Het voorbije joodse dordrecht

Hongaarse Dordtenaar Guido Rudnai werd
door de nazi’s gewoon als jood behandeld

Guido Rudnai en zijn vrouw Wilma Goosmann

Dit zijn de enige foto's die de redactie heeft kunnen vinden van Guido Rudnai en zijn vrouw Wilma Goosmann.
Ze zijn afkomstig uit een tijdschrift dat in Bremen is gepubliceerd in 2009.

Op hun gezinskaart in het Dordtse archief staat in de kolom Kerkgenootschap of vereeniging met godsdienstig doel tot driemaal toe een woord dat toch geen misverstand hoefde te veroorzaken: ‘geen’.
        Daarmee was het zonneklaar: zowel Guido Rudnai en zijn vrouw Marie Wilma Goosmann als hun dochter Vera Eva waren niet-gelovig. Of althans: ze lieten registreren dat ze geen bepaalde geloofsovertuiging hadden. Ook is het nog mogelijk dat zij tegenover de ambtenaar van de burgerlijke stand zwegen over hun geloof, wetend of voorvoelend dat zulks nare consequenties kon hebben.
        Hoe dan ook: het heeft ze niet geholpen. De Hongaar Guido Rudnai, van oorsprong joods, werd door de bezetter ogenblikkelijk ingedeeld bij dat volgens hen inferieure ras, en navenant behandeld. Zijn Duitse echtgenote Wilma, van oorsprong protestants, werd in Boedapest aangezien voor een jodin en er zelfs uitgescholden − voor “stinkende jodin”.
        Het woord ‘geen’ heeft ze geen enkele bescherming geboden. Het is een loos woord gebleken.
        Hoe kwamen Guido en Wilma en Vera Rudnai eigenlijk in Dordrecht terecht – de stad waar hun zoon Peter Thomas geboren zou worden? En waarom vertrokken zij, volgens diezelfde Dordtse gezinskaart, op 11 september 1943 naar Guido’s geboortestad Boedapest – de hoofdstad van een land waar een fel, ingeburgerd antisemitisme heerste en waar een systematische deportatie van honderdduizenden joden naar Auschwitz op handen was?
        Een terugblik op een echtpaar dat vijf onbezorgde jaren in Dordrecht doorbracht, totdat ze opgesloten raakten in andermans jodenhaat.

Onbekende
Afgezien van gezinskaarten in het Dordtse én het Amsterdamse archief, plus een enkel krantenbericht, is verder niets te vinden over het gezin Rudnai. Ze lijken grote onbekenden. Zelfs de historicus András Scécsényi, verbonden aan het Holocaust Memorial Center in Boedapest, heeft desgevraagd geen informatie over hen. “In het archief van het museum komt de naam Rudnai niet voor”, bericht hij.
        Het is “helemaal niet verbazend”, schrijft Vera Rudnai, dat haar vaders naam niet voorkomt in het joodse archief. “Hij was immers overtuigd atheïst en heeft al in de jaren 1922-1924 voorgoed gebroken met de joodse kerk. Dat wil niet zeggen dat hij het eens was met de jodenvervolging. Ook heeft hij nooit ontkend dat zijn ouders joden waren.”
        Weer wel worden Guido en Wilma genoemd in de database voor Shoah-slachtoffers van Yad Vashem, het Israëlische onderzoeks- en herdenkingscentrum. Maar uiterst summier, uiterst oppervlakkig. Er staat alleen dat Guido zich “gedurende de oorlog in Boedapest” bevond, een gegeven dat stoelt op een lijst van joden van buitenlandse origine die in Nederland woonden, maar in 1943 terugkeerden naar hun geboorteland.
        Gelukkig bieden het internet en de onvolprezen zoekmachines uitkomst. Al googelend komt de catalogus van de Deutschen National Bibliothek tevoorschijn. En deze vermeldt het bestaan van een bundel tijdschriften, waarin vijf pagina’s staan over Guido Rudnai und Frau Wilma geb. Goosmann, zie pagina 212 tot 217.
        Schicksale Bremer Christen jüdischer Abstammung nach 1933 is de titel van deze reeks, tijdschriften, uitgegeven in 2009. Zij beschrijft de lotgevallen van christenen van joodse afkomst in Bremen.
        De Bremische Evangelische Kirche beschikt over een exemplaar, en medewerkster Kerstin Wolk stuurt bereidwillig een scan van het desbetreffende hoofdstuk. De auteur ervan is Günther Eisenhauer. In feite vormen zijn vijf pagina’s een handzame biografie van Guido’s en Wilma’s leven.
        Eisenhauer baseert zijn uitgebreide artikel op drie bronnen: de Wiedergutmachungsakten (de documenten waarmee de pensioenrechten van Guido en Wilma zijn hersteld), een briefwisseling en gesprekken met hun dochter in Boedapest, tegenwoordig Vera Gyergyóiné Rudnai geheten. Bij gebrek aan elk ander archiefmateriaal wordt hier noodgedwongen ruimhartig uit Eisenhauers artikel geciteerd.
        Dat was niet geheel verstandig. Een jaar nadat dit artikel op deze Dordtse website was gepubliceerd, kwam er namelijk uit Boedapest een schriftelijke reactie van Vera Rudnai zelf, in zo goed mogelijk Nederlands. Familieleden hadden haar op fouten gewezen; zelf ‘doet’ zij niet aan internet. Haar correcties en aanvullingen zijn verwerkt in de versie die nu op de website staat; deze dus.

