Het voorbije joodse dordrecht

Hoe de Holocaust de echtgenotes treft
van twee niet-joodse Dordtenaren

Joden verkiezen doorgaans met joden te huwen, maar lang niet altijd.
        Twee van zulke uitzonderingen, Dordtenaren betreffend, worden hier gesignaleerd. De een is de in Dordrecht geboren acteur, toneeldirecteur en regisseur Adriaan van der Horst. Hij hertrouwde, nadat zijn eerste vrouw was overleden, met Betsy Nelly Polak, een joodse vrouw afkomstig uit Paramaribo. De ander is de al even Dordtse koopman in bloemen en planten Arie van den Brande, die Rieda Strauss tot zijn echtgenote koos, een joodse vrouw afkomstig uit het Duitse Wachenbuchen.
        Geen van beide mannen was joods, zij stonden allebei geregistreerd als Nederlands Hervormd. Maar door hun huwelijk werd het bijna onvermijdelijk: ook zij kregen te maken met de Holocaust − de schoonfamilie van Van der Horst zelfs in hevige mate.
        In dit verhaal komt het aan de orde: hoe de joodse achtergrond van mevrouw Van der Horst en mevrouw Van den Brande van invloed was op hun huwelijksleven. En wie ten onder ging aan de jodenvervolging.

Adrianus van der Horst

Adrianus van der Horst werd geboren in een koffiehuis aan de Groenmarkt

Adrianus van der Horst werd geboren in een koffiehuis aan de Groenmarkt, rechts naast het politiebureau. De foto is gemaakt op 30 september 1933, toen de voetbalclub DFC 50 jaar bestond. Het elftal van D.F.C. loopt vanaf de Groenmarkt het Stadhuisplein op.
Foto RAD (nr. 555_13684)


koffiehuis aan de Groenmark

Nogmaals het koffiehuis, nu van de andere zijde, en van hoger af gefotografeerd. Van dit koffiehuis is deze foto gevonden in de beeldbank van het Regionaal Archief Dordrecht. De poort met bogen links is het politiebureau, rechts ervan staat het koffiehuis.
Foto RAD (nr. 309_101290)

Belangrijk
De levensloop van Adrianus van der Horst is uitvoerig gedocumenteerd. Hij was per slot van rekening een bekende Nederlander, in de toneelwereld een belangrijke figuur. Als maatgevende biografie kan het acht A4-tjes lange artikel gelden dat Jan L. Walch in 1945 publiceerde in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, in de spelling die destijds gangbaar was. Walch heeft Van der Horst zelf gesproken, vooral in diens laatste levensjaren. Wie het in zijn geheel wil lezen, bezoeke de website van de DNBL, de digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren. Hier worden er slechts flarden uit geciteerd.
        Van der Horst werd geboren op 19 juli 1868 in Dordrecht, om half twaalf ’s avonds op het adres Groenmarkt A 206 (later 65 rood, nu 199 en gesloopt). Volgens Walch had zijn vader er een koffiehuis naast het politiebureau daar. Aan dit koffiehuis was een vrij grote toneelzaal verbonden, het zogenoemde ‘lokaal-Van der Horst’, waar veel uitvoeringen werden gegeven. “Die hadden de volle belangstelling van den eigenaar, want hij speelde ook in een dilettantenvereeniging mee. Toen zijn zoon Adriaan tooneelspeler wilde worden, ondervond deze dan ook niet den minsten tegenstand.”
        Die goedmoedige vader heette Johannes Cornelis van der Horst, die op 23-jarige leeftijd, op 5 maart 1863 in het huwelijk was getreden met de even oude Johanna Catharina Koopman. Het echtpaar kreeg zeven kinderen, drie jongens en vier meisjes. Twee dochters, Margrieta Elizabeth en Magdalena Maria, stierven na respectievelijk twee maanden en twee weken; hun namen werden gegeven aan twee meisjes die later ter wereld kwamen. Adrianus, roepnaam Adriaan, was het derde kind.
        Al op zijn tiende bezocht Adriaan de Toneelschool, die in 1874 was opgericht door Het Nederlandsch Tooneelverbond in Amsterdam. Walch: “Hij heeft er gestudeerd met de degelijkheid en de nauwgezetheid die kenmerkende eigenschappen van hem waren.” In het voorjaar van 1886 werd Van der Horst er “eervol ontslagen met diploma”. Hierna werd hij ziek, waardoor hij “de normale aansluiting miste”. Pas in het najaar van 1887 debuteerde hij als toneelspeler, op 25 november in de Kleine Comedie op de Coolsingel in Rotterdam, in “een ietwat drakerig stuk, ‘Kleine Jacques’”.

