Het voorbije joodse dordrecht

Onderduikhulp en jodenbegunstiging,
de Dordtenaren die erover zwegen (2)

De familie Vreeken is in Dordrecht overbekend, al was het maar van het familiebedrijf Vreeken’s Zaden dat is opgericht in 1926, en dat al vanaf 1927 een tuinwinkel heeft op de Voorstraat.
        Bij het 90-jarig bestaan van Vreeken’s Zaden verscheen in 2016 een jubileumboek, geschreven door Marjolijn de Winter, Krim Koops en huidig eigenaar Ton Vreeken. Toenmalig burgemeester Arno Brok kreeg op 17 november het eerste exemplaar. Het boek heeft “op een speelse en eerlijke manier” de bedrijfsgeschiedenis weer, met foto’s en interviews.
        Tijdens de oorlog, blijkt uit het boek, deden verschillende broers Vreeken verzetswerk, voornamelijk Kees, Daan en Luuc, de jongste. Ze hielpen joden, verspreidden illegale kranten. In dit deel 2 van de serie wordt ontvouwd waar de familie Vreeken zich zoal mee bezighield, en worden ook nog twee andere voorbeelden van jodenhulp in Dordrecht gegeven.

tien kinderen van de familie Vreeken, gefotografeerd in 1933

De tien kinderen van de familie Vreeken, gefotografeerd in 1933. Uiterst rechts zit Willem Vreeken. Derde van rechts is Anthonie (‘Ton’), die sneuvelde in 1940.
Foto RAD (nr. 309_22671)

Hoofdstuk 2: familie Vreeken deed meer dan zaden verkopen

Eerst dit ter toelichting: Vreeken’s Zaden begon met Cornelis Nicolaas (‘Kees’) Vreeken (Haarlemmermeer, 21 november 1879), die voordien werkzaam was bij de Zwijndrechtse firma Van Namen Zaden. Kees Vreeken trouwde op 24 juli 1907 in Zwijndrecht met Jacoba van Namen (Zwijndrecht, 8 oktober 1880). Het echtpaar vestigde zich op 20 september 1923 in Dordrecht, eerst nog aan de Visstraat 4 boven, vanaf 7 november 1927 op de Voorstraat, op nummer 394 (nu: 446-448).
        Tien kinderen kreeg het echtpaar, acht van hen al in Zwijndrecht. Het zijn: Dina Johanna (14.4.1908), Anthonie (‘Ton’, 15.1.1910), Willem (22.7.1912), Huibert (23.2.1914), Jacobus (1.9.1915), Cornelis Nicolaas (‘Kees’, 7.3.1917), Daniël Jan (‘Daan’, 14.10.1918), Elisabeth Jacoba (‘Bep’, 14.6.1920), Jacoba Johanna (‘Co’, Dordrecht, 28.3.1925) en Antonie Lucas (‘Luuc’, 19.7.1927). Jurist Anthonie, de oudste zoon, is in de meidagen van 1940 gesneuveld bij de Grebbelinie, als reserve-luitenant. Dit verlies had grote impact op het gezin.
        Tijdens de oorlog zaten in het bedrijfspand aan de Voorstraat allerlei mensen er ondergedoken: verzetsmannen, maar ook “jonge mannen, familie en vrienden”. Er was een ruimte waar je kon komen door een luik in het plafond, vertelt het jubileumboek, maar ook via het dak − door pannen weg te halen.
        Kees Vreeken, zoon van Willem en wonend in Wageningen, vult desgevraagd in een e-mail aan dat in een kamer elders in het bedrijfspand twee joodse meisjes ondergedoken hebben gezeten. “Ze werden vooral verzorgd en bezig gehouden door de dochters Bep en Co. Op een keer gingen ze in alle voorzichtigheid op bezoek bij hun moeder, die elders in de stad ondergedoken zat. De meisjes zijn toen gearresteerd, heb ik vernomen van mijn oudste zus Dicky.”
        Luuc Vreeken hield zich “bezig met het drukken en verspreiden van de illegale krant Trouw vanaf het Grotekerksplein”, meldt het boek. Kees Vreeken legt uit hoe Luuc betrokken raakte bij deze verzetskrant: “Een van de oprichters van Trouw was een neef van Luuc, Wim Speelman, een juridisch student. Speelman was de landelijk coördinator van de verzetskrant. Hij reisde − vaak incognito − door het hele land. Hij is uiteindelijk gefusilleerd, nadat hij gevangen was genomen, ontsnapt en opnieuw gearresteerd.”
        Daarnaast boden Kees, Daan en ook Luuc, overigens samen met leden van de Dordtse familie Dicke, “tijdelijk onderdak aan onderduikers, verstopten ze wapens en plaatsten ze joodse kinderen bij gezinnen”.

