Het voorbije joodse dordrecht

Minna Löwenstein stierf eenzaam en in
pijn op haar Dordtse onderduikadres
*Twee raadsels tegelijk opgelost

Minna Löwenstein-Geisel

Een zeldzame foto van Minna Löwenstein-Geisel, beschikbaar
gesteld door haar kleinzoon dr. H.J. Goldsmith uit Liverpool.
Foto Privébezit

Ergens in Dordrecht, zorgvuldig weggestopt op een onbekend gebleven adres, leefde Minna Löwenstein haar angstige leven.
        Zij, de bejaarde joodse weduwe die zich eind jaren dertig gedwongen zag nazi-Duitsland, haar vaderland, te verlaten, verkeerde in deprimerende toestand. Zij verbleef ondergronds in een vreemde stad, in een vreemd land dat haar nu ook vijandig was, en ze was verstoken van al haar zes kinderen. Ze voelde zich eenzaam en verlaten, en nog akeliger was dat maagkanker bezit van haar had genomen. Ze leed helse pijn.
        De dood, die haar misschien wel verloste, kwam op 14 augustus 1943. Ze was twee maanden eerder 75 geworden, een verjaardag die zij met haar kinderen niet heeft kunnen delen: drie van hen bevonden zich toen al in Engeland en Chili; de drie overigen werden effectief en industrieel vermoord. Minna Löwenstein stierf ver weg van haar dierbaren, en volkomen gestript van normale, menselijke omstandigheden.
        Nog altijd bevindt de weduwe uit Bocholt zich in Dordrecht, althans haar stoffelijk overschot – op de joodse begraafplaats. Iemand heeft ervoor gezorgd dat zij een fatsoenlijk graf kreeg, al is ondanks uitgebreide naspeuringen onopgelost gebleven wanneer. Was het pas na 1948, toen haar overlijdensakte alsnog werd opgemaakt? Of al tijdens de oorlog, en wie heeft dat dan geregeld? Tussenpersonen, verre familieleden, joodse Dordtenaren, de onderduikgevers?
        Hoe dan ook, op de grafsteen staat in het Hebreeuws: “Hier rust Mindele, dochter van Jitschak Alexander, een sterke vrouw, de eer van haar kinderen, liefde en trouw waren haar daden. Geboren 23 Siwan 5628, overleden 13 Av 5703.”
        In 2014 stond haar neef, dr. Henry John Goldsmith uit Liverpool, zelf inmiddels in de negentig, in eerbied bij haar graf, voor de tweede keer in zijn leven. En eerder al, in 2008, was hij aanwezig toen in Minna’s geboortestad Bocholt zeven Stolpersteine, gedenksteentjes, werden aangebracht bij het huis, in de straat van waaruit zij indertijd ruw is verdreven, de Hemdener Weg 11.
        Vele decennia mogen zijn verstreken sinds Minna’s wrede, stille dood, ze is duidelijk niet vergeten.

Quinten Massijstraat 5 in Amsterdam

Het pand aan de Quinten Massijstraat 5
in Amsterdam, waar Minna en haar kinderen
Malli en Fritz terechtkwamen
nadat zij uit Duitsland waren gevlucht.
Foto Google Streetview

Leger
Als Wilhelmine Geisel is Minna geboren, op 13 juni 1868, in Bocholt, Westfalen. Zij trouwde met Aron Löwenstein (Rhede, 4 december 1859), en kreeg samen met hem, bijna in een aaneenschakeling, zes kinderen, drie jongens, drie meisjes: Rudolf (1891), Meta (1892), Julius (1894), Fritz (1898), Amalie (1899) en Liesel (1901). Haar man overleed betrekkelijk jong, op 55-jarige leeftijd, in 1914; zijn vrouw als weduwe achterlatend met een schare kinderen.
        Maar ze heeft het weten te bolwerken. Haar zonen betoonden zich alledrie, zo meldt John Goldschmidt, ware patriotten: tijdens de Eerste Wereldoorlog dienden ze allen plichtsgetrouw in het Duitse leger. Ze wisten die oorlog ongeschonden door te komen, maar hun loyaliteit zou in de jaren dertig niet meer worden erkend. Ze waren joods, en dat diende te worden afgestraft.
        De hele familie Löwenstein kreeg hardhandig te maken met het uitdijende nazisme. Ze voelde zich niet veilig meer, ze sloeg op de vlucht. Malli, de moeder van Henry John (voorheen: Hans) Goldsmith, vertrok resoluut in 1933. Dat was kort nadat haar man, dr. Alfred Meyer – net als zijzelf tandarts in Düsseldorf – botweg was vermoord, door een concurrerende nazi-collega uit Wuppertal-Barmen.
        Malli Meyer emigreerde naar Nederland, naar Amsterdam, waar zij zich volgens de woningkaart van het Stadsarchief samen met zoon John op 2 november 1933 eerst vestigde in de Stadionweg 119 III, later in de A.P. Quinten Massijstraat 5. Haar broer Fritz vergezelde haar. Hij kwam op diezelfde 2de november terecht in de Holbeinstraat 3 huis, al zou ook hij naderhand naar de Massijstraat verhuizen.

