Het voorbije joodse dordrecht

Bloemenverkoper Levie Kapper
was een man met een trauma

Levie Kapper en zijn vrouw Elisabeth

Peter van den Bosch heeft een parenteel opgesteld, een genealogisch overzicht van de familie Schot. Hij heeft enkele foto’s gevonden en afgestaan, waarop Levie Kapper en zijn vrouw Elisabeth voorkomen. Dit is de eerste. Van den Bosch weet niet waar de foto is gemaakt en wanneer. Levie Kapper is de man met de bril, de derde van links, naast hem, in het raamkozijn, staat zijn vrouw. Het eerste echtpaar is Kees Schot met zijn echtgenote Sjen, rechts staan de opa en oma van Van den Bosch, Johannes Baptist Schot en Antonia Schot-Versluis.
Foto Collectie-Van den Bosch

Menig Dordtenaar van gevorderde leeftijd herinnert zich hem misschien nog: Lou Kapper, de joodse bloemenman. Hij had vóór, tijdens en ook weer ná de oorlog een bloemenwinkel aan de St. Jorisweg, joyeus Bloemenhuis Orchidée geheten, gevestigd op nummer 11, naast de paardenslagerij van Nico den Hollander. Hij noemde zijn nering zelf, in advertenties in De Dordtenaar, onbewimpeld “de bloemenzaak met de meeste service”, waar je “de volle waarde voor Uw geld” kreeg. In de jaren zestig stond Kapper bovendien met een kraam op vaste standplaatsen in Crabbehof en Wielwijk, bloemen en planten verkopend “van de welbekende kwaliteit tegen billijke prijzen”.
         Lou Kapper, een lange man die een bril met donker, zwaar montuur droeg, wist zichzelf aan te prijzen. En hij was altijd vrolijk, eigenlijk net zo vrolijk als de bloemen die hij aan de Dordtenaren probeerde te slijten - soms ook gewoon langs de deur, met de bloemenkar door de straten trekkend.
        Maar in werkelijkheid was Levie Kapper, zoals zijn officiële naam luidt, een man met een trauma. Van binnen werd hij gekweld door groot verdriet. Zijn hele familie is door de Duitsers vermoord, in de gaskamers van Auschwitz en Sobibor: zijn vader, zijn moeder, zijn twee broers en twee zussen, én hun aanhang. Alleen Levie, getrouwd met een niet-joodse Brabantse, heeft zich tijdens de oorlog in leven weten te houden.
        Dat hij als enige overbleef, heeft hem geestelijk verwond. En naarmate zijn leven vorderde, werd zijn gedrag er steeds merkwaardiger door. Lou Kapper is opgenomen geweest, ging zwerven, leefde in zijn auto en in een caravan, en hij liep letterlijk voor de muziek uit, alsof hij het fanfarekorps leidde. Zijn gruwelijke familiegeschiedenis dreef hem tot gekte.
        In dit verhaal: een portret van een bekende Dordtse bloemist die met kleurrijke bloemen en een opgeruimd gemoed verborg dat hij permanent achterna werd gezeten door de spoken van de oorlog.

gezinskaart van Tobias en Raatje Kapper

De gezinskaart van Tobias en Raatje Kapper: vijf kinderen.
Foto Stadsarchief Amsterdam


Tobias Kapper

Dit is Tobias Kapper, Levie’s vader. De foto is afkomstig van legitimatiebewijs, verstrekt door de Amsterdamse Dienst Marktwezen. Tobias was poelier.

