Het voorbije joodse dordrecht

Louis Cahn sprong uit de trein en liet
zijn Dordtse vrouw achter: waarom?

woning van het Dordtse gezin Leviticus aan de Corn. de Wittstraat

De (inmiddels gesloopte) woning van het Dordtse gezin Leviticus
aan de Corn. de Wittstraat, op een foto die waarschijnlijk is
gemaakt in de jaren dertig. Links is het circus van Beyer
op het Beverwicksplein te zien, rechts een rijtje hoge huizen
In één ervan woonde Sophie met haar familie, vlakbij de auto.
Foto RAD (nummer 555_13332)

Hij was expres nog overijld met haar getrouwd, in juli 1942, zodat hij, als de oproep, kwam, samen met zijn vrouw, de Dordtse Sophie Leviticus, naar Polen kon vertrekken.
        Maar vanuit Amsterdam op weg naar kamp Westerbork sprong Louis Cahn uit de rijdende trein vol opgepakte joden. Alleen. Zijn echtgenote achterlatend.
         Wat had hij feitelijk gedaan? Zich het vege lijf gered als een botte egoďst? Zijn vrouw in de steek moedwillig gelaten? Of durfde zij niet?
        De afloop is bekend: zij stierf een gruweldood in Auschwitz, hij overleefde, hertrouwde na de oorlog en bouwde een nieuw bestaan op als sinaasappelkweker in Israël.
        Ononthuld is tot nog toe gebleven wat de sprong van Louis Cahn aanrichtte: dat Cato, de zus van Sophie, hem voorgoed in de ban deed. Nadat hij haar in Amsterdam van zijn sprong had verteld, nam zij hem zijn Alleingang kwalijk. Een verhaal over een moreel dilemma en nare verwikkelingen, uitgelokt door een oorlog die van zichzelf al een ongerijmdheid was.

Sophia Rosette Leviticus

Sophia Rosette Leviticus als volwassen vrouw,
vermoedelijk in 1941.
Foto Familiebezit

Slagerswinkel
Louis Cahn stamt af van een gezin dat zetelde in Valkenburg. Zijn vader Daniël was in Limburgs zuidelijkste mergelstadje geboren op 17 februari 1875, zo ook zijn broers en zusters. Een uitzondering was zijn moeder Elise. Zij, van zichzelf ook Cahn geheten, komt uit het dorpje Lechenich in de deelstaat Noordrijn-Westfalen; ze is van 24 april 1887.
        Zes kinderen krijgen Elise en Daniël, die “een goedlopende slagerswinkel heeft vlak bij de Grendelpoort”, aldus Jan Diederen, die de familiegeschiedenis heeft uitgeplozen voor de Stichting Struikelstenen Valkenburg aan de Geul. De eerste was Louis Jacques (1910), de latere echtgenoot van Sophie Leviticus. Daarna volgden Annette (1912), Emile (geboortejaar onbekend; hij overleed al na twee jaar), Georges (1915), Bertha (1918) en Albert (1921).
        Het gezin was volgens Diederen “het meest Valkenburgse van alle joden in Valkenburg”, met een stamboom die teruggaat tot 1777.
        Sophia Rosette (‘Sophie’) Leviticus was zo Dordts als Louis Valkenburgs was, al is er verschil: de Cahns woonden al vanaf 18de eeuw in Valkenburg, de familie Leviticus in Dordrecht pas één generatie. Ook Sophia’s ouders, lompenhandelaar Felix Leviticus (1879) en Emma Golstein (1883), brachten zes kinderen voort, in rappe opeenvolging: Henri (1912), Sophie (1913), Louis (1914), Cato (1915), Nelly (1916) en Ies (1918).
        Er was niets Limburgs aan Sophie, behalve dat moeder Emma in Heerlen is geboren. Emma Meijler, de dochter van Nelly, vindt het dan ook “niet zo vreemd” dat haar tante Sophie een relatie had met iemand uit Valkenburg. “Mijn oma kwam uit Zuid-Limburg”, zegt ze, “en ik heb foto’s van haar familie, die in Valkenburg woonde. Dus via die link zullen de contacten vermoedelijk gelopen zijn.”