Levensbericht
Maar wie waren die kinderen, en wie waren de hulpvaardige pleeggezinnen?
        Eigenaar Ton Vreeken (1958) kan het anno 2020 niet vertellen. “Ik ben bang dat de namen van die gezinnen niet zijn blijven hangen”, laat hij weten. Hij adviseert de echtgenote van Luuc, Magda Vreeken-Timmermans, te raadplegen. Zij is 92, bijna blind en nog de enige overlevende van de vorige generatie Vreeken.
        Maar een zoon van Magda, mr. Ieke Vreeken, advocaat te Zutphen, moet ons, de redactie van deze Stolpersteine-site, desgevraagd teleurstellen − althans in eerste instantie. “Mijn moeder kan zich de namen van de joodse onderduikkinderen niet meer herinneren. Zij had de verhalen erover uiteraard wel gehoord, maar weet het fijne er niet van. En mijn vader Lucas is in 2009 overleden, dus ik kan het hem niet meer navragen. Hij heeft er destijds wel wat over verteld, maar niet in detail.”
        Ieke Vreeken weet echter dat zijn vader “een levensbericht en familiedocumentatie” heeft achtergelaten, mogelijk vindt hij daarin nog wat informatie, oppert hij.
        Inderdaad, enkele dagen later stuurt hij een veelzeggend verslag van een onderzoek dat Lucas Vreeken kennelijk zelf al eens had gedaan.
        Daaruit blijkt dit: in het zogeheten Pension Van Asperen aan de Singel 144 in Dordrecht (zie ook verhaal 198), zat het joodse gezin Bloemkoper ondergedoken. Het bestond uit vader Barend (Den Haag, 2 juli 1908), moeder Henriëtte Johanna van den Bergh (Dordrecht, 12 december 1909) en de kinderen Marius Jo (Den Haag, 7 september 1938) en Margaretha Meta (‘Greetje’, Den Haag, 30 november 1939).
        Doordat er gevaar dreigde, zo schrijft Lucas Vreeken, werden de kinderen tijdelijk ondergebracht bij de familie Vreeken, aan de Voorstraat 394. “Na enige maanden” zijn de kinderen weer teruggegaan; volgens Van Asperen “was het gevaar geweken”.
        Kort daarna vond na verraad op 3 januari 1944 op de Singel een inval plaats, zowel Van Asperen als het gezin Bloemkoper werd op transport gesteld. Van Asperen kwam via kamp Vught terecht in kamp Oranienburg boven Berlijn. Vreeken achterhaalde dat Van Asperen in februari 1945 naar Buchenwald werd gestuurd, nadat Oranienburg bij de naderende komst van de Russen werd ontruimd. Hij werd maanden later bevrijd door de Amerikanen, maar was zo ziek dat hij moest worden opgenomen in een ziekenhuis, waar hij op 6 juni 1945 overleed.
        De familie Bloemkoper was toen al vernietigd in Auschwitz: moeder Henriëtte en de kinderen tegelijk op 8 april 1944, vader Barend op 30 april 1944.

