Het voorbije joodse dordrecht

Karel Fonteijn dook tegen de wil van zijn ouders onder in Dordrecht, en redde zichzelf daarmee

Karel Fonteijn met ouders

Karel Fonteijn samen met zijn ouders, op een vooroorlogse foto, gemaakt in Breda op 28 augustus 1939.
Foto Privéalbum

Karel Fonteijn heeft maar twee weken in Dordrecht ondergedoken gezeten, maar hij is altijd naar deze stad blijven terugkeren. De reden hiervoor is een dieptreurige: alleen in Dordrecht had hij tenminste nog familie, een zuster van zijn vader, Daatje Duits-Fonteijn, en later zijn vriendin, de weduwe Duits-de Korver. Zijn eigen Haagse ouders waren vergast in Auschwitz, en zo bleef hij als hun enige kind over, moederziel alleen.
         Dat Karel Fonteijn überhaupt in Dordrecht terechtkwam, in die angstige oorlogsdagen, was zijns ondanks. Greet Hamburger, een joodse IJmuidense die zowel verpleegster als onderwijzeres was, trok zich zijn lot aan en regelde een onderduikadres voor de jonge joodse Karel, eerst in Dordrecht, later in Haarlem en Amsterdam.
         Zo raakten de levens van Greet en Karel vermengd. Want ook Greet Hamburger kende de Dordtse familie Duits goed; zij woonde zelfs de eerste oorlogsjaren bij het gezin in. Na de oorlog, toen de joden veilig hun schuilplaatsen konden verlaten, kon er zelfs een soort reünie in Dordrecht plaatshebben: Karel zowel als Greet had, even als vader en moeder Duits, de nazi’s weten te doorstaan.
         Hun levens zouden zich vervolgens los en ver van elkaar ontwikkelen – Karel bijvoorbeeld trok als dienstplichtige naar Nederlands-Indië, daarna naar Argentinië en Colombia. Greet groeide uit tot directrice van het ziekenhuis Zonnestraal in Hilversum. Maar Dordrecht, en dan vooral de familie Duits, bleef hun raakvlak. Anno nu woont Karel Fonteijn, de negentig naderend, zelfs voorgoed in Dordrecht, en dat al vanaf de jaren zestig.
         In dit verhaal: hoe Dordrecht in de oorlog door toeval een bindmiddel werd voor twee joden, Fonteijn en Hamburger, die elkaar voordien niet kenden.

De wet
De ouders van Karel Anton Fonteijn (Den Haag, 12 december 1925) waren conservatief en eerbiedigden het hoger gezag. “De wet is de wet, vonden zij”, vertelt Karel in zijn Dordtse woning, gelegen aan Hof de Vriendschap. Karel zelf had een andere houding, hij was eigenzinnig, zelfstandiger. Hij stoorde zich dan ook aan zijn vader, die zijn echtgenote in alles gehoorzaamde. Karel: “Mijn moeder was thuis de oudste van de kinderen geweest, mijn vader de jongste. Toen zij trouwden, bepaalde zíj wat er gebeurde, en hij volgde haar. Hij liet zich gewoon leiden. Zij was zo’n echte Jiddische memme. Zij was de baas.”
         Die tegengestelde karakters botsten in de oorlog – met hartverscheurend gevolg. Het gezin Fonteijn, wonend aan de Bosschestraat 112 in Scheveningen, kreeg op 18 augustus 1942 een brief. Daarin werd zoon Karel opgeroepen zich onverwijld en onvoorwaardelijk te melden voor Kamp Westerbork, dat voorportaal van de dood.
         Karel weigerde dit pertinent, tot verbazing van zijn ouders, Benjamin Fonteijn (Den Haag, 23 november 1886) en Carolina Fonteijn-Alter (Den Haag, 31 juli 1893). Hij kondigde aan onder te duiken, en deed dat ook, met behulp van ene Margaretha Esther (Greet) Hamburger (Velsen, 12 mei 1914). “Tegen hun wil ben ik vertrokken. Daarmee ging ik in hun ogen buiten de wet staan, en dat was voor hen niet te begrijpen.”
         Enkele maanden later, op 3 december 1942, kregen zijn ouders ook zo’n brief. Karel, het hoofd schuddend: “Zij zijn gegaan. Zij waren netjes, ze wilden zich aan de wet houden.” Uit Dordrecht kwam nog tante Daatje langs, de zus van Karel’s vader. Zij waarschuwde het gezin Fonteijn: “Ga weg, duik onder.” Maar Karel’s ouders luisterden niet; zij waren niet van zins het gezag te trotseren.
         Op 7 september 1943 vertrok uit Kamp Westerbork de goederentrein naar Auschwitz, en al op 10 september werden Benjamin en Carolina zonder pardon vermoord. Een gezin was gebroken. In een zichtbaar verouderd fotoalbum, dat hij op zolder is gaan zoeken, wijst Karel Fonteijn de foto van zijn ouders aan. Er staat onder: “Laatste foto.”

