Het voorbije joodse dordrecht

Joop van Helden herdenkt al vanaf 1945
zijn schoolvriendje Robert Weisz

deel 2

Joop van Helden

Joop van Helden in de recreatiezaal van wooncentrum ‘De Klockelaer’.
Hij leerde de familie Weisz kennen doordat zoon Robert bij Van Helden op school kwam te zitten. “Ik vond het een leuk joch.”
Foto Redactie Website

Op 4 mei staat op het Sumatraplein, tussen de tientallen aanwezigen bij de Dodenherdenking, onopvallend een oude man, een bos bloemen in de hand.
        Hij is er ieder jaar opnieuw − al vanaf 1945, met taaie volharding, met ongebroken trouw.
Joop van Helden heet deze Dordtenaar. Hij is geboren op 1 december 1929, ver terug in de vorige eeuw. Zijn leeftijd is achtenswaardig: 88 halverwege 2018.
        Zijn ouderdom maakt Joop van Helden om één bepaalde reden een buitengewone man. Hij is zeer vermoedelijk de enige nog levende Dordtenaar*, die het gezin van de wondertrainer en voetbalgigant Árpád Weisz nog heeft gekend. Robert Weisz, het zoontje van de voormalige oefenmeester van DFC, was het vriendje van Joop van Helden. Drie jaar trok Van Helden bijna alle (school)dagen met Robert op, totdat de joodse familie Weisz begin augustus 1942 ineens weg was. Naar later bleek waren ze op transport gezet naar het vergassingskamp Auschwitz.
        Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog herdenkt Joop van Helden bij het oorlogsmonument op het Sumatraplein zijn vermoorde vriendje. Lang was hij de enige Dordtenaar die überhaupt stilstond bij het gezin Weisz. Decennialang was er in Dordrecht namelijk totaal geen aandacht voor deze ooit zo gerenommeerde voetbaltrainer. Árpád Weisz werd nadat hij moedwillig was gedood, ook nog eens doodgezwegen, en mét hem zijn gezinsleden. Pas de laatste jaren wordt hij teruggehaald in de herinnering.
        Joop van Helden heeft dat wegmoffelen van de familie Weisz niet gedeerd. Het weerhield hem er niet van om stug naar de Dodenherdenking te gaan, jaar in jaar uit, met dat bosje bloemen in de hand. Hij had Robert ooit in zijn hart gesloten, en per se wilde hij het joch eerbiedig blijven gedenken − zo mogelijk tot de laatste snik.
        In dit verhaal vertelt Van Helden, als allerlaatste ooggetuige, over zijn belevenissen met de familie Weisz. En hoe hij, op de dag vóórdat dit gezin plots werd gedeporteerd, voor Robert in de bres sprong door een schoolgenoot van de Nationale Jeugdstorm tot bloedens toe in elkaar te slaan.

Eemsteijnstraat

Het gezin van Helden woonde indertijd in de Eemsteijnstraat, op nummer 1 zwart. Die woning bestaat niet meer; de straat is grotendeels vernieuwd. Deze foto toont spelende kinderen in de oorspronkelijke Eemsteijnstraat, in de jaren dertig.
Foto Regionaal Archief Dordrecht (RAD, nr. 552_400844)