gezinskaart van de familie Rudnai

De gezinskaart van de familie Rudnai is er alleszins duidelijk over: de drie gezinsleden zijn niet-gelovig.
Foto RAD

Vliegtuigbouw
Guido Rudnai is geboren in Boedapest, op 12 december 1902, als enig kind van Duitssprekende, vrome, joodse ouders, genaamd Rosenstein. In de Berlijnse wijk Charlottenburg studeert hij tussen 1921 en 1927 elektrotechniek en vliegtuigbouw; een tweevoudige studie die hij afsluit als Diplom-Ingenieur, als ingenieur. Tijdens zijn studietijd treedt Guido toe tot de Kommunistische Partei Deutschlands (KPD), opgericht in 1918. Begin jaren twintig distantieert hij zich nadrukkelijk van het jodendom. Hij is Konfessionsloser, niet-kerkelijk geworden.
        Eind 1927 krijgt Rudnai een aanstelling bij Caspar Werken in Travemünde. Dit blijkt een zogenoemde Erprobungsstelle des Reichsverbandes der Deutsche Luftfahrtindustrie te zijn, een locatie waar illegaal, gecamoufleerd, wordt gewerkt aan de herontwikkeling van de militaire luchtvaartindustrie. De geallieerden wilden na de Eerste Wereldoorlog de Duitse luchtmacht kunnen controleren, maar in het geheim werd de herbewapening al geforceerd.
        Guido switcht eind 1929 naar Focke-Wulf Flugzeugbau AG in Bremen. Daar leert hij Wilma Goosmann kennen, die er in 1928 is komen te werken als secretaresse. Ze raken verzot op elkaar.
        Wilma is afkomstig uit Bremen zelf, ze is er geboren op 11 december 1909. Zij is niet joods, en net als haar vader en Guido, atheïst. Nadat zij in de Langemarkstrasse de lagere- en middelbare school had bedwongen, ging ze een jaar naar de huishoudschool en vervolgens naar de handelsschool. Na deze met succes te hebben afgerond, werkte ze eerst bij de Deutsche Bank en later bij een graanimportbedrijf, voordat ze wisselde naar Focke-Wulf.

Droom
Op 27 april 1931 trouwden Guido en de hoogzwangere Wilma, in Bremen. Krap drie weken later werd hun eerste kind geboren, Vera Eva, op 21 mei. De jonge moeder bleef thuis, hoewel ze ervan droomde zangeres te worden. Dat die hartenwens tijdelijk opgeschoven moest worden, frustreerde haar niet. Volgens Eisenhauer heeft Wilma later gezegd dat met de komst van de baby “de gelukkigste tijd van haar leven aanbrak”.
         Guido Rudnai klom bij Focke-Wulf op tot leidinggevende, tot Konstruktionsgruppenleiter en werd benoemd tot bestuurslid van een vakbond voor hoger personeel, de Bund der technischen Angestellten und Beamten. Veel veranderde plots in 1933, toen Hitler aan de macht kwam. Wilma’s broer Paul werd ontslagen als docent; Guido werd op de beschuldiging van landverraad acht weken in ‘beschermende bewaring’ opgesloten in de lokale gevangenis Ostertorwache.
         De Hongaarse consul wist hem vrij te krijgen, waarna Guido weer aan de slag kon bij Focke-Wulf. Maar niet voor lang. Eind 1935 moest hij het bedrijf verlaten. Naar het buitenland uitwijken mocht hij niet, omdat hij kennis droeg van defensiegeheimen. Rudnai vertrok naar Halberstadt, zo meldde zijn vrouw op 2 januari 1936 aan de Bremer politie. In maart 1937 dook hij weer op in Bremen. Hij trok in bij zijn schoonouders aan de Hardenbergstrasse 99, nu ondertussen werkend bij Argo Flugzeugwerken in Oscherleben.