mevrouw Van der Horst-Koopman is op 19 juli bevallen van Adrianus  
mevrouw Van der Horst-Koopman overleed juni 1898

In de ‘Dordrechtsche Courant’ (DC) van 21.7.1868 wordt meegedeeld dat mevrouw Van der Horst-Koopman op 19 juli “voorspoedig is bevallen van eenen zoon”: dit is Adrianus.
Foto Krantenbank RAD

 

Johanna en Johannes van der Horst krijgen zeven kinderen, van wie er twee na korte tijd overleden. De moeder heeft ze niet lang kunnen meemaken, ze overleed begin juni 1898, op 59-jarige leeftijd, berichtte de DC op 8.6.1898.
Foto Krantenbank RAD

Bruiloft
‘Alex Faassen & Co’ heette het gezelschap waarvan Van der Horst deel uitmaakte, en verbonden hieraan was ook “een zeer jonge tooneeliste”, Wilhelmina Jacoba Elisabeth van der Lugt Melser, geboren in Den Haag op 23 februari 1871. Zij zou weldra de vrouw worden Van der Horst. De bruiloft was op 26 april 1894, in Amsterdam.
        Hun beider loopbaan, ingekort:
        In 1897 wordt Van der Horst directeur van de Nederlandsche Tooneelvereniging, opgericht in 1893, en bleef dat tot 1911. In 1908 wordt Van der Horst regisseur van het in 1908 opgerichte gezelschap ‘Het Tooneel’. Na afloop van het contractjaar aanvaardt hij het aanbod directeur te worden van de Nederlandschen Schouwburg in Antwerpen. Zijn echtgenote wordt er eerste actrice.
        Het verblijf duurt noodgedwongen slechts twee jaar. De oorlog, die op 1 augustus 1914 uitbrak, noopte tot de terugtocht. Ze vestigen zich in Den Haag, per 19 december 1914.
        Van der Horst kreeg niet meteen weer een baan als leider. In plaats daarvan speelde hij een jaar bij Verkade’s Hagespeler, en werd daarna twee jaar regisseur bij Het Nederlandsch Tooneel. Zijn vrouw speelde intussen “zoovele van haar oude geliefde rollen” bij de Nederlandsche Tooneelvereeniging van Herman Heyermans, in het Grand Théatre in de Amstelstraat. Haar man kwam ook daarheen, na afloop van zijn tweejaars contract.

groepsportret van de familie Koopman

Van de moeder van Adrianus, Johanna, is een foto beschikbaar, aangetroffen in de beeldbank van het RAD. De foto is een groepsportret van de familie Koopman, gemaakt in Zwolle, toen de familie onderweg was naar de bruiloft. Vader Adrianus Koopman (Dordrecht, 14/5/1812 – Koog da.d. Zaan, 13.2.1889) poseert hier met zijn vier kinderen. Johanna is de vrouw rechts van hem, daarna volgen: Maria Adriana, Hendrikus Johannes en Willem Arnold.
Foto RAD (nr. 552_327290)

Ziek
Samen met Jan Musch richtte Van der Horst in 1919 in Haarlem ‘Het Schouwtoneel’ op; mevrouw Van der Horst speelt in de openingsvoorstelling. Zij overleed op 21 maart 1928 in Amsterdam, 57 jaar oud. Al in 1927 werd zij “al maanden in een ziekeninrichting verpleegd”, berichtte het Haarlem’s Dagblad op 8 november.
                De toneelloopbaan van haar man bestreek inmiddels veertig jaar, maar in een feestelijke viering had hij “zeer waarschijnlijk geen trek”. “Een ieder, die het kunstenaarsechtpaar Van der Horst kent”, schrijft de krant, weet dat hun levens innig met elkaar verbonden zijn, en begrijp dat Van der Horst “thans niet tot feestvieren gestemd is”.
                Maar het jubileum bleef desondanks niet onopgemerkt. De minister van Onderwijs stuurde Van der Horst een ‘gelukwensch”, en bij hem thuis werd een hulde-album bezorgd, met bijdragen van Nederlandse schrijvers. Zij waren hem “dankbaar voor het vele dat hij voor de moderne Nederlandsche dramaturgie heeft gedaan”. Walch noemt het “een verdiende hulde”. “Hij heeft (…) meer oorspronkelijke Nederlandsche stukken, én van schrijvers uit vorige eeuwen én van schrijvers uit eigen tijd doen opvoeren, dan welke andere toneeldirectie ook.”
                In 1933 wordt ‘Het Schouwtoneel’ als gevolg van een failllissement opgeheven; Van der Horst werkte er nog als enige directeur. Hij trekt naar Rotterdam, om als administrateur te gaan werken bij het Rotterdamsch Hofstadtooneel, waarvan zijn zwager, Cor van der Lugt Melsert, directeur was. Nu en dan voerde hij bij dit gezelschap ook de regie. Maar, schrijft Walch, “zijn groote tijd was voorbij.”