Sophie en Louis trouwden op dezelfde dag als Sophie's broer Henri en Ro

Sophie en Louis trouwden op dezelfde dag als Sophie's broer Henri en Ro. In Het Joodsche Weekblad van 7 augustus 1942 bedanken de echtparen voor de ondervonden belangstelling.
Foto Delpher

Overhaast
Wanneer Louis en Sophie elkaar hebben ontmoet en hoe lang ze al verkering hadden, is onbekend. Maar een onbetwistbaar feit is dat zij op 30 juli 1942 trouwden, in Dordrecht, en dat deze bruiloft nogal “overhaast” was.
Deze bewering staat in het boek Vervolgd in Limburg: Joden en Sinti in Nederlands-Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog (Hilversum, Verloren, 2013, 448 pp), dat Herman van Rens schreef met medewerking van Annelies van Rens. Hij staaft de opmerking met een brief van Louis’ vader.
        Tijdens de oorlog riepen de Duitsers in Valkenburg 32 personen op. Tien van hen kwamen er niet opdagen, zes werden vrijgesteld wegens ziekte. Een van degenen die wegbleven, was Louis. Zijn vader Daniël legde op 24 augustus 1942 in een brief aan burgemeester P. Hens uit wat de reden was.
        Van Rens geeft de brief, teruggevonden in gemeentearchief, aldus weer:
        “Zijn zoon L.J. Cahn, stamboeknummer 00077, geboren 1 Dec 1910 te Valkenburg, is 30 Juli 1942 te Dordrecht gehuwd en waren zijn ouders daarbij tegenwoordig en is van daar niet teruggekeerd. Bij navraag te Dordrecht kreeg ik bericht dat zij ook niet wisten waar de jong getrouwde lui zich bevonden. Nu denk ik dat hij met zijn vrouw naar Polen vertrokken zijn omrede dat hij steeds verklaarde in dien in Dordrecht de oproep kwam om naar Polen te vertrekken, hij zijn vrouw niet alleen liet vertrekken en juist om die reden een spoedhuwelijk is aangegaan.”
        Louis wilde dus coûte que coûte bij zijn vrouw blijven en haar ook in Polen niet in de steek laten. Dát is de hoofdreden van het haastige huwelijk, een huwelijk overigens dat die dag niet het enige was voor de familie Leviticus. Tegelijk trouwde zoon Henri met Ro H. van Dam. Beide echtparen plaatsten in Het Joodsche Weekblad van 7 augustus 1942 een advertentie, waarin ze hartelijk bedankten voor de belangstelling ondervonden bij hun gezamenlijke huwelijk.

ouders van Sophie, Felix Leviticus en Emma Golstein

De ouders van Sophie, op een verweerde privéfoto:
Felix Leviticus en Emma Golstein.
Foto Familiebezit

Geluk
Eerder al, in december 1941, was een andere Leviticus in het huwelijk getreden, Cato, in Amsterdam met Hartog (‘Harry’) de Vries. Sophie, die haar ‘To’ noemde, had haar kort daarna in een briefje gefeliciteerd met deze “eerste stap”, hopend dat “de 1ste gauw zal volgen’, en dat “jullie niets dan geluk mogen ondervinden”.
        Daarna klaagde ze een beetje over haar “verpleegsterschap”: ze verzorgde drie kwakkelende familieleden, haar hoogbejaarde grootvader Aäron (Vierlingsbeek, 1849) en diens ook al bejaarde dochter Amalia (‘Malie’; Grave, 1875), allebei wonend op de Spuiweg 94 in Dordrecht. En haar tante Martha (Leviticus-Paërl), de vrouw van Aärons zoon Isidor, die elders in de binnenstad woonde, op de Vest 179 rood.
        Het werk eiste haar dag in dag uit op. Ze hoopte dat zij “gauw beter zijn”, want “eerder dan” Cato, die ook verpleegster was, begon zij er genoeg van te krijgen.
        Sophie was niet alleen voor hen “steun en toeverlaat”, ze was het ook voor haar eigen moeder Emma, vertelt Emma Meijler, de kleindochter.
        “Mijn grootouders”, licht zij toe, “vonden een opleiding heel belangrijk, óók voor de dochters. Maar Sophie kon niet zo goed leren, dus zij heeft alleen de huishoudschool gedaan.” Zo gebeurde het dat bijna-dertiger Sophie, die nog bij haar ouders inwoonde, haar moeder hielp met het huishouden, in elk geval tot haar huwelijk met Louis. Daarna was Emma verstoken van haar hulp en dat “vond ze heel erg”, weet Emma Meijler.

