Het voorbije joodse dordrecht

Onderduiker Louis van den Bergh stierf op straat, uit
lijfsbehoud moest zijn vrouw hem daar achterlaten
* Jet Cohen vertelt hoe de familie Cohen-Zadoks in de VS belandde

* Raadsel blijft intact

Onderduiker Louis van den Bergh

De handgeschreven notities in het politiedagrapport over het plotse overlijden van Louis van den Bergh: het lijk worden door twee werknemers geëidentificeerd.
Foto Erica van Dooremalen, archiefonderzoekster

De oorlog had hun dagelijkse levens al danig ontwricht, maar die avond zou er nog eens groot leed bijkomen.
         Louis van den Bergh, een achtenswaardige Dordts-joodse koopman in oliën, liep op een koude winteravond in januari 1943 samen met zijn vrouw Henriette in de Houweningestraat, in het Land van Valk. Het echtpaar had daar niets te zoeken; normaal woonde het op de voorname Singel, hemelsbreed honderden meters verderop, aan de andere kant van de spoorlijn naar Gorinchem.
         In hun eigen huis konden Louis en Henriette niet meer zijn. De Duitsers waren verbeten bezig ook Dordrecht judenrein te maken; het echtpaar was op de vlucht geslagen. Officieel stonden zij al enkele maanden genoteerd als onvindbaar. De beste aanname is dus dat Louis en Henriette die winteravond een ommetje maakten, in het geniep, in de duisternis die vroeg inviel en hen zo beschermde.

Onderduiker Louis van den Bergh

Weduwe Henriette v.d. Bergh met haar zoon David en haar dochter Ida, december 1962. David is altijd in Dordrecht blijven wonen, Ida, de moeder van Bram, vluchtte naar de Antillen.
Foto Familiebezit

         Maar misschien was hun onderduikadres wel vlakbij, en bevonden zij zich dáárom in de Houweningestraat.
         Om ongeveer 20.30 uur gebeurde het. Louis zakte op straat in elkaar en stierf – naar later bleek aan een hartverlamming. Hij was pas 59.
         Henriette zal in paniek zijn geraakt. Ze zal haar man hebben willen bijstaan. Ze zal, zoals menselijkerwijs normaal is bij zo’n plotselinge dood, haar echtgenoot hebben willen begeleiden, opbaren en begraven. Maar nu was dat levensgevaarlijk voor haar; als jodin had ze zich niet eens op straat mogen bevinden. Ze werd gezocht, ze was prooi. Ze moest Louis noodgedwongen eenzaam op straat achterlaten.
         Terstond maakte ze zich uit te voeten, en verdween. In het dagjournaal van de politie kwam te staan dat Henriette spoorloos was.
         Maar Henriette is wonderwel weergekeerd. Na de oorlog kwam ze plotseling uit het niets weer te voorschijn, en ook nog eens in Dordrecht. Met behulp van openbare archieven en een kleinkind in het gindse Amerika kan haar na-oorlogse leven hier enigszins worden geschetst. Zelf kan ze er niet meer van getuigen, zij overleed in 1968, 85 jaar oud.

Onderduiker Louis van den Bergh

Decennia lang was dit het woonhuis van de familie Van den Bergh: Oranjelaan 34 (nu 282).
Foto Redactie Website

Secretaris
Louis van den Bergh is een geboren Dordtenaar. Hij kwam ter wereld op 23 juli 1883, als tweede zoon van David van den Bergh (1842) en Kaatje Allemans (1853). Joseph was hem als broer voorgegaan, op 23 mei 1880, en daarvoor Daniël (20 mei 1872), maar deze overleed al enkele maanden later, op 7 oktober.
         Op volwassen leeftijd oefenden de beide broers hetzelfde beroep uit: koopman in oliën. Beiden vervulden daarnaast functies bij joodse instellingen. Joseph was bijvoorbeeld penningmeester van het Nederlands Israëlitisch Armbestuur, Louis stond te boek als secretaris van de Nederlandsche Zionistenbond, afdeling Dordrecht en ook als secretaris van Mis’jenes Zekeiniem (Steun aan Ouden).
         Huwelijken volgden, kinderen ontstonden. Joseph trouwde met Margaretha Goldschmidt (8 september 1882) uit Dortmund. Dit echtpaar ging wonen op de Singel 135 (nu: 201). Cato Ilse werd er als eerste kind geboren, op 27 februari 1908, Henriette Johanna volgde op 12 december 1909. Elisabeth Erna kwam op 4 juni 1914 als derde kind ter wereld, maar dit meisje stierf al op 19 december 1916.
         Louis huwde Henriette Beerenborg (9 december 1882) uit het Brabantse Zevenbergen. Hun eerste woonadres was nog op de Voorstraat, op nummer 61. Hier werden de eerste twee kinderen geboren: Cato Ida (29 juni 1908) en Ida Hester (21 november 1910). Later betrokken zij een nieuw pand op de Oranjelaan, op nummer 34 (nu: 282). Daar kwam als kennelijke nakomeling David Meijer (29 juni 1925) ter wereld. Cato Ida vertrok op 15 juli 1926 naar Hilversum, maar bleef er slechts kort. Want zij overleed op 18 september 1926, dus nog geen twee maanden later, op 18-jarige leeftijd. Volgens familielid Bram Zadoks (zie verderop) gebeurde dat “thuis, na een asthma-aanval”.