woning gezin Guido Rudnai

De woning waar Guido Rudnai met zijn gezin woonde
in de Dordtse tijd, zo’n vijf jaar, bestaat nog altijd: Stooplaan 18 (achter de blauwe auto).
Foto Redactie Website

Dordrecht
En dan komt Nederland in zicht. Guido Rudnai slaagt erin een betrekking te verwerven bij de vliegtuigfabrikant Fokker. Kennelijk is het hem alsnog gelukt Duitsland te verlaten.
        Eisenhauer schrijft in zijn biografische vertelling dat Guido zich op 5 oktober 1937 “ohne Familie polizeilich nach Amsterdam abmeldete”. Maar op de Amsterdamse gezinskaart staat dat hij zich op 8 december 1937 met vrouw en kind in Amsterdam liet inschrijven, en bovendien: dat zij toen rechtstreeks uit Boedapest kwamen.
        Vera Rudnai, aanvullend: “Wij zijn vanuit Halberstadt naar Boedapest gegaan, maar daar kon mijn vader vanwege de ‘jodenwetten’ geen werk krijgen. Daarom ging hij naar Amsterdam. Zodra zijn salaris geregeld was, zouden mijn moeder en ik volgen. Mijn vader wilde geen materiële hulp, hij wilde geld verdienen met echt, waardevol werk.”
        Aanvankelijk streek het gezin in Amsterdam neer in de Biesboschstraat 64. Op 20 maart 1938 werd de Roerstraat 109 2hoog het nieuwe huisadres. Maar dit was voor korte duur. Op 3 augustus 1938 verhuisde het gezin nog eens, nu naar Dordrecht. Volgens Eisenhauer was hiervoor de reden dat Fokker in Amsterdam belast raakte met de bouw van militaire vliegtuigen. Guido Rudnai gaf de voorkeur aan Aviolanda in Papendrecht, het dorp tegenover Dordrecht, waar kleine watervliegtuigen tot stand kwamen. Vera Rudnai: “Mijn vader was pacifist. Daarom heeft hij, zo goed hij maar kon, geprobeerd weg te komen van de oorlogsindustrie. Dit werd [later, red.] ook de reden Fokker te verlaten.”
        Een nerveuze tijd leek voorbij, maar het was slechts schijn.
        De familie Rudnai betrok een woning aan de Stooplaan 18 (nu ook nog: 18), en beleefde in Dordrecht een rustige tijd. Totdat ook Nederland bruusk door de Duitsers werd ingenomen. Alle joodse vluchtelingen die sinds 1938 naar Nederland waren getrokken, werden nu geregistreerd. Guido Rudnai, hoewel dus officieel niet-kerkelijk, zou de gevolgen daarvan gaandeweg ondervinden: in 1942 werd ook hij ijskoud opgepakt en gevangengezet in kamp Westerbork, het voorportaal van Auschwitz.

Guido Rudnai werkte tijdens zijn Dordtse jaren bij Aviolanda in Papendrecht

Guido Rudnai werkte tijdens zijn Dordtse jaren bij Aviolanda in Papendrecht. Daar werden watervliegtuigen gemaakt. Deze twee foto's getuigen ervan. De eerste foto toont zo’n watervliegtuig dat is samengesteld in Papendrecht. Op de tweede foto is op de Oude Maas een Duitse vliegboot te zien, gebouwd door een vliegtuigfabriek in
Friedrichshafen. Het vliegtuig zou bij Aviolanda worden gedemonteerd voor verscheping naar Nederlands Oost-Indië, meldt het Regionaal Archief Dordrecht in het bijschrift bij de foto. Een bezoeker van de RAD-beeldbank, J. Leonard, schrijft dat in de oorlog ook op de Oude Maas watervliegtuigen landden om bij Aviolanda gerepareerd te worden.
Foto's RAD (nrs.  556_4139 en 555_18502)

