Het voorbije joodse dordrecht

Oorlogsdrama’s verenigen zich in het
leven van de Dordtse Truus Haksteen

Truus Haksteen samen met haar man Bastiaan den Haan

Van Truus Haksteen is geen foto uit haar kinderjaren beschikbaar.
Op deze foto, van 4 juni 1952, staat zij als 24-jarige bruid,
samen met haar man Bastiaan den Haan.
Foto Privébezit

In het nog jonge leven van de Dordtse Geertrui Haksteen balden zich in notendop de verschrikkingen van de bezettingstijd samen: de virulente jodenhaat, de onderduik, vluchtpogingen, een brand, landverraad en een executie. Ze had er part noch deel aan – ze was pas onschuldig twaalf toen Nederland in de grote oorlog werd gesmeten, maar ze kreeg er zijdelings álles mee te maken.
         Daar was allereerst Rika, het joodse meisje met wie Truus op school zat. Op een dag bleef Rika weg, tot grote verwondering van de andere kinderen in de klas. Ze keerde nooit meer terug.
         Daar kwam bij die allesverwoestende brandstichting in het huis van haar ouders, alleen maar omdat zich er Nederlandse soldaten zouden schuilhouden.
         Verder was er oudoom Leen Sanner in Dubbeldam, die een mevrouw Wouters als huishoudster had. Deze tante Jo had eerder gewerkt bij de joodse familie Bendien in Den Haag. Tijdens de oorlog bewaarde mevrouw Wouters waardevolle goederen van de Bendiens, ergens in de Dubbeldamse tuin.
         En dan was daar nog die zoon van Leen Sanner, Gerrit Hendrik, kortweg Geert geheten. Deze betonwerker ontpopte zich in de oorlog als fanatiek NSB’er; hij werd lid van de beruchte Bloedgroep Norg. Dit was een groep Landwachters, die met ongekende grofheid jacht maakte op verzetslieden en joodse onderduikers.
         Vier ontluisterende facetten van de oorlog, verenigd in één kind.
         In dit verhaal wordt nagegaan wat Geertrui Haksteen in die oorlogsjaren, en ook soms nog lang daarna, niet wist: wat er werkelijk is gebeurd en vooral: wat er verder is gebeurd.

voormalige woning van de joodse familie Brandon

Patersweg 21:
dit is de voormalige woning van de joodse familie Brandon. Hier speelden dikwijls klasgenoten van Rika, omdat zij zulk mooi speelgoed had.
Foto Redactie Website

Speelgoed
Het was de zoon van Geertrui Haksteen (‘Truus’ in familiekring) zelf die er op wees hoe zijn moeder drievoudig is aangeraakt door de oorlog. Hij deed dat door twee korte, anekdotische stukjes te plaatsen op de interactieve website Joods Monument. Hij ondertekende die flarden van herinneringen met drs. A.B. den Haan, en daarachter bleek, na enig interactief e-mailen, Adrianus Barend (André) den Haan schuil te gaan, een historicus en genealoog van beroep. Hij is als enig kind van Truus Haksteen (Dordrecht, 17 april 1928) en wijlen Bas den Haan (Dordrecht, 13 augustus 1921-20 juni 1999) geboren 27 oktober 1954.
         Truus, schreef Den Haan op de website, zat bij Rika Brandon in de klas, op de lagere school aan de Jacob Marisstraat. Rika woonde vlakbij, in dezelfde wijk Oud-Krispijn, aan de Patersweg 25 rood (nu: 21). Verschillende kinderen uit de klas, onder wie Truus, speelden geregeld bij Rika thuis; zij had immers mooi speelgoed.
         Op een gegeven moment verscheen Rika onverwacht niet meer op school. “Waarom?” vroegen de kinderen aan meester Meijer. Hij zei: “Rika is weggegaan; ze komt niet meer terug.” Verder werd er niet meer over gesproken. Stilte sloot zich om het onderwerp.
         Desgevraagd kan André den Haan het typerende voorval niet aanvullen. “Van de Brandons weet ik verder niets”, meldt hij, sprekend namens zijn moeder.
         Dezelfde website Joods Monument ontsluiert enigszins het noodlot dat Rika trof. Research in het Dordtse archief brengt nog meer aan het licht.