Onderduiker Louis van den Bergh

Ida en Emanuel Zadoks, de ouders van Bram, in november 1959.
Foto Familiebezit

Oorlog
De oorlog gooide alles overhoop, vooral voor de joodse Nederlanders. Er ging jacht op hen gemaakt worden. Levens werden onherstelbaar misvormd, of bot beëindigd. Louis en Henriette waren al verhuisd, naar de Singel 135. Waarschijnlijk had Louis het huis van zijn broer overgenomen. De broer zelf had met zijn vrouw Magaretha in ieder geval een ander huis betrokken, op de Reeweg Oost 92 (nu: 190).
         Van de twee overgebleven kinderen van Louis en Henriette was Ida inmiddels getrouwd. Met haar echtgenoot, Emanuel Zadoks, woonde zij in Breda, samen met hun twee kinderen: Bram (1935) en Jet (1937). Dit gezin wist Nederland op tijd te ontvluchten. Zoals Bram Zadoks, opgespoord in Peoria in de Amerikaanse staat Illinois, vertelde: “Mijn ouders werd, toen de oorlog begon, aangeraden om naar het zuiden te vluchten. Via Zuid-Frankrijk belandden wij in 1943 op Aruba. Ik was toen acht jaar oud en herinner mij niets van de moeilijkheden en angsten die mijn ouders moeten hebben doorstaan.”
         Die angsten drukten constant op de achtergebleven Van den Berghs, en werden heviger naarmate de oorlog vorderde. De jodenjacht begon het crescendo te naderen. Joseph redde het niet. Samen met zijn vrouw Margaretha werd hij op 10 november 1942 in het hoofdbureau van politie opgesloten, in gezelschap van 37 andere joodse Dordtenaren. Nog geen maand later, op 7 december, waren ze allebei vergast in Auschwitz.
         Hun oudste dochter Cato Ilse, inmiddels getrouwd met Salomon Elias Simons (1901) en in Amsterdam aan de Roerstraat 75 I wonend, werd samen met haar man omgebracht in Sobibor, op 23 april 1943. De jongste dochter Henriette, inmiddels de echtgenote van Hagenaar Barend Bloemkoper (1908), stierf in Auschwitz, op 8 april 1944, tegelijk met haar zoon Marius Jo (1938) en haar dochter Margaretha Meta (1939). Barend volgde op 30 april. Henriette werkte als huishoudster bij het Israëlitische Oude mannen- en vrouwenhuis te Den Haag en woonde daar met haar gezin in de Riouwstraat 179.

Onderduiker Louis van den Bergh

Deze foto is gemaakt op de hoek Houweningestraat-Toloysenstraat. In de Houweningestraat (links) stierf Louis ineens, in de Toloysenstraat zouden hij en zijn vrouw gaan onderduiken.
Foto Redactie Website

         Louis en Henriette slaagden erin onvindbaar onder te duiken. Op welk adres is zo gauw niet te achterhalen. In de (gedigitaliseerde) politierapporten van maandag 25 januari 1943 staat alleen dat Louis “sinds eenige maanden” zoek is.

         Het is aan diezelfde politiejournalen te danken dat überhaupt is te reconstrueren wat Louis van den Bergh is overkomen. In de latere oorlogsjaren kwam het immers doorlopend voor dat mensen zomaar ineens definitief uit beeld raakten – hun woning was leeg, hun straat stiller. Ze waren afgevoerd en niet meer te traceren. Maar van Louis van den Bergh is tenminste een notitie bewaard gebleven – een laatste levensteken.

Identificatie
Om 22.10 uur schreef de agent majoor H. van Dijk zijn rapport. Over een man die op straat dood gevonden was. Het was “heden te ongeveer 20.30 uur” gebeurd en de melding was telefonisch binnengekomen, via dr. Koopman, de directeur van de GGD. Koopman vertelde dat “op den openbare weg de Houweningestraat” plotseling een man was doodgebleven. Van Dijk stelde een onderzoek in, en daaruit bleek dat de onbekende man naar binnen was gedragen in het pand Houweningestraat 58. Wie hij was, viel niet meteen vast te stellen, aangezien hij “geen enkel bewijs bij zich had” waarmee hij kon worden geïdentificeerd.
         Van Dijk schrijft dat de huisarts dr. Meursing, van de Johan de Wittstraat, als eerste bij de overleden man “tegenwoordig is geweest”. Meursing constateerde als doodsoorzaak hartverlamming. “Bij het lijk was ook een vrouw”, vervolgt Van Dijk, “doch deze is spoorloos verdwenen, zonder door dr. Meursing herkend te zijn.” Dit zal zonder twijfel Henriette zijn geweest, Louis’ vrouw, want zíj is het die in alle navolgende oorlogsjaren onvindbaar blijft en in maart 1943 dan ook administratief wordt uitgeschreven: VOW, Vertrokken Onbekend Waarheen.