Jodenhoek
Ongecompliceerd en veelbelovend was het leven nog toen Levie Kapper werd geboren, in Amsterdam, op 30 december 1913. In het Algemeen Handelsblad van 2 januari 1914 kwam zijn komst kort te staan, in de rubriek ‘Familieberichten’: “R. Kapper-Zwaaf, z.”. Levie was het tweede kind van Tobias Kapper (Amsterdam, 12.4.1888) en Raatje (‘Rachel’) Zwaaf (Amsterdam, 14.4.1889), die sinds 24 juni 1912 getrouwd waren. Samuel (3.10.1912) was, drie maanden na de bruiloft, hun eerste. Na Levie zouden er nog drie kinderen bij komen: Rebecca (20.4.1916), Lea (3.6.1917) en Simon (12.6.1919).
        Het gezin woonde in de Jodenbreestraat 85, een straat midden in de ‘Jodenhoek’, waar Rembrandt heeft gewoond, en waar Baruch Spinoza is geboren.
        In het Zuiden van Nederland, in Bergen op Zoom, waren intussen Pieter Johannes Schot (1879) en Maria Petronella Verheezen (1881) doende een nóg kinderrijker gezin te stichten. Dertien nakomelingen zouden ze uiteindelijk verwekken, van wie de eerste (Elisabeth, 1900) al na een klein jaar overleed, en de laatste (Agatha Cornelia, 1925) na vijf maanden. De overige elf bereikten de volwassenheid. Het waren achtereenvolgens: Petronella Elisabeth (1902), Elisabeth (de tweede, 1904), Cornelia Johannes (1908), Johannes Baptist (1910), Pieter Johannes (1912), Johanna Cornelia (1914), Jacobus (1916), Sebastiaan Wilhelm (1917), Maria Johanna (1920), Ludovicus (1921) en Cor Arie (1924).
        Het is Elisabeth de tweede, geboren op 29 november 1904, die in 1936 trouwde met de veel jongere Levie Kapper, in Amsterdam. De Tijd meldde het op 2 januari 1936. Levie had al verschillende beroepen beoefend, volgens de persoonskaart in het Amsterdamse stadsarchief: caféhouder, koopman en kleermaker. Hij had ook al op verschillende adressen gewoond, zoals Korte Reguliersdwarsstraat 12, Oudeschans 40 en Lepelstraat 46 I.
        Op diezelfde kaart staat ook dat zijn echtgenote geen geloof had; zij was geen prototypische katholieke Brabantse. “In de familie Schot gaat het verhaal dat zij in Amsterdam als prostituée werkzaam was, totdat ze Levie Kapper leerde kennen”, voegt Peter van den Bosch toe – over hem verderop meer.

Twee krantenberichten die het leven van Levie Kapper markeren

Twee krantenberichten die het leven van Levie Kapper markeren: zijn geboorte (Algemeen Handelsblad, 2.1.1914) en zijn huwelijk met Elisabeth (De Tijd, 2.1.36).


bloemenzaak van P. van Tol

Het echtpaar ging in augustus 1938 in Dordrecht wonen, en nam daar de bloemenzaak van P. van Tol over. De winkel bevond zich in het kleinste huisje, in dit uitstekende rijtje panden, op nummer 11( nu 13). het tweede huisje van links.
Foto Redactie Website

Kleinste
Op 1 augustus 1938 werden Levie en Elisabeth, doorgaans Betje genoemd, Dordtenaren. Komend uit Amsterdam streken ze neer op de St. Jorisweg, op nummer 11. Hun woning is het kleinste en smalste van het rijtje huizen dat nog altijd, een beetje uitpuilend, in deze straat staat. Tegenwoordig heeft het nummer 13.
        In het pand had zich een bloemisterij bevonden, voluit geheten ‘Bloemenmagazijn “Orchidée” v.h. J. van Herpen’. De eigenaar ervan, P. van Tol, had er blijkbaar geen trek meer in. Hij verliet Dordrecht en ging naar het eveneens Zuid-Hollandse Nieuwveen, berichtte de Dordrechtsche Courant op 30.08.1938. Levie Kapper en zijn vrouw zetten de zaak voort, want zij handhaafden de zwierige naam. Hun leven ging nu een nieuwe fase in, een fase waarin hun bestaan, hun huwelijk en vele van Levie’s verwanten aan flarden gescheurd zouden worden.
        Enkele jaren nadat Levie en Elisabeth zo hoopvol de bloemenwinkel waren begonnen, woedde nu ook in Nederland oorlog en sloeg het noodlot toe. Niet bij hen persoonlijk, al kreeg Levie beroepshalve wel te maken met de eerste maatregelen die de Duitsers afkondigden tegen de joden. Hij moest in juni 1942 zijn bakfiets inleveren, staat in het boek De verdwenen Mediene Dordrecht (1995). Dit hinderde hem “ernstig in de uitoefening van zijn beroep”. Maar “door tussenkomst van burgemeester Bleeker, en nadat het voertuig bij de Joodsche Raad geregistreeerd is, krijgt hij zijn eigendom terug”.
        De familie van Levie Kapper wordt harder getroffen. Die werd verpletterd.
        De feiten spreken voor zich: vader Tobias, poelier van professie, en moeder Raatje werden beiden tegelijk vermoord in Auschwitz, op 21 september 1942, respectievelijk 54 en 53 jaar oud.
        Magazijnbediende Samuel, Levie’s oudste broer, werd ook in Auschwitz omgebracht, op 31 maart 1944. Zijn vrouw, Bertha van Cleef (Amsterdam, 3.2.1916) was een halfjaar eerder al vergast, op 19 november 1943. Hij was 31, zij 27.
        Rebecca, de eerste zus, vond de dood in het vernietigingskamp Sobibor, samen met haar echtgenoot Emanuel Hijman-Kloos (Amsterdam, 20.4.1916) en haar dochtertje Henriette (Amsterdam, 9.6.1941), alle drie op 23 juni 1943, respectievelijk 27, 28 en 2 jaar.
        Lea, de tweede zus, werd ook in Auschwitz het leven ontnomen, tegelijk met haar jongste broer Simon, op 30 september 1942, zij 25, hij 23 jaar oud.
        Negen doden, het gezin was opgeheven.