Karel Fonteijns ouders

Een foto van Karel Fonteijns ouders in het fotoalbum, gemaakt in 1941-1942. "Laatste foto", schreef hij erbij. Zijn ouders werden vermoord in Auschwitz.
Foto Privéalbum

Akte
Greet Hamburger, opgegroeid in IJmuiden, had in Haarlem de Nuts-kweekschool doorlopen; zij slaagde in juni 1932 voor de akte. Daar had ze Tieke Jansma (Ooststellingerwerf, 11-10-1913) leren kennen. Ze werden vriendinnen. Volgens de website Joods Monument Zaandijk konden de vrouwen aanvankelijk geen werk vinden als lerares. Zij gingen daarop een verpleegstersopleiding volgen.

Daatje Duits-Fonteijn Salomon Duits

Daatje Duits-Fonteijn, de echtgenote van Salomon Duits, op een foto uit 1924.
Foto RAD (nummer 309_2426)

Salomon Duits in 1924.
Foto RAD (nummer 309_2427)

         Greet kwam op een bepaald moment terecht in Dordrecht. Zij ging onderwijs geven aan joodse kinderen, die niet meer naar de openbare school mochten. Toen ook dit speciale onderwijs werd verboden, dook ze onder. Na de oorlog pakte ze haar tweede beroep op. Zij kreeg een baan als verpleegster in het ziekenhuis van de Vereeniging tot Ziekenverpleging, gevestigd aan de Ceramstraat hoek Bankastraat.
         Greet Hamburger woonde in bij de familie Duits, in de forse hoekwoning aan de Joh. de Wittstraat 23 (nu 31). Volgens gemeentelijke woonkaarten arriveerde ze daar op 30 december 1941, komend uit Amsterdam, van de Nieuwe Herengracht 110. De vrouw des huizes was Daatje Fonteijn (13 april 1881), de zus van Karel’s vader. Haar echtgenoot was Salomon Emanuel (Sal) Duits (Dordrecht, 8 januari 1881), directeur van een bedrijf in reclameartikelen. Zij hadden drie kinderen: Elisabeth (Bep; 21 november 1907), Abraham (1 februari 1909) en Clara Rosette (Claartje; 21 april 1913).

hoekwoning Salomon Duits

Het hoekwoning van Salomon Emanuel Duits aan de Joh. de Wittstraat 23 (nu 31). Hier woonde Greet Hamburger in tijdens de oorlog.
Foto Redactie Website.

         Het is aannemelijk dat Greet Hamburger via mevrouw Daatje hoorde van het onfortuinlijke lot van Karel Fonteijn, een 16-jarige jongen toen. Zij ging als tussenpersoon voor hem optreden. Zij haalde hem op in Scheveningen, en liet hem onderduiken bij een tekenleraar van de middelbare school, op de Reeweg Oost 80. Veertien dagen verbleef Karel hier slechts, Greet had nieuwe adressen voor hem.
         Op de Zaanse website worden deze vermeld: eerst enkele dagen bij de familie Rijpstra in de Meidoornlaan 2 in Zaandijk, toen bij de familie Van den Abeele in de Obistraat 53 in Haarlem-Noord. Deze adressen waren niet zonder reden gekozen: bij de Rijpstra’s woonde Tieke Jansma in, de kweekschoolvriendin van Greet, en zoon Jan van den Abeele had met Tieke en Greet op diezelfde kweekschool gezeten. In september 1943 keerde Karel, in zijn herinnering althans, terug naar de Rijpstra’s, om er tot december te blijven voor tandartsbezoek.
         Hierna volgde dat adres waar hij tot en met de bevrijding zou onderduiken: het pand Nieuwe Prinsengracht 90 III in Amsterdam. Karel: “Dit was een leegstaand pand, dat Tieke Jansma voor zichzelf huurde, maar waarin ze acht joden verborg, onder wie ik.” De andere zeven staan met hun namen op de website: Selma Wackers-Schwarz (“Tante Boela”), Doris en haar moeder Erna Berliner, Davina Margot van Rijn, de half-joodse Duitser Norbert Klein, de kleuteronderwijzeres Esther Helena Knap en (de zwaar suikerpatiënt) Heinz Silbermann.