Vrijlating
Wilma, op dat moment zeven maanden zwanger, had eerder van de Gestapo het advies gekregen zich te laten scheiden van haar man. Ze peinsde er niet over. In plaats daarvan ging ze “met al haar kracht” ervoor vechten dat haar man vrij zou komen. Volgens Günther Eisenhauer reisde zij daartoe samen met een hulpvaardige, betrouwbare buurvrouw, Frau van Hall, naar Den Haag, naar het SS-Oberkommando, waar ze bij de hoogste bevelhebber vrijlating bepleitte.
        Dit klopt niet, meldt Vera Rudnai. “Mijn moeder reisde niet met een buurvrouw, maar met een haar geheel onbekende vrouw. Ze was naar ons gestuurd door de ondergrondse beweging. Mijn vader heeft later geprobeerd haar op te sporen, om haar voor haar hulp te bedanken. Maar wij hebben nooit meer over haar gehoord.”
        Eén collega van Aviolanda bezocht Guido “één keer héél illegaal” in Westerbork, en bracht hem op de hoogte van pogingen om hem uit het kamp ontslagen te krijgen. Eisenhauer noemt hem niet bij naam, maar het was Dirk Vlot, vertelt Vera. “Hij voerde een kort gesprek met mijn vader door de omheining; hij riskeerde ter plekke neergeschoten te worden.” Veel later is Vlot opgepakt en tot aan de bevrijding vastgehouden. De geallieerden bevrijdden hem.
        Op 28 september 1942 wordt Guido uit Westerbork ontslagen. Op het ontslagbewijs, afgedrukt in het Bremer tijdschrift, staat als reden dat hij gemengd gehuwd (Mischehe) was, en een kind heeft dat een Mischling 1ste graad is, deels arisch, deels joods. Gemengde gehuwde echtparen werden enigszins gespaard.
        Maar hiermee was Rudnai geenszins een vrij man. Nog diezelfde dag was hij verplicht zich in Amsterdam-Zuid te melden, bij de Zentralstelle für jüdische Auswanderung, het Centraal bureau voor joodse emigratie aan het Adema van Scheltemaplein 1− dat vanaf voorjaar 1941 tot najaar 1943 de deportatie organiseerde van joden naar concentratiekampen in Duitsland en Polen.
        Uitstel van executie leek hem te wachten.

Op 9 november 1942 wordt in Dordrecht Thomas geboren

Op 9 november 1942 wordt in Dordrecht
Thomas geboren, het tweede kind van Guido en Wilma. De Dordrechtsche Courant meldt het op de twaalfde.
Foto RAD

Uitgewezen
Echter, voordat het tot deze ‘emigratie’ zou kunnen komen, diende Rudnai over een Hongaarse pas te beschikken. Die kreeg hij niet. Want gelijktijdig met de afwijzing deelde de Hongaarse ambassade namelijk mee dat zij niet langer voor de veiligheid van de familie Rudnai kon instaan.
        Wat er precies gebeurde, heeft Eisenhauer niet kunnen reconstrueren. Op 9 november 1942 werd nog in Dordrecht het tweede kind van Guido en Wilma geboren, zoon Peter Thomas (‘Peter’) – de Dordrechtsche Courant meldde het. Ook nog in Dordrecht kreeg Wilma naast dit geluk de schok te verwerken van de Soldatentod van haar broer Robert, die al in de eerste week van de oorlog sneuvelde, in Polen. Vera: “Omdat hij achttien jaar oud was, moest hij de algemeen verplichte Wehrmacht-opleiding volgen.”
        Ten slotte werd het gezin uitgewezen, in 1943. Vermoedelijk heeft Guido dus nog enkele maanden kunnen doorbrengen in Dordrecht.
        Op de woningkaart in het Dordtse archief staat dat het gezin Rudnai op 11 september 1943 Dordrecht heeft verlaten. Boedapest werd de nieuwe woonplaats, het adres: XII Istengehyi 31a.
        Hoe zij daar geraakten? Volgens Eisenhauer werden de Rudnais samen met andere Hongaarse joden in een gesloten, door de Gestapo en SS bewaakt, transport dwars door Nederland en Duitsland naar Boedapest weggevoerd. Tijdens de driedaagse helletocht kregen de gedeporteerden eten noch drinken. Peter, de zuigeling, heeft dit transport alleen kunnen overleven doordat zijn moeder hem borstvoeding kon geven.
        Het gezin trok in bij Guido’s joodse moeder, die als weduwe een klein huisje bewoonde. Haar man, Leopold Rosenstein, was in 1938 gestorven.
        Enkele maanden na aankomst werd Guido Rudnai, de niet-gelovige, weer hardhandig geconfronteerd met zijn joodse afkomst. De Wehrmacht bezette op 19 maart 1944 heel Hongarije. Joodse mannen moesten zich melden voor dwangarbeid. Guido kwam zodoende, samen met vele anderen, op 5 april 1944 in het beruchte Servische werkkamp Bor terecht.