jodenvervolging

De jodenvervolging had gruwelijke gevolgen voor de familie Kapper. Levie Kapper verloor al zijn familieleden.
Het knakte hem. Hij, de enige overlevende, kwam er na de oorlog in toenemende mate geestelijk door in de knel.
Foto Redactie Website.


Elisabeth, Levie’s echtgenote

Van Elisabeth, Levie’s echtgenote, is in Amsterdam dit portret gemaakt.
Foto Collectie-Van den Bosch

Geen snipper
Levie overleefde als enige van de Kappers de oorlog. Een raadsel is alleen: waar en hoe? En in welke omstandigheden?
        Alle naspeuringen ten spijt, is er geen snipper informatie opgedoken over de onderduiklocaties van Levie. (Elisabeth woonde tijdens de oorlog gewoon op de St. Jorisweg.) Feit is alleen dat hij zich in leven heeft weten te houden gedurende de oorlog. En dat hij dit hoogstwaarschijnlijk eraan heeft te danken dat hij getrouwd was met een niet-joodse. Gemengde echtparen hadden een grotere kans de jodenvervolging min of meer ongeschonden door te komen.
        Levie Kapper heeft zich verstopt, dat staat vast, maar vanaf wanneer en waar, blijft een mysterie. Daardoor blijft ook onduidelijk of hij al was gevlucht vóórdat de Duitsers de lijst “van panden bewoond door J.” gingen afwerken, een lijst van joodse woningen, gul verstrekt door de Gemeente Dordrecht. Levie Kapper staat erop, tussen twee andere joden die op de St. Jorisweg huisden, Mozes Tonninge op nummer 33, de weduwe Elizabeth den Hartog op nummer 30.
        Bij de familie Schot, de directe verwanten van Elisabeth, heerst het idee dat Levie niet is gedeporteerd, maar wél gevangen heeft gezeten, in kamp Amersfoort. Dit vertelt mevrouw Lena van den Bosch-Schot (1934). Zij is een dochter van Elisabeth’s broer Johannes Baptist, een nichtje dus. Mevrouw Van den Bosch, getrouwd met Wout van den Bosch (1932), is door ons, de redactie van deze website, enkele keren geraadpleegd, en wat zij wist, gaf zij via haar zoon Pieter Johannes (‘Peter’; 1962) door.
        Onderzoek in de archieven van Kamp Amersfoort heeft echter ”helaas niets opgeleverd”, deelt Eddy van der Pluijm, lid van de werkgroep documentatie van dit nationaal monument, desgevraagd mee. In de database van kampgevangenen komt Levie Kapper domweg niet voor.
        Ook het Rode Kruis is benaderd over een mogelijke verblijfplaats van Levie Kapper. Medewerker Raymund Schutz heeft diverse bestanden doorzocht. Maar het resultaat was hetzelfde: geen enkel detail, geen dossier, niets.
        “Opmerkelijk” noemt Schutz het alleen dat Levie helemaal niet voorkomt in de cartotheek van de Joodsche Raad. Dit duidt er volgens hem op dat Levie Kapper zich in 1941 “niet als zijnde joods” is wezen aanmelden. Anders had Schutz Levie wel gevonden in de cartotheek. Het enige dat Schutz nog wel aantrof, was de melding dat Kapper de oorlog in de onderduik heeft overleefd; hij staat op een lijst van overlevende joden uit 1945. Maar dat wisten we al.
        Met andere woorden: vooralsnog zal onopgelost blijven waar Levie zich tijdens de oorlog heeft verstopt.
        Zijn winkel bleef in elk geval gewoon open zegt Van den Bosch. “Elisabeth runde de zaak, soms met behulp van nichtjes die vlakbij woonden.”