Adrianus op 40-jarige leeftijd   Adrianus van der Horst uit 1927

Een foto van Adrianus op 40-jarige leeftijd, ook afkomstig uit de beeldbank van het RAD. Hij is inmiddels directeur-voorzitter van de Nederlandsche Tooneelvereeniging. De foto heeft in het tijdschrift ‘Eigen Haard’ gestaan, op 12.9.1908. Adrianus was in 1887 gedeuteerd als toneelspeler en in 1894 getrouwd met de actrice Wilhelmina Jacoba Elisabeth Elisabeth van der Lugt Melser.
Foto RAD (nr. 551_10940)

 

Nog een portret van Adrianus van der Horst, nu uit 1927. Hij is dan 59 en heeft in Nederland grote faam opgebouwd, als acteur en meer nog als regisseur.
Foto Wikipedia


Van Baerlestraat

Betsy ging bij Adrianus in de Van Baerlestraat wonen, op nummer 150 boven. Dit pand bestaat nog steeds, onderin is tegenwoordig de winkel Toni&Guy gevestigd.
Foto Redactie Website

Tweede
Oud-Dordtenaar Adriaan van der Horst is ondertussen hertrouwd, op 27 juli 1929 in Amsterdam, iets meer dan een jaar na het verscheiden van Wilhelmina. Zijn tweede echtgenote is een joodse vrouw: Betsy Nelly Polak, geboren in Paramaribo op 9 juni 1886. Jan Walch, de biograaf, noemt haar naam niet. Wel meldt hij dat zij een vrouw is “buiten de kunstwereld staande”, plus dat zij “die den ouder wordende man (Van der Horst) altijd uitstekend heeft verzorgd”.
        Betsy Polak is een dochter van Joseph Aron Polak (Paramaribo, 21.9.1852) – Amsterdam, 24.12.1938, 86 jaar oud) en Victorina Albertina Polak-Pinto (Paramaribo, 31.10.1866). Betsy was niet hun enige kind. Een krap jaar na hun bruiloft, in Paramaribo op 22.8.1883, verscheen Herman Julius als eerste, op 13 juli 1884. Na Betsy kwam er nog een zoon, Jacques William, op 7 augustus 1890. Volgens de website van de Werkgroep Caribische Letteren, in een hoofdstuk over Surinaamse joden, vertrok het gezin in november 1921 naar Amsterdam, en ging het wonen aan de Weteringschans 73.
        Nadat Betsy was getrouwd met Adriaan van der Horst trokken Joseph en Victorina in november 1935 bij hen in, op het adres Van Baerlestraat 150 boven. Zo “ontstond er een heel gezin”, vat de website bevrijdingintercultureel.nl samen, in overzicht van hoe Surinaamse joden zijn getroffen door de oorlog en de Holocaust.
        Lang heeft dit ‘gezinsgeluk’ evenwel niet mogen duren. Vader Joseph overleed drie jaar later, in 1938, op 24 december, 86 jaar oud. Adriaan van der Horst stierf midden in de oorlog, op zondagavond 14 juni 1942, op 73-jarige leeftijd. Zelfs Het Nationale Dagblad voor het Nederlandsche Volk, een nationaal-socialistisch orgaan, wijdde een In Memoriam aan de “tooneelspeler van de oude garde”, op 16 juni. Van der Horst, werd begraven op ‘Zorgvlied’, de begraafplaats aan de Amsteldijk.
        Dat hij gehuwd was met een jodin, vermeldde het dagblad niet, maar dat kan ook een andere oorzaak hebben: Betsy Polak was op dat moment al bijna een halfjaar dood.

