Het voorbije joodse dordrecht

Izak Andriesse scheidde van zijn vrouw
en vertrok naar Dordrecht − zogenaamd

Izak Andriesse was doodsbang voor de Duitsers, die het immers totaal niet hadden begrepen op mensen zoals hij: joden.
        Zijn vrouw had als niet-joodse niets te vrezen, en zijn drie kinderen daardoor ook niet. Maar zelf achtte Izak zich allerminst veilig en hij nam een ingrijpende maatregel: hij scheidde van zijn echtgenote en verliet voorgoed hun dijkhuis in ’s-Gravendeel, om naar Dordrecht te vertrekken. Hij verbrak officieel alle banden met zijn gezinsleden en verdween definitief uit hun leven. Een harteloos besluit, maar zó bang was hij nu eenmaal.
        In werkelijkheid veranderde er echter niets. Izak Andriesse dook weliswaar onder in Dordrecht (en na 74 jaar kan nu ook worden onthuld op welk adres), maar binnen de kortste keren was hij terug in ’s-Gravendeel, om zich er jarenlang te verstoppen – onder de vloer van zijn eigen woning.
        Zijn echtscheiding was zogenaamd, zoals ook zijn verhuizing naar Dordrecht dat was. Zijn schijnbaar hardvochtige handelingen bleken nep, alleen maar bedoeld om zichzelf uit handen van de wreedaardige Duitsers te houden. Izak Andriesse had een afleidingsmanoeuvre toegepast, een slimme.
        Slagen deed deze truc zeker. Want veilig wist hij de bevrijding, de eindstreep, te halen. Maar kort daarna sloeg het noodlot alsnog onbarmhartig toe. Izak Andriesse bleek, verstopt in zijn schuilplaats onder de vloer, een dodelijke ziekte te hebben opgelopen. In december 1945 sneuvelde hij daaraan.
        In dit verhaal: de tragische afloop van Izak Andriesses wanhoopsdaad.

Tweede huwelijk
Toen Izak Andriesse, op 2 mei 1901 in Rotterdam, werd geboren, had zijn moeder al een heel huwelijksleven achter de rug, inclusief vier bevallingen. Rebecca Kingsbergen (Amsterdam, 11.11.1863) was op 31.5.1882 op 18-jarige leeftijd in Amsterdam getrouwd met de 20-jarige koopman Jonas Roodfeld (Helder, 26.3.1862). Zij kreeg met hem vier kinderen, allen geboren in Amsterdam: Abelia (15.5.1884), Willem Alexander Paul Frederik Lodewijk (19.2.1887), Elisabeth (18.2.1888) en Jacob Emanuel (14.7.1889).
        Kort na de geboorte van de laatste werd het huwelijk ontbonden. Daarna trouwde Rebecca, inmiddels van beroep paraplumaakster, opnieuw, nu op 3.8.1890 in Rotterdam met Levi Andriesse (Den Bosch, 29.7.1865), ook een paraplumaker. Voor hem was het zijn eerste bruiloft, al zou het niet zijn laatste zijn. Op 24 juni 1908 hertrouwde hij met Johanna de Jong (Rotterdam, 26.4.1883); op 5 juni 1935 begon hij nog eens aan een derde huwelijk, met Roosje Velleman (Den Helder, 27.8.1875).
        Maar het was Rebecca die Izak baarde, de zoon die zichzelf in de Tweede Wereldoorlog in ’s-Gravendeel op slinkse wijze verdonkeremaande.
        Bij Izak bleef het niet. Na hem kwamen nog Emanuel (28.11.1902) en Mietje (25.7.1904).
        Nu toch de genealogie van vader en moeder Andriesse worden geschetst: in zijn huwelijk met de Nederlands-Hervormde Johanna de Jong kreeg Levi nog eens drie kinderen (Mietje, 19.6.1910), Pieter Wilhelmus (8.2.1913) en Louis (28.3.1917). Van Rebecca zijn geen nadere kinderen bekend. Op de website Joods Monument wordt beweerd dat zij met Jonas Roodfeld, die overigens stierf in 1896, wel tien kinderen heeft gekregen en met Levi Andriesse ook nog enkele levenloze.
        Rebecca Kingsbergen overleed op 24 augustus 1940, in Den Haag, op 76-jarige leeftijd. Zij ligt begraven op de joodse begraafplaats in Rotterdam.

