Het voorbije joodse dordrecht

Milly Horowitz, de joodse vondeling in de Houttuinen

Milly Horowitz

Milly, door de onderduikouders Marjootje genoemd, op drie-jarige leeftijd.
Foto Familie Horowitz

Milly Horowitz, op 1 januari 1942 in Den Haag geboren als Amalia (Milly) Steinberg, heeft 51 jaar lang niet geweten dat zij een jaar na haar geboorte, op 8 januari 1943, in Dordrecht te vondeling is gelegd. Voor de deur van hun huis aan de Houttuinen 42 (nu: 34) werd zij gevonden door Willem en Mary Hofstee en door hen liefdevol, én christelijk, opgevoed.

        Haar moeder, Liebe Steinberg, vond haar kort na de oorlog terug via het Rode Kruis. Zij verbrak abrupt en voor altijd alle contact met de pleegouders en zweeg hardnekkig tegenover haar dochter Milly. Milly wist slechts dat ze in Dordrecht ondergedoken was geweest, onder de naam Marjootje Hofstee. Op zoek naar haar verleden kwam Milly er pas in 1995 tot haar ontsteltenis achter dat zij een vondeling was geweest. Ze raakte er “erg overstuur” van, maar heeft zich er van lieverlee mee verzoend.
         Ze woont inmiddels in Israël en heeft drie “lieve kinderen” en vijf “geweldige kleinkinderen”. Waarmee maar weer bewezen is hoe waar dat joodse gezegde is: ‘Wie een ziel redt, redt de hele mensheid.’

Reconstructie
Op het spoor gezet door Yad Vashem, Israëls onderzoeks- en herdenkingscentrum voor de Holocaust, wilde de redactie van deze website meer weten over die arme vondeling in de Houttuinen. Dankzij Google werd Milly Horowitz uiteindelijk gevonden in Tel Aviv, en ja, ze was alleszins bereid om iets over haar Dordtse verleden te vertellen. Ze stuurde vlot diverse documenten toe. Daaruit viel nauwgezet te reconstrueren wat er in die oorlogsjaren is gebeurd en waarover haar moeder juist zo volhardend, tot haar dood, had gezwegen.
         Eén cruciaal feit was Milly echter nog niet duidelijk: op welke dag was zij nu eigenlijk te vondeling gelegd? Was het in januari 1943? “Ik heb altijd gedacht dat ik al eerder bij de familie Hofstee kwam, maar ik weet het niet.” Op dit punt kon de redactie haar helpen: een dagrapport van de politie en een krantenbericht tonen onomstotelijk aan dat Milly Horowitz op vrijdagavond 8 januari 1943 op de stoep in de Houttuinen werd aangetroffen.

Milly Horowitz

Milly's onderduikouders, Mary en Wim Hofstee.
Foto Yad Vadshem

Muggenbeet      
De voorgeschiedenis: Milly was het tweede kind van Sulem Steinberg en Liebe Steinberg-Baumfeld. Haar broertje Harry, vijf reeds, was haar voorgegaan. Het gezin woonde in Scheveningen, in Abraham Amptstraat 9. Koopman Sulem, geboren op 30 mei 1905 in het Tsjechoslowaakse dorp Keretsky, heeft Milly nauwelijks gekend. Kort na haar geboorte werd hij opgepakt en via Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd. Daar is hij in februari 1943 overleden, althans volgens het ministerie van Justitie. In het museum van Auschwitz is als sterfdatum 27 november 1942 geregistreerd.
         Zijn vrouw Liebe besloot onder te duiken. De vangnetten van de nazi’s sloten zich. Milly lag op dat moment in het ziekenhuis, met dysenterie. Bijna hersteld kreeg ze een allergische reactie op een muggenbeet. De behandelend arts ried Liebe aan om Milly in het ziekenhuis te laten; dat was veiliger. Maar hij vergiste zich. Een razzia bleek op komst. Een (Dordtse) verpleegster wist dat, zoals zij ook wist dat Milly joods was. Zij ging regelen dat het kind verstopt kon worden bij een jong kinderloos echtpaar in Dordrecht – een echtpaar dat in hetzelfde huis aan de Houttuinen woonde als haar ouders.
         Wim en Mary Hofstee heetten die echtelieden, en de ouders van de verpleegster waren  NSB’ers. Een drama had in het verschiet kunnen liggen, maar het tegenovergestelde gebeurde: Milly kreeg er drie betrekkelijk onbezorgde kinderjaren.