Moerdijkspoorbrug en -verkeersbrug

Deze woonkaart laat zien dat Minna pas in 1938 in Amsterdam arriveerde. Haar dochter Malli,
inmiddels weduwe van Alfred Goldschmidt, verbleef er al vanaf 1933, evenals haar broer Fritz.
Foto Stadsarchief Amsterdam


Ontsnappen
Naarmate de Tweede Wereldoorlog dichterbij kwam, viel de familie verder uiteen. Liesel, door Goldschmidt ‘Liese’ genoemd, wist op tijd te ontsnappen naar Chili, naar Santiago, met haar echtgenoot Gustavo Rosenberg, waar zij een importhandel opbouwden. Meta, getrouwd met Bruno Weiss (1887), hield het nog vol in Duitsland, in Berlijn.
        Malli, nog een kind van Minna, zag gedurende enkele jaren kans in ballingschap de tandheelkunde te bedrijven in Brussel, onderwijl wonend in Amsterdam. Haar zoon John bezocht er intussen de Daltonschool, en daarna de hbs aan het Rudolf Hartplein. Hij leerde het Nederlands vloeiend spreken.
        Aan hun verblijf in Nederland kwam een einde in 1937. De Britse regering, aldus John, stond enkele Duitse en Oostenrijkse vluchtelingen-tandartsen toe om een praktijk in Engeland te beginnen, zonder dat zij zich daarvoor hoefden te herkwalificeren. Malli Meyer besloot op dit aanbod in te gaan, en verliet Nederland, op 24 augustus.
        Haar broer Rudolf, van wie niet bekend is waar hij zich zolang had opgehouden, ging met haar mee. Hij zou in Londen de kost gaan verdienen als vertegenwoordiger. Zijn zus opende in Cambridge een succesvolle tandartspraktijk. Julius ten slotte, de nog onvermeld gebleven broer, verruilde Duitsland ook hoopvol voor Nederland, op 27 november 1939, samen met zijn vrouw Anna Teutsch (Venningen, 1901).
        Hoe verging het intussen moeder Minna? Zij reisde haar kinderen achterna. Zij arriveerde, volgens de Amsterdamse woonkaart, op 28 februari 1938 op dat adres waar eerder haar dochter Malli en zoon Fritz een woning hadden betrokken, in de Massijstraat. In het boek Buch der Erinnerung. Juden in Bocholt 1937-1945 van Josef Niebur (Bocholter Quellen und Beiträge 13, 2013) staat dat Minna op 15 november 1939 op de vlucht sloeg, maar dat is dus anderhalf jaar eerder gebeurd.

Joodse begraafplaats

Waar in Dordrecht Minna Löwenstein zat ondergedoken, is onbekend gebleven.
Na haar pijnlijke overlijden werd zij begraven op de lokale joodse begraafplaats, in rij M nummer 23.
Foto Website 'Het Stenen Archief'