persoonskaart van het gezin Andriesse in het Gemeentearchief van Rotterdam

De persoonskaart van het gezin Andriesse in het Gemeentearchief van Rotterdam, de stad waar de familie woonde voordat zij naar ’s-Gravendeel verhuisde. Op de Duitse Mina na is iedereen in Rotterdam geboren. Foto’s van de gezinsleden zijn tot nog toe niet gevonden.
Foto Gemeentearchief Rotterdam

Woonkaart
In juni 2016 stuit de Dordtse archiefonderzoekster Erica van Dooremalen op Izak’s naam. Zij is al jaren bezig openbare bestanden te digitaliseren. Zij fotografeert en transcribeert daartoe in het Dordtse archief bijvoorbeeld woonkaarten, die de bewoning en woongeschiedenis van een pand reflecteren.
         Izak Andriesse blijkt op 20 juli 1942, midden in de oorlog, ingeschreven te zijn in Dordrecht, op het adres Sint Jorisweg 33 (nu: 49). Deze woning behoort toe aan kleermaker Mozes Tonninge, die er al sinds 15 september 1937 huist. Bij beide mannen staat in potlood ‘weg g.br’ gekrabbeld. Betekent dit wellicht ‘weggebracht’? Ook staan er de datum 16.3.1943 en de afkorting ‘v.o.w’. Zestien maart 1943 is de datum die de gemeente bij alle joden schreef die ‘vertrokken onbekend waarheen’ waren.
        Van Dooremalen wijst de redactie van deze website op Izak Andriesse. Ze voegt een bericht uit de Dordrechtsche Courant van 22 juli 1942 bij, getiteld ‘Van komen en gaan’. Hierin wordt Izak’s komst naar Dordt vermeld. Er staat bij dat hij N.I. is, Nederlands-Israëlitisch, winkelbediende en uit het naburige ’s-Gravendeel komt, waar hij woonde aan de Strijensedijk 22a.
        Wie zou deze Izak Andriesse verder zijn? Wat deed hij in Dordrecht? En: hoe is het met hem afgelopen?
        Al snel leidt het onderzoek naar het boek 1593 ’s-Gravendeel 1993, uitgegeven ter gelegenheid van het 400-jarig bestaan van dit dorp aan de Dordtse Kil in de Hoeksche Waard. Het is volledig gewijd aan de geschiedenis van ’s-Gravendeel. Oud-CDA-burgemeester Dimmen Lodder (Goes, 24.8.1921 – ’s-Gravendeel, 18.10.2008), die in ’s-Gravendeel diende van augustus 1971 tot september 1986, schreef een hoofdstuk over het joodse leven ter plaatse. Een leven dat trouwens beperkt was. Lodder: “Gedurende de Tweede Wereldoorlog woonde er slechts één joods gezin in ’s-Gravendeel.”
        En dat was het gezin van Izak Andriesse.
        In Lodders bijdrage ontvouwt zich het trieste drama dat zich in dit gezin afspeelde: de noodzaak die Izak voelde om zijn vrouw en kinderen te verlaten, de manier waarop hij vervolgens de Duitsers misleidde, de keelkanker die hem kort na de bevrijding vloerde. Alles staat er in feite in, soms blijkt al speurend dat er inderdaad niets nieuws meer onder de zon is.
        Aangevuld met getuigenissen van dorpsgenoten, en nieuw opgedoken familiegegevens, worden hier Izak’s oorlogsbelevenissen herverteld.