Doopbewijs
Peter werd op 2-jarige leeftijd in Boedapest gedoopt. Voor Vera regelden Wilma’s grootouders in Bremen een doopbewijs en stuurden het op. Dit gebeurde waarschijnlijk om de kinderen te beschermen; als protestantse kinderen hadden ze wellicht meer overlevingskansen. Terwijl Wilma niet wist waar haar man verbleef en hoe hij het maakte, verzocht een bevriende joodse collega haar om zijn twee kinderen tijdelijk aan te nemen, een jongen van elf, en een meisje van zes, als ‘stiefkinderen’.
        Zijn vrouw, een arische Duitse, was uit paniek voor de Gestapo uit een raam op de derde verdieping gesprongen. De man zelf hoopte dat zijn kinderen bij de arische Wilma veiliger zouden zijn. Wilma nam de kinderen onder haar hoede. Met als gevolg dat zij nu zelf als jodin werd beschouwd, en zelfs werd beschimpt als een ‘stinkende jodin’.
        Joden werden intussen in Boedapest verdreven naar een getto, in Pest. Zo ook Wilma’s schoonmoeder. Wilma bleef achter in haar huisje, vier kinderen verzorgend. Tegelijkertijd keek ze ook om naar haar schoonmoeder, die inmiddels elders in de stad was komen te wonen. Ze bracht haar levensmiddelen. Vera: “Mijn moeder heeft een Duitse officier ertoe kunnen bewegen, voor een goed stukje geld, om haar schoonmoeder vanuit het getto naar een ‘beschermd’ huis te brengen. Hongeren moest mijn oma daar wel, maar ze heeft het overleefd.”
        Intussen nam het bedreigen en uitschelden toe. Toen het onhoudbaar werd, vluchtte Wilma met de vier kinderen het kleine huis uit. Vera Rudnai hierover: “Toen Boedapest al geheel omsingeld was door de Rote Armee, en het front erg naderde, zo eind december 1944, werden we door de buren uitgenodigd in hun schuilkelder. We dachten allemaal dat dit sterke, betonnen huis veilig zou wezen. Maar helaas hadden de Duitsers dezelfde mening: zij plaatsten rondom het huis een basis voor machinegeweren.”
        Wekenlange gevechten volgden, de scheidslijn tussen de Duitsers en de vijand was net de Istenhegyi-straat, de straat waar het huisje van Vera’s oma stond.
        Toen de woning van de buren door een bom werd getroffen, vluchtte iedereen in de aanbrekende duisternis naar het kantoor van een dominee. Zijn echtgenote liet de anderen toe, maar wees Wilma de deur. Een hulppastor nam haar en de vier kinderen evenwel mee naar een kindertehuis van het Rode Kruis, dat werd geleid door een diacones. En daar kon ze, in gezelschap van nog enkele onderduikers, blijven totdat Boedapest werd bevrijd.
        Van het weinige dat de diacones had, maakte ze dagelijks voor iedereen een ontbijt, en ze drong niemand haar geloofsovertuiging op. De diacones werd in januari 1945 op straat dodelijk getroffen door een verdwaalde kogel. De bewoners van het tehuis droegen haar naar huis, en begroeven haar in de tuin, in een bomkrater.