Gemengd
Rika is het vierde en laatste kind van Mozes Jacob Brandon en Esther Brandon-Beekman. Zij (3 oktober 1926), haar broer Hyman Hartog (31 december 1921) en ook haar twee andere zussen, Elisabeth Duifje (27 mei 1914) en Henriette (15 oktober 1920), zijn allen geboren in Amsterdam, evenals hun ouders: werfbaas Mozes op 9 mei 1890, Esther op 7 februari 1891. Op 13 augustus 1937 verhuisde de volledig joodse familie naar Dordrecht, om er te gaan wonen aan de Patersweg.
         Op dat adres kwam een broer van Mozes in te wonen – Philip Mozes Jacob (10 maart 1912) – samen met diens vrouw, de rooms-katholieke Grietje Vonk (9 april 1917). Philip gaat als sjouwer werken in de Zeehaven, in het Dordtse filiaal van de Amsterdamse oude-metalenhandel Muller. Vermoedelijk is dit ook de werkkring van Mozes.
         Voordat de oorlog uitbreekt, zijn twee kinderen van Mozes en Esther al het huis uit en getrouwd, met niet-joden. Elisabeth (Betty) huwt in maart 1939 de losarbeider Jakob Stal (Dordrecht, 29 september 1917). Henriette trouwt in augustus 1939 de rooms-katholieke Cornelis de Waard (Dordrecht, 29 april 1913), eveneens een losarbeider. Deze gemengde huwelijken zijn hun redding gebleken.
         Op maandag 2 augustus 1943 verdwijnt Rika letterlijk uit Dordrecht, en voorgoed. In het politiedagrapport wordt genoteerd dat opperwachtmeester C. Maliepaard om 04.30 uur, dus midden in de nacht, “de jodinnen Esther Beekman en haar dochter Rika Brandon” op het hoofdbureau aflevert, waarna ze “op last van de feldgendarmerie” worden opgesloten. Later die dag, om 15.30 uur, worden ze op transport naar Rotterdam gesteld.
         Over de arrestatie van Rika’s vader en van haar broer Hyman Hartog is in dit politiejournaal niets te vinden, maar hen trof hetzelfde: vernietiging. Hyman blijkt al veel eerder te zijn gedeporteerd, naar Auschwitz, op 30 september 1942. Rika’s vader werd vermoord in Sobibor, op 4 juni 1943, haar moeder en zijzelf in Auschwitz, op een en dezelfde dag: 27 augustus 1943.
         André den Haan laat nog weten dat zijn moeder “zich nooit bewust is geweest dat Rika joods was”. “Dat werd pas later bekend, toen bleek dat Rika en haar familie vermoord waren. Waaruit misschien afgeleid mag worden dat men toentertijd heel weinig over de jodenvervolging sprak, maar ongetwijfeld wel wist dat er iets heel bijzonders aan de hand was. ‘Beter niet te veel zeggen over die dingen’– zo zou je het het beste kunnen omschrijven.”

wederopbouw Vincent van Goghstraat

De wederopbouw, aan de Vincent van Goghstraat, van huizen die tijdens de meidagen van 1940 beschadigd geraakt waren of vernield. In deze straat woonde ook de familie Haksteen, totdat zij werd getroffen door een verwoestende brand.
Foto RAD (552_301335)

Soldaten
En dan die brandstichting, die Truus behoorlijk ontregelde.
         Samen met haar ouders, Barend Haksteen (Dordt, 16 april 1904) en Cornelia Gijsberta (Cor) van Soomeren (Dordt, 11 juli 1904), woonde Truus in de aanloop naar de oorlog in de Vincent van Goghstraat. In mei 1940 schoten de Duitsers het in brand. Zij vermoedden dat zich daar, of in een van de naburige panden, Nederlandse soldaten verschansten, die “kennelijk de opdracht hadden de Duitse parachutisten tegen te houden die geland waren langs de nabijgelegen Zuidendijk”, aldus Den Haan.
         Het huis en alles wat zich erin bevond, brandde volledig af, de kleren die de gezinsleden aanhadden uitgezonderd. Den Haan: “Die gebeurtenis heeft op mijn toen nog maar twaalf jaar oude moeder zonder meer de meeste indruk gemaakt. Dichterbij kan een oorlog zeker niet komen bij een kind.” Enige tijd later kregen haar ouders een woning in de Jacob Marisstraat toegewezen.