gemeentelijke lijst van “panden bewoond door J&rdquo

Levie Kapper stond ook op de nominatie om opgepakt te worden.
De Duitsers beschikten over een gemeentelijke lijst van “panden bewoond door J”.
Foto Redactie Website


Schijn
Na de bevrijding zette Levie Kapper de bloemenzaak gewoon voort, alsof de oorlog een pauze in zijn werkzame leven was geweest. Maar dat was het natuurlijk niet, dat was uiterlijke schijn. Het verlies van zijn familie greep hem hevig aan, vooral mentaal. Zoals Peter van den Bosch namens zijn moeder vertelt: “Hij was erg getraumatiseerd. Hij sprak er altijd over dat zijn hele familie was vergast.”
        Levie Kapper veranderde in een getourmenteerd man. Zijn trauma zou hem steeds meer te pakken krijgen.
        Ogenschijnlijk leek alles normaal. De bloemenwinkel draaide weer, en Kapper betoonde zich tegenover zijn klanten constant vrolijk. Hij adverteerde met regelmaat in het lokale dagblad De Dordtenaar, zoals in juni 1946. Pinksteren naderde en Kapper wees de lezers op de “prachtige veldbouquetten”, die hij ter gelegenheid daarvan in de aanbieding had.
        In juni 1950 blijkt zijn winkel “geheel gemoderniseerd”. Op de 29ste om 15 uur is de heropening. Als “openingsreclame” kan men er voor 75 cent een “prachtbegonia met sierpot” kopen. In september 1955 waarschuwt hij aanstaande bruidsparen: “Neem geen risico. Koop uitsluitend bij een bekende en bonafide bloemenzaak uw bruidsbouquet”, namelijk bij Lou Kapper.
        Kapper verkoopt ook langs de deur, vertelt Peter van den Bosch, die “ome Lou en tante Betje” persoonlijk heeft gekend, “al was ik toen nog heel klein”. Door al dat rondrijden met de bloemenkar, was Levie veel onderweg. Vaak ging hij bij leden van de uitgebreide familie Schot langs, voor koffie of om naar de wc te gaan. “Hij kreeg daardoor de bijnaam ‘Schijt’.”
        In de jaren zestig staat Kapper met zijn bloemenkar op vaste plekken in Crabbehof en Wielwijk. Hij kondigt zijn komst steeds aan in kleine annonces in de krant. Bijvoorbeeld op 11 februari 1966: “Lou Kapper, de bloemenman. A.s. zaterdag in Wielwijk (bij de Spar zelfbediening en Put’s textiel en confectie). Billijke prijzen.” Of op 8 september 1966: “A.s. vrijdag in Crabbehof (bij Paardeslagerij Crabbehof a.d. Thorbeckeweg). Billijke prijzen.”
        In 1970 staat Kappers bloemenmagazijn aan de St. Jorisweg nog vermeld in het adresboek, maar in 1973 ineens niet meer. Dan woont alleen nog E. Schot op dat adres. Wat is er aan de hand?

advertenties, gepubliceerd in De Dordtenaar in de jaren vijftig en zestig

Deze kleine advertenties, gepubliceerd in De Dordtenaar in de jaren vijftig en zestig, tonen hoe Levie Kapper zichzelf en zijn bloemenmagazijn aan de Dordtenaren presenteerde. Hij verkocht in de winkel, maar ook stond hij met een kar op vaste stekken in Crabbehof en Wielwijk.
Foto’s Krantenbank Regionaal Archief Dordrecht