broer van Betsy, Herman Julius (links), met uiterst rechts zijn vrouw Carolina Polak Wessel. Tussen hen in zitten Elly Orlow-Polak en Annemarie Samuels-Vosgerau

In 1928 overlijdt Wilhelmina, 57 jaar oud. Iets meer dan een jaar later hertrouwt Adriannus met Betsy Polak, een joodse vrouw uit Paramaribo. Op deze foto, aangetroffen op de website ‘Joods Monument’, staat de broer van Betsy, Herman Julius (links), met uiterst rechts zijn vrouw Carolina Polak Wessel. Tussen hen in zitten Elly Orlow-Polak en Annemarie Samuels-Vosgerau. Van Betsy is geen foto gevonden.
Foto ‘Joods Monument’


Betsy Polak overlijdt op 29 januari 1942

Betsy Polak overlijdt midden in de oorlog, op 29 januari 1942. De overlijdensadvertentie stond in het ‘Algemeen Handesblad’, op de dertigste.
Foto Delpher

Presbyteriaans
Betsy stierf op 29 januari 1942, 55 jaar oud. De herdenkingswebsite ‘Joods Monument’ noemt haar, waarmee ze is erkend als Holocaustslachtoffer. Uit het feit dat zij in Amsterdam is overleden, mag worden afgeleid dat zij door de nazi’s ongemoeid is gelaten, misschien wel omdat zij gemengd getrouwd was.
        Zij verdonkeremaande haar joodse afkomst niet, integendeel. De werkgroep Caribische Letteren heeft opgedoken dat Betsy en haar moeder Victorina “na het uitbreken dat de oorlog, zich begin 1941 als zijnde ‘van joodschen bloede’”, heeft laten registreren. De werkgroep begrijpt niet waarom zij dat dede Want het blijkt dat er een document bestaat dat hen als zijnde presbyteriaans had kunnen vrijpleiten.
        Dat zit zo. Jules Samuels, een neef van Betsy en haar broer Herman, kreeg in 1942 uit Brits Guyana een document dat zijn grootouders, de ouders van Victorina, van niet-joodse afstamming zouden zijn. Eerder waren ze “zonder twijfel presbyteriaan”. De werkgroep: “Op basis van die verklaring kreeg Jules Samuels met zijn gezin op 3 september 1942 een verklaring van de bekende Duitse advocaat en ambtenaar dr. H.G. Calmeyer, inhoudend dat er geen joodse ouders en hooguit twee joodse grootouders waren, zodat deportatie tot nader onderzoek werd uitgesteld. Bovendien was er sprake van een gemengd huwelijk. Zij overleefden.”
        “Onduidelijk” is het voor de werkgroep waarom noch Victorina, noch Betsy noch broer Herman en zijn gezin gebruik hebben gemaakt van hetzelfde document.

kaart in het Amsterdamse stadsarchief

De kaart in het Amsterdamse stadsarchief toont aan dat Adrianus al op 26 juni 1915 op dit adres is gaan wonen, samen nog met zijn eerste vrouw, en komend uit Den Haag.
Foto Stadsarchief