Patersweg, op nummer 17 nu 5

Willem Vreeken woonde in de oorlog met zijn gezin in het hoekpand aan de Patersweg, op nummer 17 (nu 5).
Foto Redactie Website

Sperrtijd
Dankzij Lucas Vreeken zijn in ieder geval twee onderduikers geïdentificeerd, de kinderen Bloemkoper. Maar wie waren de anderen? Vermoedelijk blijft dit voor altijd onhelder.
        De andere geraadpleegde Vreeken, Kees Vreeken uit Wageningen, bevestigt dat de verschillende leden van de familie Vreeken joden hebben bijgestaan. Zijn vader bijvoorbeeld, de Willem van 1912.
        “Mijn vader”, zegt hij, “heeft achter op zijn fiets, ’s avonds na sperrtijd, joodse kinderen naar opvangadressen gebracht.” [Terzijde: Willems broer, de Cornelis Nicolaas van 1917, is zo eens “in sperrtijd buiten” aangetroffen, staat op zijn vrijgegeven arrestantenkaart uit het Rotterdamse Gemeentearchief. Hij werd gearresteerd, op 7 mei 1943 naar Rotterdam overgebracht en daar ingesloten, om op 12 mei te worden doorvervoerd naar kamp Vught.]
        Het gezin van Willem Vreeken en Greta Meeldijk (Dordrecht, 3 november 1912) woonde in de oorlogsjaren aan de rand van de wijk Krispijn, in een hoekpand aan de Patersweg 17 zwart (nu: 5). “Wij keken uit op boerenland. We waren klein behuisd.” De vijf kinderen en de ouders sliepen in slechts twee slaapkamers.
        Korte tijd heeft het gezin ook nog een joods jongetje in huis gehad. Kees: “Mijn ouders hadden aangegeven liever een joodse baby te willen, maar dat is er niet van gekomen, ook omdat wij een nogal babbelzieke buurvrouw hadden.”
        Nee, helaas, Kees Vreeken kan evenmin namen noemen van de betrokken joodse kinderen, noch van de pleeggezinnen. “Even met de natte vinger: aannemelijk is dat mijn vader alleen het adres kreeg en wellicht een codewoord moest onthouden. Ik veronderstel dat hij de adressen bewust uit zijn geheugen heeft gewist, uit veiligheid.”
        Geboren als hij is in 1942 weet Kees Vreeken “niets van de oorlog”, dan behalve uit verhalen. “En zoals zo vaak gebeurde, heb ik mijn vader ook nauwelijks ‘ondervraagd’ over zijn activiteiten.” Hij hoopte dat zijn twee oudste zussen meer zouden kunnen vertellen, maar dat was niet het geval.
        Het gezin van Willem Vreeken betrok per elf oktober 1946 een andere woning, vlakbij, aan de Krispijnseweg 199 (nu: 249). Daar werden nog eens zes kinderen geboren. Het huis was aanzienlijk groter, het telde zeven slaapkamers. Willem Vreeken overleed in Dordrecht op 5 februari 1996, 83 jaar oud, zijn vrouw Greta op 14 november 1999, 87 jaar oud.

Hoofdstuk 3: dominee W.W. Meijnen verborg voorwerpen uit de synagoge

Tulpstraat nummer 19

Dominee Meijnen, gefotografeerd in 1933 toen hij aan de Krispijnseweg woonde.
Foto RADS (nr. 309_20643)