Sproetenkoppie
Johannes (‘Joop’) van Helden woonde in de Eemsteijnstraat, aan de rand van de binnenstad, op nummer 1 zwart (gesloopt), met zijn vader Hendrik Willem van Helden (Dordrecht, 23.5.1902), zijn moeder Elisabeth Verveer, Ridderkerk, 12.9.1902), twee broers (Jacobus Anthonie – 1925, Hendrik Willem, 1939) en drie zussen (Dirkje, 1926, Maria, 1928 en Elizabeth Hendrika, 1932). Op een dag eind 1939 zag Joop op het schoolplein een hem onbekend jochie. Van Helden zat in de vierde klas van de Groen van Prinstererschool, die vlakbij was gevestigd aan de Standhasenstraat; hij moest nog tien worden.
        Zijn nieuwe klasgenoot was ene Robert Weisz, een ietsje oudere Hongaars sprekende jongen, geboren in Milaan op 12 juli 1930. Robert kwam uit de binnenstad. Met zijn Hongaarse vader Arpad (Solt, 16.4.1896), zijn eveneens Hongaarse moeder Ilona Rechnitzer (Szombathely, 7.10.1908) en zijn zusje Klara (Milaan, 2.10.1930) hadden zij er, officieel per 16 oktober, een woning betrokken op het Betlehemplein, links bovenin, op nummer 10a rood (nu: 22).
        Van Helden kon vrijwel meteen goed opschieten met de nieuweling. “Ik voelde m’n eigen aangetrokken tot het ventje. Hij had een sproetenkoppie, was roestbruin en had krullen. Ik vond het een leuk joch.” Ze begonnen met elkaar op te trekken en ze sloten vriendschap. Over en weer gingen ze thuis bij elkaar op bezoek.
        “Nee, hij sprak nog geen Nederlands. Dat heb ik hem een beetje bijgebracht. Later kon hij aardig wat Hollands.” Enige hulp had Joop van Helden in het begin van juffrouw Tóth, van een klas lager. Die was afkomstig uit Hongarije. Via haar leerde Van Helden enigszins communiceren met de familie Weisz.

gezinskaart van de familie Van Helden

De gezinskaart van de familie Van Helden, voor- en achterzijde. Joop van Helden, officieel Johannes geheten, had één broer en drie zussen. Vader Hendrik Willem, blikslager van beroep, kwam met zijn gezin op 21 december 1927 in de Eemsteijnstraat te wonen, eerst nog op nummer 9 zwart. Op 7 december 1934 verhuisde de familie naar nummer 1.
Foto RAD


Grienden
Drie jaar waren ze een onafscheidelijk duo. “Je zag elkaar op school natuurlijk, zes dagen per week. We gingen de grienden in, aan het eind van de Staart, en we gingen bij DFC kijken. Robert zat in het jeugdteam van DFC, Jong DFC, ik niet. Maar ik ging wel mee naar de wedstrijden. We gingen gewoon gezellig met elkaar om.”
         Zodoende leerde hij alle leden van het gezin Weisz kennen. “Robert had een knappe moeder; zij was een schoonheid. Klara, zijn zusje, was jonger. Ze had een mooie kop haar, allemaal krulletjes. Maar haar heb ik weinig meegemaakt. Als ik bij ze binnenkwam op het Betlehemplein, zat ze er wel bij. Maar ik kwam meer voor Robert, m’n vriendje.
         “Zijn vader was een gezellige man, echt een vader voor de kinderen. Hij stond wel op z’n punten. Wat hij als trainer zei, moest je gaan doen, merkte ik. Maar zo heeft hij wel DFC gered van degradatie. Omdat Robert de zoon van de trainer was, mochten wij gratis de wedstrijden bijwonen. De hoofdingang van het complex was wat toen nog de Mauritsstraat heette. Maar aan de Markettenweg was ook nog een ingang. Daar liepen wij naar binnen.”
         Zondag 2 augustus 1942, ’s ochtends in alle vroegte, werd de familie Weisz opgepakt en afgevoerd. In het (gedigitaliseerde) politierapport van die dag wordt de arrestatie in een enkel kil zinnetje vermeld. Er staat: “Zondag 2 augustus 1942 te 07.00 uur – is de woning van A. Weisz, Bethlehemplein 10a, op last van de Duitsche politie verzegeld (Bewoners medegenomen). Toezicht bevolen.”