Onderduiker Louis van den Bergh

Herontdekte foto's uit de jaren twintig van de kinderen van Louis en Henriette, gemaakt door de beroepsfotograaf Beerman. De foto's, die zich bevinden in het stadsarchief, hadden een adres, een jaartal en een familienaam, en zo konden de afgebeelde personen alsnog worden geïdentificeerd.
Deze foto toont de zusjes Cato en Ida, op 14 oktober 1923.
Cato is de oudste (rechts).
Foto RAD (nummer 309_753)

         Op het lichaam van de man worden geen sporen van geweld aangetroffen, “zoodat misdrijf is uitgesloten”. In overleg met dr. Koopman wordt het lijk per politiebrancard naar het lijkenhuis van het Gemeenteziekenhuis gebracht. Daar wordt op het lijk een portemonnaie gevonden met een pasfoto van de overledene. Van Dijk: “Op het Hoofdbureau is deze persoon herkend als één van de Heeren v.d. Bergh, zeer waarschijnlijk L. v.d. Bergh, gewoond hebbende Oranjelaan 34, die sinds eenige maanden spoorloos was (Jood)”.
         De portemonnaie en “eenige kleinigheden” worden opgeborgen in kastje 4.
         De volgende dag komt vast te staan dat het lijk Louis is. Twee mannen die in dienst van Van den Bergh zijn geweest, Hendrik Lodewijk Stekelbos (oliehandelaar, 55, Voorstraat 66 rood) en Jacob van Wageningen (magazijnknecht, 53, Obrechtstraat 24 rood), herkennen hun baas.
         Voor Henriette Beerenborg moet deze dood hartverscheurend zijn geweest. Zijn plotse dood zal haar hebben geschokt, maar zeker zo intens triest is het besef dat zij niet fatsoenlijk afscheid van hem heeft kunnen nemen. Uit lijfsbehoud moest zij haar dierbare echtgenoot ontzield op straat achterlaten, gehaast weglopend.

         Met het dagrapport van majoor Van Dijk leek de levensgeschiedenis van Louis en Henriette afgesloten. Hij was dood, zij was weg, deze levens waren voorbij.
         Maar er waren nog kinderen, Ida en David. Hoe was het hen vergaan? En hun moeder? Waar is zij gebleven? Leeft zij nog? Kan zij nog iets persoonlijks toevoegen? Een speurtocht begon.

Terug
Henriette Beerenborg heeft nog een heel leven kunnen leven. Uit woningkaarten in het Dordtse stadsarchief viel al gauw op te maken dat even schielijk als ze uit Dordrecht verdween, zij er weer terugkeerde. Op 25 januari 1946 wordt op de woonkaart van de Lange Breestraat 2A rood geregistreerd dat zij “van VOW” terug is. In de daaropvolgende jaren verhuist ze enkele malen, naar de Singel 197 rood, naar de Johan de Wittstraat 51C rood, nog weer eens terug naar de Lange Breestraat en dan weer naar de Johan de Wittstraat 75, in 1962.

Onderduiker Louis van den Bergh

Nogmaals Cato op 15 november 1925. Zij overleed een jaar later, nog geen 18 jaar oud.
Foto RAD (nummer 309_4661)

         In Israël laat zij in de navolgende jaren bomen planten, voor mensen die zij wil eren. In het Nieuw Israëlitisch Weekblad (NIW) wordt daar melding van gemaakt. In 1966 krijgt mr. A. Stoop een boom “tgv afscheid”. In 1967 laat zij twee bomen planten, voor dr. E.E. Meursing (“tgv verj.”) en voor G.P. de Ruiter (geen aanleiding). In 1968 krijgt Henriette zélf twee bomen, geschonken door klein- en achterkleinkinderen. Het blijkt dat zij is overleden, volgens een advertentie in hetzelfde NIW op 20 januari 1968. Zij verbleef toen in Rotterdam, op de Heemraadsingel 115.
         Henriette kan zelf niet meer haar verhaal vertellen. Maar wellicht kunnen haar nakomelingen dat?
         De namen van familieleden in de overlijdensadvertentie dateren van 1968, vier decennia later kloppen die niet meer. Op één na: die van A.L. Zadoks en M. Zadoks-Statius Muller in Peoria, in de VS. Zoekend via het internet wordt hun huidige adres gevonden, behoedzaam wordt vervolgens contact gelegd.
         Bram Zadoks bevestigt dat hij een nakomeling van Henriette is, namelijk een zoon van Henriette’s dochter Ida. Henriette was dus zijn grootmoeder van moederskant. In e-mails geeft hij zonder schroom en behulpzaam de relevante gebeurtenissen in de familie weer.   