Geheim
Tijdens de oorlog bevindt Minna zich ineens in Dordrecht. Ze zal als opgejaagde joodse vrouw vanzelfsprekend zijn ondergedoken, maar research heeft niet opgeleverd hoe zij in Dordrecht belandde, en vooral: op welk adres. Onderduiken is bedoeld om in het diepste geheim te gebeuren, en dat is in dit geval meer dan gelukt: zelfs 70 jaar later is de redactie van deze website er niet in geslaagd om haar Dordtse locatie te achterhalen. Niebur schrijft alleen: “Wilhelmine Löwenstein tauchte nach den ersten Razzien nach Menschen jüdischen Glaubens in den Niederlanden im Oktober 1941 in der Nähe von Dordrecht bei Rotterdam unter.”
        John Goldschmidt kan in dit verband niet helpen. Hij betreurt het te moeten meedelen dat hij van de oorlogsperiode “relatief weinig” weet, over Dordt zelfs niets. “Ik veronderstel dat zij naar Dordrecht ging om aan vervolging te ontsnappen, maar dit is gissen,” schreef hij in een brief aan de redactie van deze website.
        Vaststaat wel dat Minna zich in Dordrecht volkomen verlaten voelde. Ze was ernstig ziek; ze had maagkanker, wat erg pijnlijk is. In een P.S. vermeldt Goldschmidt een detail dat veelzeggend is over de beroerde omstandigheden waarin Minna verkeerde. “Via brieven van het Rode Kruis vernamen wij dat mijn grootmoeder erg eenzaam en ongelukkig was in Dordrecht.”
        Die brieven waren afkomstig van Minna zelf, herinnert Goldschmidt zich. Ze waren gericht aan zijn moeder. Honderd procent zeker is hij niet; het zou ook kunnen dat zijn moeder in contact stond met een van de onderduikgevers. “We kunnen het niemand meer vragen.”
        In ieder geval stierf Minna, zo weet Goldschmidt, “een pijnlijke dood, verwijderd van alle familieleden.” Volgens Niebur was ze bij haar overlijden ten minste “umsorgt von ihrer Zufluchtsfamilie”.

Duits-joodse emigrantenkrant Aufbau

Hoewel Minna op 14 augustus 1943 stierf, is haar overlijden
[pas op 4 juli 1944 bekendgemaakt in de
Duits-joodse emigrantenkrant Aufbau.
Foto Redactie Website

Advertentie
Het overlijden van Minna, op 14 augustus 1943 “te zestien uren” (akte), werd pas ruim een jaar later bekendgemaakt, op 4 juli 1944, met een advertentie in de Duits-joodse emigrantenkrant Aufbau. Er staat naar waarheid in dat Minna, unsere geliebte Mutter und Grossmutter, in augustus 1943 is overleden, maar merkwaardig genoeg wordt Amsterdam als overlijdensplaats genoemd. De Dordtse archiefonderzoekster Erica van Dooremalen oppert dat “misschien wel expres vaag is gedaan over de overlijdensplaats. Het was immers nog steeds oorlog en men wilde natuurlijk geen onderduikplaatsen vrijgeven.”
        Dat het overlijden zoveel later is gemeld, kan eraan liggen dat de familie, die immers uiteengeslagen elders woonde, er pas later over hoorde, mogelijk via de ondergrondse.
        Of Minna destijds direct is begraven, of anders zolang in een tuin zoals dikwijls gebeurde met ondergedoken joden, is niet meer vast te stellen. De overlijdensakte, aangetroffen in het Dordtse archief, is in ieder geval pas op 21 juni 1948 opgesteld, vijf jaar later – wellicht omdat dit in de chaos van de oorlog onmogelijk was geweest. Al even onopgehelderd blijft of de grafsteen voor Minna er nog in de oorlog of pas nadien is aangebracht.
        De overlijdensadvertentie voor Minna weerspiegelt het onheil dat sommige gezinsleden is overkomen. Bij de namen van Meta, Julius en Fritz staat telkens afgekort Aufenth. unbek. (Aufenhalt unbekannt; verblijfplaats onbekend). Maar wat in 1944 nog een raadsel was, is anno nu een voldongen feit: zij zijn allen vernietigd.