De christelijke, lagere Groen van Prinstererschool aan de Standhasenstraat

De christelijke, lagere Groen van Prinstererschool aan de Standhasenstraat. Hier zat Van Helden in de klas met Robert Weisz. In de oorlog nam hij het op het plein op voor Robert, die werd bespuugd en getrapt door een Jeugdstormer. Van Helden tremde de aankomende NSB’er in elkaar.
Foto RAD (nr. 552_400844)

Spoorloos
Árpád Weisz was met zijn gezin Italië ontvlucht om te ontsnappen aan de “fascistische rassenwetten van dictator Mussolini” (aldus het jubileumboek DFC 1883-2008). Maar in het Dordrecht waar hij zich veilig waande, had de jodenvervolging hem nu ingehaald. Een succestrainer mocht hij dan zijn, voor de nazi’s gold bovenal dat hij jood was, en joden hadden geen enkel recht van bestaan.
         Joop van Helden kwam er maanden later pas achter dat zijn vriendje spoorloos verdwenen was. Dat had er alles mee te maken dat hij de dag vóór de deportatie Robert op het schoolplein in bescherming had genomen – met als direct gevolg dat Van Helden daarna zelf moest vluchten.
         Zittend aan een tafel in ‘De Klockelaer’, het wooncentrum voor ouderen in de wijk Crabbehof, diept hij uit zijn geheugen dat voorval op dat zijn leven zo heeft getekend.
         Het gebeurde op zaterdagochtend 1 augustus 1942. ’s Ochtends stapt een schoolgenoot het plein op, in het uniform van de Jeugdstorm. Jeugdstormleden waren in feite aankomende NSB’ers. Het waren kinderen van NSB’ers die zich stormers noemden. “Die knul begon Robert te pesten. Hij stond hem te trappen, slaan en spugen. Toen ben ik voor Robert gaan staan, en zei: ‘Doe mij ook maar even’.”
         Het kwam tot een gevecht, waarbij Van Helden de Jeugdstormer “finaal in elkaar ramde”. “Hij zat onder het bloed. Ik heb z’n neus in elkaar geslagen, zijn tanden uit z’n mond en twee blauwe ogen. Ik ben naar huis gestuurd om af te koelen.” In de avonduren zocht Van Helden Robert huis op, om er nog wat over na te praten. Pas achteraf besefte hij dat dit de laatste keer was dat hij zijn vriend zag. De familie Weisz werd de volgende ochtend gevangengenomen.

Hut
Joop van Helden was hier onkundig van. Toen hij zich de volgende morgen weer op school vertoonde, stond de Jeugdstormer hem op het schoolplein op te wachten, “met nog twintig anderen”. “Ik ben toen weggelopen, gevlucht. Tegen twintig man kan ik niet op.” Hij verstopte zich in de grienden op de Staart, voorbij het gebouw van Lips, dat “toen de laatste fabriek aan de Merwedestraat was”.
         Drie maanden is Van Helden weggebleven. “Ik dorst niet meer naar huis. Nee, mijn moeder wist al die tijd niet waar ik was; daar stond ik niet bij stil. Mijn vader zat in een krijgsgevangenkamp in Duitsland, in Mühlberg aan de Elbe.”
         Maar waar verbleef u dan en waar leefde u van?
         “Ik had een hut gebouwd; er waren takken zat. En nou ja, ik at appels en peren van de boom, graan van het veld, en soms vond ik een wortel of kroot.” Hij praat er bijna achteloos over, alsof het een lichtvaardige beproeving is geweest. Maar Van Helden was pas twaalf in die angstige maanden, en heeft zich nochtans zonder hulp weten te redden− een formidabele prestatie.
         Na drie maanden ging Van Helden weer naar huis. Maar hij beperkte zijn aanwezigheid tot de avond. “Overdag was ik weg. Ik durfde niet thuis te blijven; ik was nog steeds bang dat die Duitsers of NSB’ers zouden komen. Waar ik overdag zat? Over het hele eiland.”

Robert staat rechts, zijn zusje Klara links

Tijdens rondleidingen in het Verzetsmuseum, waarvan hij de conservator is, laat Joop van Helden aan schoolkinderen deze foto zien, opdat zij een idee krijgen van hoe Robert Weisz eruit zag. Op de foto, afkomstig uit een Italiaans tijdschrift, staat Robert rechts, zijn zusje Klara links. Wie de jongeman in het midden is, is onbekend.

