Het voorbije joodse dordrecht

Onderduikhulp en jodenbegunstiging,
de Dordtenaren die erover zwegen (1)

Hoe groot − of juist: hoe minimaal – was de hulp die Dordtenaren in de oorlog joden boden? En hoe zat het in de rest van Nederland?
        Begin 2020, tijdens de Nationale Holocaust Herdenking op 26 januari in het Amsterdamse Wertheimpark, maakte premier Rutte excuses voor het handelen van de overheid bij de vervolging van joden – 75 jaar na de bevrijding. In de joodse gemeenschap werd dit berouw deels op prijs gesteld, deels weggewoven: te weinig en te laat.
        Degenen die de excuses positief opvatten, deden dat ook omdat daarmee eindelijk die hardnekkige mythe eens wordt afgebroken: dat Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog massaal in het verzet had gezeten, zoals het na de oorlog verluidde.
        Zo zei Esther Voet, hoofdredacteur van het Nieuw Israëlitisch Weekblad, in haar reactie op de excuses van Rutte tegen De Volkskrant: “Hoe je het ook wendt of keert, veel Nederlanders waren discipelen van de nazi’s.” En Jacques Grishaver, voorzitter van het Nederlands Auschwitz Comité, wees er honend op: “Na de oorlog waren er ineens een miljoenen verzetshelden. Maar bijna iedereen werkte eraan mee.”
        Rutte zelf benoemde de pijn ook. De overheid, net zo goed als burgers, zei hij, ze keken weg, terwijl een groep landgenoten apart werd gezet, ontmenselijkt en weggevoerd. Hij wees op “het verraad dat altijd op de loer lag”, en op de Nederlandse jodenjagers, “die duizenden de dood injoegen voor een luttel bedrag aan ‘kopgeld’. “Onze overheidsinstanties”, oordeelde hij, “schoten tekort, als hoeders van recht en veiligheid.”
        Niet iedereen was onverschillig of keek weg. Feit is dat Yad Vashem, de Israëlische staatsinstelling voor het herdenken van de Holocaustslachtoffers en redders van joden, tot dusverre toch heus 5778 Nederlanders heeft onderscheiden. Dit zijn mensen van wie na onderzoek is vastgesteld dat zij in de oorlog daadwerkelijk joden levensreddend hebben bijgestaan. Nog elk jaar groeit dit aantal, dat Europawijd het hoogste is, op Polen (6992) na.
        Al deze Nederlandse gedecoreerden betreffen personen die tegenover de onderzoekers van Yad Vashem de namen konden noemen van de joden die zij koelbloedig hebben helpen onderduiken of die zij anderszins veilig door de oorlog hebben geloodst. Er zijn echter ook Nederlanders die hulp aan joden verleenden zonder hun namen te weten. Wie anoniem was, kon tijdens een verhoor immers niet verraden worden. Het was juist de bedoeling dat hun namen werden verzwegen.
        Dit was in de rest van Nederland, terug naar Dordrecht. Hoe hebben Dordtenaren zich tegenover joden gedragen? Feit is dat Yad Vashem er tot nog toe zeventien heeft opgespoord en geëerd, óók een aantal dat 75 jaar na de bevrijding nog altijd groeiende is. Maar in werkelijkheid waren er veel meer hulpvaardige Dordtenaren Alleen zwegen zij daarover, uit bescheidenheid of omdat ze hun hulp volstrekt normaal vonden.
        De redactie van deze website is de afgelopen jaren op verschillende van zulke onnadrukkelijke jodenhelpers gestuit. Hun inzet, hun daden werden met soms slechts een enkele regel genoemd in een vergeeld krantenbericht, in een terugblikkend boek of in biografieën op websites. Meestal was over die Dordtenaren geen zelfstandig artikel te schrijven. Er was te weinig duidende documentatie voorhanden, of familieleden van de betrokkenen waren overleden dan wel onvindbaar.
        En zelf pochten zij blijkbaar ook niet over hun daden. Anders zouden zij wel erkenning hebben gekregen. Ze vonden het misschien gewoon niet kies om zich op de borst te slaan.
        Wie waren deze stille, bescheiden Dordtenaren? Waar bestond hun hulp precies uit? In vier afleveringen worden deze ongenoemden in aaneensluitende hoofdstukken kort beschreven, voor zover althans sluitende gegevens over hen konden worden opgedoken. Een korte serie, 75 jaar na de bevrijding, om dit te laten zien: weliswaar zijn niet alle Nederlanders in opstand gekomen tegen de Duitse bezetter, maar sommigen toch wel, door in alle stilte joden te helpen.
        Bijsluiter: de voorbeelden zijn niet bedoeld om de betrokkenen alsnog een heldenstatus te geven, maar louter om hun daden te signaleren.

