Het voorbije joodse dordrecht

Chris Dijkstra bleef net zo onbekend als
Lena Eijl, de joodse vrouw die hij redde

Zo op het oog was Lena Marie Eijl een onopvallende, onbekende vrouw.
        Op het Digitaal Monument voor de Joodse Gemeenschap, het monument op internet dat alle omgebrachte Nederlandse joden herdenkt, staan slechts summiere gegevens over haar. Dat ze geboren is in Amsterdam, op 2 januari 1887, en dat zij op 19 november 1943, 56 jaar oud, in Auschwitz uit het leven is gekieperd. Ze woonde in Dordrecht, in de Clara en Mariahof op nummer 1, en ze was huishoudster van beroep.
        Dat is alles – geen man, geen kinderen, geen andere dierbaren. Op de website heeft de redactie bij haar een standaardzin geplaatst, die Lena Marie Eijl nóg gezichtlozer maakt: “Deze persoon was alleenstaand of van deze persoon is geen gezinsverband bekend of kon niet worden gereconstrueerd.”
        Dit betekent dat men gewoon helemaal niets sprekends over haar kon vinden. En zo werd Lena Marie Eijl één van die vele duizenden Holocaust-slachtoffers, die tot as vergingen en onaangedaan werden weggeworpen uit de geschiedenis.
        Speurwerk in het Nationaal Archief heeft echter tot een compleet ander beeld geleid. Dankzij een onderzoek dat de Dordtse rechercheur Albert Volders in december 1945 verrichtte, kan gedetailleerd worden uitgetekend wie Lena was, en wat haar, én haar twee kinderen, in de weerzinwekkende oorlogsdagen overkwam. Aanvullende research in andere archieven leverde daarnaast nog eens allerlei biografische gegevens over haar afkomst op.
        In Lena Marie Eijl, zo is te concluderen, weerspiegelen zich – op kleine schaal – alle grote drama’s van de Tweede Wereldoorlog. Niet alleen de vernietiging van joden, maar ook: de jodenjacht van politieagenten, geldroof, verraad, geweld, nobele onderduikhulp en het menselijk tekort. Het dossier van Volders geeft alle Dordtenaren die Lena en haar kinderen in de onderduik hielpen, een gezicht. Hun rol tekent zich duidelijk af, en die was grotendeels bewonderenswaardig, maar soms ook allerminst fraai.
        Ontdekt is ook dat één van de onbaatzuchtigen die Lena verborgen hield, dit met de dood heeft moeten bekopen. Zijn naam: Christiaan Anne Pieter Dijkstra. Ergens in Duitsland ligt hij begraven – als net zo’n onbekende als Lena was.

overlijdensadvertentie voor Saartje uit het Nieuw Israëlitisch Weekbladl

Krap vier maanden nadat zijn eerste vrouw Saartje Prins was overleden, hertrouwde Jacob Velleman met Lena Marie Eijl. Dit is de overlijdensadvertentie voor Saartje uit het Nieuw Israëlitisch Weekblad (NIW). Foto Delpher

Geboortebericht van Eliazar

Geboortebericht van Esther Mary

Geboorteberichten over Eliazar
(uit het NIW van 15.3.1929) en
Esther Mary (De Banier van 20.8.1932).
Foto’s Delpher

Diamantklover
Lena Marie was het laatste kind dat diamantbewerker Eliazar Eijl (Rotterdam, 9 augustus 1860) en Maria Cohen (Amsterdam, 26 februari 1862) kregen. Twee broers gingen haar voor: Hendrik (Amsterdam, 21 juni 1883) en Zacharias (Amsterdam, 11 juli 1884). Op latere leeftijd zouden deze hetzelfde beroep als dat van hun vader gaan uitoefenen: diamantklover en diamantsnijder. Beiden zouden ook, met hun gezinnen, in Amsterdam blijven wonen. Gezinnen die door de nazi’s zouden worden uitgedund.
        Lena verliet Amsterdam als dertiger. Zij verhuisde in maart 1918 naar Hoek van Holland, waar ze zich vestigde aan de Strandweg 65. Op vrij late leeftijd, haar 41ste, trouwde zij met de reiziger Jacob Velleman, een Hagenaar die was geboren op 26 oktober 1886. Het was haar eerste, maar zijn tweede huwelijk. Jacob was vanaf 6 maart 1907 gehuwd geweest met Saartje Prins (Den Haag, 5 maart 1886). Zij, een winkelierster van manufacturen, overleed op 25 februari 1928, 21 jaar na haar huwelijk dus. Nog geen vier maanden daarna hertrouwde Jacob met Lena Marie.
        Twee kinderen kwamen uit deze echtverbintenis voort. Het eerste, Eliazer Henri, werd nog geboren in Hoek van Holland, op 12 maart 1929. Het tweede, Esther Mary Betty, kwam ter wereld in Rotterdam, op 18 augustus 1932. Vader Jacob heeft zijn kinderen nauwelijks meegemaakt: hij stierf op 21 juli 1933, 48 jaar oud, in Rotterdam Overschie.
        Lena, weduwe nu, verhuist in 1935 naar Den Haag, naar de Spuistraat 46. Twee jaar later betrekt ze er een ander huis, aan het Stationsplein 36, waar naderhand ook haar moeder Maria Eijl-Cohen, komt inwonen. [Vermoedelijk was zij ook weduwe geworden; de overlijdensdatumvan haar man Eliazar is vooralsnog niet te achterhalen.] Op de Haagse persoonskaart staat dat Lena bedrijfsleidster is.