Rode Kruis
Bij terugkeer vernam Van Helden pas dat de familie Weisz op zondag 2 augustus was opgepakt en plots verdwenen. Maar nog altijd had hij geen idee wat er met deze mensen was gebeurd. Daar zou hij pas drie jaar later achter komen, na de oorlog.
         “Mijn vader”, licht hij toe, “was sergeant-verpleger van het Rode Kruis. Toen de oorlog begon, werd hij opgeroepen om als militair mee te doen. Hij is toen door de Duitsers gearresteerd, opgesloten en vrijgelaten, maar later toch weer opgepakt en naar dat krijgsgevangenkamp getransporteerd. Omdat hij van Rode Kruis was, en bij het Rode Kruis alle informatie binnenkwam over Nederlandse oorlogsslachtoffers, is hij gaan uitzoeken waar de familie Weisz is gebleven. Want dat wisten wij niet. En toen ontdekten we dat het gezin eerst naar kamp Westerbork was gestuurd, en vandaar naar Auschwitz.”
         [Dat de familie Weisz rechtstreeks naar Westerbork is gestuurd, is altijd aangenomen. Maar enkele jaren geleden dook er een brief op, gedateerd 2 augustus 1942 en afkomstig van het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort. Daarin wordt meegedeeld dat er vandaag 25 joodse gevangenen in Amersfoort zijn eingeliefert, darunter 2 Kinder. Dit waren Klara en Robert Weisz, samen met hun ouders. Het gezin is klaarblijkelijk tussendoor in kamp Amersfoort geweest.]
         Moeder Ilona Weisz-Rechnitzer en haar twee kinderen Robert en Klara zijn tegelijk vergast in Auschwitz, op 5 oktober 1942 – krap twee maanden nadat zij uit hun woning waren gehaald. Vader Árpád werd op het perron van Auschwitz apart gezet; hem wachtte nog een tijd dwangarbeid. Uiteindelijk eindigde zijn leven ook in ditzelfde doodsoord. Hij bezweek op 31 januari 1944, op 47-jarige leeftijd, ernstig verzwakt door tuberculose.

Herdenking
De vroegtijdige, moedwillige dood van Robert Weisz schokte Joop van Helden. Hij besloot direct om zijn voormalige vriendje voortaan te eren bij de Dodenherdenking. “Vanaf de allereerste herdenking ben ik aanwezig geweest, al in 1945. Die was toen nog op de Algemene Begraafplaats; later is dat het Sumatraplein geworden.”
        Hij liet het niet bij twee minuten in stilte terugdenken. “In 1966 ben ik lid geworden van de muziekvereniging Prins Willem van Oranje. Met die ploeg, zestig man groot, verzorgden wij de muziek bij de herdenking, ik als trompettist. In 1967 zijn een paar man uitgekozen om op het Sumatraplein de dodenwacht te betrekken. Dat heb ik bijna 43 jaar gedaan, elk jaar weer.”
        Van Helden begon na de oorlog aan een gevarieerde loopbaan. Van januari 1946 tot 1953 werkte hij als bonbonmaker bij de Dordtse biscuit- en chocoladefabriek ‘Victoria’. Daarna ging hij de bouw in, als heier. Op zijn 49ste, in 1979, verwisselde hij opnieuw van baan; nu werd hij lader bij een lokaal transportbedrijf. Zijn werkzame leven stopte er op zijn 65ste, op 1 december 1993.
        Vanaf 2001 woont hij in ‘De Klockelaer’, samen met zijn vrouw, die, zo zegt hij met trots, “al veertig jaar vrijwilligster is” in het verpleeghuis ‘Crabbehoff’, aan de Groen van Prinstererweg 38. Zelf verricht hij ook vrijwilligerswerk: Van Helden is sinds 1989 conservator van het Verzetsmuseum 1940-1945 aan de Nieuwe Haven 27-28 in Dordrecht. Vijf dagen per week is hij er present, het hele jaar door, dikwijls rondleidingen gevend aan schoolkinderen en andere bezoekers.