gedenkteken in Boedapest

Het gedenkteken in Boedapest, op de Donaukade.
Foto’s Redactie Website

Pijlkruisers
Guido Rudnai werd in november 1944 bevrijd door Joegoslavische partizanen. Vera: “Mijn vader was blij nu de gelegenheid te krijgen om op zijn beurt ánderen te helpen. Maar het front naderde snel, en de leiding van de partizanen besloot de mannen naar huis te sturen. Het was immers niet de moeite waard om mijn vader en zijn kameraden nog een schietopleiding te geven. Mijn vader had nog nooit in zijn leven een wapen in zijn hand gehad.”
        Te voet liep Guido Rudnai van Bor naar Boedapest. Begin december had hij Kecskemét, in het midden van Hongarije, bereikt. Nu moest hij echter zes weken wachten: het Rode Leger belegerde Boedapest.
        Pas na de bevrijding van de stad, op 13 februari 1945, werd het hem mogelijk om in Pest een tante van hem op te zoeken, de vrouw van zijn oom Arthur Kohn, de jongere broer van zijn moeder Paula. Arthur was vermoord door Pfeilkreuzler, de Pijlkruisers, de gewelddadige, antisemitische aanhangers van de nationaalsocialistische beweging in Hongarije − hoewel hij met een katholieke, arische vrouw was getrouwd. Vera: “Oom Arthur is, vermoedt ons gezin, in de Donau geschoten. Vlak voor Kerstmis 1944 hebben fascistische schoffies hem uit zijn woning gehaald, waar hij zich legaal met zijn arische vrouw ophield. We hebben nooit meer iets van hem gehoord. De ijzeren schoenen [een monument op de Donaukade] staan er ook voor hem.”
        Van zijn tante vernam Guido dat zijn moeder de oorlog heeft overleefd en dat zijn vrouw zich met de kinderen aan de andere zijde van de Donau bevond, in Boeda. Zijn partizanenpas tonend, liep hij over de pontonbrug van het Rode Leger naar dit stadsdeel. Zijn ouderlijk huis bleek totaal vernield, van de muren stond nog slechts 30-40 cm overeind. Vera: “Wat moet mijn vader daar wel niet gevoeld hebben, toen hij, na zoveel te hebben doorgemaakt, eindelijk zijn familie kon ontmoeten en een hoopje puin aantrof?”
        Buren vertelden hem dat Wilma zich juist aan de overkant ophield, in Pest, bij zijn grootmoeder. Hij ging terug. Toen de echtelieden elkaar eindelijk, verregaand vermagerd troffen, herkenden ze elkaar nauwelijks. Hun gezichten waren getekend door de lichamelijke en geestelijke ontberingen die ze hadden moeten doorstaan.
        Om de hongersnood in Boedapest te ontlopen, trokken Guido, Wilma en de kinderen in 1945 naar de provinciehoofdstad Kecskemét. Daar werden zij de eerste tijd bijgestaan door Joint, een Amerikaans-joodse hulporganisatie. Wilma kreeg hier een eerste kans om er als zangeres op te treden, met solo-optredens, en bij kerkelijke bruiloften. Hoewel de vooruitzichten in dit opzicht hoopvol waren, kampte ze intussen in haar dromen met doodsangstgevoelens. Ze leed aan slapeloosheid, hoofdpijn en apathie. Haar spijsverteringsorganen raakten aangetast, ze moest een galblaasoperatie ondergaan.

gedenkteken in Boedapest

In Boedapest, op de Donaukade, staan zestig paar metalen schoenen. Het is een monument dat de joden herdenkt die hier in de oorlog hun schoenen
moesten uittrekken. Om vervolgens te worden afgeschoten, waarna ze in de rivier vielen. Het gedenkteken is gemaakt door Can Togay en Gyula Pauer.
Foto’s Redactie Website

Oever
Pas in het voorjaar van 1947 kon het gezin Rudnai naar Boedapest terugkeren. De joodse bevolking bleek grotendeels uitgemoord.
        Van de 725.000 joden die het land telde, zijn er 568.000 omgekomen. Eerst werd het platteland judenfrei gemaakt. In drie maanden werden met 147 treinen 437.402 mensen naar de kampen afgevoerd, vooral naar Auschwitz, aldus Kees Bakker (1945-2006), oud-redacteur van De Waarheid en Hongarije-deskundige, in zijn essay ‘De Hongaarse joden, 1919-1945. Van de eerste wereldoorlog tot de holocaust’ (2003).
        Daarna volgde in het voorjaar van 1944 als laatste Boedapest, waar nog 200.000 joden woonden.
        Op de website van het internationale onderzoekscentrum Yad Vashem staat over deze operatie: “Bijna 80.00 joden werden gedood in Boedapest zelf, neergeschoten op de oever van de Donau en daarna in de rivier geworpen. Duizenden anderen werden gedwongen dodenmarsen te maken naar de Oostenrijkse grens. In december, tijdens de belegering door de Sovjets van de stad, werden 70.000 joden naar een getto gedreven en stierven duizenden van de koude, aan ziekten en van de honger.”
        Ondanks de terreur van de Pijlkruisers konden “tienduizenden joden in Boedapest worden gered, door leden van het Hulp en Reddingscomité en andere joodse activisten”.
        [Thans heeft Boedapest weer een grote joodse gemeente; het is zelfs de grootste van Centraal Europa. Op de kade langs de Donau is in 2005 een monument onthuld dat de massamoord in de herinnering houdt. Over een lengte van veertig meter staan zestig paar bronzen schoenen. Ze symboliseren dat de joden hier hun schoenen moesten uittrekken en op de rand moesten gaan staan, waarna ze werden afgeschoten, red.]