Enige
Victoria bleef na het overlijden van Betsy als enige achter. Zij woonde, volgens de Amsterdamse gezinskaart, nog vanaf 19 mei 1942 in de Lomanstraat 51 huis, maar is daarna blijkbaar opgepakt en vergast in Sobibor, 76 jaar oud, op 7 maart 1943.
        Haar zoon zag evenmin kans om aan de nazi’s te ontsnappen. Elektrotechnicus Herman Julius was op 16 mei 1911 in Amsterdam getrouwd met Carolina Margaretha Wessel (Amsterdam, 2.8.1891). Twee kinderen kwamen er: Elize Betsy (‘Elly’, Amsterdam, 8.4.1913) en Frits Herman (13.4.1919). Het gezin woonde aan de Velasquezstraat 6 huis, tot oktober 1939. Daarna volgden er verschillende verhuizingen, het laatste adres werd Minervalaan 70 III. Elly trouwde op 25.1.1938 met Michael Waldemar Orlow (Berlijn, 23.8.1911), die twee jaar later al overleed in Lausanne, op 22 december 1919.
        In de oorlog dook het gezin inclusief weduwe Elly onder, op een onbekend adres. Frits kwam op een ander adres terecht, in Friesland. De onderduikers werden verraden. Vader Herman werd vermoord in Gross Rosen, op 7 februari 1945, 60 jaar oud. Zijn vrouw Carolina eindigde in Auschwitz, op 6 september 1944, 53 jaar oud. En Elly stierf in Auschwitz op 21 maart 1945, 31 jaar oud, “toen het kamp als acht weken bevrijd was”.
        De enige overlevende van dit gezin is zoon Frits. Hij zal nu niet meer in leven zijn, geboren zijnd in 1919, maar zijn overlijdensdatum is vooralsnog niet gevonden.
        Er is nóg een overlevende: Jacques, de andere broer van Betsy. Hij trouwde op 22 december 1921 in Soerabaja met Maria Charlotta Roothoff (Ambon, Nederlands Indië, 22.8.1891), en bleef daar decennia lang wonen. Zo hebben zij de Holocaust weten te weerstaan. In juli 1946 komen zij naar Nederland en gaan eerst in Bloemendaal wonen (Lage Duin en Daalseweg 8), vervolgens, nog geen maand later, in Amsterdam (J. Evertsenstraat 89 III en, vanaf september 1946, Marcusstraat 25 I). Lang houden zij het er niet uit, in januari 1948 lonkt toch weer Soerabaja.
        Jacques William Polak is ten slotte in Den Haag overleden, op 5 september 1968, op 78-jarige leeftijd.
        Het oorspronkelijke gezin Polak was daarmee voorbij.
        Voor Adriaan van der Horst speelde zijn geboortestad Dordrecht op den duur geen enkele rol meer. In Amsterdam-Slotervaart is een straat naar hem vernoemd.

Adrianus van der Horst sterft op 14 juni 1942

Nog geen vijf maanden later sterft ook Adrianus van der Horst, op 14 juni 1942, 73 jaar oud. Hij wordt zelfs herdacht in het ‘Nationale Dagblad voor het Nederlandsche Volk’.
Foto Delpher

***

Arie van den Brande

Arie van den Brande wordt geboren op 10 december 1898 op Hil 23

Arie is het enige kind van Johannes en Louise dat in Dordrecht ter wereld komt, zoals het Dordtse bevolkingsregister uit die tijd laat zien. De anderen werden geboren in Den Haag en Rotterdam.
Foto RAD


Op 17 september 1907 vertrekt het gezin Van den Brande weer naar Den Haag

Op 17 september 1907 vertrekt het gezin Van den Brande weer naar Den Haag. Uiteindelijk zal uit tien kinderen bestaan, blijkens de Haagse gezinskaart (voor- en achterzijde).
Foto Haags Archief.


Arie is het enige kind van Johannes en Louise dat in Dordrecht ter wereld komt

Arie van den Brande wordt geboren op 10 december 1898 op Hil 23, een adres dat niet meer bestaat. De straat bevond zich waar nu het Bethlehemplein is. De geboorte werd meegedeeld in de ‘Dordrechtsche Courant’ van 15 december.
Foto Krantenbank RAD