Schaduw
Joop van Helden heeft meegemaakt dat het wrede lot van de familie Weisz in Dordrecht totaal genegeerd werd. Niemand repte nog over de bejubelde trainer van DFC; hij was een blinde vlek geworden. “Ik zal een voorbeeld geven. In 1989 sprak ik Wim Verzijl, oud-voorzitter en beschermheer van DFC. Ik vroeg aan hem of hij Árpád Weisz heeft gekend. Hij kon ’m wel, zei hij, maar vaag. Árpád Weisz bleek voor hem een schaduw-herinnering te zijn geworden. Ik schrok ervan dat een lid van DFC dit zei.”
        Tegenover Verzijl ging Van Helden er maar niet verder op in, maar van binnen zwol het ongenoegen aan. “Weisz is gewoon doodgezwegen. Dat was zonde en beschamend, om twee redenen. Hij heeft DFC nota bene van de degradatie gered; ik ben erbij geweest. En hij was een hele goeie trainer, die precies wist wat hij moest doen. Als ik het op z’n Hollands moet zeggen: het is schofterig dat er in Dordrecht zo lang geen aandacht is geweest voor hem.”
        Sinds enkele jaren is die desinteresse gekanteld. In het jubileumboek wijdde archivaris Arie Heijstek een volwaardig hoofdstuk aan Árpád Weisz, dat recht doet aan zijn leven en de verdiensten voor DFC. En op 1 augustus 2015, op 1 dag na 73 jaar nadat de familie Weisz door de jodenjagers werd ingerekend, werd in het clubgebouw aan de Reeweg Oost een glazen gedenkplaat opgehangen.
        Het was Joop van Helden die deze gedenkplaat mocht onthullen. Heijstek had hem daartoe als voorzitter van DFC en initiator van de plaquette uitgenodigd. “Ik vond het een hele eer”, zegt Van Helden.
        Árpád Weisz heeft weer een plek bij DFC gekregen, en langzaam keert hij terug in het collectieve geheugen van Dordrecht. Bij zijn vroegere woning aan het Betlehemplein worden voorbijgangers zelfs letterlijk aan hem en de andere gezinsleden herinnerd. In de stoep zijn vanaf juli 2018 Stolpersteine, herdenkingssteentjes, zichtbaar.

Op 1 augustus 2015 onthulde Van Helden in de kantine van DFC een gedenkplaat gewijd aan Árpád Weisz

Op 1 augustus 2015 onthulde Van Helden in de kantine van DFC een gedenkplaat gewijd aan Árpád Weisz. Achter hem staat oud-DFC-voorzitter Arie Heijstek, die het initiatief nam voor de plaquette.
Foto Redactie Website

Hart
Joop van Helden is blij met al dit eerbetoon, hoe verlaat ook. Maar zoals al is aangestipt, zelf is hij Robert Weisz aldoor blijven herdenken, en hij zal dat blijven doen, zolang hij leeft.
        Van Helden vertelt dat hij een zeker ritueel heeft voor die vierde mei. “Ik leg altijd een bloemetje bij het oorlogsmonument op het Sumatraplein, voor Robert. Maar dan groet ik ’m niet. Ik geef hem een hand.” Hij doet het voor: hij vouwt zijn eigen twee handen voor zijn borst ineen. “En daarna leg ik mijn hand op mijn hart. Daar zit ie.”
        Inmiddels weet Van Helden beter hoe Nederlanders tijdens de oorlog zijn omgegaan met hun joodse landgenoten. Ze stonden erbij, en keken er onbewogen naar hoe ze werden afgevoerd. Ook in Dordrecht zijn de joden goeddeels veronachtzaamd. “Nederlanders”, beaamt Van Helden, “hebben heel weinig, erg weinig gedaan om joden te redden.” Zelf voelt hij zich in dit opzicht niet aangesproken. “Ik was nog te jong. Waar had ik ze moeten brengen om ze te verstoppen?”
        Een laatste vraag nog: heeft u die Jeugdstormer in later leven nog wel eens ontmoet?
        “Ja”, knikt Van Helden, “ik ben hem na de oorlog nog één keer tegengekomen. Dat was bij een reünie van de school, in 1965. Ik zei tegen hem: ‘Dat u hier nog durft te komen!’ Waarop hij zei: ‘Ik heb niet de eer u te kennen.’”
        Van Helden spoog vuur. “U was een god……… NSB’er!”