Pruik
In Dubbeldam bezocht Truus Haksteen, al voor de oorlog, vaak Leen Sanner, een aangetrouwde oudoom van haar vader. Hij woonde samen met huishoudster Johanna Theodora Wouters aan de Rechte Zandweg A519 (later werd dit nummer 26).
         Leendert Willem Sanner (Dordrecht, 1872), stoker op de gasfabriek in Dordrecht, had op 1 juli 1930 zijn vrouw Johanna Rook (Dordrecht, 1872) verloren. Samen hadden ze zes kinderen gekregen, achtereenvolgens Wilhelmina (1893), Hendrik (1895), Leendert Willem (1895), Johanna Elisabeth (1904), Johannes Dirk (1908) en Gerrit Hendrik (1909). Nu was hij weduwnaar.
         In mei 1934 kwam Johanna bij hem werken. Zij was geboren in Delft (25 augustus 1879), maar kwam thans uit Den Haag, waar ze in de jaren twintig lange tijd de huishoudster en de kinderjuf was geweest van de familie Bendien. In Dubbeldam kreeg ze dezelfde functies.
         Tante Jo droeg een pruik. Volgens André den Haan had zij tijdens een bepaalde kerstmis, bij een brand in huize Bendien, de kinderen onder een brandende kerstboom vandaan gered. “Daarbij was haar haar verbrand, dat nooit meer helemaal is teruggegroeid. De familie Bendien heeft haar toen een pruik gegeven.”
         Nog een bijzonderheid die Den Haan op gezag van zijn moeder weet te vertellen, is dat de familie tijdens de oorlog goederen in bewaring heeft gegeven aan hun voormalige huishoudster. De spullen “zouden zijn begraven”, rapporteert Den Haag voorzichtig, “in de tuin achter Sanners huis.” Toen Leen Sanner na de oorlog op sterven lag (hij stierf op 7 december 1948), vroegen zijn kinderen: “Vader, waar is de schat?” Den Haan: “De goederen zijn nooit meer teruggevonden.”