Ingenieur
Over zichzelf: Abraham Zadoks is geboren in Dordrecht, op 8 maart 1935. Terechtgekomen op Aruba liep hij daar de mulo en vervolgens op Curaçao de hbs af. Zijn vader, Emanuel Zadoks, was zakenman en op Aruba “jarenlang directeur van de Aruba Trading Company, een firma met onder andere twee grote warenhuizen, een bouwmaterialen-afdeling en een autoverkoop-afdeling met garage”. In 1953 vertrok Bram Zadoks naar Amerika, om er te studeren. Nadat hij zijn opleiding had voltooid, vond hij er een baan, als werktuigbouwkundig ingenieur. Hij werkte “42 jaar bij Caterpillar, Inc., meest aan motoren”.
         Hij trouwde met een vrouw die afkomstig is van Curaçao, Miriam (Mia) Statius Muller, geboren 5 augustus 1935. Het huwelijk had ook plaats op haar geboorte-eiland. In Peoria, al 57 jaar hun woonplaats, kwamen er kinderen: Tim Arne (1959), Rick Ian (1962) en Jeff Alan (1965).

Onderduiker Louis van den Bergh

Ida met haar broertje David, op 24 december 1928.
Foto RAD (nummer 309_11947)

         Bram’s ouders, die terugkeerden naar Nederland, zijn beiden overleden. Zijn vader op 24 juni 1990 in Bussum. Zijn moeder Ida op 28 januari 2003, op 92-jarige leeftijd, in Laren. Zij zijn beiden begraven op de joodse begraafplaats in Dordrecht.
          Ida’s broer David is ook heelhuids uit de oorlog gekomen, kan Bram Zadoks meedelen.
David vertrok volgens de Dordtse gezinskaart op 7 juni 1940 naar Bloemendaal, naar de Acacialaan 22; klaarblijkelijk zijn onderduikadres. Maar over de belevenissen van deze oom kan Bram weinig meer doorgeven dan alleen dit: “David van den Bergh was de enige oom die ik ooit heb gekend. Na de oorlog zette hij de oorspronkelijke zaak van zijn vader voort en legde zich toe op de verkoop van epoxy, bekistingsolie en andere chemische producten voor de bouw. Hij trouwde na de oorlog [met M.E.M. van Eede], maar kreeg nooit kinderen.” Hij woonde in Crabbehof en stierf in 1979.
         Zijn grootmoeder, ten slotte. Bram Zadoks heeft Henriette na de oorlog “diverse malen” in Nederland bezocht. “Ik zag haar voor het laatst op haar 80ste verjaardag, in 1962. Zij was toen opgewekt en zeer levendig, woonde zelfstandig en had dagelijks contact met haar zoon en schoondochter, zowel als met mijn ouders, die toen weer in Nederland woonden, in Bussum.”
 

        Maar het spijt hem: over haar oorlogsjaren kan Bram Zadoks niets vertellen. Zijn grootmoeder, maar ook zijn eigen vader, drukten dat verleden weg. Al die ongemakkelijke tot ondraaglijke voorvallen hadden ze verbannen naar de uithoeken van hun geheugen; onder de oorlog hadden ze een dikke streep gezet.
         Bram: “Over de oorlog met al hun pijnlijke herinneringen werd nooit gesproken. Ook mijn vader, wiens hele familie in de oorlog omkwam, zweeg. Ik weet dat mijn grootvader op straat aan een hartaanval overleed en dat mijn grootmoeder hem moest achterlaten, hetgeen u al weet. Dit is alles dat ik over die oorlogsjaren kan vertellen.” *
        

Onderduiker Louis van den Bergh

Ida, op 29 november 1925.
Foto RAD (nummer 309_4805)

Rapport
Maar hiermee is het relaas over de familie Van den Bergh nog niet afgesloten. Er is nieuwe informatie ontdekt, die decennia lang verborgen is gebleven.      
         De werkgroep Stolpersteine Dordrecht, die deze website beheert, kreeg een getuigenis toegestuurd van de Dordtse muziekhandelaar Johan Broekhuijsen. Op vier dichtbetikte velletjes zet deze uiteen waarom hij het tot zijn “mensen- en christenplicht rekende” om joodse onderduikers in huis te nemen, om deze “medemenschen uit de handen der nazi-beulen en hun trawanten te redden”.
         Hij schreef de getuigenis vrijwel direct na de bevrijding, op 22 juli 1945. Broekhuijsen is in 1957 overleden. Zijn kleindochter Maartje van der Weide keurt het goed dat eruit wordt geciteerd.
         Louis en Henriette blijken zich bij de Broekhuijsens, die woonden op de Voorstraat, te hebben verstopt. Hiermee is één onderduikadres nu bekend geworden.
         Broekhuijsen meldt in zijn rapport dat hij en zijn vrouw in 1942 het “echtpaar Van den Berg [sic] kregen te logeeren. “Het vertoefde geruimen tijd tot wederzijdsche tevredenheid bij ons, aan welke illusie helaas een einde kwam toen ons door onze buurvrouw Mevr. Schilperoort een tip gegeven werd, dat er bij Gerzon over gesproken werd, dat wij Joden in ons huis hadden. Fam. Schilperoort woont in ons eigen pand, Voorstraat 328 boven den muziekwinkel, wij in Voorstr. 330 boven de instrumentenwinkel. Genoemde fam. v.d. Berg is toen doorgegeven aan H. den Engelsen, die voor onderdak zorgde. De Heer v.d. Berg is helaas plotseling overleden op een avondwandeling, zoodat hij de vrijheid niet meer heeft mogen beleven.”