Meisjesnaam
Mei 1940, de oorlog kolkt in en rond Nederland. De anti-joodse treiterijen beginnen, een voorbode van de nietsontziende jodenvervolging.
        Lena Velleman is haar meisjesnaam weer gaan voeren. Als Lena Marie Eijl duikt zij op 15 december 1941 op in Dordrecht. Zij is als huishoudster gaan werken voor Jacob van Dam, een geboren Dordtenaar (8 november 1876). Jacob, een metaalhandelaar, is al bijna twee decennia weduwnaar. Zijn vrouw Debora Elisabeth Meijer (Dordt, 16 januari 1879) is op 17 september 1922 overleden.

het Haagse weeshuis waar Eliazar en Esther Mary, de kinderen van Lena Marie, in het begin van de oorlog verbleven

Deze foto uit het Algemeen Handelsblad van 30 maart 1932 toont het Haagse weeshuis waar Eliazar en Esther Mary, de kinderen van Lena Marie, in het begin van de oorlog verbleven.
Foto Delpher

        Lena woont in bij Jacob van Dam, in de Clara en Mariahof 1, een hofje grenzend aan de Vrieseweg dat nog steeds bestaat. Nummer 1 bevindt zich in de gang die toegang geeft tot de hof. Eliazer en Esther, de kinderen van Lena, zijn elders. Zij zijn ondergebracht, in feite achtergelaten, in het Israëlitisch Weeshuis, aan de Pletterijstraat 66 in Den Haag. Volgens de website Digitaal Monument was het bestuur van dit weeshuis zionistisch ingesteld. “Het geloofde in uitzending van jongeren naar Palestina. In de jaren dertig werd er een groot aantal jonge vluchtelingen uit Duitsland opgenomen. Het plan bestond om in Palestina een filiaal-weeshuis op te richten, waar zij konden worden verzorgd. Dit plan is nooit verwezenlijkt.”
        Het weeshuis kent een tragisch einde: op 6 maart 1943 werd het ontruimd. “De meeste kinderen en verzorgers”, aldus Digitaal Monument, “zijn kort daarop vermoord of door dwangarbeid om het leven gekomen.”

In een lange kolom (zie: joodsmonument.nl) worden de namen van alle wezen en het inwonend personeel vermeld. Het zijn er in totaal zo’n zestig. Eliazer en Esther worden ook genoemd; zij waren immers inwoner. Maar zij zijn niet tijdens die razzia opgepakt. Voor die tijd waren zij al naar Dordrecht vertrokken, zo is onomstotelijk vastgesteld.

toegangspoort naar de Clara en Mariahof

Dit is de toegangspoort naar de Clara en Mariahof, waar Lena Marie Eijl inwoonde bij Jacob van Dam, op nummer 1.
De woning bevindt zich nog in de gang naar de hof, zoals de nevenstaande foto laat zien.
Foto Redactie Website


huis van spoorwegbeambte Dirk van Gils aan de Almsvoetstraat 2

In dit huis van spoorwegbeambte Dirk van Gils aan de Almsvoetstraat 2 zat Esther Velleman, de dochter van Lena Marie, verborgen. Zij was net voor de komst van de op joden jagende agenten overgebracht naar schoonouders van Van Gils in de Mariënbornstraat. Maar zij werd verraden door Van Gils, die zich tijdens het verhoor onder druk voelde gezet.
Foto Redactie Website