Rusteloos
Al ver voor 1970 blijkt het niet goed te gaan met de vrolijke bloemist.
        Dat valt al af te leiden uit de woonkaarten in het Regionaal Archief Dordrecht. Kapper begint in de jaren zestig rusteloos rond te trekken. Hij verhuist voortdurend - binnen Dordrecht, maar ook erbuiten, naar Amsterdam. De kaart getuigt daarvan.
        Zo wordt op 9 februari 1960 genoteerd dat hij naar Amsterdam verhuist, naar de Singel 106. Later die maand blijkt hij toch niet te zijn vertrokken. Maar op de 26ste maart gaat hij alsnog naar Amsterdam, nu naar de Van Baerlestraat 118. Enkele jaren later is hij weer terug in Dordrecht, en trekt hij van de ene naar de andere woning – van de Javastraat 17 (12 april 1966) naar de Toulonselaan 39 (13 juni 1966), Toulonselaan 35 (18 juni 1966), Spuiweg 142 (18 juli 1966), Adriaan van Bleijenburgstraat 12 (6 oktober 1966)
        En dan, op 26 februari 1968 is hij weer op de St. Jorisweg, zijn thuisadres, dat na de omnummering nummer 13 heeft gekregen. Nog altijd woont Elisabeth Schot daar, die echter niet meer zijn vrouw is. Ze zijn gescheiden, begin jaren zestig. In 1968 echter staat op de woonkaart dat zij “s.w.” zijn, samenwonend.

woonkaart van Levie en Elisabeth Kapper

De woonkaart van Levie en Elisabeth Kapper laat zien dat hij ging zwerven. Hij scheidde van zijn vrouw, vertrok naar Amsterdam, maar keerde ook weer terug naar de St. Jorisweg in Dordrecht, om er te gaan samenwonen met Elisabeth. Vervolgens ging hij toch weer op verschillende adressen wonen.
Foto Erica van Dooremalen

Intriest
Peter van den Bosch heeft zijn moeder gevraagd wat Levie Kapper nu precies scheelde, en zij op haar beurt heeft navraag gedaan bij andere familieleden. Dit is het beeld dat zij schetsen, in de woorden van Peter. Het is een deerniswekkend, intriest relaas, dat erop neerkomt dat de oorlog hem geestelijk in toenemende mate is gaan ontregelen.
        “Lou Kapper heeft nooit kunnen verwerken dat zijn hele familie in de oorlog is vermoord door de Duitsers. De oorlog dreef hem letterlijk tot waanzin. Hij is tot twee keer toe opgenomen geweest in een gekkenhuis in Loosduinen. De eerste keer dat hij door een ambulance werd opgehaald op de St. Jorisweg, probeerde hij te vluchten. Toen de ambulancebroeders hem inhaalden, kreeg hij direct iets ingespoten, waardoor hij rustig werd en kon worden meegenomen.
        “Nadat hij weer vrijkwam, heeft hij nog wel aan de St. Jorisweg gewoond, maar later is hij bij zijn vrouw weggegaan en gaan zwerven. Hij deed ook rare dingen, zoals voor de fanfare uitlopen als er een optocht was.” Niet alleen verkaste Levie Kapper voortdurend, hij heeft volgens Van den Bosch ook “enige tijd in zijn auto geleefd”. “Hij had toen een hond, een boxer, en sliep ook wel eens bij ons voor de deur. Mogelijk heeft hij in die tijd ook in zijn stacaravan gewoond.”

Elisabeth Kapper in het midden, links van haar de oma van Peter van den Bosch (Lena) en zijn tante Sjen

Nog een foto uit de tijd dat Levie Kapper nog omging met zijn zwagers en hun vrouwen. Op deze vrolijke foto zit Elisabeth Kapper in het midden, links van haar de oma van Peter van den Bosch (Lena) en “tante Sjen”, die hij dan wel zo noemde, maar die in werkelijkheid een tante van zijn moeder was.
Foto Collectie-Van den Bosch