Dordtenaren vieren in mei 1945 de bevrijding bij het hoofdbureau van politie aan de Groenmarkt

Dordtenaren vieren in mei 1945 de bevrijding bij het hoofdbureau van politie aan de Groenmarkt. Gedurende de oorlogsjaren werden in dit gebouw de joden gevangengezet die Dordtse politieagenten hadden weten op te sporen op onderduikadressen.
Foto Regionaal Archief Dordrecht (RAD; nr. 552_326235)

Hoofdstuk 1: de getuigen tijdens het proces tegen de Dordtse jodenjager

Tijdens het proces in 1949 tegen de beruchte Dordtse politieman en jodenjager Arie den Breejen traden zij naar voren als getuigen: de Dordtenaren, allen bewoners van de wijk Krispijn, die in de oorlog joden hadden helpen onderduiken. In bredere kring kwam hierdoor nu voor het eerst hun hulpvaardigheid aan het licht. Tegelijkertijd kon ook worden vastgesteld dat deze Dordtenaren de oorlog hadden overleefd. Jodenhelpers liepen grote risico’s: ze werden naar concentratiekampen gestuurd, of kregen de doodstraf.
        De strafzaak tegen Den Breejen werd behandeld door de Dordtse Kamer van het Haagse Bijzondere Gerechtshof, de zittingen waren in het gebouw van de arrondissementsrechtbank aan het Steegoversloot in Dordrecht. Drie lokale kranten schreven over het proces, het Dordtsch Dagblad, De Dordtenaar en het Dordrechtsch Nieuwsblad. Uit die verslagen wordt hier geciteerd.
        Den Breejen werkte in de oorlogsjaren samen met de al even fanatieke politieagent Harry Evers, die na een proces in februari 1948 op 10 maart van dat jaar door het Haags Bijzonder Gerechtshof was veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Den Breejen was, zo schetste het Dordtsch Dagblad, voor de oorlog “een onbelangrijk politieman”, maar ontpopte zich in de oorlog als “een berucht mensenjager die het vooral had voorzien op Joodse landgenoten”.
        Een van de getuigen die werden gehoord, was mevrouw Cornelia Vos-Hendriks (Dordrecht, 10 april 1919), de echtgenote van Johannes Cornelis Vos (6 januari 1915), matroos 1ste klasse bij de Koninklijke Marine in Den Helder, naderhand bedrijfsschilder. Het echtpaar woonde vanaf de huwelijksdag (7 juni 1939) aan de Viottakade, op nummer 47 (nu ook nog 47). Cornelia Vos-Hendriks wordt hier als eerste genoemd, omdat joden die bij haar en haar man ondergedoken zaten, vervolgens naar andere Krispijnbewoners gingen – mensen die ook getuigden tegen de politieke politieman Den Breejen.

Arie den Breejen en Harry Evers

De politieagenten Arie den Breejen en Harry Evers (rechts) waren twee van Dordrechts fanatiekste jodenjagers. Deze foto’s werden in ‘De Dordtenaar’ geplaatst bij verslagen van processen tegen deze mannen. Evers werd berecht in 1948, Den Breejen (hier staande voor de rechters) in 1949.
Foto Krantenbank RAD


Viottakade 47

Op het adres Viottakade 47 (nu ook nog 47, tweede woning van rechts) woonde in de oorlog Cornelia Vos-Hendriks met haar man Johannes Vos. Zij verborg de families Braadbaart en Breemer.
Foto Redactie Website