Indonesië
Wat heeft zich nu voor en tijdens de oorlog afgespeeld rond de familie Bendien?
         André den Haan kan er niet exact over zijn. Hij weet alleen dat “een jonge Bendien”, volgens zijn moeder John geheten, contact heeft gehouden met Johanna Wouters. “Hij kwam haar soms in Dubbeldam opzoeken, omdat zij zijn kinderjuf was geweest.” Verder vermoedt hij dat “zijn familie en denkelijk ook hijzelf de oorlog niet hebben overleefd”.
         Dit klopt niet, en ook de joodse afkomst van de Bendiens ligt genuanceerder. Dit blijkt als na speurwerk in Zoetermeer Frans Robert (Bob) Bendien wordt gevonden. Hij is de zoon van Gerard Willem Bendien, die op zijn beurt één van de kinderen was die Johanna Wouters mede heeft opgevoed. Al die zeven kinderen zijn inmiddels overleden, moet Bob Bendien helaas melden, maar in tegenstelling tot wat Den Haan veronderstelde, hebben vijf van hen de oorlog overleefd.
         Hoe dit kon? De familie Bendien was weliswaar van oorsprong joods, en actief in de Twentse textielindustrie, maar de Haagse tak ervan, de tak die JohannaWouters diende, niet. Vader Louis Levie Bandien (Almelo, 17 oktober 1878) zwoer het joodse geloof af. Hij trouwde met de niet-joodse Maria Andrietta Schoorel (Poerwokarta, 31 maart 1884), in Batavia overigens, op 26 augustus 1909. Op hun gezinskaart wordt als geloof NH vermeld, al is dit later doorgestreept.
         Nog in Batavia, tegenwoordig Jakarta genoemd, kwamen vijf van de zeven kinderen ter wereld: Cornelis Pieter Gerard (Cees; 1910), Tekla Elisabeth (Thé, 1912), Jacques Marie (1913), Louise Frederika (1915), en Johan Charles (John, 1918). Vader Bendien handelde er in geïmporteerde chemische artikelen. In september 1920, zo meldt Pieter van der Hoeven, medewerker van de Hollandse Vereniging voor Genealogie ‘Ons Voorgeslacht’, vestigt het gezin Bendien zich in Den Haag – eerst op de Van Boetzelaerlaan 99, later de Frederik Hendriklaan 8 en ten slotte de Joh. van Oldenbarneveltlaan 27.
         In Den Haag worden de laatste twee kinderen geboren, Justine Leonie (Tineke, 21 november 1920) en Gerard Willem (Gé, 22 november 1922), de vader van Bob Bendien. Bob Bendien heeft ooit van zijn vader “wel eens gehoord” over de kinderjuf in Dubbeldam. Zelfs “kan het zijn dat ik als klein jongetje daar op bezoek ben geweest. Maar ik kan mij daar niets meer van herinneren.” Over die ‘schat’ in de tuin weet hij niets.
         Johanna Wouters, de behulpzame huishoudster, is in mei 1964 gestorven.

kappersploeg van de joodse kapperszaak Lobatto in Amsterdam

Bobby Spier en Tineke Spier-Bendien en hun neefje Peter
bij hun woning in Tilburg.
Foto Joods Monument

Struikelsteen
Wie waren de twee kinderen Bendien die slachtoffer van de oorlog werden?
         Ten eerste was het Louise, al gaat voor haar op dat zij niet stierf als gevolg van de jodenvervolging. Louise was stewardess; zij kwam om het leven door een helikopter-ongeluk, in 1945, in Frankfurt. Anders ligt het bij haar zus Justine, de Tineke.
         Zij was sinds 6 januari 1940 in Den Haag getrouwd met de joodse Franz Robert Spier, zelf afkomstig uit Düsseldorf (7 juli 1913). Vanaf de trouwdag woonden zij in Tilburg, aan de Burg. van Meursstraat 5. Volgens het Regionaal Archief Tilburg ondernam het echtpaar in december 1941, samen met twee Tilburgse vrienden Bertram Polak en Alfred de Wit, een poging te vluchten naar Engeland, per boot.
         Dit mislukte. “Vermoedelijk door verraad is het schip even voor de kust van Oostvoorne door een Duitse patrouillevaartuig onderschept.” De vluchtenden werden gearresteerd op 9 december en gedeporteerd. Franz Robert Spier werd, samen met Bertram Polak, vermoord in Auschwitz-Birkenau, op 17 augustus 1942. Tineke Spier is op 19 maart 1945 omgebracht in het concentratiekamp Mauthausen.
         In het huis dat Bertram Polak bewoonde, aan de Prof. Dondersstraat 77, kwam in 2000 prof. Arnoud-Jan Bijsterveld terecht, hoogleraar Cultuur aan de Universiteit van Tilburg. Hij begon een speurtocht naar Bertram en diens familie en reconstrueerde de vluchtpoging en de afloop. Zijn bevindingen resulteerden in een verhaal voor In Brabant, een tijdschrift voor Brabants Heem en Erfgoed. Via deze link is het te lezen: http://www.thuisinbrabant.nl
         Ook nam hij het initiatief voor een Stolperstein, een struikelsteen in het trottoir bij zijn huis – als een pontificaal eerbetoon. Bob Bendien, die is geboren op 29 april 1946 en is vernoemd naar zijn Tilburgse oom Bobby Spier, was in april 2011 aanwezig bij de steenlegging.

