Het voorbije joodse dordrecht

Nog twee Dordtse slachtoffers
van jodenvervolging ‘ontdekt’

Mariënbornstraat

De Mariënbornstraat in april 1967. In deze straat, anno nu grotendeels gesloopt en vernieuwbouwd, is Betje Knegje geboren, op nummer 25, op 24 november 1909.
Foto Regionaal Archief Dordrecht (RAD, nr. 554_31997).

Eind 2019 zijn er opnieuw twee Dordtse Holocaustslachtoffers ‘ontdekt’: Betje Knegje en Rosalie Polak.
        Aan het begin van 2019 gebeurde het ook al dat iemand werd gevonden die tot dan ontbrak op de twee Dordtse lijsten van Holocaustslachtoffers. Het betrof Rozetta Cohen. Zij is geen Dordtse van oorsprong, maar afkomstig uit Den Haag. Zij had zich in Dordrecht ‘alleen maar’ verstopt en werd er betrapt (zie verhaal 202).
        De namen van Betje Knegje en Rosalie Polak waren bekend bij Joods Monument, de gezaghebbendste website in dit verband. Maar in 2013, toen de Dordtse werkgroep Stolpersteine op dit digitale monument alle 104.000 namen van omgebrachte Nederlandse joden filterde en uitploos op Dordtenaren, zijn op de een of andere manier twee van hen niet op de lijsten van Dordtse slachtoffers terechtgekomen. Meest waarschijnlijke oorzaak van dit verzuim: een menselijke fout, een ongewilde omissie. Vandaar dat het woord ‘ontdekt’ tussen aanhalingstekens staat.
        Eind 2019, bijna 75 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, werden alle bekende gegevens over joodse Dordtenaren andermaal doorgenomen − via Joods Monument, en ter vergelijking óók met een andere informatieve website, Dutch Jewry. Controleren kan immers geen kwaad. En bij die gelegenheid kwamen Betje Knegje en Rosalie Polak tevoorschijn. Beiden zijn in Dordrecht geboren, maar elders in Nederland opgepakt en vandaar afgevoerd.
        Zij zijn inmiddels toegevoegd aan Lijst 2, de lijst die alle verhuisde Dordtse joden vermeldt. Die lijst telt nu 180 personen. Lijst 1, het overzicht van alle joden die in de oorlog in Dordrecht woonden of verbleven, omvat 206 namen. Rozetta Cohen zou eigenlijk op deze lijst horen te staan, maar omdat niet bekend is op welke Dordts adres zij was ondergedoken, is ze op Lijst 2 geplaatst.
        De lijsten, te vinden via het menu links op deze pagina, zijn nu volledig. Dat er 75 jaar na de oorlog nog meer onbekende, vermoorde joodse Dordtenaren opduiken, is uiterst onwaarschijnlijk, al valt het niet uit te sluiten: Joods Monument wordt doorlopend verbeterd en aangevuld.
        Wie waren eigenlijk de twee ‘nieuwe’ Dordts-joodse medeburgers? Tot welk gezin behoorden zij, in welke stad leefden zij? In dit artikel worden Betje en Rosalie, de ‘veronachtzaamden’, uitgelicht.

geboorteakte van Betje

De geboorteakte van Betje. Zij kwam ter wereld om 17 uur.
Van de families Knegje en Polak zijn in openbare beeldbanken tot dusverre geen persoonsfoto’s aangetroffen.
Foto RAD