Herstel
Guido Rudnai ging weer als ingenieur werken. Zijn vrouw nam zangles, totdat haar stem voorgoed wegviel. Een verzoek om terug te keren bij Aviolanda wees hij af. Zoals zijn dochter Vera vertelde aan Günther Eisenhauer, zei Guido: “Ik ben al zo lang buitenlander, overal. Nu ben ik thuis. Hier wil ik blijven en meewerken aan de wederopbouw.” Rudnai pakte zijn wetenschappelijke werk weer op. Hij werd in 1951 docent en in 1954 professor aan de Technische Hogeschool van Boedapest, en bleef dat tot zijn pensionering in 1967.
        Vera, in haar brief aan de redactie van deze website: “Soms maakt de geschiedenis iets weer goed. Aan dezelfde universiteit die hem in 1920 afwees, waar hij niet eens mocht binnentreden, is hij vele jaren instituutsleider geweest, tijdelijk zelfs decaan. Mijn vader heeft ook veel internationaal erkend, wetenschappelijk werk gedaan. Hij is altijd geïnteresseerd gebleven in de luchtvaart, maar ook verschillende kwesties over materialen en hun gebruik hebben hem wetenschappelijk vaak beziggehouden.”
        Wilma had weliswaar door haar huwelijk automatisch het Hongaarse staatsburgerschap gekregen, maar het land bleef haar vreemd. Ze had heimwee naar Duitsland. Guido stelde haar in het jaar van zijn pensionering voor dat zij zouden proberen zich weer in Duitsland te vestigen, in Bremen. Zij dienden daartoe een verzoek tot Wiedereinsetzung in, een aanvraag om herstel van pensioenrechten, in feite om het ongedaan maken van wat zij door de nazi’s hadden verloren.
        Eisenhauer gaat er vrij gedetailleerd op in hoe moeizaam en bureaucratisch dit verliep, met processen en al. Maar uiteindelijk is het ervan gekomen: zowel Wilma als Guido is officieel erkend als Heimkehrer deutscher Volkszugehörigkeit. In 1977 feliciteerde Bremens burgemeester dr. Walter Franke hem ermee op zijn 75ste verjaardag.

***

Vier jaar later overleed Guido Rudnai, op 19 mei 1981, kort na zijn gouden huwelijksfeest. Zijn vrouw Wilma is veel langer blijven leven − afwisselend in Bremen en Boedapest, totdat haar gezondheid verslechterde. De kinderen beslisten dat zij nu maar in Hongarije moest blijven. Ze stierf op 5 augustus 2002, op 92-jarige leeftijd. En zo verwaaiden deze voormalige Dordtenaren in de wind van de geschiedenis.
                Günther Eisenhauer, de auteur van het biografische artikel over de Rudnais, wil de herinnering aan Arthur Rudnai levend houden, door voor hem in Boedapest een Stolperstein te laten plaatsen. Meerdere keren heeft hij dr. Vera Gyergyóiné Rudnai daarvoor om toestemming gevraagd.
                Maar zij wijst zo’n steentje af, vertelt zij, dit als dringende reden gevend: “Eisenhauer woont niet hier in Hongarije. Hij weet niet dat de politieke situatie hier zo erg is, dat mannen in fascistisch uniform, bijvoorbeeld van de SS, in Boedapest in gesloten rijen opmarcheren tot vlak voor de ramen van het paleis van de voorzitter van de Hongaarse staat. Ik wil niet dat de nagedachtenis aan oom Arthur nog een keer wordt geschonden.”


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'