Vergast
De oorlog woekerde ondertussen voort. Nederland werd in hoog tempo ontjoodst. Enkele weken na het gecombineerde vreugdevolle huwelijk rukten de Duitsers de beide families wreedaardig uiteen. De lijst is deprimerend lang.
        Vader Felix belandde samen met zijn vrouw Emma in Auschwitz; beiden werden vergast op 24 september 1942. Henri, nog maar halfjaar ervoor hoopvol getrouwd, werd daar ook omgebracht, op 31 januari 1943.
        Grootvader Aäron stierf nog een natuurlijke dood, op 28 april 1942, 93 jaar oud. Zijn dochter Amalia vond haar einde in Auschwitz, op 23 november 1942. Het gezin van Isidor: volledig uitgeroeid. Isidor in Auschwitz op 7 december 1942, zijn vrouw Martha (Amsterdam, 1890) en dochters Annette (1929) en Cato (1932) op een en dezelfde dag, ook daar, op 23 november 1942.
        Bij de familie Cahn was de ravage al even verschrikkelijk. Vader Daniël en moeder Elise eindigden beiden in Sobibor, op 14 mei 1943. Hun zoon Georges volgde later, ergens in Midden-Europa, op 31 maart 1944. Dochter Bertha was haar ouders al voorgegaan, in Auschwitz, op 19 november 1942. En Albert, de laatstgeborene, ging zijn dood tegemoet in Neukirch, op 12 augustus 1943.

ouders van Louis: vader Daniël Cahn en moeder Elise Cahn-Cahn

De ouders van Louis: vader Daniël Cahn en moeder Elise Cahn-Cahn.
Foto's Joods Monument



handgeschreven afscheidsbriefje voor Jan Wilschut dat Albert en Georges Cahn

Het handgeschreven afscheidsbriefje voor Jan Wilschut dat Albert en Georges Cahn, op weg naar Auschwitz, uit de trein wierpen.
Foto Joods Monument

Briefjes
Van Albert en Georges is een afscheidsgroet bewaard gebleven, die wordt getoond op de website Joods Monument.nl. Zij wierpen hun handgeschreven briefje weg vanuit de trein naar Auschwitz en de groet bereikte het goede adres: Jan Wilschut in Brunssum, de verloofde van zijn zus Bertha. Een citaat: “We zullen zo goed mogelijk voor B. zorgen en maak je niet ongerust, ze houdt zich goed.” Georges schreef daaronder: “Wij zijn alle vol moed en vertrouwen, en hoop dat jij je ook zoo goed zult houden.”
        Bertha schreef haar Jan ook een afscheidsbriefje, al even huiveringwekkend en ook bewaard gebleven: “Liefste Jan, ik ben de groote reis aangevangen. Ja liefste Jan ’t ging niet anders ’t was ’t noodlot. Houd je ook flink want ik doe het ook en hoop op een vlug weerziens. De reis gaat werkelijk goed dus. Jan anders weet ik niets meer te schrijven. Denk zoo nu en dan ’ns aan me.”
        Het lijkt alsof Bertha Cahn voorvoelde wat haar zou overkomen. Dat geldt ook voor de afscheidsbrief die moeder Emma Leviticus aan haar drie kinderen Nelly, Louis en Ies stuurde. De brief is niet gedateerd, er staat slechts ‘maandag’, Maar Emma Meijler leidt uit de inhoud af dat hij van half augustus 1942 is en net na het huwelijk van Sophie en Louis is geschreven. “Het is niet echt een afscheidsbrief, maar we noemen hem zo omdat het het laatste teken van leven van mijn grootouders is”, zegt Emma, die de brief “met veel moeite” heeft weten te ontcijferen. Ze noemt hem “hartverscheurend en schokkend”.
        “Helaas is het ogenblik aangebroken dat de Joden hun groote reis hebben te aanvaarden”, zo begint moeder Emma. “Het is onze beurt om afscheid van jullie te moeten doen, zonder te weten waar jullie terecht komen. Het is ook niet te beschrijven wat een ellende er over de Joden wordt gestort.”
        Sommige woorden kon Emma Meijler niet lezen, maar de brief vervolgt er dan mee dat haar grootmoeder weet haar kinderen “vooreerst niet meer” te zullen zien. “Ik zal mijn best doen zo kalm mogelijk te blijven, ofschoon aan alles toch niets is te doen. Een wens en dat is zo spoedig mogelijk weer allen hier te zien. Laat eerst mijn wens in vervulling gaan, opdat het geluk [dat] ik jullie toewens, overal jullie zal begeleiden en weer spoedig gezond terug te zien.”
        Emma Leviticus zal nooit meer haar kinderen terugzien; haar gezin wordt grotendeels vernietigd. Sommige kinderen weten echter heelhuids de oorlog te overbruggen (daarover later meer), maar dat heeft ze zelf niet geweten.