Een notitie in het Oorlogsdagboek van de Dordtse advocaat en oud-minister mr. Jaap Burger, in 1995 bezorgd door Chris van Esterik en verschenen bij uitgeverij Bert Bakker, op pagina 213 en 214: “Van de week waren weer een aantal personen de dupe van een niet slimme zet van S. Duits die ‘ondergedoken’ is, hij had in zijn kantoor een papier achtergelaten met aanwijzingen van de Joodse religieuze voorwerpen uit de Synagoge. De rabbi, Ds. Reynen, Meyer en nog enkelen zijn er voor gearresteerd.”
        Burger schreef dit op zondag 8 november 1942 en inderdaad is in de week ervoor, op woensdag 4 november, een groep Dordtenaren op verzoek van de Sicherheitspolizei Rotterdam opgepakt en opgesloten in het Hoofdbureau van Politie in Dordt. Dankzij gedigitaliseerde politiedagrapporten uit de oorlogstijd kunnen de arrestanten precies worden aangeduid. ‘Ds. Reynen” blijkt de gereformeerde dominee Wessel Willem Meijnen te zijn, een tikfout, de anderen waren: de katholieke ondernemer Petrus Nicolaas Johannes Vermaat en de joden Salomon Barend van Meusen, Emanuel Hartog (geen rabbi overigens), Leon Cohen, Meijer de Liver, Izaak Herman Meijer, David Mozes du Fijn (is Van Thijn) en Isidor Leviticus.
        De volgende dag is deze groep op transport gesteld. De joden zijn in de navolgende maanden allen om het leven gebracht.
        Dominee Meijnen (Groningen, 1 april 1873) is volgens zijn arrestantenkaart zes dagen na zijn insluiting ontslagen op elf november 1942. De kaart, in mei 2020 vrijgegeven door het Rotterdamse archief, vermeldt geen reden voor de aanhouding. Het dagboek van Burger suggereert dat hij in ieder geval betrokken was bij het verstoppen van religieuze bezittingen van de Dordts-joodse gemeenschap. Maar heeft hij joden ook anderszins bijgestaan?
        Drs. Geert C. Hovingh heeft een overzicht samengesteld van ‘Predikanten die joden hielpen’ (zie: hdc.vu.nl/nl/Images/Predikanten_die_joden_hielpen_IV_tcm215-460512.pdf). Meijnen, die in Dordrecht predikant was van 8.10.1905 tot 1.1.1950, komt erin voor. Hij citeert in dat lemma Jannegje Kijkuit (een Dordtse verzetsvrouw, die op 30 november 1997 door Yad Vashem is geëerd voor haar hulp aan joden, ze werd daartoe erkend als Rechtvaardige onder de Volkeren).

arrestantenkaart van dominee Meijnen

De arrestantenkaart van dominee Meijnen. Hij heeft in november 1942 een week gevangen gezeten in Rotterdam.
Foto Gemeentearchief Rotterdam

Screening
In het grote verzamelwerk Rechtvaardigen onder de volkeren – Nederlanders met een Yad Vashem-onderscheiding voor hulp aan Joden (uitgeverij L.J. Veen/Niod, 2005) vond Hovingh dit citaat: “De dominee bracht ons allemaal persoonlijk een bezoek om te vragen wat we tegen de Jodenvervolging gingen doen. Vanaf dat moment heb ik gebeden dat ik mee kon doen aan het verzet tegen die vervolging.”
        Hier staat niet expliciet dat Meijnen die dominee was, beaamt Hovingh desgevraagd. Maar, voegt hij toe: “Na screening van alle toen actieve hervormde en gereformeerde predikanten in Dordrecht lijkt hij de meest waarschijnlijke, temeer daar hij als enige een verzetsverleden had en onder meer gevangen heeft gezeten.”
        Meijnen inspireerde dus Jannegje Kijkuit, die volgens Yad Vashem voor het verzet begon te werken toen de man van haar zuster, Cornelis van der Matten, gedwongen werd Dordrecht te verlaten om redenen van veiligheid. “Zij bracht voedselbonnen, geld en de illegale krant Trouw langs bij joodse onderduikers en hun pleegfamilies.”
        Zelf heeft Meijnen zich over zijn verrichtingen in de oorlogstijd niet uitgelaten, althans niet in opebare documenten. Alleen De Dordtenaar wist op 25 februari 1948 een aanvullend feit te geven, in een verslag over de zesde dag van het proces tegen de Dordtse politieman en jodenjager Harry Evers. Namelijk dat Meijnen in 1942 is gearresteerd, onder meer “op grond van zijn preken”.
        Wessel Willem Meijnen (soms geschreven als Meynen) woonde indertijd met zijn gezin aan de Krispijnseweg, op nummer 50 (nu: 8). Zijn vrouw was Wilhelmina Cornelia de Jongh (Detroit, 8 augustus 1875), met wie hij op 5 juni 1900 in Haarlem trouwde. Zij kregen zes kinderen, van wie de eerste, mr. Jo Meijnen (Winsum, 13 april 1901) na de oorlog minister van Oorlog was (van 25 juni 1945-3 juli 1946). Dominee Meijnen overleed in Dordrecht op 2 augustus 1950, op 77-jarige leeftijd. De weduwe verhuisde op 23 oktober 1950 naar Binnen Kalkhaven 11 rood (nu: 11), vervolgens op 7 januari 1959 naar Deventer. Zij overleed daar op 23 april 1962, 86 jaar oud, maar werd de 28ste begraven op de algemene begraafplaats in Dordrecht.