bericht in het Nieuwsblad van het Noorden van 1 mei 1947

Een bericht in het Nieuwsblad van het Noorden van 1 mei 1947: de voormalige Dordtenaar Geert Sanner, leider van de brute Bloedgroep Norg, is hedenochtend geëxecuteerd.
Foto Redactie Website

Extreem
Ten slotte is er die brute zoon van Leen Sanner, Geert, de derde ‘kennismaking’ van Truus Haksteen met de uitwassen van de oorlog.
         Of zij hem persoonlijk heeft gekend, is twijfelachtig, want hij verliet Dubbeldam al in 1932, toen zij nog pas vier jaar oud was. Maar dat deze neef zich afzichtelijk heeft gedragen in Drenthe, is na de oorlog volledig tot haar doorgedrongen.
         Geert Sanner is in Dordrecht geboren, in een huis aan het Slikveld 12. Pas in april 1931 verhuist hij met zijn ouders, broers en zussen naar Dubbeldam. Sanner blijft er niet lang, zo valt op te maken uit de genealogische website van André den Haan, waarop hij zijn stamboom toont en de omzwervingen van Geert Sanner weergeeft (stamboomonline.nl).
         In februari 1932 vertrekt Sanner naar Den Haag, in februari 1939 naar Amsterdam. Hij, een volbloed NSB’er, oefent ondertussen verschillende beroepen uit: venter in galant, winkelbediende, grondwerker, bouwvakarbeider en betonvlechter.
         Eind 1944 bevindt Sanner zich, al toe aan zijn derde echtgenote, in Drenthe. Hij wordt er leider van een “extreem gewelddadige” groep Landwachters, aldus de website Drenthe in de oorlog .“In korte tijd wordt deze Bloedgroep Norg berucht vanwege haar hardhandige optreden, martelpraktijken en zelfs executies.”
         Het geschiedenisprogramma van de publieke omroep, Andere Tijden, heeft in maart 2013 een uitzending gewijd aan de Blodplog. De eindredacteur ervan, de journalist Ad van Liempt, beschreef hun wreedheden vrijwel tegelijkertijd in een artikel voor het Historisch Nieuwsblad.
         Hij signaleert dat de landwachters zich dikwijls volgoten met jenever voordat zij op onderduikers en verzetsstrijders gingen jagen. Zij beschouwden ze als ‘terroristen’, tegen wie alles geoorloofd was. Geruchtmakend was de badkuipmethode, waarbij verdachten net zo lang werden ondergedompeld tot zij bekenden.
         “Het is eigenlijk verbijsterend om te zien”, concludeert Van Liempt, “hoe mensen als Sanner [...] zich in de laatste fase van de bezetting te buiten konden gaan aan de ernstigste misdaden, zonder dat iemand daar iets tegen deed. Ook de Duitse autoriteiten niet, die weliswaar gruwden van het gebrek aan discipline bij vooral de Landwacht, maar die de opgelegde taak – rust en orde in Nederland handhaven – belangrijker vonden dat het in de hand houden van de uitvoerders.”
         Sanner kreeg na de oorlog in Assen, in augustus 1946, voor zijn misdaden de doodstraf opgelegd, door de Drentse kamer van het Bijzonder Gerechtshof te Leeuwarden. Hij vroeg gratie aan, maar op 1 mei 1947 bericht het Dordrechtsch Nieuwsblad dat H.M. de Koningin afwijzend heeft beschikt en dat het doodvonnis nog diezelfde ochtend is voltrokken, met een kogel.

***
links: André den Haan en rechts: Truus Haksteen Vier gebeurtenissen, vier oorlogsdrama’s.

Ze leggen al met al een schemerwereld bloot die je liever verborgen houdt voor kinderen als Truus Haksteen.
Links: Historicus André den Haan, de zoon van Truus Haksteen, hier gefotografeerd in het Franse Bayeux in 2011.
Rechts: Truus Haksteen zelf, op een actuele foto. Zij is inmiddels tachtiger.
Foto Privébezit



< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'