Milly Horowitz

Het (geelkleurige) pand aan de Houttuinen, waar Milly als klein kind eerst verbleef.

Wasserij
Willem Hofstee woonde nog maar kort in de Houttuinen. Hij en zijn vrouw, getrouwd in december 1939, hadden eerder in Den Haag een wasserij geleid. Dit was een dependance van een grotere wasserij in Dordrecht, eigendom van de familie Hofstee. In mei 1940 werd de Dordtse vestiging in brand geschoten, waarmee er een einde kwam aan deze zaak en de dependance. Willem en Mary betrokken daarop een etage in een fors pand aan de Houttuinen. Notaris mr. H.F. Reijnvaan had er zijn kantoor. Een ouder, inwonend echtpaar trad er op als conciërge. Zij waren NSB’ers. Hun dochter, de verpleegster, was juist fel anti-Duits.
         Mary Hofstee-Bruijnzeels (1913) was telg van een Dordts geslacht, dat woonde in de Korte Breestraat. Zij was de oudste en al uit huis. De andere Bruijnzeels bevonden zich nog allemaal in de Breestraat: vader Willem Theodorus Cornelis Bruijnzeels (1888), moeder Gerarda Johanna Maria Brijnzeels-Smeyers (1892), de broers Gerard (1914) en Wim (1932) en de zussen Wilma (1921), Ans (1926) en Ries (1930).
         Onbekrompen mensen waren de Bruynzeels, en moedig. Want in 1942 haalden zij in de Breestraat al het broertje van Milly, Harry, in huis. Via “betrouwbare mensen” was deze onderduik tot stand gekomen. Harry’s verblijf duurde kort. Hij was angstig en kon daarmee op straat niet alleen zichzelf, ook zijn helpers verraden. Hij werd naar Gelderland gebracht, naar een boerderij waar meer kinderen waren ondergebracht.
         Zijn moeder haalde hem weer weg en dook met hem onder in Kampen. Daar werden zij niettemin gevonden. Samen kwamen ze in het concentratiekamp Bergen-Belsen terecht – dat zij overleefden.

Milly Horowitz

Een dag nadat Milly als vondeling was gevonden, berichtte de Dordrechtsche Courant erover, op de voorpagina van zaterdag 9 januari 1943.

Eng  
Bij Milly hielp de familie Bruijnzeels ook. Met de verpleegster werd een plan uitgewerkt: Wilma, de zus van Mary, zou Milly uit het Haagse ziekenhuis komen halen en ’s avonds, in het donker, in Dordrecht zogenaamd te vondeling leggen bij Mary.
         En zo gebeurde het.
         Milly, nog maar een baby van 1 jaar, werd gewikkeld in een militaire deken, om de valse indruk te wekken dat het een ongewenst kind was, een ‘ongelukje’ van een Duitse soldaat. Wim Hofstee en zijn (ingeseinde) vrouw Mary wilden juist naar het huis van de Bruijnzeels’ gaan, toen ze buiten een huilend kind vonden. Ze gingen er meteen mee naar het politiebureau vlakbij, aan de Groenmarkt.
         Volgens Ans Bruijnzeels, hierna tante Ans geheten, werd het echtpaar “uitgebreid verhoord”. Dat schreef ze in 2005, in een verslag van de gebeurtenissen. Beiden hielden evenwel “glashard vol niet meer te weten”. De baby werd onderzocht door de opgeroepen directeur van de GGD. Deze kende Wim, die zich had laten omscholen tot ambulancechauffeur. De directeur verklaarde dat Milly “kerngezond was en een ras-Ariër”: blijkbaar een ongelukje van een Duitse militair.