Waarschuwingen
Vos-Hendriks had “de familie Breemer” als onderduikers in huis gehad, De Dordtenaar preciseerde dit tot “de heer Breemer en zijn zuster”. Vóór hen was “de familie Braadbaart” bij haar ondergedoken geweest.
        Zij had “reeds enkele waarschuwingen gekregen”, bleek tijdens het proces, “waarop zij de Joden elders had laten brengen.” Toen Vos-Hendriks op de dinsdag na Pinksteren 1943 werd gearresteerd door Den Breejen en Evers “onder het motief dat zij de Breemers had verborgen”, werden dan ook “geen Joden meer gevonden”. Hendriks moest desondanks mee naar het bureau. Daar heeft zij “onder pressie van Den Breejen het duikadres van een andere onderduiker opgegeven”.
        De volgende dag publiceerde het Dordtsch Dagblad een nogal essentiële aanvulling over Cornelia Vos. “Om misverstand te voorkomen” meldde de krant dat zij het adres dat zij had opgegeven “een gefingeerd adres was en waar dus geen Joden waren te vinden”.
        Mevrouw Vos-Hendriks werd naar de Sicherheitsdienst in Rotterdam gebracht, maar weer vrijgelaten. Den Breejen stelde haar voor “samen een vrolijke avond” door te brengen. “Van uitstel kwam echter afstel en dit feest ging niet door.”
        Cornelia en haar man kregen twee dochters, Ada (1954), Ria (1959) en zoon Johannes (1962). Van de Viottakade verhuisde het gezin op 14 november 1958 naar de Roemer Visscherstraat 17. Op dit adres overleed Johannes Cornelis op 25 januari 1977, op 62-jarige leeftijd. Cornelia Hendriks woonde op het Sterrenburgplein 82 toen zij als weduwe op 7 maart 1996 overleed, 76 jaar oud.

Breitnerstraat 57

Breitnerstraat 57 (57): in dit pand, recht achter de boom, van de familie Sigtermans dook in ieder geval een dochter van de familie Breemer zes maanden onder, en heeft zich ook de familie Braadbaart verstopt.
Foto Redactie Website

Overspannen
De familie Breemer is in augustus na het vertrek bij de familie Vos naar het huis van mevrouw Geertje Sigtermans-Lanser gegaan, vertelde deze tijdens het proces. Geertje, geboren in 1911 het Duitse Wilhelmshafen, woonde met haar man, de bloemenhandelaar Willem Fredrik Sigtermans (Dordrecht, 5 januari 1906), vanaf 23 augustus 1934, hun trouwdag, in de Breitnerstraat. Op nummer 57 (57).
        Welke gezinsleden Breemer Geertje Sigtermans precies onderdak bood, staat niet in de verslagen. Alleen “de dochter” wordt genoemd, zij verbleef er zes maanden. Tijdens het proces vertelde mevrouw Sigtermans dat de heer Breemer haar eens “in overspannen toestand had gezegd: ‘Als ik gearresteerd word, vertel [ik] waar andere Joden zitten’.” Daarop was zij “bang” geworden en liet zij haar man Willem de familie Breemer overbrengen naar “De Reus”. Hiermee wordt Cornelis de Reus bedoeld, die verderop in Krispijn woonde, aan de Potgieterstraat 17.

kampbeul Kotälla klaagt Aalders aan wegens smaad

De Potgieterstraat in Krispijn is grotendeels vervangen door nieuwbouw, vandaar deze archieffoto uit vooroorlogse jaren. De foto toont de Potgierstraat gezien vanaf de Brouwersdijk. Op toenmalig nummer 17 woonde de familie De Reus. Bij haar kwamen de Breemers nadat zij het huis vna mevrouw Sigtermans hadden verlaten.
Foto RAD (nr. 556_1213)

Cornelis de Reus werd een week opgesloten in een Rotterdamse cel

Cornelis de Reus werd een week opgesloten in een Rotterdamse cel, omdat hij joden verborgen had gehouden, zoals blijkt uit deze arrestantenkaart.
Foto Gemeentearchief Rotterdam