Onderduiker Louis van den Bergh

En ten slotte David nog eens, de jongste, op 16 mei 1928.
Foto RAD (nummer 309_10424)

         [De heer Den Engelsen woonde voor, na en in de oorlog aan de Toloysenstraat 9. Zo is, bij nader inzien, opgehelderd wat Louis en Henriette in de Houweningestraat deden: de Toloysenstraat ligt er om de hoek. Het echtpaar verbleef dus al bij Den Engelsen, of verkende het vluchthuis alvast.]

Kinderfoto’s
Een andere ontdekking vormen familiefoto’s. Op goed geluk grazend in de beeldbank van het Dordtse archief dook een kleine verzameling foto’s op – gedigitaliseerde glasplaten die in de jaren twintig door de Dordtse beroepsfotograaf H.G. Beerman senior, zetelend op het Vrieseplein, waren gemaakt.
         De foto’s tonen kinderen. Nergens worden hun namen genoemd, in de bijschriften staat alleen dat de personen Van den Bergh heten, en aan de Oranjelaan woonden. Ook staan er verschillende jaartallen bij, allemaal behorend tot de jaren twintig.
         Dit is zonder meer de familie Van den Bergh. Volgens geraadpleegde adresboeken woonde er namelijk maar één familie Van den Bergh aan de Oranjelaan, en dat al vanaf 1916. De foto’s kunnen dan ook alleen maar de kinderen van Louis en Henriette tonen.
         Bram Zadoks is vanzelfsprekend over de foto’s geconsulteerd. Maar hij moet zich verontschuldigen: hij herkent niemand. Hij legt uit: “De foto’s in het stadsarchief heb ik nog nooit gezien. In mijn familie overleefden weinig of geen foto’s uit de oorlog. Zodoende weet ik absoluut niet hoe de diverse personen er in hun jeugd uitzagen.”
         Gelet op de jaartallen die bij de foto’s staan, variërend van 1923 tot 1928, kan Bram Zadoks alleen maar gissen. Op bepaalde foto’s kan “denkelijk” zijn moeder staan, of “denkelijk” zijn oom David. Maar de oplossing is eenvoudiger. Alle foto’s tonen zichtbaar jonge mensen, kinderen, niet één volwassene. Het gezin telde drie kinderen, dus zij zijn het die zijn geportretteerd. Hun leeftijden zie je aan hun gezichten af; wie de oudste van de twee meisjes is, is duidelijk.

Onderduiker Louis van den Bergh

Deze collagefoto's tonen de familie Zadoks in de VS. Links boven: Mia en Bram Zadoks. Daarna: hun zonen. Links onder: zoon Tim (geboren 1959); rechts boven zoon Rick (1962); rechts onder zoon Jeff (1965); ieder met hun familie.
Foto Familiebezit

Uit het oog
De waarneming wordt enigszins bevestigd door Erna Zwart-Cohen (9 juni 1935), die als kind op de Groenedijk woonde, achter de Oranjelaan. Haar ouders, Bernard Abraham Cohen (1903) en Elisabeth Duits (1907), beiden vermoord in Auschwitz, kregen in april dit jaar als allereersten een Stolperstein in Dordrecht, in de stoep voor hun voormalige woning.
         Mevrouw Zwart laat weten: “De familie Van den Bergh heb ik zeker gekend. De familie Duits, mijn grootouders van moeders kant, kende de familie Van den Bergh al van voor de oorlog. Zij waren van dezelfde generatie, beide families woonden in Dordrecht en gingen naar dezelfde synagoge. Ik geloof niet dat zij echte vrienden waren van elkaar, meer kennissen. Na de oorlog leefde mevrouw Van den Bergh nog, mijn grootouders woonden vlakbij en toen is er vriendschap ontstaan.”

Onderduiker Louis van den Bergh

Dit is het laatste woonadres van de Van den Berghs voordat zij moesten onderduiken: Singel 135 (nu 201), het voormalige huis van zijn broer Joseph.
Foto Redactie Website.


         “De Van den Berghs hadden”, vervolgt Erna Zwart, “een dochter, Ietje, die getrouwd was met Manuel Zadoks. Deze mensen waren van de leeftijd van mijn ouders. Zij hadden nog een dochter, Jet, en die is getrouwd met Jos Cohen uit de Toulonselaan. Indertijd zijn zij naar de VS gegaan, waar ze nu nog wonen. Ik ben ze uit het oog verloren.”
         Zij heeft David gekend, de jongste. “Wij noemden hem Daaf. Aangezien zijn moeder en mijn grootouders vrienden waren, gingen wij met haar zoon Daaf om, die toen nog bij zijn moeder woonde. Hij was tien jaar ouder dan ik.”
         Zij herkent Daaf van de foto waarop hij als driejarig jochie staat. Op de andere foto’s meent Erna Zwart Ietje te zien, op één zelfs moeder Van den Bergh met David. Maar dat kan niet, Henriette was in de jaren twintig al ruim veertig jaar oud, de foto toont een veel jongere vrouw.