Milly Horowitz

Een actuele foto van Milly Horowitz, gemaakt in Israël.
Foto Familie Horowitz

Voorpagina
In het Dordtse archief zijn de dagrapporten van de politie in te zien. Daar staat het, in handgeschreven notities, in het journaal van 8 januari 1943:
         “te 21.20 uur –– Wordt door Willem Maria Hofstee, bedrijfsleider, tijdelijk verbonden aan de L.B. Dienst (luchtbeschermingsdienst), oud 30 jaar, wonende te Dordrecht, Houttuinen 42, aangifte gedaan, dat heden te omstreeks 21.10 uur door hem een baby van het vrouwelijke geslacht is gevonden, die te vondeling is gelegd voor de deur van zijn woning. Doordat aan zijn woning gebeld werd, opende hij de deur waarna hij bedoelde baby vond. Er was niemand te zien, die het kind daar neergelegd kan hebben.”
         Nog een bewijs dat Milly die dag en geen andere in de Houttuinen is ‘neergelegd’, is de Dordrechtsche Courant van zaterdag 9 januari. Midden op de voorpagina wordt in een bericht gewag gemaakt van een vondeling. Milly wordt omschreven als “een kind van het vrouwelijk geslacht, ongeveer 8 à 9 maanden oud, dat gisteravond te omstreeks 9 uur, in de Houttuinen alhier, is aangetroffen, gewikkeld in een grijs-groen wollen dekentje, dat uit twee aan elkaar genaaide stukken bestaat.”
         De politie vraagt lezers om inlichtingen over de identiteit van het meisje.
         Die zullen ze nooit krijgen. Het plan is geslaagd. Milly wordt niet verraden en ontwikkelde zich tot “een lief, intelligent kindje met een eigen willetje”. Bij de burgerlijke stand wordt ze ingeschreven als vondeling, met de naam Maria Jozepha Hofstee. Omdat de Hofstee’s en Bruijnzeels haar eigen naam niet kenden, noemde iedereen haar Marjoleintje of Marjootje. Ze werd als katholiek gedoopt en op 23 mei 1944 verhuisden de Hofstees van de Houttuinen naar de Kon. Wilhelminastraat 12 rood (nu 24), die op Duitse orders was omgedoopt tot de Repelaerstraat.

Milly Horowitz

Het pand aan de Kon. Wilhelminastraat (links naast het kleinere huis), waar Milly later in de oorlog kwam te wonen, op de bovenverdieping.

Gillen
Na de oorlog vond Milly’s moeder haar dochtertje terug via het Rode Kruis en kwam haar halen. Het afscheid was hard, pijnlijk en krenkend voor de pleegouders. Willem en Mary begrepen best dat de moeder haar kindje terug wilde hebben, maar wilden Milly eerst een beetje aan haar moeder laten wennen tijdens het bezoek. Maar er viel niet met de moeder te praten, schrijft tante Ans in haar verslag.
         “Milly werd vastgepakt, huilde, gilde, spartelde tegen en had natuurlijk het gevoel ontvoerd te worden. Zo werd ze meegenomen. (...) Het heeft mijn zus Mary en ons allemaal veel verdriet gedaan. Wij hadden medelijden met Milly, die natuurlijk niet begreep waarom ze door een vreemde vrouw werd weggehaald. Eigenlijk heeft deze verdrietige ervaring ervoor gezorgd dat wij nooit contact hebben gezocht.”
         Behalve Milly hebben de Bruijnzeels en Hofstees “tot het laatst toe” onderduikers gehad. “Maar Mary”, benadrukt tante Ans, “is onze grootste bijdrage aan het verzet tegen de bezetter geweest.”
         Milly zelf beaamt dat haar moeder Liebe Steinberg niets meer van de helpers in Dordt heeft willen weten. “Mijn moeder was zeer verontwaardigd dat de Hofstee-familie mij had laten dopen. Na de oorlog heeft zij alle contact met de familie verbroken.” Haar moeder zou Milly ook “nooit iets” over het te vondeling leggen zeggen.
        