        De Breemers werden bij de familie De Reus gearresteerd. Zodra Geertje Sigtermans hiervan hoorde, verborg zij de familie Braadbaart, die ook bij haar was, onder de vloer. Zelf verliet zij het huis met haar man.
        De volgende dag kwamen zij terug en bleek de familie Braadbaart verdwenen. De dag na Pinksteren deden Den Breejen en Evers een inval bij de familie Sigtermans. “De joden waren weg, doch zij vonden nog wel de koffers” – van de familie Braadbaart. De Breejen en Evers oefende pressie uit, maar Geertje Sigtermans kon niet zeggen “waar de Joden waren gebleven”.
        Tijdens het proces bleek dat er door Den Breejen en Evers nog “een sinister spel” is gespeeld, dat als volgt wordt beschreven.
        Den Breejen had tegen Geertje Sigtermans gezegd: “U zorgt dat u Joden in huis hebt als hier huiszoeking wordt gegaan.” (Waarschijnlijk om te voorkomen dat ze zouden worden gearresteerd.) Hij stelde voor dat zij opnieuw joden in huis zou nemen, die dan zouden kunnen worden gearresteerd. Daarop zijn de heer en mevrouw Den Hartog, die naast Sigtermans woonden, in het huis van Sigtermans ondergebracht. “En toen de huiszoeking inderdaad door de Duitse politie werd ondernomen, werd genoemde familie in het bijzijn van” Geertje Sigtermans gearresteerd. De familie Den Hartog werd aldus “de dupe” van “een doortrapt spelletje”.
        Die arrestatie is geregistreerd in de gedigitaliseerde politiedagrapporten. Op donderdagochtend 17 juni om 02.45 uur werden op last van de Feldgendarmerie op het hoofdbureau van politie in bewaring gesteld: Benjamin den Hartog (Heerjansdam, 26 maart 1869) en zijn vrouw Carolina den Hartog-Braadbaart (Dordrecht, 12 maart 1876). Zij “verklaren thuis geweest” te zijn “a/h adres Breitnerstraat 57” en waren “reeds vele maanden spoorloos”. Benjamin en Carolina zijn iets meer dan drie weken later vermoord in Sobibor, tegelijk op 9 juli 1943.
        Willem Frederik Sigterman is als 60-jarige overleden op 14 juli 1966 in Dordrecht. De weduwe Geertje is op 12 juni 1973 van de Bosboom Toussaintstraat 57 verhuisd naar de Nassauweg 79. Haar zoon Frits is op 18 februari 1994 overleden, 54 jaar oud. Geertje hertrouwde met J.C. de Jong en stierf na 5,5 jaar als Geertje de Jong-Lanser op 26 augustus 2000 in ‘De Merwelanden’, 89 jaar oud.

Tulpstraat nummer 19

In de Tulpstraat, op nummer 19 (nu ook 19, bij de fietsen), woonde in de oorlog de weduwe Bastiaantje Bezemer-de Vlaming. Bij haar heeft de familie Kleinkramer tien maanden mogen onderduiken.
Foto Redactie Website

Directeur
Wie waren de Breemers die van Sigtermans naar De Reus gingen en kort daarop dáár werden opgepakt? Dat is dankzij diezelfde dagrapporten na te gaan. Op zaterdag 12 juni om 03.00 uur leverden Den Breejen en Evers vijf leden van het gezin Breemer af op het bureau. Het waren: de directeur van een confectiewinkel Levie Nathan Breemer (Dordrecht, 29 juli 1896), zijn vrouw Bertha Breemer-Cohen (Dordrecht, 18 augustus 1899), hun dochters Rozette (Dordrecht, 23 mei 1922) en Henriëtte Louise (Dordrecht, 9 februari 1926) en Levie’s zus Hester Breemer (Dordrecht, 23 april 1892).
        Zij zijn allen nog geen maand later op een en dezelfde dag vergast, op 9 juli, in Sobibor.
        Cornelis de Reus, geboren in Dordrecht op 20 juli 1908, werd ervan beschuldigd dat hij “bovenbedoelde Joden in zijn woning verborgen heeft gehouden”. Cornelis, heier van beroep, woonde vanaf september 1938 op het adres Potgieterstraat 17, samen met zijn vrouw Wilhelmina Maria Streefkerk (’s-Gravendeel, 31 juli 1911) en hun dochter Emmigje (’s-Gravendeel, 14 februari 1931) en Christiaan (’s-Gravendeel, 3 februari 1932). Het gezin was Nederlands Hervormd.
        Cornelis werd op de 15de juni gevangen gezet in Rotterdam, en zes dagen later, op de 21ste, alweer vrijgelaten.