Hoofdstuk 4: arrestantenkaarten vaag over jodenbegunstiging

arrestantenkaart van Karel Bosua bericht in de Delftsche Courant van 29 maart 1943

De arrestantenkaart van Karel Bosua (Bozua is een schrijffout). Hij werd zo’n 14 dagen in Rotterdam opgesloten opgesloten, omdat hij joden had begunstigd.
Foto Gemeentearchief Rotterdam

Jodenbegunstiging was allerminst zonder risico’s, zoals bijvoorbeeld blijkt uit dit bericht in de ‘Delftsche Courant’ van 29 maart 1943. Wie werd betrapt, kon naar een concentratiekamp worden overgebracht en zijn vermogen kwijtraken. In dit bericht is ook sprake van een Dordtenaar die joden heeft geholpen, de bouwondernemer Adriaan van Dingen. Dit is Adriaan van Dongen, aan wie op deze website jaren geleden al een zelfstandig artikel is gewijd, nummer 30. Dit is de reden waarom Van Dongen in deze serie niet opnieuw ter sprake komt. 


Bosboom Toussaintstraat

Op de toenmalige nummers 50 (nu: 56) en 52 (58) van de Bosboom Toussaintstraat (rechts van de lantaarnpaal) woonden respectievelijk Willem Sentener en Cornelis Luijendijk.

Karel Bosua, kuiper van beroep, had zich schuldig gemaakt aan jodenbegunstiging. Wat hij in dat opzicht in de ogen van de Duitse bezetter had misdaan, is niet bekend. Op zijn arrestantenkaart staat slechts dat hij joden heeft begunstigd.
        Volgens het Verzetsmuseum in Amsterdam kan jodenbegunstiging nogal variëren – van het regelen van onderduikadressen en het opvangen van onderduikers tot het bemachtigen, vervalsen of aanpassen van officiële papieren, zoals persoonsbewijzen en distributiekaarten. De jodenhelpers liepen grote risico’s, er stonden zware straffen op jodenbegunstiging.
        Karel Bosua, op de arrestantenkaart abusievelijk Bozua genoemd, is een geboren Dordtenaar: 28 augustus 1919. Hij is een zoon van Cornelis Bosua (Dordrecht, 15 september 1896) en Helena Pieternella Makkelie (Dordrecht, 1 november 1896). In totaal had dit echt paar zeven zonen en één dochter.
        Per 6 maart 1940 kwam de familie Bosua te wonen aan de Boogjes, op nummer 57 zwart en rood (nu: 67). Op 20 maart 1943 werd Karel ingerekend en opgesloten in Rotterdam. Op de kaart staat dat hij in bewaring is voor: Groep 10. Deze groep, ook Groep X genoemd, vormde volgens de website ‘Joods Erfgoed Rotterdam’, het “beruchtste onderdeel van de Rotterdamse politie voor het opsporen en opbrengen van joden”. De werkzaamheden van de groep strekten zich ook uit tot Dordrecht, Gouda en de Zuid-Hollandse eilanden.
        Bosua had dus joden geholpen, hoe wordt niet omschreven. Hij heeft er voor vastgezeten tot 5 april 1943, ruim twee weken.
        Daar is het niet bij gebleven. Uit Dordtse documentatie over inentingen blijkt dat Karel Bosua op 11 juni 1945 als gerepatrieerde is ingeënt, hij kwam toen uit Rostock in Noord-Duitsland. Het laat zich aanzien dat Bosua later in de oorlog als dwangarbeider te werk is gesteld.