Roermond
Na Dordrecht braken haar jeugdjaren aan en die waren volgens Milly “niet prettig”. “Mijn oorlog begon na de oorlog.”
         Haar moeder hertrouwde in 1947 in Roermond met Simon Wollheim. Ze kreeg er een “streng orthodoxe joodse opvoeding in een overwegend rooms-katholieke omgeving”– niet wetend dat zij in Dordrecht al in zo’n katholieke familie had verkeerd. Soms voelde ze zich dan ook “eenzaam”. Tot 1960 bleef ze in Roermond wonen, met een tussenpauze van twee jaar in Amsterdam, waar ze de joodse hbs bezocht (en niet afmaakte). Toen Milly 18 jaar werd, “vonden mijn ouders het nodig mij naar Londen te sturen”, vertelt ze.
         Ze ging en trouwde op haar 19de met de Britse Josef Horowitz, op 5 november 1961. Bij het huwelijk waren haar pleeg-grootouders, de Bruynzeels, onverwacht aanwezig, op uitnodiging van Milly’s moeder, denkt ze. Milly kreeg van het Dordtse echtpaar een aquarel, Exodus getiteld. Drie kinderen kregen Milly en Josef: Karen (1962), Stephen (1965) en Jeremy (1976). Maar het huwelijk was niet al te best, en werd na 26 jaar werd verbroken. Nu woont ze, al vanaf 2005, in Israël, waar ze gelukkig is, bezoek krijgend van haar kinderen en kleinkinderen, die deels in Israël wonen en deels in Londen.

Milly Horowitz

De notitie in het dagrapport van vrijdagavond 8 januari 1943 van de Dordtse politie. Om 21.20 uur doet Willem Hofstee aangifte van de vondst van een baby.
Foto: Erica van Dooremalen, archievenonderzoekster en –fotografe

Pijnlijk
Hoe kwam zij er nu achter dat ze een vondeling was?
         Dat gebeurde in 1994, toen ze in Dordrecht haar verleden uitploos. Zij ontmoette er de tweelingbroer van Wim Hofstee. Hij bracht haar op het idee om zowel haar geboortebewijs als haar doopbewijs op te vragen. Toen deed ze de pijnlijke ontdekking, 51 jaar nadat ze in de Houttuinen was neergelegd.
         Maar haar jeugd bleef desondanks een legpuzzel en pas tien jaar later kon deze worden voltooid. Ze vond in Roermond tante Ans, en die vertelde haar tijdens lange gesprekken “het hele verhaal”. “Details over de eerste drie jaar van mijn leven kwam ik door haar te weten. Zij heeft mij over de omstandigheden van mijn onderduik verteld en ook hoe ik van hen ben weggerukt na de oorlog.”
         Haar pleegouders hadden het haar niet kunnen vertellen. Er was immers geen contact meer, en bovendien waren zij allang overleden. Haar moeder was blijven zwijgen en ondertussen ook gestorven.
         Milly denkt dat haar moeder, van wie in de oorlog vele familieleden zijn vermoord, “zo getraumatiseerd was door haar vreselijke ervaringen”, dat ze daardoor niet wist “hoe ze mijn pleegfamilie, die goede mensen aan wie zij mij had afgestaan, moest bedanken.”
         Die pleegfamilie heeft inmiddels de eer gekregen die haar toekomt. In 2004 kregen Wim en Mary, evenals Mary’s ouders Willem en Gerarda, postuum de Yad Vashem-onderscheiding (zie ook het hoofdstuk elders).

Monument
Milly Horowitz zag bij haar bezoek aan Dordrecht in 1994 het monument in het stadhuis, ter nagedachtenis van alle omgebrachte Dordtse en Zwijndrechtse joden. Buiten, op een hoeksteen, staat: “Je moet het je kinderen vertellen.”
         “Ja, maar, wat kan ik ze vertellen?”, kon ze alleen maar verbouwereerd bedenken.
         De spreuk zette haar er toe aan om de zoektocht naar haar verleden door te zetten. Ze weet nu vrijwel alles. Zij kan het haar kleinkinderen nu vertellen.


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'