afscheidsbrief die moeder Emma schreef aan haar kinderen Nelly, Louis en Les

Een deel van de (ongedateerde) afscheidsbrief die moeder Emma schreef aan haar kinderen Nelly, Louis en Ies, zoals kleindochter Emma Meijler dezeheeft geprobeerd te ontcijferen.
Foto Familiebezit

De sprong
Wat Sophie overkwam, is tot nog toe onbesproken gebleven. Haar lot wordt hier pas weergegeven, omdat het binnen de familie een dramatisch gevolg had.
Sophie was zich ook “reisklaar” aan het maken. Samen met haar man Louis bevond ze zich in de trein, die te deporteren joden van Amsterdam naar het doorgangskamp Westerbork transporteerde. Vandaar gingen zij linea recta naar de concentratiekampen, elke dinsdag.
        Onderweg wist Louis zijn leven te redden door uit de trein te springen. Herman van Rens meldt in zijn boek: “Hij werd door een boer langs de spoorlijn aangetroffen met gebroken benen. Hij dook onder.” Jan Diederen heeft een iets andere versie. Hij stelt dat Louis in de trein eerst nog “merkwaardig genoeg zijn kleren onder de medereizigers heeft verdeeld”. Vervolgens springt hij. “Hij breekt een been, maar een boer brengt hem in veiligheid en zorgt dat hij kan onderduiken.”
        Eén been of twee benen – wat is het nu? Diederen laat desgevraagd weten: “De kinderen van Annette Cahn, een zus van Louis, houden het erop dat hun oom ’n been heeft gebroken en daar houd ik het ook bij.”
        Het is een detail dat er verder ook niet toe doet. Van doorslaggevend belang is dat Louis, ondanks zijn ernstige voornemen om met Sophie samen naar Polen te gaan, ervoor koos om alleen te vluchten.
        Van Rens sluit af met de mededeling dat hij “niet weet” wat het lot van Louis’ jonge bruid is. Medewerker Gerard Rossing van kamp Westerbork is dit nagegaan. Sophie kwam op 3 december aan in het kamp, en ging op 8 december op transport, om drie dagen later te worden verdelgd in Auschwitz. Louis heeft zich na zijn ontsnapping bijna drie jaar schuilgehouden op een kamertje in Leerdam, achterhaalde Diederen.

oproep in het Nieuw Israëlitisch Weekblad van 3 mei 1946

Een oproep in het Nieuw Israëlitisch Weekblad van 3 mei 1946, waarmee
Louis Cahn probeert te achterhalen
of zijn vrouw werkelijk is overleden,
opdat hij kan hertrouwen.
Foto Delpher