***

Nog een getuige die tijdens het proces werd verhoord, was de weduwe Bastiaantje Bezemer-de Vlaming (’s-Gravendeel, 24 maart 1879). Zij woonde vanaf 29 juli 1937 aan de Tulpstraat 19 (19). Haar man was de fabrieksarbeider Adrianus Bezemer (’s-Gravendeel, 5 december 1873), die in Dordrecht is overleden op 22 augustus 1933. Zij kreeg met hem drie kinderen: Neeltje (Dubbeldam, 18 mei 1902), Francina (Dordrecht, 2 juni 1904) en Jan (Dordrecht, 2 augustus 1917).
        Bij Bastiaantje heeft de familie Kleinkramer zich “ook tien maanden” mogen verstoppen. Eerder was het gezin kennelijk net zo lang ondergedoken geweest “bij een oude vrouw”, die in de procesverslagen niet nader wordt geïdentificeerd. Hoe Den Breejen en Evers bij deze mevrouw terecht waren gekomen, werd ontknoopt tijdens de zitting.
        Nadat de familie Breemer was gearresteerd, rekenden de politiemannen mejuffrouw Johanna van Holten in, die dienstbode was geweest bij de familie Breemer. Zij liet echter niets los. Een dag of zes later werd zij voor de tweede keer verhoord. Den Breejen confronteerde haar ermee dat er dagboeken zijn gevonden en dat daarin staat dat zij weet waar de familie Kleinkramer is ondergedoken. Den Breejen intimideerde haar in bijzijn van enkele Duitsers die met een revolver speelden. “Zet haar maar in een kamp”, zei hij, en ook: ‘Schiet haar maar kapot.”
        Daarop is mejuffrouw Van Holten bezweken en gaf zij uit angst het onderduikadres van de familie Kleinkramer, bij de oude vrouw. Van Holten moest mee. De Kleinkramers waren er niet, maar “de vrouw gaf aanwijzingen”.
        ‘De vrouw’, mevrouw Bezemer vertelde dat zij op een avond bezoek kreeg van Evers en Den Breejen en drie Duitsers. Ze vonden niets, de weduwe “had een seintje” gehad. Zij ontkende dat zij joden verborg. “De bruten hadden alles overhoop gehaald” en wasteilen vol levensmiddelen uit haar huis gesleept. Evers is toen op het bureau Jo van Holten gaan halen. Die zei huilend tegen mevrouw Bezemer: “Als u niet zegt waar ze zijn, ga ik er aan.” Toen zei mevrouw Bezemer dat de familie Kleinkramer zich inderdaad bij haar had verstopt, maar dat de joden vertrokken waren. Waarheen wist zij niet.
        Ongeveer drie weken later kwamen Evers en Van Breejen terug en namen ze ledikanten in beslag.
        De familie Kleinkramer is alsnog gevonden, volgens de politiedagrapporten op zaterdag 19 juni 1943. Er staat niet op welk adres dit gezin zich toen bevond. Om 04 uur werden opgesloten: Ruben Salomon Kleinkramer (’s-Gravendeel, 3 april 1893), zijn echtgenote Eva Kleinkramer-Breemer (Dordrecht, 8 november 1894) en hun zonen Hendrik (Dordrecht, 27 mei 1925) en Simon (Dordrecht, 30 augustus 1928). Dit gezin is collectief vermoord in Sobibor, eveneens op 9 juli 1943.
        Bastiaantje Bezemer is op 6 november 1948 verhuisd naar de Singel 329 (nu: 491). Haar overlijdensdatum is niet gevonden.