Jodenkind
Getuige 15 is Dirk van Gils, een spoorwegbeambte van 29 jaar in 1945, die woonde aan de Almsvoetstraat 2. In de avond van 25 oktober 1943 meldde agent Wolsink zich rond 21 uur bij de woning van Van Gils, samen met een SD-agent. Wolsink heet voluit Herman Gerard Teodor Wolsink, was 48 jaar, woonde aan het Vrieseplein 9 rood, maar zat eind 1945 gedetineerd in Duindorp.
        Of Gils joden verborg, vroeg Wolsink. Naar waarheid kon Gils zeggen dat dit niet het geval was. Hij had wel vier joden verborgen, maar die waren op eigen gelegenheid op de vlucht geslagen, toen zij hoorden van de arrestatie van Den Engelsen eerder diezelfde dag. Hendrik den Engelsen, 62 jaar, stoker bij de Gemeentelijke Gasfabriek, wonend in de Toloysenstraat 9, hielp al vanaf kort na het begin van de oorlog mensen die door de Duitsers werden gezocht.
        Iedereen was vertrokken, op één onderduikster na. Dat was Esther, “een jodenkind van twaalf jaar”, zoals het wordt omschreven, de dochter van Lena Marie. Gils: ‘Het kind hadden ze bij mij achtergelaten en daar ik het redden wilde, heb ik dat nog bij mijn schoonouders aan de Mariënbornstraat gebracht.” “Waar zitten de anderen?”, informeerde Wolsink. Gils: “Dat weet ik niet.”
        Hij werd meegenomen naar het hoofdbureau van politie, en sloeg door, Esther verradend. In zijn eigen woorden: “Hoezeer ik ook trachtte de schuilplaats van het kind niet te noemen, werd het vuur mij zo aangelegd, dat ik ten slotte onder bedreiging met zware straffen het adres heb genoemd.” Het kind werd daarop door Wolsink en de SD-agent bij zijn schoonouders opgehaald.
        Gils, na de oorlog tegen Volders: “Achteraf spijt het mij geweldig dat ik dit adres genoemd heb, want ik heb dat kind van 12 jaar gaarne willen redden. Maar op dat ogenblik kon ik niet anders handelen.”

woning aan de Henriette Ronnerstraat 10

In deze woning aan de Henriette Ronnerstraat 10 troffen de agenten drie onderduikers tegelijk aan: Lena Marie, haar zoon Eliazar en Jacob van Dam.
Redactie Website

Huiszoeking
Eerder die avond van de 25ste had Wolsink het ‘getroffen’: in het huis van seinhuiswachter C.A.P. Dijkstra (Dordrecht, 20 februari 1892) en diens vrouw Wilhelmina Bot, aan de Henriette Ronnerstraat 10, ving hij liefst drie joden.
        Mevrouw Bot verklaarde na de oorlog wat er was gebeurd. Om half negen kwamen er twee personen aan de deur, van wie zij er één herkende als zijnde de politieagent Wolsink. Ze kwamen huiszoeking doen, zeiden ze, ze zochten joden. Dijkstra en zijn echtgenote verborgen inderdaad “al geruime tijd een jodenfamilie”. Wolsink vond ze: “de jood Jacob van Dam plus zijn huishoudster mevrouw Velleman-Yel en een zoontje daarvan”. Haar eigen naam was verkeerd gespeld, maar niettemin: dit waren Lena Marie en Eliazer.
        Terwijl zij door Wolsink werden ondervraagd, kwam Dijkstra thuis. Hij werd samen met de drie joden meegenomen naar het politiebureau. De volgende ochtend mocht Dijkstra weer naar huis.

        Donderdag de 28ste kwamen de beruchtste jodenjagers van het Dordtse korps, Harry Evers en Arie den Breejen, ineens bij Dijkstra langs, voor een tweede huiszoeking. Mevrouw Bot in het verslag: “De jood Van Dam had gezegd dat mijn man een vuurwapen van hem verborgen had. Dit wapen hebben ze toen op aanwijzing van mijn man gevonden in de tuin van onze woning.”
        Evers en Den Breejen arresteerden hierop Dijkstra, zijn vrouw en hun zoon Anna Pieter van 17. Ze werden overgebracht naar de gevangenis in Scheveningen. Na twaalf dagen werden mevrouw Bot en haar zoon vrijgelaten, “zonder dat we verhoord zijn geworden”. Haar man is “via Utrecht en Amersfoort” naar Duitsland getransporteerd. “Vanwaar ik bericht heb ontvangen plus foto’s van zijn graf, dat hij op 9 april 1945 aldaar is overleden, nadat hij al was bevrijd.”
        Mevrouw Bot sluit af met de verklaring dat zij en haar man “verschillende keren onenigheid” met Van Dam hebben gehad, omdat hij niet “het verschuldigde kostgeld wilde betalen”. En ze preciseerde dat de drie joodse Dordtenaren al “ruim een jaar bij ons ondergedoken” zijn geweest. Hiermee is vastgesteld dat Eliazer en Esther zich dus minstens een halfjaar voor het leeghalen van het weeshuis al in Dordrecht ophielden.