Kwalijk
Na de bevrijding kan de afzichtelijke balans worden opgemaakt. De familie Leviticus kent slechts drie overlevende kinderen: Nelly, Cato en Ies. Van de familie Cahn bleven alleen Annette en Louis over.
        Cato is in 1953 met haar gezin naar Nieuw-Zeeland geëmigreerd, maar inmiddels teruggekeerd naar Nederland. Emma Meijler, haar nichtje, openbaart dat Cato allerminst te spreken was over de sprong uit de trein van Louis Cahn.
        “Wat ik weet”, zegt Emma, “en van tante To heb gehoord, is dat Louis na de sprong regelrecht met wat lichte verwondingen aan zijn hoofd naar het adres van mijn tante To is gelopen. Zij woonde toen in de Cornelis Drebbelstraat in Amsterdam. Daar aangekomen is hij niet met veel blijdschap ontvangen. Hij vertelde het verhaal van zijn sprong. Mijn tante kon het niet verdragen dat hij alleen is gesprongen, en niet samen. Dat heeft ze hem kwalijk genomen en daardoor heeft ze het contact met hem niet willen onderhouden.”
        Zelf nuanceert Meijler het voorval. “Wij weten niet wat zich in de trein heeft voorgedaan. Er is altijd nog de mogelijkheid dat ze samen zouden springen of dat Sophie zich op het laatste moment bedacht heeft. Wie zal het zeggen?”
        Louis Cahn is na de oorlog hertrouwd, met Elisabeth (‘Liesje’) Boutelje (Den Haag, 1918). Ook voor haar was het het tweede huwelijk. Met haar eerste man, Johan Slager (Steenwijk, 1916), had zij, hoogzwanger, geprobeerd via België naar Zwitserland te vluchten. Volgens de website Joods Monument was voor deze vlucht “veel geld betaald”. Maar alle dertien betrokken vluchtelingen werden verraden.
        Ze werden eerst gevangen gezet in het doorgangskamp Breedonck bij Antwerpen en vandaar naar Auschwitz gedeporteerd”, meldt een bezoeker van de site. Johan Slager is op 31 december 1943 ergens in Midden-Europa om het leven gekomen. Zijn vrouw Liesje wist na het verraad te ontvluchten, en dook onder in een klooster bij of in Brussel. Daar is het kind geboren, volgens Diederen “Ellie” geheten, in augustus 1942.

Op het Grendelplein in Valkenburg zijn in november 2013 Stolpersteine gemetseld

Op het Grendelplein in Valkenburg zijn in november 2013 Stolpersteine gemetseld
voor de vijf vermooorde leden van de familie Cahn.
Foto Stichting Struikelstenen Valkenburg

Beloning
Om te kunnen hertrouwen, moest eerst worden vastgesteld of Sophie en Johan daadwerkelijk dood waren. In het Nieuw Israëlitisch Weekblad van 3 mei 1946 verscheen daarom een oproep. “Welke personen kunnen en willen verklaren en getuigen dat deze personen overleden zijn?” Een “grote beloning” stelde bewindvoerder Louis Cahn in het vooruitzicht, namens de familie Slager in Steenwijk.
        “Blijkbaar kon de kwestie worden geregeld, want ze trouwden. Diederen bericht dat Louis, Liesje en dochter Ellie in 1951 emigreerden naar Israël om er in Hadar Am, nabij Netanya, een sinaasappelplantage te beginnen. Louis Cahn is op 14 oktober 1996 overleden, Liesje op 22 juli 2007, in Petach-Tikva. Dochter Ellie, die tussen 1945 en 1951 opgroeide in Steenwijk, heet inmiddels Sarah Katznelson-Slager.

Tussen de families Cahn en Leviticus is het niet meer goed gekomen. En de persoon die Louis Cahn destijds verontwaardigd in de ban deed, leeft nog. Cato de Vries-Leviticus is nu honderd jaar oud. Zij zal zich het beschamende voorval blijven herinneren – totdat de herinnering vervaagt.

vijf struikelstenen bij de voormalige woning van de familie Leviticus

In Dordrecht liggen ook vijf struikelstenen bij de voormalige woning van de familie Leviticus,
aangebracht in februari 2015.
Foto Redactie Website



< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'