Geen kinderen
Elisabeth Schot is op 9 september 1980 overleden in ‘Crabbehoff’, een Dordts hervormd tehuis voor langdurig zieken aan de Groen van Prinstererweg 38, waarin zij enkele maanden eerder, op 12 juni, was opgenomen.
        “Kinderen heeft ze nooit gekregen, hoewel zij die graag wilde”, volgens Peter van den Bosch. In het verzorgingstehuis kreeg zij “eigenlijk alleen nog maar bezoek van de schoondochter van haar broer Sebastiaan Wilhelm (‘Bas’) Schot [zijnde: Antonia Hendrica Maria (‘Ton’) Schot-Tilemans, red.] Na haar dood is Lou Kapper uit beeld geraakt. Hij verbleef enige tijd bij het Leger des Heils.”
        “Op 15 juni 1979 stierf Peter’s oma, Antonia Versluis (1912), de vrouw van Johannes Baptist Schot. “De nacht voordat zij is overleden, kwam Levie opeens opdagen. Hij heeft zelfs bij haar in het ziekenhuis op een bank geslapen.”
        “Lena, de moeder van Peter, heeft Levie Kapper daarna nog één keer gezien, zo rond 1980, voor het laatst. “Hij was toen zeer emotioneel. Hij vertelde dat hij bij een vriend inwoonde. Hij zei dat hij op zijn leeftijd (68, red.) nog homo was geworden, om op die manier in ieder geval een dak boven zijn hoofd te hebben.”
        “De rest van de uitgebreide familie Schot had toen al niet veel contact meer met hem. Deels “omdat hij joods was”, deels omdat er een kwestie was geweest. Van den Bosch daarover: “Vroeger ging Levie veel om met zijn zwagers Johannes Baptist (mijn opa) en Cornelis Johannes (Kees) Schot en hun vrouwen.” Hij laat foto’s zien die daarvan getuigen; ze staan bij dit verhaal.
        “Ze hadden alle drie een stacaravan, eind jaren zestig, begin jaren 70, op camping ‘Buitenlust’ in Chaam bij Breda. “Op een gegeven moment is er ruzie ontstaan en is er veel gescholden. Zo werd er gezegd dat de Duitsers waren vergeten om Levie te vergassen. Dit had heel veel impact op Levie. Er is daarna nog wel contact geweest, maar niet meer zoals voorheen.”

***

Levie Kapper, Lou in de volksmond, is inmiddels overleden, op 4 februari 1984, 70 jaar oud, op het adres Noordendijk 16-18. Hoe hij zich door zijn laatste levensjaren heeft geworsteld, is niet te traceren. Mevrouw Schot-Tilemans meldt alleen dat hij op het eind van zijn leven financieel zo in het ongerede was geraakt, dat de gemeente hem bij zijn dood “heeft opgehaald”. Hij is op gemeentekosten in Dordrecht begraven. “Zijn laatste jaren waren raar; hij was een tragisch figuur geworden.”
        In feite is deze zelfverzekerde bloemenman, die stond voor de kwaliteit van zijn bloemen, geleidelijk aan afgebrokkeld – door dezelfde oorlog die hem zijn familie kostte. De Duitsers hebben hem alsnog kleingekregen.

Levie Kapper (vierde van links) en zijn vrouw Elisabeth (eerste links)

Ook op deze foto staan Levie Kapper (vierde van links) en zijn vrouw Elisabeth (eerste links). De twee naast hen zijn de oma en opa van Peter van den Bosch, Johannes en Antonia. Het echtpaar rechts is onbekend.
Foto Collectie-Van den Bosch



Elisabeth Bothof en de zoektocht naar haar joodse vriendinnetje

St. Jorisweg in de jaren dertig

De St. Jorisweg in de jaren dertig, met rechts het Matena’s Pad, waar het gezin Bothof woonde,
en links het Kasperspad. Hogerop in de St. Jorisweg, ter hoogte van de wagen met twee paarden,
was de bloemenwinkel van Levie Kapper.
Foto RAD (nr.555_20741)


Mevrouw Bothof

Mevrouw Bothof bij haar flatwoning in Dubbeldam.
“Ik heb Sara beloofd dat ik haar naam zal achterhalen.”
Foto Redactie Website

Wie was toch dat joodse meisje in de bloemenwinkel aan de St. Jorisweg?
        Dat vraagt Elisabeth Wylde-Bothof zich, 75 jaar nadat zij haar vriendinnetje voor het laatst zag, nog altijd af, voortdurend. In haar hoofd voert ze wel eens een gesprek met het meisje, dat ze Sara heeft genoemd. Ze heeft Sara plechtig beloofd dat ze “er achter zal komen hoe ze heette”, en wat er van haar geworden is.

Elisabeth Bothof, een voormalig Brits verpleegster en weduwe sinds 2002, benaderde de Dordtse werkgroep Stolpersteine begin 2016. Ze wilde graag weten hoe het haar joodse vriendinnetje is vergaan, sinds die dag in 1942 dat ze plots verdween. Ze wist niet de naam van het meisje. Ze herinnerde zich alleen dat zij op de St. Jorisweg woonde, in een bloemenwinkeltje. Kon de werkgroep iets achterhalen?
        Haar verzoek had het verhaal tot gevolg dat hierboven staat, over het gemankeerde leven van bloemenman Levie Kapper. Maar wat alle onderzoek verder ook opleverde, niets over de identiteit van Elisabeth’s vriendinnetje.

