
        Roggeveen is in Dordrecht geboren op 9 januari 1882 in Korte Breestraat. Hij is een voormalige kantoorbediende, die al sinds 1931 werkloos is. Wekelijks ontvangt hij een uitkering van 9,40 gulden. Hij heeft een halfjaar in de gevangenis gezeten wegens heling. Zijn vader heet Jacob, zijn moeder Johanna Pieternella Kooiman. In de oorlog woont Lambertus Roggeveen in de Eerste Conradstraat, op nummer 60.
        In augustus 1942 wordt Roggeveen gearresteerd. In de Duitstalige aangifte wordt hij ervan beschuldigd ein Jude, genannt Joseph Krant (Amsterdam, 10.6.1908) geld afgetroggeld te hebben. Roggeveen beloofde de kantoorklerk Krant, die woonde aan de Rijnstraat 13, te verstoppen voor negenhonderden gulden. Op tweehonderd gulden na, was dit geld al verschwunden. Ook heeft hij een tas met goederen van Krant ingepikt (veruntreut).

Woekeraar
Hij had meer op zijn kerfstok, blijkt uit de aangifte. De commissaris: “Roggeveen handelt in voedselbonnen en is een woekeraar. Er ist als Volksschädling zu betrachten” − wat zoveel betekent als dat hij een asociaal, subversief levend iemand is.
        Hij opereerde niet in zijn eentje. Volgens de aangifte heeft Josephina Maria Puymbroek (Baarn, 25.11.1912) hem geholpen; zij is een Mittäterin en zal daarom samen met Roggeveen worden voorgeleid.
        Anderhalve maand na de arrestatie is Joseph Krant op 30 september 1942 vergast in Auschwitz, 29 jaar oud. De politie pakte op diezelfde 11de augustus ook Simon Krant op, de vader van Joseph. Handelsreiziger Simon (Amsterdam, 18.8.1880) werd in Sobibor vermoord, op 2 april 1943, 62 jaar oud, samen met zijn vrouw Debora Krant-Klein (Amsterdam, 1.3.1881), die 62 jaar oud werd. Hun dochter Greta (Amsterdam, 17.9.1910) eindigde in Auschwitz op 30 november 1943, 33 jaar oud, en dochter Sara (Amsterdam, 11.10.1907) eveneens in dit doodsoord, maar op een andere datum, 30 september 1942, 34 jaar oud.
        Lambertus Roggeveen stierf in Amsterdam, op 3 juli 1945, op 63-jarige leeftijd.

aangifte tegen Lambertus Roggeveen

De aangifte tegen Lambertus Roggeveen: is een woekeraar.
Foto Stadsarchief Amsterdam





< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'