Dominee
In Dordrecht was de familie Duits in die tijd al lang uit het eigen huis verdwenen. De obsessieve jodenvervolging deed zich overal in Nederland voelen, het gezin dook bijtijds onder. Toentertijd was hun schuiladres natuurlijk geheim, na de oorlog mocht het bekend worden: Sal Duits en zijn vrouw verstopten zich van begin november 1942 tot aan de bevrijding bij de hervormde dominee Jaap van Zorge, in Nederhorst ten Berg (NH).
         Deze informatie is afkomstig van een kleinkind van Sal Duits, ook Sal geheten. Deze Sal junior, zoon van Sal senior’s zoon Abraham, meldt dat zijn grootouders op de bovenkamer van de pastorie zaten. Waar logé Greet Hamburger, die zich als joodse vrouw uiteraard ook onzichtbaar moest maken, intussen verbleef, is Sal junior (Amersfoort, 6 november 1935) niet bekend.
         Karel Fonteijn weet echter zeker dat deze verpleegster zich in de oorlog “gewoon in uniform, met kapje op, op straat is blijven begeven. Het was een vrouw van aanpakken, en bovendien was ze vrijgevochten. Wie niet waagt, die niet wint, was haar instelling.”

Tieke Jansma

Een setje foto uit Karel Fonteijns fotoalbum van Tieke Jansma, de vrouw bij wie hij lang kon onderduiken in Amsterdam.
Foto Privéalbum

         Tieke Jansma is, nog in de oorlog, jong gestorven, op 31-jarige leeftijd op 12 januari 1945, aan tyfus, door een stom voorval. Selma Wackers was in november 1944 de straat opgegaan en had palingen weten te bemachtigen, een delicatesse. Maar deze waren besmet met salmonellabacteriën. Enkele onderduikers werden ziek – ook Tieke, hoewel ze vegetarisch was: tante Boela had haar een klein beetje paling opgedrongen. Zij overleed in het ziekenhuis aan de Karel du Jardinstraat, en is begraven op de begraafplaats Westerveld bij Driehuis.
         Karel Fonteijn, die als orthodox opgevoede jood de paling niet had aangeraakt, moest de overgebleven onderduikers toen verzorgen. Tieke Jansma, die “een bekend figuur” is geworden door haar onverschrokken hulp aan joden, is hem dierbaar, zegt hij. In het fotoalbum toont hij geroerd opnames van haar. Na haar overlijden werden overigens nóg twee onderduikers opgenomen in het Amsterdamse pand.

Abraham Duits en Herman Meijer

Een vooroorlogse foto van Abraham (Bram) Duits (links),
de zoon van Sal Duits, samen met zijn vriend,
de Zwijndrechtse apotheker Herman Izaäk Meijer.
Foto Collectie-Frans Meijer

Weggevaagd
Nederland was weer vrij, de ondergedokenen kwamen te voorschijn, dikwijls bleek, vermagerd of ondervoed. Als door een wonder bleken Karel, Greet en vader en moeder Duits nog in leven, al was het gezin Duits allerminst gevrijwaard gebleven van de nazistische wreedheden. Zo is Sal junior’s vader Abraham op 16 november 1944 vermoord in Neuengamme.
         Nog harder trof de Holocaust de familie Hamburger. Die werd grotendeels vernietigd. Greet’s vader, de vishandelaar Salomon Hamburger (Amsterdam, 8 augustus 1887) vond zijn einde in Sobibor, op 4 juni 1943, evenals, op dezelfde dag, haar moeder, Alida Bartels (Amsterdam, 12 augustus 1883). Ook een zus, de Amsterdamse verpleegster Judith (Velsen, 23 september 1907), ontkwam niet aan de Duitse vernietigingszucht (Auschwitz, 6 september 1944), netzomin als een broer, de musicus Henri (Velsen, 30 augustus 1918). Hij eindigde in Natzweiler-Struthof, op 19 januari 1945.
         De blijdschap om de bevrijding vervloog snel, door de langzaam binnendruppelende, aanhoudende doodsberichten uit de concentratiekampen.
         Greet had nog een zus, Rachel (Velsen, 24 september 1909). Van haar is vastgesteld dat zij de oorlog heeft weten te doorstaan; zij is althans volgens opgaven van het Meertens Instituut in Amsterdam bij de volkstelling van 1947 geregistreerd, op het adres Jan Luijkenstraat 4b.