persoonskaarten, uit het archief van het Rode Kruis, van Lena Marie en haar twee kinderen

Dit zijn de persoonskaarten, uit het archief van het Rode Kruis, van Lena Marie en haar twee kinderen. Op 16 november 1943 gingen zij tegelijk vanuit kamp Westerbork naar het buitenland, naar de gaskamers van Auschwitz.
Foto’s Rode Kruis

Bankbiljetten
Nog iets eerder die avond van de 25ste, rond 20 uur, arresteerden Wolsink en twee SD-agenten op het adres Hugo de Grootlaan 7 de 44-jarige bankbediende Klaas Wegman (Dordrecht, 26 oktober 1901). In de woning van de opgepakte Den Engelsen hadden zij een brief gevonden, die afkomstig was van een jodin, genaamd Rozette Cohen. Die brief leidde om de een of andere reden naar Wegman. Hij werd afgevoerd naar het hoofdbureau, waar zich nu ook Van Dam, Lena en Eliazer bevonden, en verhoord.
        Wat was er nu aan de hand? Het bleek Wegman “al spoedig dat de heren wisten dat ik diverse waardevolle voorwerpen van Van Dam voor hem bewaarde in een safe van de Twentse Bank te Dordrecht, waar ik als bediende werkzaam was”. Wegman kreeg de volgende dag de opdracht die voorwerpen te halen en bij de SD-agent Kaptein te brengen. Dit is de wachtmeester der Staatspolitie Cornelis Johannes Kaptein, geboren 21 maart 1915 in Klaten (Indonesië), wonend aan de Soestdijksekade 696 in Den Haag, maar in december 1945 gedetineerd in de Strafgevangenis van Scheveningen.
        Wegman overhandigde Kaptein, “zonder dat ik daarvoor een reçu van hem ontving”: zeven bankbiljetten van duizend gulden, één van 500, en 1200 gulden in kleinere biljetten, in totaal dus 8700. Plus: vier pandbrieven van 1000 gulden van de Eerste Nederlandse Scheepvaart Maatschappij en “nog wat sieraden en zilverwerk ter waarde van ongeveer 1000 gulden”.
        “Nadat ik de voorwerpen had afgedragen zeide Kaptein tegen mij dat ik verder onbekend voor hem was en kon gaan.”
        Toen Kaptein na de oorlog werd verhoord door Volders, herinnerde hij zich niet dat “wij Joods bezit in beslag hebben genomen, zoals geld of sieraden”. Mocht dit echter wel het geval zijn, zei hij, “dan zijn ze door mij in Den Haag terstond aan een van mijn chefs van de SD afgedragen, want zo luidden onze instructies.”
        Kaptein herinnerde zich meer niet. Niet bijvoorbeeld dat hij gearresteerden heeft geslagen of heeft gedreigd met slaan of andere straffen.
        Volders geloofde hem niet. Als verbalisant, schreef hij aan het slot van Volders’ verklaring, heeft hij “sterk de indruk gekregen dat verdachte, die mijn inziens een persoon is met een goed geheugen, erg geslepen is en zich niets wilde herinneren.”

leden van de familie Kukenheim

Van Lena Marie Eijl en haar kinderen is vooralsnog geen enkele foto gevonden. Deze foto, door Peter Eyl afgestaan, toont hoofdzakelijk leden van de familie Kukenheim, de familie van de vrouw van Lena’s broer Hendrik. Lena staat er niet op, maar Betty Fiszbajn-Kukenheim wist wel enkele personen aan te wijzen die aan het slot van het verhaal kort voorkomen. Zoals de twee jongetjes in matrozenpak. Dit nu zijn de broers Edward en Henri, die na de oorlog in New York terechtkwamen. De foto is gemaakt in de jaren dertig.