Arie van den Brande, de tweede niet-joodse Dordtenaar in dit verhaal, is Dordrecht net zomin trouw gebleven. Hij is het eerste kind dat de hervormde Johannes van den Brande (Rotterdam, 15.4.1862) en de rooms-katholieke Louise Knieper (Höhr, Duitsland, 4.4.1877) krijgen, op 10 december 1898, ruim een jaar na hun bruiloft op 25 februari 1897 in Dordrecht. De bevalling had plaats op het adres Hil 23 (afgebroken, is nu Bethlehemplein), om drie uur ’s middags. Zijn moeder is bij het huwelijk nog pas 19, zijn vader al 34. Na Arie baart Louise tussen 1900 en 1916 nog negen kinderen, drie jongens en zes meisjes. Elisabeth, geboren op 5 november 1913, sterft al na drie jaar, op 10 februari 1916, de anderen leven aanzienlijk langer.
        Arie is overigens het enige kind dat in Dordrecht ter wereld komt. Allen zijn in Den Haag geboren, op zijn zus Louise na, die heeft Rotterdam als geboortestad (18.4.1905). Hoe dit zo kwam? Het gezin blijkt volgens de gezinskaart in het Haagse archief nogal heen en weer te zijn gegaan, en daar is een eenvoudige verklaring voor: vader is kermisreiziger. In het Rotterdamse archief is te vinden dat de familie Van den Brande zich er vestigt op 2.10.1903, in de Rubroekstraat op nummer 5, komend uit Den Haag. Op 14.9.1906 vertrekt het gezin naar Dordrecht, om vandaar op 17.9.1907 weer in Den Haag op te duiken, nu voorgoed. Het eerste adres wordt er Hekkelaan 73.
        Vader Johannes was koopman, zoon Arie wordt aanvankelijk meubelmaker, althans volgens archiefdocumentatie. Later blijkt hij zijn vader nagevolgd, als koopman in planten en bloemen. Het steeds van gemeente verwisselen, zit ook de zoon ook in het bloed. Een paar voorbeelden volgen hier:
        Arie van den Brande trouwt op 8 januari 1927 in het Duitse Wachenbuchen met de joodse Rieda (‘Rita’) Strauss, van beroep huishoudster. Rieda is een dochter van Samuel Strauss (Wachenbuchen, 2.2.1870) en Antonie (‘Toni’) Stern (Bergen (D), 13.10.1874). In totaal heeft het echtpaar zeven kinderen, van wie tot dan alleen Rieda getrouwd is. Vader Samuel dreef eerst een runderslachterij en -slagerij in de Hainstrasse 27 in Maintal, een gemeente in de deelstaat Hessen, waarvan Wachenbuchen het kleinste stadsdeel is.
        Wegens betalingsmoeilijkheden verkoopt Samuel Strauss de winkel begin 1930 aan Metzgermeister Georg Schmitt. Strauss opent daarna een kleinere Fleischverkaufsladen in de Bachstrassse 8. Maar “vermoedelijk” als gevolg van de machtsovername door Hitler in 1933 gaat de zaak ten onder, schrijft Peter Heckert, die op zijn gelijknamige website (www.peterheckert.de) wederwaardigheden over Juden in Maintal heeft gereconstrueerd.

Pahudstraat nummer 105

Van Arie van den Brande is in openbare archieven geen foto gevonden, evenmin van zijn vrouw Rieda (‘Rita’) Strauss, de Duits-joodse vrouw met wie hij  op 8 januari 1927 trouwde in Wachenbuchen. Op 23 november 1933 gaat Arie met Rita en hun kind Anthonie Louise (Frankfurt, 10.3.1928) in Den Haag wonen, in de Pahudstraat op nummer 105. De ene foto toont dit pand in huidige staat, de andere foto laat meer zien van de trap die naar nummer 105 leidt, links.
Foto Redactie Website.


Pletterijkade nummer 27

De ouders van Rita, Samuel en Toni Strauss, eveneens op de vlucht geslagen, trekken in een hoekwoning aan de Pletterijkade, op nummer 27.
Foto Google Streetview