Warschau?
Meta werd wreed vergast in Auschwitz, op 3 maart 1943. Een dag eerder was haar man Bruno daar al omgebracht. Julius werd samen met zijn vrouw Anna vermoord in Sobibor, op 16 juli 1943. En koopman Fritz zou volgens zowel de website Joods Monument als het Gedenkbuch van het Bundesarchiv en de website van Yad Vashem, op 1 april 1944 in het getto van Warschau het leven zijn afgepakt.
        Het woord ‘zou’ is hier gebruikt, omdat Eva Rosenberg de Lamac, een dochter van de in Santiago neergestreken Liesel, deze overlijdensplaats betwist. Zij vulde op 25 november 1994 bij Yad Vashem een persoonspagina in over haar oom Fritz. Daarop schrijft ze dat ze “de exacte dag van transport naar de dood” wil weten, evenals “de exacte naam van het concentratiekamp”, waar hij stierf. “”Uw dossiers zeggen ‘Warschau’, maar dat kan niet correct zijn”, vindt Eva, zonder toe te lichten wat er dan fout aan is.
        Of zij ooit via Yad Vashem antwoord heeft gekregen, is niet eenvoudig na te gaan. Maar ‘Warschau’ staat op allerlei gezaghebbende sites van Holocaust-slachtoffers nog steeds genoemd. Op Joods Monument is zelfs dit trieste feit eraan toegevoegd: Fritz trouwde in Kamp Westerbork, al feitelijk op weg naar zijn dood, nog op 21 mei 1943 met de uit Amsterdam komende dienstbode Ruth Auguste Weissmann (Mannheim, 1910), dochter van de fabrikant Wilhelm Weissmann en de al overleden Flora Kahn. Hij was er op 1 of 11 mei (“Datum slecht leesbaar”, meldt Westerbork-medewerker Gerard Rossing) gearriveerd, zij op de 18de.
        Op 31 augustus 1943 vertrekken zij beiden uit Westerbork naar Auschwitz. Ruth werd daar al op 3 september gedood. Fritz is blijkbaar doorgestuurd, en zou bijna een jaar later ergens in Warschau omkomen.

Moerdijkspoorbrug en -verkeersbrug

Dr. John Goldsmith, de zoon van Minna's dochter Malli, bezocht de Dordtse begraafplaats al tweemaal.
Ook was hij aanwezig toen in Bocholt, Minna' s geboortestad, voor haar huis aan de Hemderner Weg 11
zeven Stolpersteine werd gelegd, in januari 2008, voor haar en andere familieleden.
Goldschmidt staat op de ene foto met burgemeester Peter Nebelo (links), op de andere kijkt hij toe hoe Gunter Demnig,
de kunstenaar die de struikelsteentjes bedacht, zijn werk afrondt. Een van de steentjes draagt de naam van
Minna's zoon Fritz.
Foto's Stadt Bocholt en Koordinierungskreis Stolpersteine Bocholt.

Stolpersteine
Het gezin Löwenstein was nu letterlijk gehalveerd. Wat is vervolgens de overlevenden overkomen?
        Malli Meyer is in Engeland tandarts gebleven tot haar 75ste. Zij stierf in Liverpool in 1988, op 89-jarige leeftijd. Haar broer Rudolf zag zijn leven al in 1947 beëindigd, als gevolg van kanker. Liesel is ook overleden.
        En de jonge John, in deze de woordvoerder van de familie? Hij studeerde medicijnen in Engeland en werkte daarna in Chicago en Londen. Hij stapte over naar het universiteitsziekenhuis van Liverpool, was er internist en ten slotte drie jaar directeur, voordat hij met pensioen ging. Als specialist heeft hij meegewerkt aan de ontwikkeling van kunstmatige nieren. Voorbij de negentig is hij ondertussen, en zijn beheersing van het Nederlands is “gaandeweg verslechterd”, meldt hij in een terzijde.
        Zoals al is aangestipt, heeft Goldschmidt in januari 2008 bij het huis van zijn grootmoeder Minna in Bocholt het metselen meegemaakt, door de Duitse kunstenaar Gunter Demnig, van zeven zogenoemde Stolpersteine: voor Minna en zes andere, weggejaagde Löwensteins. Hij bezocht bij die gelegenheid ook het graf van zijn grootvader Aron. Twee dagen duurde het verblijf in 2008 slechts, maar hij beleefde ze “als twee weken”, vertelde Goldschmidt achteraf in een Pressemeldung der Stadt Bocholt.
        Al in de jaren negentig bezocht Goldschmidt Bocholt al eens, toen samen met zijn zoon Jonathan, die hij voor het eerst allerlei locaties uit zijn jeugd liet zien. En tweemaal bezocht hij in Dordrecht, het laatst in 2014, het graf van zijn grootmoeder Minna – de verdrietige vrouw die zich in Dordrecht zo totaal afgezonderd voelde.