Op de achterste rij staan v.l.n.r.: Aron Kukenheim (Amsterdam 28 november 1888- Sobibor, 9 juli 1943),
de oudere broer van Betty’s vader Leon; Aron’s echtgenote Esther Blom (Amsterdam, 23 maart 1890 - Amsterdam,
6 november 1937), Hendrik Eijl en zijn echtgenote Rachel Kukenheim, nog een zuster van Leon (waarschijnlijk)
en ten slotte Leon zelf, die John werd genoemd (Amsterdam, 28 mei 1899 - Sobibor, 23 juli 1943).

Op de voorste rij v.l.n.r. een zoontje van Aron (op schoot bij zijn vader), Israel Isidore Kukenheim (met snor - Amsterdam,
15 maart 1858 - Amsterdam 26 januari 1930), Betty’s opa en Aron’s vader; een dochtertje (van Aron of Hendrik),
de twee jongens Eijl in matrozenpak en ten slotte Betje Rachel Kukenheim-van Gelder (Leeuwarden, 2 januari 1855 - Amsterdam, 4 januari 1937), Betty’s oma en Aron’s moeder.
Foto Familiebezit

Kaarten
Het net sloot zich. Lena en haar kinderen waren opgepakt, evenals Jacob van Dam. Misschien hebben ze het wel voorvoeld in die dagen van jodenhaat: dat hun leven op het punt stond bruusk ingekort te worden.

        Van persoonskaarten die opgeslagen liggen in het archief van het Rode Kruis, is af te leiden hoe de gezinsleden Eijl hun noodlot tegemoet gingen. Zoon Eliazer, zo meldt Raymund Schutz, medewerker van de afdeling Oorlogsnazorg, werd op 26 oktober in de Scheveningse gevangenis, dus nog geen dag na de arrestatie, geregistreerd als ‘binnengekomen’. Schutz neemt aan dat dit ook geldt voor Lena en Eliazer, al heeft hij daar geen gevangeniskaart van.
        Op 29 oktober werden zij met z’n drieën overgebracht naar kamp Westerbork. Ruim veertien dagen later, op 16 november, verlaten zij Westerbork en gaan, volgens de persoonskaarten, per goederentrein naar het ‘buitenland’. Op 19 november worden ze alledrie tegelijk vergast in Auschwitz.
        Jacob van Dam, de werkgever van Lena, sterft veel later, in kamp Vught, op 24 juli 1944.
        Binnen de familie Eijl is het leed nog massaler. De een na de ander wordt uitgemoord. Maria Eijl-Cohen bijvoorbeeld, Lena’s moeder, eindigt enkele maanden na haar dochter ook in Auschwitz, op 28 januari 1944. Haar twee zonen Hendrik en Zacharias: ook voor hen was Auschwitz het slot. Zacharias stierf er met zijn echtgenote Charlotte Eijl-Sternheim (Utrecht, 17 juni 1883) op een en dezelfde dag, 21 september 1942.
        Hendrik had een gezin, samen met Rachel Eijl-Kukenheim (Amsterdam, 10 december 1882). Van hun vier kinderen werden er twee – Mary (Amsterdam, 10 januari 1917) en Betty Louise (Amsterdam, 15 augustus 1919) – omgebracht: Mary op 18 april 1945 in Wittenberg, Betty op 11 juni 1943 in Sobibor. Hun ouders verloren hun levens ook in Sobibor, beiden op 4 juni 1943.
        Betty was overigens verloofd met Max van Moppes (Amsterdam, 28 november 1918); ze hadden elkaar leren kennen op de roeivereniging Poseidon. Max is vermoord in Mauthausen, al vroeg in de oorlog, op 28 augustus 1941, 22 jaar oud pas.

Mary en Betty Louise

Op deze foto staan vooraan, aan weerszijden van een jongetje, Mary en Betty Louise, de twee omgebrachte dochters van Lena’s broer Hendrik Eijl.
Foto Familiebezit


het graf van Chris Dijkstra

Op het ereveld in Loenen, waar bijna 4000 Nederlandse oorlogsslachtoffers liggen, is ook het graf van Chris Dijkstra,
de verzetsman die Lena Marie, haar zoon en haar werkgever
Jacob van Dam redde, en dit moest bekopen met zijn leven.
Ook wordt hij genoemd op de Erelijst van Gevallenen 1940-1945.
Foto Oorlogsgravenstichting en Redactie Website