Spion?
Arie en Rieda krijgt op 10 maart 1928 in Frankfurt am Main een kind, Antonie Luise (‘Liesel’). Enkele jaren later wordt hij er in Duitsland, dat steeds meer in de ban raakt van het nationaal-socialisme, van verdacht spion te zijn. Hij krijgt een tip van een partijgenoot van de KPD, de communistische partij, dat hij gevaar loopt. Op 17 juni 1933 slaat hij op de vlucht, hij gaat terug naar zijn ouders in Den Haag. De burgemeester van Maintal zal later verklaren dat Van den Brande in Wachenbuchen niet politiek actief is geweest, maar “wohl Fühlung hat aufgenommen mit der kommunistischen Partei”. De nazi’s verachtten communisten al netzozeer als joden.
        Ook Rieda’s vader Samuel, haar moeder Toni en haar broer Max Paul reizen via Frankfurt naar Den Haag. Vader en moeder Strauss worden er ingeschreven per 1 september 1934, op het adres Pletterijkade 27. Max Paul, ook een vleeshouwer, is volgens het Haagse Gemeentearchief per 16 juli bij zijn zus Rieda (‘Rita’) ingetrokken. Zij en Arie woonden in de Pahudstraat op nummer 105.
        Over Rita’s vlucht heeft Heckert nog een verklaring gevonden in het Stadsarchiv van Maintal. De lokale smid Hans Oswald verklaarde op 21.9.1956 dat Rita tot mei 1933 bij hem als huurster heeft ingewoond, en nog in diezelfde maand met haar kind Liesel naar Nederland is geëmigreerd. “Sie hat infolge der Judenvervolgung Deutschland verlassen.
        In de reconstructie van Peter Heckert ontbreekt overigens een familielid dat eveneens naar Nederland is gegaan: Alfred, ook een zoon van Samuel en Antonie. Zijn vertrekt blijkt uit de herdenkingswebsite ‘Joods Monument’ (JM). In welke gemeente Alfred in eerste instantie is neergestreken, valt niet meer te achterhalen. Maar volgens JM was het laatste woonadres [voor zijn dood] in Leeuwarden, aan de Eewal 84. Alfred verbleef daar niet alleen, maar met meerdere mensen: zijn vrouw, zijn drie kinderen én zijn schoonouders. Daarover straks meer.
        Max Paul is maar kort bij zijn zus gebleven, anderhalve maand. Volgens de Haagse gezinskaart verhuisde hij per 28 augustus 1934 naar de Pletterijkade 27, het adres van zijn ouders. Ook daar vertrok hij na bijna zes maanden alweer, om per 13 februari 1935 een woning aan de Geleenstraat 34 te betrekken, nu als gehuwd man: Max Paul, door Heckert verwarrend alleen maar ‘Paul’ genoemd, was op 21 november 1934 in het huwelijk getreden met Sara Wurms, in Den Haag, geboren op 6 maart 1913.
        Op 16 mei 1935 verhuisde Max Paul, zelf geboren in Bergen in Pruisen op 10 maart 1908, opnieuw, nu naar de Maasstraat 72. En daar werden de twee kinderen geboren die Sara en hij kregen: Elizabeth (13.9.1935) en Antonia Elisabeth (9.10.1936). Elizabeth is al na drie maanden overleden, op 16.12.1935. Waarschijnlijk hebben Max Paul en Sara dit verlies willen proberen te compenseren met dochter Antonia.
        Zo stond het er eind jaren dertig voor: vader en moeder Strauss bevonden zich in Nederland, evenals drie van hun zeven kinderen. Waar de andere telgen zich ophielden, kon niet worden getraceerd.

gezinskaart van Arie en Rita en Anthonie Louise

De gezinskaart van Arie en Rita en Anthonie Louise. Rita moest Duitsland verlaten omdat joden er werden opgejaagd. De broer van Rita, Max Paul, komt ook in de Pahudstraat te wonen.
Foto Gemeentearchief Den Haag

Noodlot
De jodenvervolging waarvoor de gezinsleden Strauss op de vlucht waren geslagen, bereikte in 1940 ook Nederland. Maar Nederland bleek geen veilig oord, het noodlot sloeg er met vertraging toe.
        Wat zich in de eerste oorlogsjaren heeft afgespeeld rond het gezin Strauss, is niet vastgelegd, en is niet te achterhalen. Alleen de enkele feiten die zich achteraf hebben geopenbaard, geven een idee.
        De ouders van Rita worden op een dag opgepakt, niet in Den Haag, maar in Leeuwarden, in de woning van hun zoon Alfred aan de Eewal. Waren ze daarheen gevlucht, of logeerden ze er? Dit is onduidelijk. Het is in ieder geval bekend dat in de zomer van 1942 werd afgekondigd dat alle Haagse joden de stad moesten verlaten. Op 22 augustus vonden de eerste razzia’s plaats, aldus de website JoodserfgoedDenHaag.nl.
        Alle negen mensen die in het Leeuwardense pand verbleven, niet een uitgezonderd, zijn grimmig vergast. Hun levens werden beëindigd in Auschwitz of in Sobibor.
        Het − hierna volgende − overzicht laat zien dat Alfred’s ouders tegelijk op 29 oktober 1942 in Auschwitz zijn vermoord. Zijn vrouw Bertha Strauss-Borngässer is in ditzelfde doodsoord tegelijk, op 24 september 1943, met haar drie kinderen omgebracht. Alfred zelf was daar eerder in het jaar, op 28 februari 1943, de gaskamer ingedreven. De schoonouders van Alfred, Herman en Rosa, eindigden in Sobibor, beiden op 12 maart 1943.
        Dit zijn hun volledige namen en hun geboorte- en sterfdata: Herman Borngässer (Rodheim, 24.6.1866 – Sobibor, 12.3.1943, 76 jaar oud), Rosa Borngässer-Bamberger (Muschenheim, 2.4.1875 – Sobibor, 13.3.1943, 67), Alfred Strauss (Wachenbuchen, 19.10.1901 – Auschwitz, 28.2.1943, 41), Bertga Strauss-Borngässer (Rodheim, 6.4.1898 – Auschwitz, 24.9.1943, 45), Leo Fred (Rodheim, 13.1.1935 – Auschwitz, 24.9.1943, 8), Heinz Albrecht (Frankfurt am Main, 15.9.1929 – Auschwitz, 24.9.1943, 14), Ilse (Bad Homburg, 19.12.1932 – Auschwitz, 24.9.1943, 10), Samuel Strauss (Wachenbuchen, 2.2.1870 – Auschwitz, 29.10.1942, 72 jaar) en ten slotte Antonie Strauss-Stern (Bergen, 13.10.1874 – Auschwitz, 29.10.1942, 68).
        En Max Paul Strauss, de broer van Rita en Alfred? Ook zijn gezin is genadeloos vernietigd. Max Paul stierf ergens in Midden-Europa, op 31 maart 1943, 35 jaar oud. Zijn 29-jarige echtgenote Sara en hun 6-jarige dochtertje Antonia Elisabeth werden in Auschwitz vermoord, beiden op 5 november 1942.