*Twee raadsels tegelijk opgelost

De geheime verblijfplaats van Minna Löwenstein is in 2017, 74 jaar na haar dood, bekend geraakt: zij zat ondergedoken op de Singel. Tegelijk is ook een ander raadsel opgelost: wie was toch de overleden joodse vrouw die tijdens de oorlog zolang was begraven in een particuliere tuin aan de Singel? Dit blijkt dezelfde Minna te zijn. Door een onverwacht opgedoken brief van het toenmalige Comité voor Joodsche Belangen in Dordrecht, gedateerd 31 mei 1945, konden deze beide kleine mysteries tegelijk worden opgehelderd.

Het pand waar Minna Löwenstein hoogstwaarschijnlijk ondergedoken zat, Singel 32

Het pand waar Minna Löwenstein hoogstwaarschijnlijk ondergedoken zat, Singel 32 (later: 38), bestaat niet meer. Op die plaats bevindt zich nu een buurthuis. Het fietsenwinkel van Busink en de bovenwoning bevonden zich waar nu de rechter blauwe deur is, op nummer 38. Deze Google Streetview-foto geeft de lezer een idee hoe het stoffelijk overschot van Minna in een houten koffer naar Singel 26 (nu: 30) is vervoerd: namelijk over de stoep naar links, de Hoekstraat overstekend en dan naar binnen bij het tweede pand (‘naast’ de voorste witte auto) naar de achtergelegen tuin van mevrouw Schaafsma.
Foto Google Streetview

In bovenstaand verhaal staat beschreven hoe Minna Löwenstein-Geisel, zorgvuldig weggestopt op een onbekend adres, eenzaam en in pijn haar onderduikleven leidde. Ernstig ziek zijnd stierf ze op 16 juli 1943. Maar pas na de oorlog is ze fatsoenlijk begraven, op de joodse begraafplaats in Dordrecht. Wie daarvoor heeft gezorgd, was ondanks naspeuringen niet te achterhalen.
        Een raadsel was lang ook de identiteit van een overleden joodse vrouw, die tijdens de onderduik stierf, en in die angstwekkende oorlogsdagen natuurlijk niet normaal begraven kon worden. Dan zou bekend worden wie haar had helpen onderduiken, terwijl zulke jodenhulp levensgevaarlijk was. Het stoffelijk overschot van de vrouw is toen, opgevouwen in een houten koffer, illegaal ter aarde besteld in de tuin van mevrouw J.H. Schaafsma, op de Singel 26 (nu: 30). In een apart kader bij verhaal 127 werd dit merkwaardige voorval belicht.

originele fietsenzaak van Pieter Busink junior

Deze kleine foto toont de originele fietsenzaak van Pieter Busink junior. Boven de winkel heeft Minna  zich verstopt, volgens Ad Breevaart, een neef van mevrouw Schaafsma.
Foto Joke Grobben-Busink

Fietsenmaker
Het was Ad Breevaart (1932), een voormalige politievoorlichter en oud-voorzitter van de Dordtse PvdA, die het bestaan van het ‘tuingraf’ ooit bekend heeft gemaakt. Hij had er mevrouw Schaafsma, tante Jo voor hem, dikwijls genoeg over horen praten. In zijn herinnering was de joodse onderduikster een natuurlijke dood gestorven bij “een fietsenmaker aan de overkant”. Dit kon alleen rijwielhersteller Busink zijn geweest, die weliswaar aan dezelfde kant van de Singel woonde, maar gescheiden door de Hoekstraat, een overzijde van een zijstraat dus.
        Tante Jo bood Busink aan om het stoffelijk overschot tijdelijk in haar tuin te begraven. Minna werd daarop opgevouwen in een houten koffer en naar de overkant gebracht, naar de tuin. Om een beetje te verdoezelen dat er grond was omgewoeld, werd aan de naaststaande boom een schommel opgehangen, herinnerde Breevaart, toen nog een jochie, zich. En mevrouw Schaafsma’s zoon Bouwe moest voorlopig liever maar geen plantjes planten in de tuin.
Tot zover het kader, dat cirkelde om de vraag: maar wie was die joodse vrouw?
        Dat kader is nu weggehaald. Want het mysterie is ontrafeld. In dit nieuwe verhaal kan de ware toedracht worden toegelicht.