In ’s-Gravendeel betrok het gezin op nummer een huis op de Strijensedijk

In ’s-Gravendeel betrok het gezin op nummer een huis op de Strijensedijk, die vrij centraal in het dorp ligt. Deze woning bestaat nog altijd. Zij staat pal naast een langgerekte schuur, een voormalig pakhuis voor vlas. Tegenwoordig is het huis bijna volledig geblindeerd. Vroeger oogde het meer als een normale woning, zoals de zwart-wit foto van de Historische Vereniging ’s-Gravendeel (HVG) laat zien.
Foto Redactie Website en HVG


Duitse
Izak Andriesse, arbeidend als confectiebediende, trouwde op 23 maart 1927 in Den Haag met Mina Kölle, een vrouw die, zoals haar naam al enigszins aangeeft, van Duitse oorsprong is. Zij is geboren in Überkingen (gemeente Geislingen) op 7 september 1904. Op latere leeftijd raakte zij verzeild in Nederland: Mina, van geloof Duits-Evangelisch, kwam als dienstbode te werken de familie Grijseels, aan de Haagse Noordsingel 77.
        Nog op de dag van de bruiloft vestigt het echtpaar zich in Rotterdam. Ze blijven daar wonen tot 24 maart 1930. Vertrekken dan naar Den Haag, maar keren terug in Rotterdam op 17 maart 1931, om daarna op 5 mei 1937 naar Schiedam te verhuizen en nog weer later naar ’s-Gravendeel, naar de Strijensedijk 22. Dit is een klein, nog altijd bestaand dijkhuis, dat grenst aan een lange schuur, een pakhuis.
        Intussen komen er kinderen, drie in totaal. De eerste is Michael (27.9.1927), de tweede Rebecca (7.3.1929), de laatste Otto (7.6.1931). Ze zijn allen geboren in Rotterdam, en worden geregistreerd als zijnde Nederlands Hervormd.
        In de oorlog, als joden in toenemende mate verbeten bijeen worden gedreven en afgevoerd om te worden vergast, is Izak Andriesse de enige in het gezin die “gevaar liep naar Duitsland te worden gedeporteerd”, schrijft Lodder. “Zijn vrouw was niet-joods. Omdat kinderen slechts als joods worden beschouwd als de moeder joods is, was het gevaar voor de kinderen Andriesse ook kleiner. Zij gingen dan ook gewoon naar school. Van Duitse zijde werd erop aangedrongen dat zij naar een Duitse school zouden gaan, maar dat weigerde hun moeder.”
        Izak vreest de nazi’s en “voor alle zekerheid” neemt hij twee doortastende besluiten: hij gaat scheiden en hij gaat weg uit ’s-Gravendeel.
        Lodder meldt dat de echtscheiding op 2 mei 1942 wordt ingeschreven. Via de website Delpher van de Koninklijke Bibliotheek wordt er een bewijs van gevonden: een publicatie in de Nederlandsche Staatscourant van 30.5.1942. Er staat in dat de arrondissementsrechtbank in Dordrecht het huwelijk op 6 mei bij vonnis “ontbonden [heeft] verklaard”. Het is dus heus waar dat Izak en Mina, op papier, uiteen zijn.
        Vervolgens voltooit Izak zijn afleidingsmanoeuvre door ook lijfelijk te verdwijnen. Lodder: “Hij ‘vertrok’naar Dordrecht, maar alleen om onder te duiken.” Naar eerst nu aan het licht is gekomen, trekt Izak in bij de kleermaker Mozes Tonninge. Hoe hij er terecht kwam, en of ze elkaar al kenden, is niet meer te achterhalen. Ingaande 20 juli 1942, zo’n drie weken na de echtscheiding, bivakkeert Izak Andriesse in Dordrecht. Voor buitenstaanders lijkt het alsof hij zijn gezin op kille wijze heeft afgedankt, zomaar, plotseling.