Scheiden
Wat gebeurde in die oorlogsdagen dat Elisabeth Bothof er nog vrijwel dagelijks, als tachtigjarige, aan moet denken?
        Zij woonde achter schouwburg Kunstmin, in de 2de Kunstminhof, een doodlopend hofje langs het Matena’s Pad, samen met haar moeder en drie zusjes. Haar lutherse vader, Pieter Bothof (Dordrecht, 17.8.1909), was in 1939 gescheiden van zijn katholieke vrouw, voluit geheten Carolina Margretha Elisabeth Agnes Blaauw (Dordrecht, 14.10.1906). Vier kinderen had dit echtpaar. Lena was als eerste gekomen (2.6.1933), daarna volgden Elisabeth (7.1.1935) en Casperina Hendrika Agnes (3.2.1937) en ten slotte Aagje (29.12.1938).
        De jongste was net geboren toen Pieter en zijn echtgenote uit elkaar gingen. Per 6 oktober 1939 trok de alleenstaande moeder de Kunstminhof in, zo meldt de woonkaart in het Dordtse archief.

Kinderrijk
Zes of zeven jaar oud was Elisabeth, ook wel Beppie genoemd, toen ze in de buurt het joodse meisje leerde kennen. De oorlog was gaande; vader Bothof was inmiddels tewerkgesteld in Duitsland.
        “Het was echt een joods meisje”, vertelt mevrouw Bothof, schaarse herinneringen ophalend. “Zij kwam naar ons toe. Wij hadden kinderen; de Kunstminhof was een kinderrijke omgeving. En kinderen zoeken kinderen op. Zij was ouder, ik denk negen of tien, en ze had twee vlechten.”
        Elisabeth is bij het meisje thuis geweest, tenminste: ze nam toen aan dat haar vriendinnetje daar woonde. “Dan stak ik de St. Jorisweg over en liep over de stoep omhoog, naar het kleine huisje. Ik ging haar halen, om met haar te spelen.” Een huisnummer weet ze niet, maar het was duidelijk een bloemenwinkeltje. Ze noemt het “eerder een vierkant vertrekje dan een winkeltje. “Binnen, op een vloer van graniet, stonden emmertjes met bloemen, heel karig en armoedig. Niet te vergelijken met nu, met die bloemenwinkels waar van alles te kust en te keur is. De moeder van het meisje was een klein vrouwtje, met bruine ogen, zwart haar en een bril met donker frame. Een arm huismoedertje. Ik kreeg de indruk dat ze bloemen verkocht om in leven te blijven, een winkeltje om zich te kunnen voorzien van brood en boter.”
        Nooit heeft ze in het huisje een man gezien. En voor zover ze zich herinnert ook geen huiskamer. “Alleen dat vertrekje. Als volwassene denk ik nu dat ze daar niet woonde, maar ergens anders.”

Moffen
“Een jaar of twee” is Elisabeth Bothof met het meisje omgegaan, schat ze. Totdat haar moeder het haar verbood. “Wij mochten op den duur niet meer met haar spelen. Want dan heulde je met de joden; dat mocht niet. Mijn moeder was veels te bang dat we in de problemen zouden komen. Ze was een alleenstaande moeder met vier kinderen; als een kloek wil je dan je kinderen beschermen. Ik mocht ook niet met het vriendinnetje praten. Ze stond soms buiten op ons te wachten, leunend tegen een muur, de handen op de rug. Ze bleef daar maar staan, bij de deur. Maar mijn moeder beduidde ons met d’r ogen: Nee, niet. We mochten beslist niet meer met d’r spelen of praten. Nu ik er op terugkijk, voel ik hoe eenzaam dat meisje geweest moet zijn.”
        Ergens in 1942, een precieze dag weet ze niet, raakte ze haar vriendinnetje voorgoed kwijt. “Hoe we het wisten weet ik niet, maar we gingen op een dag naar de hoek van het Matena’s Pad en de St. Jorisweg. Er was een oploopje. Voor de stoep bij het bloemenwinkeltje stond zo’n klein, vierkant Duits legerwagentje geparkeerd. Vanachter gingen de deuren open en twee moffen stapten uit. Ze waren in ’t groen, ze droegen een brede leren band. Ik keek op enkele meters afstand tegen hun rug aan, ze stonden voor me.
        “En daar, in dat wagentje, moesten ze in. Hoeveel het er waren, heb ik niet gezien; die Duitsers stonden ervoor. Maar je voelde als kind dat het serieus was; dat er iets engs gebeurde. En toen was het wagentje weg, en dat was het einde van het vriendinnetje. Ik heb haar nooit meer gezien, nooit meer iets over haar gehoord.”