Comité
In het voorjaar van 2017 werd in het Dordtse archief plots een brief aangetroffen, die het Comité van Joodsche Belangen op 31 mei 1945 heeft gestuurd naar het gemeentebestuur.
        Het comité, gevestigd aan de Wijnstraat 128, is later dat jaar omgezet in de Dordtse afdeling van de Joodsche Coördinatie Commissie voor het bevrijde Nederlandsche gebied. De JCC, opererend vanuit Eindhoven, was “een centrum” voor het verlenen van inlichtingen en het verstrekken van adviezen over “specifiek Joodsche aangelegenheden”.
        Als secretaris van het Dordtse bureau fungeerde Emanuel Benedictus, een Dordtenaar die de oorlog heelhuids had weten door te komen. Hij verzocht het gemeentebestuur om het stoffelijk overschot op te graven van “mevr. Winna Geisler, wed. van den heer Löwenstein”. Zij was “begraven in den tuin van Mevrouw Schaafsma te Dordrecht, Singel 26.
        “Overledene was ondergedoken op Singel 31 te Dordrecht”, vervolgde Benedictus, “en aldaar overleden op 16 juli 1943. Overledene is geborgen in een houten koffer. Het stoffelijk overschot zouden wij gaarne begraven op de Joodsche begraafplaats te Dordrecht.”
         Hoewel hij de voor- en achternaam van Minna verkeerd had weergegeven, onthulde deze brief drie belangrijke, tot dan onbekende feiten: dat Minna was ondergedoken op de Singel, dat zij het lijk in de koffer was, en dat het comité heeft gezorgd voor een nette begrafenis. Van alles viel nu op z’n plek; de puzzel was af.

brief van het Dordtse comité

De brief van het Dordtse comité, waarin wordt ‘onthuld’ dat het Minna was die in de tuin is begraven.
Foto Redactie Website

Boekenkast
Eén probleempje bleef echter knagen: het adres klopte niet. Busink woonde indertijd op nummer 32 (nu: 38), terwijl de brief van het cé rept van nummer 31 (nu: 45), aan de ándere zijde van de Singel.
         Destijds woonde op dit adres de familie Kruijne. Een opgespoorde kleinzoon van deze mensen vertelde desgevraagd dat hij “nooit heeft gehoord” van een joodse onderduikster in het huis van zijn grootouders. En meer nog achtte hij het volkomen onwaarschijnlijk dat zij een onderduikster hebben opgevangen. De reden: “Het gezin was streng religieus en had weinig op met joden, wat onder meer afgeleid kan worden uit de aanwezigheid van Hitlers Mein Kampf in de boekenkast.”
         Nummer 31 valt hiermee definitief af als onderduikadres van Minna.
         Na overleg met Ad Breevaart is besloten zijn versie van de gebeurtenissen te handhaven, namelijk dat de heimelijk begraven onderduikster afkomstig is uit het huis van Busink. Dit is wat zijn tante Jo hem altijd heeft verteld, redeneert Breevaart, en zij kon het weten: het was haar tuin. Verder is er trouwens niemand meer aan wie het nog als tweede bron gevraagd kan worden. En ten slotte: misschien is nummer 31 in de brief een tikfout, net als de foutief gespelde naam, en moet het gewoon 32 zijn.

Op 21 juni 1948 wordt het overlijden van Wilhelmina Geisel

Op 21 juni 1948 wordt het overlijden van Wilhelmina Geisel, weduwe van Aron Löwenstein, geregistreerd door een ambtenaar van de burgerlijke stand. Zij stierf op 14 augustus 1943.
Foto Redactie Website


Pieter Busink senior en zijn vrouw Maria

Het knipsel uit De Dordtenaar, met een foto van
Pieter Busink senior en zijn vrouw Maria.
Foto Website Chris Busink