Tagrijn
Betje Knegje is het enige kind van Abraham Knegje en Leentje Knegje-Knegje dat is geboren in Dordrecht. Dat gebeurde op 24 november 1900, om vijf uur ’s middags, in het ouderlijk huis aan de Mariënbornstraat 25. Het broertje dat aan haar vooraf ging, Eliazar, kwam ook in een ‘afwijkende’ stad ter wereld: Gorinchem, op 11 april 1908. Maar alle overige kinderen zagen het levenslicht in Den Haag. Volgens ‘Joods Monument’ waren het er acht, maar dat is niet correct. Elf kinderen in totaal kregen Abraham en Leentje, die overigens zelf afkomstig waren uit Amsterdam. Hij werd er geboren op 26 februari 1875, zij op 2 maart 1878. Zij trouwden in Den Haag, op 23 augustus 1899.
        Abraham was van beroep van alles: eerst tagrijn, een handelaar in tweedehands scheepsbenodigdheden, zeil, tuigage en ijzerwaren, later kleermaker, fruithandelaar, koopman en venter in allerlei. Tegen de tijd dat Betje zich aankondigde in Dordrecht, beoefende hij alweer een ander vak, volgens de geboorteakte: borstelmaker. Waarschijnlijk was het als gevolg van zijn beroepen dat het gezin Knegje vanuit Den Haag in Gorinchem en Dordrecht belandde, en vervolgens weer terugkeerde naar de residentie. En binnen Den Haag verhuisden ze daarna ook steeds opnieuw− volgens de Haagse archiefkaart tussen 1913 en 1930 wel tien keer. Hij was een rondtrekkende, veelzijdige ambachtsman.
        Volgens burgerlijke-standsgegevens streek het gezin Knegje op 7 september 1908 in Dordrecht neer, komend uit het nabije Gorinchem. Het woonde op vier locaties, als eerste in de Mariënbornstraat, daarna in een woonwagen op de Noordendijk, het volgende adres was Torenstraat 27, en het laatste Mattensteiger 4rood. Wat opvallend is aan het archiefboek, is dat de gezinsleden niet tegelijk uit Dordrecht weggingen. Moeder Knegje trok naar Den Haag op 22 september 1911, de vader op 29 november 1911 naar Amsterdam, de kinderen Jetta, Samuel Abraham, Eva en Rosalie Roosje op 13 december 1911 naar Laren.
        En Eliazar en Betje, de laatstgeborenen, verlieten Dordrecht pas op respectievelijk 9 januari 1912 en 25 juli 1912, en ook zíj gingen niet naar dezelfde stad: hij naar Amsterdam, zij naar Den Haag. De familie was allerminst een eenheid. Waaraan dit lag, blijkt verderop: qua gezondheid waren sommige kinderen mankerende.

Haagse gezinskaart van de familie Knegje

De Haagse gezinskaart van de familie Knegje, voor- en achterzijde: Betje is als enige van alle kinderen in Dordrecht geboren, de meeste van haar broers en zussen in Den Haag.
Foto Gemeentearchief Den Haag

Inrichting
Niet alle kinderen hebben een volledig leven kunnen leven, in tegendeel, bij vier van hen stokte het na korte tijd. Eliazar nummer 1, geboren 30 augustus 1901, werd nog geen jaar oud, hij stierf op 11 oktober 1901. Nog korter hield Eva het vol, kind nummer 4: zij, geboren 4 november 1904, overleed al na twee maanden, op 8 januari 1905. Sara, kind nummer 7, werd geboren op 4 december 1912, maar ook haar was geen lang leven gegund. Zij stierf na ruim vier maanden op 27 april 1913. En kind nummer 10, Jacob, bleef krap een jaar in leven, van 23 mei 1917 tot 23 april 1918. In de tweede Haagse periode was het aantal nakomelingen dus al geslonken tot zeven.
        De overgebleven kinderen verlieten Den Haag op den duur allemaal. Meerderen zwermden om onbekende reden uit naar Apeldoorn (vier), twee gingen naar Hilversum, één naar Laren. Maar die verhuizingen hadden soms een treurige reden. Eliazar bijvoorbeeld, de Gorkummer, kwam al op 8 december 1916 in Laren terecht in de Berg-Stichting, een instelling voor uit huis geplaatste joodse kinderen. En Levie (15.10.1915) en Carolina (13.8.1919), de kinderen nummer 9 en 11, vertrokken op 26 januari 1932 samen naar de S.A. Rudelsheimstichting in Hilversum, een instelling voor verstandelijk gehandicapte joodse kinderen.
        Abraham Knegje woonde in de jaren dertig al niet meer in Den Haag, hij bleef verkassen. In november 1937 was hij terug in zijn geboortestad Amsterdam, komend uit Harderwijk dit keer. Hij en zijn vrouw woonden er tot juni 1939. Ruim een jaar werd vervolgens Rotterdam de woonplaats, tot november 1940: Amsterdam was nu weer aan de beurt. Ze betrokken een huis op de Laagte Kadijk, op nummer 2 driehoog. Het zou hun laatste woonplek blijken.
        Betje, de geboren Dordtse, was één van de Apeldoorngangers. Zij reisde in 1931 naar de Fluitersweg 13, dezelfde straat waar haar zus Anna (1 februari 1914), kind nummer 8, op 14 juni 1930 was gearriveerd, maar dan op nummer 10. In de oorlog echter bleek Betje te verblijven op het adres Zutphensestraat 106 in Apeldoorn. Daar stond het Centraal Israëlitisch Krankzinnigengesticht ‘Het Apeldoornsche Bos’. Deze inrichting is in 1943 door de nazi’s ontruimd, in de nacht van 21 op 22 januari. Alle 1200 patiënten werden, “soms naakt, verward of in dwangbuis” (Wikipedia) in vrachtwagens naar een goederentrein gebracht. Betje was één van hen.
        Haar zus Anna, dienstbode, woonde toen al niet meer in Apeldoorn, zij trouwde met grondwerker Willem Gobets en betrok met hem een woning aan de Commelinstraat, op nummer 118 II achter. Zij had kennelijk geen gezondheidsproblemen. Maar een deel van de familie Knegje had daar duidelijk last van.