JIzak Andriesse scheidt van zijn vrouw

Izak Andriesse scheidt van zijn vrouw. In de Nederlandsche Staatscourant van 30 mei 1942 staat dat het huwelijk op 6 mei ontbonden is verklaard.
Foto Delpher

Bedrog
Maar dit is, zoals gezegd, bedrog. “Al snel” is hij terug in ’s-Gravendeel. Volgens Dimmen Lodder houdt hij zich eerst “enkele weken” schuil bij zijn visvriend Dirk Kolmsberg in de Biekurf, een straat in het dorp.
        Omwonenden blijken te weten dat Andriesse zich in hun nabijheid verstopt. Eén van hen, Piet Barendregt, vertelt dat in een van de talloze interviews die Will van Velsen dorpsbewoners in de voorbije jaren heeft afgenomen, als vrijwilliger van de Historische Vereniging ’s-Gravendeel (HVG). Secretaris Arie Mol stuurde citaten uit deze ooggetuigenverhalen naar de redactie van deze website. De interviews zijn nooit ergens geplaatst. “Ik deed er zoveel dat daar niks van kwam”, verklaart Van Velsen.
        Barendregt vertelde: “We leefden prima met elkaar in de Biekurf, maar je kon elkaar ook niet erg vertrouwen. In ander opzicht kon je elkaar weer wel vertrouwen. Dat was zo vreemd in die kleine gemeenschap. Wij wisten in de Biekurf namelijk allemaal dat er een klein joodje verborgen was: Sjaak Andriesse, die woonde op de dijk. Niemand zou daarover iets doorvertellen. Je kon van elkaar op aan wat dat betrof. Maar op het gebied van het materiële lag het even anders.”
        Nadien en “gedurende de rest van de oorlog” zat Izak Andriesse ondergedoken in zijn eigen huis, recht onder de gezinsleden. Lodder: “In het dijkhuis waren onder de vloer enige ruimtes om in weg te kruipen.”
        Hoewel zijn aanwezigheid werd verzwegen, en de buitenwacht hem niet zag, was het in het huis niettemin “erg gevaarlijk”, vervolgt Lodder - die Izak abusievelijk ‘Isak’ noemt.
        “Op een bepaald moment waren er in het pand zelfs Duitse soldaten ingekwartierd. Daarmee kreeg de situatie iets van een kat-en-muisspel. Izak kon daarbij rekenen op de hulp van A. Overhoff, commandant van de verzetsgroep ’s-Gravendeel. Hoe groot het gevaar was, bleek toen Izak tegen het einde van de oorlog snel in de bedstee moest duiken, omdat de Duitse soldaten ‘thuis’ kwamen. Tot overmaat van ramp moest hij hoesten, wat gelukkig niet werd opgemerkt.”

Andriesse misleidt Duitsersdoor naar Dordrecht te verhuizen

Een bericht in de Dordrechtsche Courant van 22 juli 1942 laat zien dat Andriesse het misleiden van de Duitsers vervolmaakte door naar Dordrecht te verhuizen. Nu leek het net alsof hij zijn gezin de rug had toegekeerd.
Foto Krantenbank Regionaal Archief Dordrecht