arrestantenkaart Sentener

arrestantenkaart Luijendijk

arrestantenkaart Trijntje Sentener

Deze buurmannen maakten zich, in de ogen van de Duitsers, ook schuldig aan jodenbegunstiging, zoals de arrestantenkaarten laten zien. Sentener is van Rotterdam overgebracht naar kamp Vught, zo ook zijn buurman Luijendijk. Ook de echtgenote van Sentener, Trijntje, heeft eerder dan haar man vier dagen vastgezeten. De reden van de aanhouding is oningevuld gebleven.
Foto’s Gemeentearchief Rotterdam en Arolson Archives.

Buurmannen
De openbaar gemaakte arrestantenkaarten van het Rotterdamse Gemeentearchief bevatten er nog twee van Dordtenaren die gearresteerd zijn geweest voor jodenbegunstiging. Het blijken buurmannen te zijn.
        De ene kaart is van Wilhelmus Jacobus Sentener, geboren in Groningen op 6 juni 1900. Hij woonde in de Bosboom Toussaintstaat op nummer 50 (tegenwoordig: 56), samen met Trijntje Cornelia Ruggenberg (Vlaardingen, 10 september 1901). De echtelieden waren op 29 oktober 1924 in Dordrecht getrouwd, hij was 24, zij 23 jaar oud. Op 29 oktober 1937 vestigden zij zich in de Toussaintstraat, komend uit Kromhout 88.
        Willem Sentener, analist van beroep, werd op last van de Sicherheitspolizei op 18 maart 1943 in Rotterdam ingesloten, omdat hij joden op enigerlei wijze had geholpen. Bijna drie weken later werd hij op 7 april overgebracht naar kamp Vught. Hoe lang hij daar heeft verbleven, is niet genoteerd.
        Zijn vrouw was ook al eens opgesloten, van 4 tot 8 maart 1943. Op haar arrestantenkaart staat geen reden voor de aanhouding, maar uit politiedagrapporten valt op te maken dat om haar “aanhouding en voorbrenging” was verzocht dor de Devisenschutzkommando Niederland, Aussenstelle Rotterdam, Parklaan 40. Trijntje is overleden in Dordrecht op 6 november 1954, 53 jaar oud; haar man op onbekende datum.
        Naast het echtpaar Sentener woonde in de Bosboom Toussaintstraat op nummer 52 (58) Willem Cornelis Luijendijk, geboren in Den Bommel op Goeree-Overflakkee, op 8 maart 1877. Hij was getrouwd met Marie Barbe Guillemine Franssen (Moresmet, België, 8 februari 1882). Samen hadden ze één dochter gekregen in Weert, op 9 december 1906: Geertrui Dina Maria Wilhelmina.
        Willem Luijendijk, gepensioneerd in de oorlog, daarvoor rijksambtenaar, is eveneens ingerekend wegens jodenbegunstiging, op 18 maart 1943, dezelfde dag dus als zijn buurman. En ook hij werd op 7 april 1943 naar kamp Vught afgevoerd, dat ook wel ‘KL Herzogenbusch’ werd genoemd. De duur van zijn verblijf daar is niet terug te vinden.
        Willem stierf op 8 september 1953, op 76-jarige leeftijd. Zijn weduwe verhuisde toen naar de nabijgelegen Brouwersdijk, naar nummer 180 rood (nu: 146). Zij overleed als 78-jarige op 3 mei 1960.

< Onderduikhulp en jodenbegunstiging, de Dordtenaren die erover zwegen (1)

Onderduikhulp en jodenbegunstiging, de Dordtenaren die erover zwegen (3) >

Onderduikhulp en jodenbegunstiging, de Dordtenaren die erover zwegen (4) >

 


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'