Jetta Knegje

Jetta Knegje, de eerstgeborene, heeft als enige van de familie de oorlog overleefd.
Zij stierf in Amsterdam, op 25 april 1990.
Foto Stadsarchief Amsterdam.

Overlevende
Het nog resterende gezin is in de oorlog bijna compleet vernietigd, op één kind na.
        Toevalligerwijs is dat de eersteling: Jetta, geboren in Den Haag op 26 april 1900. Zij heeft de Holocaust weten te doorstaan, samen met haar echtgenoot Johan Bekamp (Heerde, 8 juni 1885). Voor hem was het zijn derde huwelijk, voor haar het eerste. De bruiloft had plaats op 14 september 1932 in Apeldoorn, maar haar man overleed op 3 juli 1949 in Diemen. Jetta hertrouwde op 2 mei 1950 in Amsterdam met Beene Stuut (Onstwedde, 29 september 1909), een echtverbintenis die eindigde in een scheiding op 2 april 1969.
        Jetta Knegje, werkster van beroep, stierf in Amsterdam op 25 april 1990, op 89-jarige leeftijd.
        Zij bleef na de oorlog alleen over. Haar vader, moeder, vijf broers en zussen werden vermoord, in verschillende kampen, bijna allen in 1943, op Levie na. Die werd een jaar eerder al vergast.
        Dit zijn hun namen, overlijdensdata en hun oord des doods: Abraham Knegje (Sobibor, 2 april 1943, 68 jaar), Leentje Knegje (Auschwitz, 14 januari 1943, 64 jaar), Eliazar (Blechhammer, Auschwitz, 30 april 1943, 35 jaar), Betje (Auschwitz, 25 januari 1943, 33 jaar), Anna (Auschwitz, 19 november 1943, 29 jaar), Levie (Auschwitz, 30 september 1942, 26 jaar) en Carolina (Auschwitz, 30 april 1943, 23 jaar).

Rotterdamse gezinskaart van de familie Polak

De Rotterdamse gezinskaart van de familie Polak, voor- en achterzijde. Drie van hun kinderen zijn in Dordrecht geboren: Reine, Rosalie en Andries.
Foto Gemeentearchief Rotterdam