Arie en Rita en hun dochter weten de oorlog te overleven

Arie en Rita en hun dochter weten de oorlog te overleven. Ze zijn midden in de oorlog naar Amsterdam verhuisd, op 9.2.1943 naar de Meerhuizenstraat 18 huis, later, op 16.11.1944 werd hun nieuwe adres Vechtstraat 53 driehoog.
Foto’s Amsterdams Stadsarchief


in juli 1946 gingen Rita en Arie officieel uiteen

Maar het huwelijk hield geen stand, in juli 1946 gingen Rita en Arie officieel uiteen. Zij hertrouwde, hoe het leven van haar daarna verliep, is niet bekend. Rita overleed in november 1985, aldus de advertentie in het ‘Nieuw Israëlitisch Weekblad’ van de 22ste november.
Foto Delpher

Ongedeerd
Maar hoe verging het ’t enig overgebleven gezinslid, Rita, en haar man Arie van den Brande? En hoe was het met hun dochter Liesel?
        Alle drie zijn zij ongedeerd gebleven, zij overleefden de Holocaust. Misschien kwam dit doordat Rita en Arie een gemengd huwelijk hadden, misschien was hun onderduik wél succesvol. Merkwaardig is echter dat één van hen volgens Amsterdamse archiefgegevens naar “Duitschland” gedeporteerd is geweest − op 16 november 1944, zo meldt de gezinskaart. Vanaf 9 februari 1943 woonde het gezin (tijdelijk?) in Amsterdam, in de Meerhuizenstraat 18 huis. De kaart maakt niet duidelijk of dit alleen gold voor Rita, of ook voor Antonia. Zij waren immers beiden joods.
        Hoe dit ook zij: het gezin heeft het gered; dat staat vast. Maar de huwelijksrelatie is kennelijk onder druk komen te staan: na de oorlog valt het echtpaar Van den Brande uiteen. Op 18 juli 1946 scheiden zij. Rita Strauss hertrouwt, op 6 maart 1957, in Amsterdam, met René François Klerk de Reus (Amersfoort, 24.2.1910). In april 1958 gaat dit echtpaar in Düsseldorf wonen, maar in januari 1960 keert het terug naar Amsterdam. In 1967 wordt Vught hun nieuwe woonplaats. Rita overlijdt op 86-jarige leeftijd in Den Bosch, op 5 november 1985.
        Haar dochter Liesel vindt kort na de oorlog een geliefde. Op 23 januari 1947 trouwt zij met de vertegenwoordiger Abraham (‘Albert’) Grünberg (Amsterdam, 1922). Zij raakt zwanger, maar de baby wordt levenloos geboren, op 15 december 1942, in Zutphen. Daarna komen de kinderen Herman en Max. Albert overlijdt “na een moeizaam, maar toch rijk leven” (Nieuw Israëlitisch Weekblad, 16.9.1988) op 66-jarige leeftijd in Dieren, op 12 september 1988. Liesel sterft in 1999 in Amstelveen, 71 jaar oud.

***

        Waar Liesel’s vader, de oud-Dordtenaar Van den Brande, is gebleven, is een raadsel. In openbare archieven is na de echtscheiding niets meer over hem te vinden.


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'