Leeftocht
Wist werkelijk niemand dat Izak Andriesse zich in z’n woning verstopt hield? Toch wel.
        Het echtpaar A. de Vos-Boudewijns bijvoorbeeld zorgde voor de nodige distributiebonkaarten. En secretaris Arie Mol weet van een opa en diens zwager die Andriesse tijdens de onderduik van ‘leeftocht’ voorzagen, “en zo zorgden dat hij ongemerkt in huis kon verblijven”. Mol wil hun namen liever niet noemen, omdat het “heel goed mogelijk is” dat meer mensen Andriesse hebben geholpen, en hij zou het verkeerd vinden die dan onvermeld te laten.
        En dan is er nog de getuigenis van Toon den Hartog, in zo’n interview met Will van Velsen. Hij gaat er uitgebreid op in hoe hij, nog wel op uitdrukkelijk verzoek van mevouw Andriesse, bij haar in huis trok.
        “Ik woonde voor de oorlog op Schenkeldijk 166”, begint Den Hartog zijn relaas. “In de oorlog ben ik verhuisd naar Schenkeldijk 99. In 1944 kregen we opdracht te verhuizen; het gebied waar we woonden werd sperrgebied. Voor we hadden beslist waar we naar toe zouden gaan, kregen we bezoek van Beppie Andriesse. Zij vroeg ons of wij alsjeblieft bij hen in huis op de Strijensedijk wilden komen inwonen.
        “Veldwachter Aart in ’t Veld was namelijk bij hen [mevrouw Den Hartog] aan de deur geweest. Hij had gevraagd of zijn zus, die in Mookhoek woonde en moest evacueren, bij hen in huis mocht komen wonen. Hij meende dat er in dat huis voldoende ruimte was voor een evacuée, nu er alleen een moeder met drie kinderen woonde. Voor de buitenwereld was mevrouw Andriesse namelijk gescheiden van haar man.”
        Voor de familie Andriesse, vervolgt Den Hartog, zou het een ramp zijn als een onbekende bij hen zou komen wonen. “Bij hen waren ook al eens twee Duitsers ingekwartierd geweest. En het was erg moeilijk geweest om te zorgen dat die niet in de gaten kregen dat de heer des huizes zich nog steeds in de woning bevond.”

woonkaart van het pand Sint Jorisweg 33

Dit is de woonkaart van het pand Sint Jorisweg 33 (na de omnummering: 49) in Dordrecht. Andriesse wordt ingeschreven als mede-bewoner op 20 juli 1942. In potlood is bij zijn naam en die van hoofdbewoner Mozes Tonninge geschreven: ‘weg g.br.’. Weggebracht?
Foto Erica van Dooremalen


Zolder
Daarentegen kende de familie Andriesse de familie Den Hartog goed: een broer van Toon had er bijvoorbeeld voor gezorgd had dat zij, in 1940 of 1941, vanuit Rotterdam naar ’s-Gravendeel kon verhuizen. De Den Hartogen besloten daarom meteen op het aanbod in te gaan.
        “Zo trokken we in de woning van Andriesse. We hadden de zolderverdieping tot onze beschikking. Daar hadden we een kacheltje, een potkachel en konden er stoken. Doordat we over aardappels als ruilmiddel beschikten, konden we aan steenkool komen. We ruilden een mud steenkool tegen twee mud aardappelen, bij de kapitein van een sleepboot die in de haven lag. De steenkool bestond uit grote brokken die je fijn kon slaan. Er was een zolderkamer die we gebruikten als woonkamer en de rest van de zolder om te slapen. We kookten zelf. We waren met vijf, later zes personen: vader, moeder, drie kinderen en later nog een nichtje uit Delft.”
        Mevrouw Andriesse woonde voornamelijk in de keuken, vertelde Toon den Hartog.
“Izak Andriesse kwam soms bij ons zitten. Voor ons hoefde hij zich niet verborgen te houden. Hij had een veilige plaats in huis. Via de kelder kon hij onder de vloer van de kamer komen. Een gang ernaast kwam op het pakhuis uit, waar balen vlas lagen. Hij had een sleutel om in geval van nood het pakhuis in te gaan.”