            Het zijn de kinderen, dat is zonneklaar en zeker. En daarmee zijn de foto’s, negentig jaar na dato, alsnog ‘thuisgebracht’.

 



Jet Cohen vertelt hoe de familie
Cohen-Zadoks in de VS belandde


[* Inmiddels is de zus van Abraham (‘Bram’) Zadoks, Jet Zadoks, de weduwe van Jos Cohen, begin 2021 begonnen haar levensverhaal te schrijven. Ze vertelde dat in een e-mail aan de redactie van deze website.
Het boekstaven doet ze voor haar kinderen en kleinkinderen en ze weet al wat het hoofdonderwerp wordt: “Hoe de familie Cohen-Zadoks (beiden voor generaties uit Dordrecht, Netherlands) in Amerika terecht is gekomen!”
Onvermijdelijk komt daarin de oorlog voorbij, met alle nare herinneringen. Maar, meldt ze: “Natuurlijk moet dit geen boekdeel worden en kan ik het zeer bekorten.”

Depressie
Jet (1937) Cohen-Zadoks is de weduwe van Jos Cohen. Het echtpaar kwam in 1977 aan in de Verenigde Staten, “ook al weer een mensenleven geleden”. Jos en Jet hadden drie teenagers bij zich. Inmiddels zijn er zeven kleinkinderen en in 2021 volgen er twee achterkleinkinderen. Jos overleed op 8 januari 2016, op 80-jarige leeftijd, in Somerset, New Jersey. Jet’s broer Bram (en diens echtgenote Mia) wonen eveneens in de VS, in Peoria, in de staat Illinois. Jaren terug, in de begintijd van de Dordtse werkgroep Stolpersteine en deze website, hielp Bram met gegevens over Louis van den Bergh, zie verhaal 39. Jos Cohen had daar toentertijd geen trek in. Jet licht dat nu toe: “Jos wilde nergens van horen, omdat hij weer in een zware depressie was gekomen.”
        Haar kinderen wijzen Jet regelmatig op nieuwe verhalen op deze Dordtse site. Ze leest ze “met aandacht”. Ze kent immers veel mensen uit haar Dordtse tijd, ze koestert veel herinneringen aan de grote families Cohen en Zadoks in vooroorlogs Dordrecht. Maar ze vindt sommige artikelen over de Holocaust ook somberstemmend. “Ik dacht dat het wel over zou gaan, maar ik merk dat ik er aan blijf denken al deze dagen.”
        Ongemerkt begint ze in haar e-mail al te vertellen. Over haar man Jos bijvoorbeeld, over toen hij uit de oorlog kwam. “Wij ontmoetten elkaar op een verjaardagsfeestje in Hendrik-Ido-Ambacht, en de rest is geschiedenis. Mijn moeder Ida Zadoks-van den Bergh (van de oliehandel) bezocht na de oorlog voor het eerst háár moeder Henriette van den Bergh-Beerenborg, die met haar jongere zoon David ook de oorlog had overleefd. Haar man Louis was tijdens de oorlog, zoals uw artikel beschreef, op straat overleden, in het Land van Valk.”
        De vader van Jet, Emanuel Zadoks, werkte en woonde met zijn gezin vanaf 1943 op Aruba. Jet: “Hij vluchtte met mijn moeder Ida en hun twee kleine kinderen – Bram van 5 en Jet van 3 – op 10 mei 1940 met de auto vanuit Breda naar het zuiden. Dit heeft het leven van ons kleine gezin gered.”

familie Cohen, vlnr: Mike, Jet, Jos, Ida en Michel

De familie Cohen, met van links naar rechts: zoon Mike, moeder Jet, vader Jos, dochter Ida en voor hen Michel, die in de VS zijn naam veranderde in Mitchell.
Foto Familiebezit

Zuid-Frankrijk
Zij licht toe hoe de vlucht verliep en welke route het gezin nam. “Mijn vader en moeder waren jeugdvrienden. Op 10 mei 1940, toen de Duitsers Holland binnen vielen, woonden zij met hun twee kleine kinderen in Breda.
        Toen de brug die ons terug zou brengen bij de (groot)ouders in Dordrecht, de Moerdijkbrug, bleek te zijn gebombardeerd, besloten mijn ouders, en velen met hen, om met hun auto naar het zuiden te rijden. Mijn ouders hadden al lange tijd een koffer bij de voordeur staan voor het geval dat zij zouden moeten vluchten.”
        Emanuel en Ida reden door totdat zij in de rij moesten gaan staan voor benzine. “Er kwam een luchtalarm, wij belandden in een schuilkelder. Toen het sein “veilig” weer werd gegeven, bleek er een bom op onze auto te zijn gevallen, die een krater in de weg had veroorzaakt.” Het lukte het gezin om in Zuid-Frankrijk, in Sète, te geraken, en daar bleef het 2,5 jaar. Bram en Jet gingen er gewoon naar school. “Mijn vader werkte eerst als een chauffeur livreur bij Magazine Reunie. Tot slot, toen het te gevaarlijk werd, plaatste de ondergrondse hem op een kippenfarm.”
        Het Nederlandse consulaat slaagde erin “om ons passage te krijgen op het stoomschip ‘Marques de Comillas’, dat als bestemming New York had.Máár: Amerika sloot zijn grenzen. Vele van de schepen met vluchtelingen aan boord werden getorpedeerd of teruggestuurd naar Europa, waar de Duitsers ze met open armen stonden te wachten”.
        De ‘Marques de Comillas’ overkwam dit niet. Het schip werd naar het eiland Jamaica gestuurd. In een leeg Engels legerkamp konden de ruim driehonderd vluchtelingen worden opgevangen. Jet: “Aangezien dit voor het grootste deel Nederlanders waren, stuurde de regering zijn afgezant van het eiland Curaçao naar het kamp om poolshoogte te nemen. Destijds hoorden de ABC-eilanden (Aruba, Bonaire en Curaçao) nog bij het Koninkrijk der Nederlanden. Mijn vader kwam thuis met een atlas, omdat ze in het kamp nooit gehoord hadden van Aruba.”
        Emanuel Zadoks werd op Aruba bij de militaire administratieve dienst tewerkgesteld als censor. Dat was in 1943.