***

hoek van de Breitnerstraat 1 en de Brouwersdijk

Dit pand op de hoek van de Breitnerstraat 1 en de Brouwersdijk was in de oorlog van familie Van Broekhoven. Twee joden hadden zich er verstopt: Jacob Santilhano en Marianna Polak. Bij een inval wist mevrouw Polak te ontsnappen, Santilhano werd ontdekt in de kelder. Een dochter van Cornelis en Maria van Broekhoven, Esther, verborg op haar woonark in de Merwedehaven Wim Polak en diens vriendin Bea Biet.
Foto Redactie Website

Nog drie getuigen die in de rechtbank werden gehoord op de dertiende juni 1949, waren de kantoorbediende en latere bloemist Cornelis Marinus Johannes (‘Kees’) van Broekhoven (Nieuweramstel, 7 september 1889), zijn tweede echtgenote Maria Catharina Johanna Beijlevelt (Amsterdam, 1 november 1892) en zijn dochter Esther (‘Estie’) de Wijk-van Broekhoven (Amsterdam, 31 maart 1917). Cornelis en Maria woonden op de hoek van de Breitnerstraat 1 met de , Esther op de woonark ’t Rietnest, die in de Merwedehaven lag.
        Over dit gezin is jaren terug al een zelfstandig verhaal geschreven, nummer 35, reden waarom hier nog slechts kort wordt ingegaan op wat zij tijdens het proces verklaarden.
        Bij Cornelis en Maria van Broekhoven zaten twee joden ondergedoken, de importeur Jacob Santilhano (Amsterdam, 11 augustus 1918) en Marianna (Nanny) Polak (27 april 1910). Esther had twee “logés uit Amsterdam” op bezoek: Wim Polak (Amsterdam, 1918), een broer van Marianna, en zijn vriendin Bea Biet (Batavia, 1917). De drie kenden elkaar van de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC).
        Toen de jodenjagers Den Breejen en Evers na een tip met de Feldgendarmerie plotseling met enkele Dordtse agenten binnenvielen bij de familie Van Broekhoven, was Cornelis bij zijn broer in Rotterdam, en zijn vrouw bij haar stiefdochter Esther. Nanny Polak, overvallen door hun komst, wist te vluchten via een dakraam, terwijl er op haar werd geschoten. Jacob lukte dat niet. Hij werd doodsbang aangetroffen in de kelder. Hij sloeg door en vertelde waar mevrouw Van Broekhoven was.
        Toen agenten haar opzochten bij haar stiefdochter, had Esther Wim en Bea al verstopt in een sloepje achter de ark. Ze werden niet gevonden. Esther en Maria werden gearresteerd. Toen Cornelis, in Rotterdam opgepakt, naar het Dordtse bureau werd overgebracht, zag hij daar zijn vrouw en dochter. Maar iedereen volhardde in stilzwijgen, hoezeer Evers en Den Breejen ook probeerden de drie te breken.
        Cornelis werd wegens “verbergen joden” op 7 juli 1943 naar kamp Vught getransporteerd, en vertelde tijdens het proces dat hij er negen maanden heeft moeten doorbrengen. Zijn dochter Esther, beschuldigd van “huisvesting joden”, belandde op dezelfde dag ook in kamp Vught, en verbleef er tot april 1944, eveneens zo’n negen maanden. Maria Beijlevelt is niet opgesloten geweest, de verslagen vermelden geen straf, en er is ook geen arrestantenkaart van haar.
        Jacob Santilhano is vermoord in Sobibor, op de 9 juli 1943, 24 jaar oud. Nanny, Wim en Biet hebben de Holocaust overleefd, zie verder verhaal 35 op deze website.
        Esther de Wijk-van Broekhoven, getrouwd met Jan de Wijk, is na de oorlog Dordts raadslid geweest voor de PvdA, vanaf 1946 tot 1949. Haar vader Cornelis verhuisde op 15 december 1970 naar de M.H. Trompweg 235. Overlijdensdata zijn niet bekend.

arrestantenkaarten van vader Cornelis en dochter Esther van Broekhoven

De arrestantenkaarten van vader Cornelis en dochter Esther van Broekhoven. Beiden zijn na een ruime maand van hun cel in Rotterdam op 7 juli 1943 overgeplaatst naar kamp Vught.
Foto’s Gemeentearchief Rotterdam

Onderduikhulp en jodenbegunstiging, de Dordtenaren die erover zwegen (2) >

Onderduikhulp en jodenbegunstiging, de Dordtenaren die erover zwegen (3) >

Onderduikhulp en jodenbegunstiging, de Dordtenaren die erover zwegen (4) >

 


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'