Vertrouwd
Sal senior betrok een huis aan de Singel 90 rood (nu 132); zijn eigen huis aan de Joh. de Wittstraat kon hij niet meer in. Volgens woonkaarten verbleef hij er tot 17 april 1947 op de Singel 90 rood. Daarna verhuisde hij naar de Singel 197 (nu 313). Daar zou hij tot zijn overlijden blijven wonen.

gezin Duits en Singel 197

Na de oorlog verhuisde het gezin Duits naar de Singel 197 (nu 313; achter de grijze auto). Ook daar trok zuster Hamburger in, en kwam Karel Fonteijn op bezoek bij Salomon Duits, zijn voogd, en een van de weinig overgebleven familieleden.
Foto Reactie Website

         Greet Hamburger keerde weer gewoon terug naar Dordrecht, naar de vertrouwde familie Duits. Ze kon opnieuw komen werken bij De Ziekenverpleging. Ze werd er uiteindelijk hoofdverpleegster, vertelt Sal junior. “Een van onze goede vriendinnen heeft nog les van haar gehad en herinnert zich haar als een zeer capabele en zorgzame vrouw.”
         Het contact met ds. Van Zorge bleef intact. Sal: “Ik heb het gezin Van Zorge vooral na de oorlog leren kennen. Het contact was intensief en goed. Ieder jaar brachten mijn grootouders de kersttijd door bij het gezin Van Zorge. Van 1955 tot 1964 zorgde ik voor het vervoer van mijn grootouders naar de diverse standplaatsen van de dominee, zoals Uithuizermeeden en Hattem. Ook op de verjaardagen van mijn grootvader (8 januari), die altijd groots werden gevierd, waren Loes en Jaap van Zorge steeds aanwezig.”
        Dit hield op in 1965. Op 10 januari stierf Daatje Fonteijn, en kort daarna, op 13 april haar echtgenoot. Salomon Emanuel Duits, 84 jaar oud en in leven oud-voorzitter en ere-voorzitter van de Nederlands Israëlische Gemeente in Dordrecht, werd twee dagen later “onder zeer grote belangstelling” begraven. Sal junior sprak er, dominee Van Zorge sprak er, en opperrabbijn L. Vorst. “Op gloedvolle wijze”, aldus het verslag in het Nieuw Israëlitisch Weekblad, roemde Vorst de “vele en grote verdiensten” van de overledene, die “zich steeds een man des vredes” had betoond.
         Bij de teraardebestelling was ook Karel Fonteijn aanwezig. Hij trok na de oorlog de wijde wereld in, maar zou telkens Dordrecht weer opzoeken. De reden? “In Dordrecht woonden mensen die ik tenminste kende, de familie Duits.” Karel had broers noch zusters, en Sal Duits senior was daarom aangewezen als zijn voogd. Dat was op zich al een voornaam motief om zijn surrogaatouders op te zoeken, nog belangrijker was dat hij zich er thuis voelde. “Het waren moderne, revolutionaire mensen.”

Innig
Maar er is nog een reden, minstens zo doorslaggevend. En die behoeft enige uitleg.
         Al voor de oorlog kende Karel Fonteijn de ouders van Sal Duits junior: de eerder genoemde vader Abraham en de moeder, Cornelia Engelberta Duits-de Korver (1913). Dat kwam doordat Karel’s vader Benjamin eerste vertegenwoordiger was van Sal Duits senior. Zijn rayon voor de verkoop van Duits’ reclame-artikelen (kalenders, agenda’s, klerenhangers, spiegeltjes en zakmessen) omvatte Zuid-Holland en een deel van Utrecht, tót Amersfoort. Het gebied ná Amersfoort viel aan Bram Duits toe.
         “Mijn vader kwam natuurlijk regelmatig op het kantoor van de oude Duits, in de Wijnstraat. Daar kwam hij dan Bram en Cor dan tegen. Samen gingen ze vaak eten bij Duits senior, op de Singel.”
         In de oorlog groeide Cor Duits uit tot een verzetsstrijdster. Zij heeft verschillende joden over de grens met België geholpen, tot in Brussel. In het begin van de oorlog zagen zij en haar man, op bezoek in Dordrecht, vanzelfsprekend nog wel eens Karel en diens vader. Later verloor Cor Duits haar man aan de Duitsers. Als weduwe woonde ze inmiddels in Amsterdam, en in de hongerwinter ontmoette zij er wel eens Karel Fonteijn.
         Ver na de oorlog kregen de twee een innige band, een verhouding. Daarover later ietsje meer.