Jos Cohen in Oene, tussen zijn onderduikouders: Hendrikus en Luchien van Voorst

Jos Cohen in Oene, tussen zijn onderduikouders in: Hendrikus en Luchien van Voorst.
Foto Privébezit

Joodje
Na de oorlog bezocht dit gezin in 1951 voor de eerste keer Nederland en Dordrecht weer. Jet: “Op die reis ontmoette ik mijn aanstaande echtgenoot Jos, in Hendrik-Ido-Ambacht. Hij was zestien en ik veertien.” Jet Zadoks reisde met haar ouders terug naar Aruba om haar school af te maken. In 1955 vertrok ze naar Dordrecht. Zij en Jos verloofden zich in december van dat jaar, in 1958 trouwden zij.
        Jos Cohen, zijn oudere zus Betty (Smoli-Cohen) en hun ouders hebben tijdens de oorlog ondergedoken gezeten bij Aart Bezemer en diens vrouw op de Staart, zie verhaal 249. Jet beschrijft wat Jos in die oorlogstijd is overkomen, aldus de gebeurtenissen weergevend die haar man indertijd niet heeft aan de redactie heeft willen vertellen: “Voor Jos, een jongetje van zeven, werd het een beetje te moeilijk geacht om in het kleine huisje [aan de Maasstraat] met zoveel mensen te moeten verblijven. Voor hem is toen een schuiladres gevonden in Oene, bij de familie Van Voorst. Die hadden zelf al vier kinderen en een kleine boerderij in Gelderland. In 1944 werd er een vijfde kind geboren, een jongetje.”
        Jos werd in Oene het jongetje dat tijdens het bombardement in Rotterdam zogenaamd zijn ouders was kwijtgeraakt en nu onderdak moest hebben. “Tante en oom, zoals hij ze noemde, wisten dat het een joods jongetje was. In het begin moest hij binnen blijven, omdat oom, die trouwens in het verzet zat, en tante vonden dat hij eerst het dialect moest leren. Ook werd zijn donkere haar gebleekt! Na een paar maanden mocht hij naar buiten, naar school (de School met de Bijbel), en mee naar de kerk in Epe! Jos was ingeprent dat hij nooit mocht zeggen dat hij een “joodje” was. Hij raakte heel bevriend met Arend, de zoon van de familie. En zo kon hij de rest van de oorlog als een gewoon kind doorbrengen en buiten en op school zijn. Ook aan Arend vertelde hij nooit dat hij een joodje was. Hij was 2,5 jaar in Oene toen de bevrijding kwam.”
        Vader Hendrikus van Voorst (14.2.1904 –28.9.1978) en moeder Luchien van Voorst-Konijnenberg (7.1.1908 – 15.3.2004) zijn op 27 januari 1993 voor hun onderduikhulp onderscheiden door Yad Vashem, Hendrikus postuum. Zij werden uitgeroepen tot Rechtvaardigen onder de Volkeren. Jos, die altijd contact was blijven houden met “oom en tante” Van Voorst, was aanwezig bij de plechtigheid, samen met zijn vrouw. De bijeenkomst was in IJsselstein, waar Hendrikus van Voorst bij de gemeente werkte en waar het gezin eerder woonde.
        De Israëlische ambassade had een afgezant gestuurd om de onderscheiding uit te reiken. Toen “tante Van Voorst” na de plechtigheid werd geïnterviewd, zei zij: “In de Bijbel staat: als je er een redt, red je een volk” – of woorden van die strekking. Zij heeft Jos en Jet later nog bezocht in Amerika; de sterke band met de familie is er altijd gebleven. Op hun beurt zagen Jos en Jet, eens Jeruzalem bezoekend, de namen van Hendrikus en Luchien vereeuwigd  in het Historisch Holocaust Museum van Yad Vashem.]