*Klara Weisz, het meisje bij de hangmat

Behalve Joop van Helden is er nog een Dordtenaar die herinneringen koestert aan de familie Weisz. Dat is Judith Sophie Bar-Kann, een in Dordrecht geboren vrouw die in Israël woont. Zij stuurde de redactie van deze website in 2014 een bijzondere foto, waarop drie kinderen van de familie Kann uit de Hallincqlaan staan, samen met Klara Weisz. De foto is indertijd in de rubriek ‘Fotogalerij’ geplaatst, maar is nu hier komen te staan, bij het relaas van Joop van Helden, een toepasselijker plek.

Op de foto zijn, zittend in een hangmat, drie van de vier kinderen Kann te zien. Het zijn van links naar rechts de krullebol Jakob (‘Cobus’, 7.3.1936), Elise (‘Lies’, 23.12.1930) en Judith zelf (28.7.1934). Degene die ontbreekt, is hun boertje Otto (6.11.1929). Achter het trio, dat brutaal en zelfverzekerd in de lens kijkt, staat Klara, de dochter van Arpad en Ilona Weisz.
        De kinderen Weisz kenden de kinderen Kann. Robert (‘Robbie’) Weisz bijvoorbeeld zat bij Otto in de klas en Klara bij Judith. Nadat Robbie in kamp Westerbork terecht was gekomen, op weg naar Auschwitz, stuurde hij nog brieven naar de kinderen Kann, meldt Judith, die in 2018 84 wordt: “Hij vertelde dat hij zou kunnen weglopen, maar hij wist niet waarheen te gaan. Dus is hij maar gebleven. Hij vertelde ook dat hij les gaf in een klas of op de school daar. Ze zijn helaas nooit meer teruggekomen. Mijn moeder heeft nog pakjes naar hen gestuurd in Westerbork.”
        Zoals in het artikel hierboven al te lezen is, is het gezin Weisz omgebracht in Auschwitz.

Klara Weisz, Jacob, Elise en Judith Kann

V.l.n.r.: Klara Weisz, Jacob, Elise en Judith Kann.
Foto: Judith Bar-Kann

Trainingspak
Veel meer geluk hadden de vier kinderen Kann. Allen hebben zij de Holocaust overleefd. In een verhaal elders op deze site, nummer 5, staat hoe zij daarin slaagden, zie: De heldendaad van Jaap Kann
        De ouders van de kinderen, Jacob Hendrik (‘Jaap’) Kann en Dora Julietta Kann-Spanjaard, hebben het niet gered. Vader Kann is vermoord in Auschwitz, op 28 januari 1944; moeder Dora stierf in Huizen, op 4 juni 1944.
        Judith Bar-Kann wijst erop dat zij, Lies en Cobus op de foto trainingspakken aan hebben. “Die had mijn vader klaargelegd om aan te trekken als we naar ‘Polen’ zouden gaan. Ook de klompen die we droegen, waren voor dat doel. God heeft ons in zijn Goedheid voor dit ‘doel’ bespaard! Ik dacht in mijn onwetendheid dat wij in Polen op vakantie zouden gaan, en verheugde er me ook nog op. Ik begreep er niets van waarom de buren, die ik ging vertellen dat we fijn naar Polen zouden gaan, helemaal niet blij waren met wat ik hen kwam vertellen.”


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'