De Ziekenverpleging aan de Ceramstraat,

Het ziekenhuis De Ziekenverpleging aan de Ceramstraat, in de jaren twintig.
Foto RAD (nummer 552_400648)

Verwaterd
Bij de familie Duits in Dordrecht trof hij uiteraard ook geregeld Greet Hamburger, de vrouw die hem indertijd had helpen onderduiken. Hij is haar altijd blijven opzoeken, ook nadat zij Dordrecht had verlaten – in Zaandijk en Amsterdam. Greet Hamburger is inmiddels gestorven, in Heemskerk begin jaren zeventig. Noch Karel noch Sal junior weet de datum. Sal junior heeft na de dood van zijn grootouders geen contact meer met Greet gehad, de omgang verwaterde totaal.
         [Dankzij aanvullend speurwerk van de Dordtse archiefonderzoekster Erica van Dooremalen kunnen ontbrekende jaren evenwel worden ingevuld.
         Greet Hamburger heeft tussen 4 januari 1957 en 1 juni 1959 op een ander adres in Dordrecht gewoond, Ceramstraat 49. Dit huis hoorde bij De Ziekenverpleging. Zij kwam uit Heerenveen (Thialfweg 44) en vertrok naar Den Haag (Regentesselaan 18). In de Friese Koerier van 23 januari 1965 staat een advertentie voor huishoudelijk personeel, waaruit blijkt dat zuster Hamburger adjunct-directrice was van het Algemeen Ziekenhuis Zonnestraal in Hilversum. In 1966, in een annonce in De Tijd, wordt ze als directrice genoemd.
         Ten slotte duikt al surfend op het internet het Leerboek der verpleging op, uitgegeven door J. Noorduijn en Zn. NV te Gorinchem, een 620 pagina’s tellend handboek. De auteurs zijn de zusters H.L.F. Geuzebroek en M.E. Hamburger.]

Colombia
Karel Fonteijn is niet bepaald eenkennig gebleken, en al helemaal niet honkvast. Zijn levensloop laat zien dat hij verre verten aandurfde.
         In november 1946 ging hij in dienst, op 6 maart 1947 vertrok hij naar Nederlands-Indië. Drie jaar verbleef hij er, hoofdzakelijk voertuigen reparerend. Terug in Nederland begon hij een opleiding in Driebergen, op het Instituut voor Autohandel en Techniek (IVA), waarna hij in Rotterdam, “op een soort privé-MTS” belandde. Bij de Hapam in Amersfoort, een metaalfabriek op het gebied van de elektriciteitsvoorziening, kreeg hij een dienstverband.

Karel Fonteijn

Karel Fonteijn, op een hedendaagse foto, in zijn Dordtse Hof.
Foto Redactie Website

        Zijn horizon werd daarna breed. Hij vertrok in 1955 naar Argentinië, tot 1962. Hij kwam terug naar Nederland en trok in bij de weduwe Cornelia Duits-de Korver, op het adres Diepenbrockweg 104 (nu: 194). Vervolgens vertrok in 1965 naar Colombia, voor twee jaar. Bij terugkeer hiervan kwam hij te werken in Spijkenisse, en later bij de Akzo in Arnhem. Naar zijn zeggen vestigde hij zich eind jaren zestig definitief in Dordrecht.
         Hij woonde samen met Cor Duits. En beiden verkochten staatsloten. Zij vanuit een kantoortje in de voorkamer van haar woning aan Hof de Vriendschap, de rest verhuurde zij. Hij had het postkantoor aan het Bagijnhof als verkooppunt. Hij heeft veel te danken aan zijn vriendin, bekent hij, zij heeft hem tegenslagen helpen doorstaan. “Ze is goed voor mij geweest.”
         Na haar overlijden in 1991 mocht Karel Fonteijn kiezen: aan de Diepenbrockweg blijven wonen of verhuizen naar Hof de Vriendschap. Hij koos voor het hofje, omdat de woning aan de Diepenbrockweg twee etages zonder lift heeft. “En dat wordt lastig als je ouder wordt.”
         Enkele decennia woont hij daar alweer, en om niet. Op hoge leeftijd wordt Karel Fonteijn in feite nog altijd geholpen door de familie Duits.

[Sal Duits junior (1935) is op 4 maart 2015 overleden.]


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'