Raadsel blijft intact

Na 76 jaar zal het raadsel wel niet meer worden opgelost: wie toch heeft na de oorlog het schilderij, vóórdat hij onderdook, in bewaring had gegeven aan zijn buurman, dominee Rutger Jan Dirk Beerekamp?
        Dat er überhaupt een schilderij was, is geopenbaard door John Goossen, die sinds 2015 eigenaar is van het huis aan de Oranjelaan 36 (nu: 284). Zijn woning bevindt zich naast het pand dat vroeger eigendom was Louis van den Bergh, op nummer 34 (nu dus: 282). Louis, geboren in Dordrecht op 23 juni 1883 en koopman in oliën, is midden in de oorlog, op 26 januari 1943 in de Houweningestraat gestorven, zoals hierboven is beschreven. Hij zakte midden op straat in elkaar, in gezelschap van zijn echtgenote Henriëtte Beerenborg (Zevenbergen, 9.12.1882 – Rotterdam, 20.1.1968, 85 jaar oud).
        Louis woonde toen al niet meer in zijn eigen huis, noodgedwongen waren hij en zijn vrouw ondergedoken. Hun kinderen Ida Hester (21.11.1910 – Laren, 28.1.2003; 92 jaar) en David Meijer (29.6.1925 – Dordrecht, 10.1.1979, 53 jaar) bevonden zich elders. Hun eerste dochter Cato Ida (29.6.1908) was al in 1926 gestorven, op 18 september, 18 jaar oud.

Bewaren
John Goossen attendeerde de redactie van deze website erop dat hij contact had gehad met een vorige bewoonster van zijn pand, mevrouw Erica Lootsma-Beerekamp uit Den Haag. “Zij heeft als kind tussen 1937 en 1953 op nummer 36 gewoond.”
        Dat is Hendrika Petronella Reinira (‘Erica’) Beerekamp geweest, het eerste kind van van dominee Beerekamp (Willemstad (NB), 15.6.1898) en diens vrouw Johanna Juliana Becht (Amsterdam, 8.10.1904). Zij is geboren in Werkendam op 27 maart 1935. Het tweede kind, Johanna Juliana Beerekamp, is in Dordrecht geboren, op 19 augustus 1937. Het gezin Beerekamp betrok, komend uit Werkendam, op 15 maart 1937 de woning aan de Oranjelaan.
        Toen Goossen en mevrouw Lootsma-Beerekamp elkaar eens spraken, vertelde zij dat Louis van den Bergh haar vader vóór zijn onderduik had gevraagd of hij hem een schilderij in bewaring kon geven. De dominee stemde erin toe. “Na de oorlog”, vervolgt Goossen, “werd het schilderij door een man opgehaald, maar zij (mevrouw Lootsma) wist niet meer door wie.”
        Aanvankelijk begreep Goossen van haar dat het Louis zelf is geweest die het schilderij kwam terughalen, maar “dat lijkt moeilijk te rijmen”, vond hij. Van den Bergh is immers in de oorlog op straat overleden, zo las hij op onze website. Goossen meldde dit aan mevrouw Lootsma, en die ging daarop bij haar zus Hendrika “te rade door wie het schilderij dan wél opgehaald kan zijn?”

Vriendelijk
De redactie heeft mevrouw Lootsma naderhand gevraagd of hier nog iets uit is gekomen. Nee, berichtte zij, vervolgend met: “Ik weet verder niets van het schilderij en had later nooit contact met de familie Van den Bergh. Mijn vader sprak nooit over wat hij in de oorlog gedaan had en ik heb er jammer genoeg nooit naar gevraagd. Het enige wat bij mij is blijven hangen, is dat hij haast geschokt was dat zij zo buitengewoon vriendelijk bedankten dat hij het teruggaf. Mijn jongere zusje kan u helaas ook niet helpen.”
        “Wie is ‘zij’?”, vroegen we mevrouw Lootsma nog. Zij denkt, e-mailde ze, dat daarmee de familie wordt bedoeld. Ze weet het verder niet. “Ik was bij het einde van de oorlog net tien jaar oud.” Ook mevrouw Erna Zwart-Cohen, die de familie heeft gekend, kon desgevraagd de redactie geen uitsluitsel geven. “Jammer, maar van een schilderij weet ik niets.”
        Louis’ echtgenote Henriëtte heeft de Holocaust overleefd. Zij keerde, zoals hierboven staat, na de oorlog terug in Dordrecht. Of zij het schilderij op een dag heeft teruggevraagd, of een van haar kinderen, is niet meer te achterhalen. Met andere woorden: het raadsel blijft intact.

        Goossen gaf nog een andere oorlogsanekdote van mevrouw Lootsma door over het woonhuis van Louis. Namelijk dat de Duitse legerstaf het had gevorderd. “Haar moeder, een domineesvrouw, ergerde zich groen en geel aan officieren die in de achtertuin zaten te vozen met moffenmeisjes. Zij sloeg dit gade vanaf de balkons aan de achterkant.”




[Jos Cohen, de echtgenoot van Jet, is vrijdagavond 8 januari 2016 op 80-jarige leeftijd overleden in Somerset, New York.]

 

 


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'