Kleiner
Het gezin waartoe Rosalie Polak behoorde, de tweede Dordtse die in 2019 werd ‘ontdekt’, was kleiner: niet meer dan vijf kinderen kregen Michel Polak en Klaartje van Gelder.
        De echtelieden trouwden in Schoonhoven, op 9 augustus 1876, hij was 31, zij 30. Schoontje is geboren (23 maart 1846) en opgegroeid in deze gemeente, Michel is een geboren Dordtenaar (12 december 1845). Het echtpaar vestigde zich in Dordrecht en daar kwamen achter elkaar drie van de vijf kinderen ter wereld: Reine (29.10.1876), Rosalie (1.1.1878) en Andries (3.7.1879). De twee nakomende kinderen werden geboren in Rotterdam (Henriette Helena, 28.12.1880) en Nieuwer Amstel (Arnold, 28.2.1883).
        Moeder Klaartje beviel van twee van de drie Dordtse kinderen op de Voorstraat, op nummer C939: Reine (03 uur), Rosalie (18 uur). Andries (01 uur) zag het levenslicht op een ander adres: Wijnstraat B68. Vrij kort na zijn geboorte trok het gezin naar Rotterdam.
        Van de uiteindelijk zeven gezinsleden hebben er drie de Tweede Wereldoorlog niet hoeven meemaken. Zij overleden ruim voor die tijd: vader Michel in Rotterdam, op 26 april 1917, 72 jaar oud; voorafgegaan door moeder Klaartje, eveneens in Rotterdam, op 4 november 1915, 69 jaar oud en zoon Andries in Poortugaal, op 15 november 1928, 49 jaar.
        Maar de overigen wachtte het gruwelijke lot dat de nazi’s voor joden voor ogen hadden: de gasdood. Rosalie, de ongehuwd gebleven Dordtse, overkwam hetzelfde als Betje Knegje. Ook zíj was opgenomen in ‘Het Apeldoornsche Bos’, ook zíj werd in een nacht door de nazi’s hardhandig weggesleurd uit het gesticht. Vier dagen na de inval eindigde zij in Auschwitz, 65 jaar oud, op 25 januari 1943.

Brief
Haar zus Reine, ook een Dordtse, was een jaar eerder al in dat vernietigingskamp aangekomen. Modiste Reine, op 8 augustus 1907 getrouwd met Jacob Kadiks (Rotterdam, 10.9.1878) verloor haar man voor de oorlog, op 17 juli 1939 in Rotterdam, 60 jaar oud. Hun zoon Joseph (Rotterdam, 21.3.1908) was al een volwassene toen de oorlog uitbrak. Hij had ook al een echtgenote (Rachel Kadiks-Polak, Coevorden, 18.10.1910) en een dochter (Jacqueline Johanna, Rotterdam, 3.9.1939). Dit beginnende gezin, wonend aan de Statenweg 73c in Rotterdam, werd een jaar na Reine vermoord in Sobibor, alle drie op 7 mei 1943, respectievelijk 35, 32 en 3 jaar oud.
        Aan het begin van dat jaar, op 26 januari, had Joseph nog in een brief aan ‘Het Apeldoornsche Bos’ geïnformeerd naar de verblijfplaats van zijn tante, Rosalie – niet wetende dat zij de dag ervoor moedwillig was omgebracht. De brief is bewaard gebleven in het archief van de inrichting, aldus Joods Monument.
Een andere tante van hem, Henriëtte Helena Polak-Polak, bestond in 1943 ook al niet meer. Henriëtte was op 14 maart 1928 in Rotterdam getrouwd met Jakob Polak (Wildervank, 31.5.1887), een ambtenaar bij het Staatsspoor. Opgepakt in Rotterdam, waar het kinderloze echtpaar woonde aan de Doezestraat 32b, liet het ’t leven in Auschwitz, beiden op 15 oktober 1942. Tuinman Samuel (2.9.1902), kind nummer drie, wordt vermoord in een werkkamp in Schoppinitz, een stadsdeel van Kattowitz in Polen, op 28 februari 1943, 40 jaar oud.
        Arnold, stoffeerder geworden en op 1 december 1926 in Rotterdam op 43-jarige leeftijd getrouwd met de even oude Geertruida Frenk (Rotterdam, 1.3.1883) werd samen met haar en hun zoon Michel (Rotterdam, 31.8.1929) op een en dezelfde dag, 23 april 1943, vergast in Sobibor − hij 60 jaar oud, zij ook, en Michel 13. Het gezin, ook in Rotterdam wonend, aan de Slachthuiskade 4b, had volgens Joods Monument, een levensverzekering afgesloten, die mogelijk nog uitkeerbaar is.


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'