Overlevenden
Maar de vernietiging was niet totaal. Twee kinderen van Hendrik en Rachel hebben kans gezien aan de nazi’s te ontkomen. Deze neven van Lena Marie Eijl waren na de oorlog de enige directe familieleden, die het uitgedunde geslacht Eijl konden voorzetten. Het zijn, de broers Isidor (ook genoemd: ‘Henri, Henk en Isaac’) en Eleazar Aron (‘Edward’).
        Op de website Digitaal Monument is te lezen dat twee kinderen van Hendrik Eijl de oorlog hebben overleefd. Maar hun namen worden om privacyredenen niet genoemd. Na enig speurwerk konden de namen van de broers worden achterhaald, via de Betty Fiszbajn- Kukenheim (Den Haag, 1935).
        Haar vader was de jongste broer van Hendrik’s vrouw Rachel Kukenheim, zo zit het. Zelf trouwde zij met Daniel (‘Danny’) L. Fiszbajn, die is overleden in 2007. Ze heeft twee zonen, John en Don, en een trits kleinkinderen.
        Betty Fiszbajn kan vrijwel niets vertellen over Lena Eijl en de kinderen; zij heeft ze nooit ontmoet. “Ik was zelf pas vijf jaar toen de oorlog uitbrak, dus veel herinner ik mij niet”, verontschuldigt ze zich. Van Mary en Betty, de gedode dochters van Hendrik, weet ze dat zij bruidsmeisjes waren bij het huwelijk van haar vader. Ze herinnert zich ook nog dat het gezin van Hendrik in de Sarphatistraat (20 huis) woonde, want “ik ben daar geweest”.
        Voor preciezere feiten over de overlevende Edward (Amsterdam, 17 augustus 1912) en Henk (Amsterdam, 28 augustus 1908) verwijst ze naar Peter L. Eyl, zoals de familienaam in de VS wordt gespeld, een zoon van Henk. Peter schrijft dat zowel zijn vader als Edward in dienst was van het Nederlandse leger, beiden als officieren, voordat zij Nederland in de oorlog wisten te ontvluchten. Henk ontsnapte via België en Frankrijk (“waar hij tweemaal werd beetgenomen, maar beide keren wist te ontsnappen”). Over de Pyreneeën belandde hij in Spanje en ten slotte in Noord-Afrika.

        Vandaar bereikte hij Engeland. Hij trad daar weer toe tot het Nederlandse leger, en deed er administratief werk. Hij trouwde in Engeland met een Canadese, die hij daar had leren kennen. Na de oorlog vertrokken ze kort naar Canada, om uiteindelijk in 1946 in New York te belanden – eerst wonend in Queens, later in Centerport, Long Island.
        Na zijn echtscheiding in 1962 verhuisde Henk Eyl naar Cold Spring Harbor, in New York, in 1983 naar Franklin Lakes, New Jersey.

Scooter
Eleazar, de broer van Henk, ontvluchtte Nederland op een scooter, met bij zich een hond en een vriendin – of zijn latere vrouw Irene; dit weet Peter Eyl niet. Vanuit België voer hij naar Engeland, om daar ook weer in dienst te gaan bij het Nederlandse leger, bij de militaire politie. Eind jaren veertig emigreerden hij naar de VS, om er ook in New York te gaan wonen, in East Northport, Long Island. Hij trouwde er een Engelse vrouw. Nadat hij van haar was gescheiden, trok hij naar de wijk Brooklyn. In New York bouwde Eleazar, samen met zijn broer Henk, een assurantiekantoor op, dat zich toelegde op het verzekeren van diamanten en juwelen.
        Eleazar, die de Engelse naam Edward aannam, is onwaarschijnlijk oud geworden: 104. Hij stierf in 2014 en verbleef toen al enkele jaren in Zwitserland, met zijn nieuwe echtgenote. Isidoor, ook wel Henk en in het Engels Henri geheten, overleed jonger, als tachtiger, op 17 april 1993.
        In de VS, kortom, hebben de overgebleven Eijls hun levens kunnen hernemen. Er viel weer een toekomst te omhelzen.

***

Chris Dijkstra, de spoorwegarbeider die voor zijn hulp aan drie joodse onderduikers met zijn leven heeft moeten boeten, blijkt overleden in Rockenberg, Landkreis Friedberg. Dit staat op de website van de Oorlogsgravenstichting. Inmiddels ligt hij op het ereveld in Loenen in vak D 208; hij is blijkbaar herbegraven. Ook staat Dijkstra op de Erelijst van Gevallenen 1940-1945, die in de hal van de Tweede Kamer ligt. Postuum heeft hij tweeledig hulde gekregen voor zijn verzetsdaad.


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'