tekening die het medium Coral Polge

Dit is de tekening die het medium Coral Polge, “op inspiratie van boven”,
maakte van het joodse vriendinnetje van mevrouw Bothof.
Ze draagt een on-Hollands kapje.
Foto Redactie Website

Engeland
Elisabeth Bothof verdween namelijk zelf ook, uit Dordrecht. Op 13 januari 1943 werd ze naar een katholieke school in Venlo gebracht. In Dordt ging ze in een koets met twee paarden ervoor naar het station. In Venlo is ze tot haar zeventiende gebleven. Vervolgens belandde ze in Rotterdam, waar ze van maart 1952 tot voorjaar 1959 intern woonde bij de katholieke familie Hammerstein, als kinderhulp en hulp in de huishouding.
        In Engeland werd ze daarna verpleegster. Ze trouwde er met Allan Wylde. In november 1977 keerde ze, met haar man, terug naar Nederland, naar Rotterdam. Twee jaar later betrokken zij een woning in Dordrecht.
        Naarmate ze ouder werd, vroeg ze zich steeds vaker af wat er toch met het buurtmeisje is gebeurd. “Ze is een gedeelte van m’n kinderjaren geweest.” Nog in Engeland heeft ze eens een medium bezocht, Coral Polge, in 1970. Deze maakte tekeningen van het meisje. “Haar handen werden geleid. Ze tekende onder inspiratie van boven, van de geesten van de overledenen. Dat gelooft u misschien niet, maar ik wel.”
        Ze laat de plusminus tien tekeningen zien die tijdens de sessies tot stand kwamen. Ze tonen het meisje en familieleden van Elisabeth. “Mevrouw Polge tekende het meisje met een kapje op. Waarom weet ik niet, ik kan het niet plaatsen. Het is geen Hollands kapje.”

Belofte
Elisabeth Bothof heeft het meisje, met wie ze in gedachten spreekt, de belofte gedaan achter haar naam te komen. “Ik weet haar naam niet meer. Ik weet ook niet of ik die naam toen heb geweten. Sommige herinneringen zijn echt weg bij mij.” Zelf noemt ze het vriendinnetje zolang Sara, of Saartje. De werkelijke naam wil ze graag vernemen. “Dat heb ik haar nu eenmaal beloofd. En ik weet dat ik haar weer zie, als ik het hoekje omga.”
        Waarschijnlijk zal die naam evenwel een mysterie blijven. De omschrijving die Elisabeth Bothof van het ‘bloemenvrouwtje’ gaf, kan “inderdaad van toepassing zijn” op Elisabeth Kapper, vertelt neef Peter van den Bosch. “Tante Bet was niet zo groot, had donker haar en droeg later een bril.” En op de S.Jorisweg was destijds maar één bloemenzaak; dat maakt het overzichtelijk.
        Maar: het echtpaar Kapper is kinderloos gebleven. En Peter’s moeder kan zich geen meisje herinneren dat bij Levie en Elisabeth heeft ingewoond in de oorlogstijd. Zijn moeder kan ’t weten, want haar ouders, die een paar honderd meter verderop, aan het Steegoversloot een winkel hadden, hadden indertijd “veel contact” met Levie Kapper en zijn vrouw.
        In de nabije Museumstraat woonde ook een familie Schot, Johanna Cornelia Schot, getrouwd met Arie de Borst. Dit gezin telde vier dochters en één zoon. “Toen hun huis tijdens de oorlog werd gebombardeerd, zijn de kinderen her en der een poos bij familie ondergebracht, mogelijk ook bij tante Bet en ome Lou. Maar die kinderen waren niet joods.”
        Andere mogelijkheden zijn er ook nog. Bijvoorbeeld dat het een Duits-joods vluchtelingetje is geweest dat tijdelijk inwoonde op de St. Jorisweg. Of een kind uit Levie’s familie dat er enige tijd zat ondergedoken. Of een joods meisje uit de buurt, uit een gemengd huwelijk. Maar dit zijn gissingen, waarvoor geen bewijs is te vinden. En alle nog levende, directe familieleden van Elisabeth en Levie, zoals mevrouw Van den Bosch, weten niets van een onderduikkind.
        Het raadsel zal, zo valt te vrezen, wel altijd een raadsel blijven.



< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'