Boven
Wie nu was fietsenmaker Busink?
         De familie Busink, een behoorlijk omvangrijk Dordts geslacht, kende er twee: Pieter Busink senior en junior. Senior is geboren op 1.11.1881 en overleden op 8.4.1960. Hij had vanaf 1934 een fietsenzaak aan het Kasperspad 56. Daar ook woonde hij met zijn vrouw Maria Barendina van der Wal (24.8.1883 - 15.12.1968) en zijn tien kinderen, op de bovenverdieping. Beneden was de winkel.
         Zijn zoon Pieter junior (21.10.1907 - 15.4.1996), getrouwd met Maria Francina Ringeling (11.12.1915 - 31.1.1996), woonde vanaf 6 oktober 1938 aan de 1ste Dijkstraat 10, maar dreef zijn fietsenzaak aan de Singel, op nummer 32 zwart (beneden). Boven, op 32 rood, woonde in de oorlog de weduwe Adriaantje Hoogendoorn − en, naar nu schijnt: Minna Löwenstein. Junior is pas in augustus 1946 boven zijn winkel gaan wonen, en daar gebleven tot 31 januari 1958. Op die dag verhuisden hij en zijn echtgenote naar de Willem Barentszstraat 24; in 1959 sluit hij de rijwielzaak.
         Vlak na de oorlog, van 22 mei tot 15 december 1945 heeft het echtpaar Lieselotte (Lotte) Wolf en Georges Spalter nog even in de bovenwoning gewoond, zie verhaal 45. Beiden waren joods en hadden de oorlog weten te overleven. Mevrouw Hoogendoorn, weduwe van Jilles J.A. van Helden, is in 1947 verhuisd naar Vlaardingen en daar in dat jaar op 18 juni overleden.

Betrokken
Zeven decennia zijn gepasseerd sinds het voorval met de houten koffer. Zou er van Pieter en Maria Busink nog een nabestaande te vinden zijn, die kan bevestigen dat zij de joodse Minna de eerste oorlogsjaren hebben doorgeholpen?
        Jawel. Een piepkleine vermelding van Businks winkel in Blijf maar!, een nostalgisch boek over verdwenen Dordtse winkels uit de jaren ’50 en ’60, van Caty Groen-Kroon, leidt naar dochter Joke Grobben-Busink.
        Ze hoort ons verbaasd aan. Zij, geboren in 1947, weet niets van een onderduikster. Maar dat vindt ze ook weer niet zo vreemd: haar ouders spraken daar niet over; daar waren ze te bescheiden voor. Maar ze waren wel alleszins tot ‘jodenhulp’ in staat. “Ze waren zeer betrokken en begaan met het lot van de joden. Ze waren zeker niet anti-joods. Oh ja, ze zouden een jood zonder meer hebben laten onderduiken.” In ieder geval hoorde de bovenwoning Pieter Busink junior toe. “Hij huurde het hele pand.”
        Maar zekerheid kan ze niet geven over hun hulpvaardigheid. Ze weet het eenvoudigweg niet. Wel zegt ze: “Het verhaal van de vrouw in de koffer herinner ik me achteraf heel goed. Mijn vader heeft daar zeker bij geholpen!” Maar omdat haar ouders pas na de oorlog boven de winkel zijn gaan wonen, twijfelt ze of zij zelf de vrouw in het bovenhuis hebben verborgen. [In dit geval is dit dan misschien vooral door toedoen van de weduwe Hoogendoorn gebeurd, red.]
        Ze is even stil aan de telefoon, en laat dan volgen: “Dit verhaal emotioneert mij wel.”

***

Het is een bewijs uit het ongerijmde, maar net als Pieter junior, deugde ook Pieter senior.
        Hij minachtte de Duitsers. Dat blijkt uit een knipsel dat Chris Busink ons toestuurt, de man die een uitgebreide website bijhoudt over alle Businks (buzink.nl). Het betreft een artikel uit De Dordtenaar van 19 januari 1956. Pieter senior en Maria zouden op de 24ste hun 55-jarig huwelijksfeest vieren, en voor de krant was dat gerede aanleiding om hen te interviewen, voor de rubriek ‘Aan de grote klok’. “De Duitsers”, zegt Pieter, “hebben in de Tweede Wereldoorlog nooit veel plezier van mij gehad. Ik vertikte het fietsen voor hen te repareren. Het is wel eens gebeurd, dat ik twintig fietsen achter een heining verborg om die uit hun roofgrage handen te houden.”.



< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'