Het pand waarin Izak Andriesse zich even verschool

Het pand waarin Izak Andriesse zich even verschool, is lang geleden al gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Maar op deze ansichtkaart van 1929 uit het Regionaal Archief Dordrecht staat het nog. Links, vlak naast de hoek met het Kasperspad, staan achter de man en vrouw met kinderwagen drie huisjes. Eén ervan is de woning van Mozes Tonninge.
Foto RAD (nummer 552_401699)

Ziekenhuis
Dat hoesten van Izak Andriesse was de voorbode, een symptoom van de ziekte die hem ging vellen. Den Hartog: “Hij was ziek, had kanker aan zijn tong, kon bijna niet eten. Hij at voornamelijk pap.”
        Op een gegeven moment moest Andriesse toch echt naar een ziekenhuis, oordeelde dokter Van der Bijl, die de patiënt bezocht als de Duitsers er niet waren. Maar hoe vervoer je een patiënt die niet bestaat? De verzetsgroep regelde het.
        Den Hartog zegt dat hij Andriesse achterop de fiets naar de boerderij van A. Vogelaar aan de Maasdamseweg bracht. “Daar werd hij helemaal ingezwachteld door dokter Van der Bijl.” Hij kreeg een hoofdverband, wat geen argwaan zou wekken: even tevoren had er een beschieting plaatsgevonden, hij was een ‘gewonde’.
        Vervolgens heeft Dries de Man van het taxibedrijf Gratax (’s-Gravendeels taxi) Andriesse met zijn taxi over het veer naar het ziekenhuis in Dordrecht getransporteerd. Den Hartog: “Ik ging niet mee, ik ging weer met de fiets terug naar huis. Ik heb later gehoord dat er op de pont een man was van twijfelachtige komaf, die erg nieuwsgierig was naar de gewonde. Want hij had niets van een ongeluk gehoord. Dries de Man heeft hem toen gezegd: ‘Jij zou het toch ook niet leuk vinden als iemand zo naar jou zit te staren’, en hij droop af.”
        Andriesse werd in het ziekenhuis opgenomen onder de naam van Dirk Kolmsberg. Na een kort verblijf keerde hij snel terug naar ’s-Gravendeel. Hij was niet genezen, en zou ook niet meer genezen.

Izak Andriesse ligt begraven op de joodse begraafplaats aan het Toepad in Rotterdam

Izak Andriesse weet zich jarenlang, en met succes, te verstoppen onder de huiskamervloer van zijn eigen woning aan de Strijensedijk. Maar in december 1945 sneuvelt hij alsnog, aan een dodelijke ziekte. Hij ligt begraven op de joodse begraafplaats aan het Toepad in Rotterdam.
Foto Website Het Stenen Graf

Hertrouwen
Op bevrijdingsdag stuiterde de blijdschap door Nederland. In ’s-Gravendeel kon Izak Andriesse tevoorschijn komen uit zijn schuilplek en zich weer voluit aan het dorp vertonen. Op 30 mei trouwde hij opnieuw met Mina Kölle, en op 12 juni werd hij weer officieel ingeschreven in het bevolkingsregister als ingezetene. Alles werd weer normaal.
        Maar “lang heeft hij niet van de vrijheid mogen genieten”, besluit Dimmen Lodder zijn terugblik op Izak Andriesse. Op 12 december 1945, acht maanden na de bevrijding, overleed hij. Zijn vrouw en kinderen wilden daarna kennelijk niet langer in ’s-Gravendeel blijven. Het gezin vertrok op 13 juli 1946 naar Rotterdam, naar de Zuidhoek 254a. Izak Andriesse ‘verhuisde mee’. Aanvankelijk werd hij nog in ’s-Gravendeel begraven, maar in 1946 volgde een herbegrafenis op de joodse begraafplaats aan het Toepad in Rotterdam.
        Hoe ’t het gezin sindsdien is vergaan, is onbekend. Will van Velsen meent dat het naar Zuid-Afrika is geëmigreerd. Alleen van Otto, de jongste, is achterhaald dat hij in Rotterdam is overleden, op 5 januari 2000 op 68-jarige leeftijd, en dat hij ligt begraven op de Zuiderbegraafplaats.

        En Mozes Tonninge, de man die Izak even onderdak bood, wat is hem overkomen? Van hem is niets heel gebleven. Maar dat is een ander, minstens zo verdrietig verhaal.




< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'