Het voorbije joodse dordrecht

De kinderschare van moeder Mietje uit
Dordt werd teruggebracht tot één zoon

Hoeveel dode kinderen kan een moeder aan?
         Mietje Cats, een geboren Dordtse, had voor de oorlog al haar man verloren en vier van de elf kinderen. En toen overmeesterden de Duitsers Nederland − dat uiteraard net als alle andere door hen bezette landen, Judenfrei moest worden.
         In alle verschrikkelijkheden die dát teweegbracht, gingen er nog eens zes kinderen van Mietje Cats heen. Ze werden gewillig én moedwillig gedood, op verschillende tijdstippen op verschillende locaties, en in vrijwel alle gevallen ook nog eens samen met hun echtgenoten en kinderen.
         Als Mietje Cats van dit drama had geweten, had het haar als moeder ongetwijfeld gebroken. Haar gezin was nu volledig uiteengereten. Maar het droeve lot van haar kinderen zal haar niet bereikt hebben, hooguit zal ze misschien bange vermoedens hebben gehad, voorgevoelens. Die onwetendheid komt door deze omstandigheid: Mietje zelf werd ook vermoord, in Sobibor, op 16 juli 1943.
         Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog bleek er nog één kind van moeder Mietje over te zijn, een zoon. Een kinderschare was teruggebracht tot één persoon.
         In dit verhaal: hoe een Dordtse jodin zichzelf en haar gezin verloor in de Holocaust.

De familie Cats kwam op 19 maart 1868 in Dordrecht te wonen, vader, moeder en zes kinderen, zoals de burgerlijke-standsgegevens van Dordrecht laten zien

De familie Cats kwam op 19 maart 1868 in Dordrecht te wonen, vader, moeder en zes kinderen, zoals de burgerlijke-standsgegevens van Dordrecht laten zien. Mietje werd er geboren op 18 maart 1869.
Overigens is van haar familie niet één foto gevonden.
Foto RAD


Het gezin Cats betrok eerst een woning in wijk C, op nummer 714. Dat is de Mariënbornstraat

Het gezin Cats betrok eerst een woning in wijk C, op nummer 714. Dat is de Mariënbornstraat, die in origineel aanzien niet meer bestaat. Deze foto uit de beeldbank van het Regionaal Archief Dordrecht (RAD) laat de Mariënbornstraat zien in 1961, vlak voor alle sloop, in deerlijk vervallen staat.
Foto RAD (nr. 554_31987)

Groot gezin
Eerlijk is eerlijk: Mietje Cats is niet zo lang Dordtse geweest. Ze werd er geboren in op 8 maart 1869 en bijna vier maanden later vertrokken haar ouders met al hun kinderen naar Gouda. Maar Mietje is en blijft onweerlegbaar een geboren Dordtse, en dat odium, die status blijf je altijd meedragen. Behalve dit Dordtenaarschap is er nog een reden om de levensloop van Mietje Cats te beschrijven: wat haar en de haren overkwam, is symptomatisch voor de krankzinnigheid van de jodenvervolging.
         Mietje komt uit een groot gezin. Haar vader is koopman Aron Mozes Cats (Gouda, 6.12.1821), haar moeder Klaartje Frenk (Zierikzee, 16.3.1829). Het echtpaar vestigde zich na de bruiloft in Gouda en begon daar aan een gezin dat uiteindelijk tien kinderen zou omvatten.
         Op 19 maart 1868 liet koopman Aron zich registreren bij de burgerlijke stand van Dordrecht. Deze notities zijn digitaal op te roepen. Te lezen valt dat hij en zijn vrouw toentertijd zes kinderen hadden, allen geboren in Gouda. In werkelijkheid waren het er al negen geweest. Drie kinderen overleden na korte tijd: Antje na drie jaar op 14.10.1859; Cato, na twee jaar op 2.2.1862 en een naamloos, want doodgeboren kind, op 8.3.1869.
         Het gezin Cats betrok in Dordrecht eerst een woning in wijk C, op nummer 714. Dat is de Mariënbornstraat, een straat in de binnenstad die onherkenbaar is veranderd. Later werd verhuisd naar wijk A, naar nummer 348. Dit is de Varkenmarkt, de straat waar indertijd de synagoge stond; dáár ingewijd op 12 september 1856. Toch is het niet dit laatste woonadres waar Mietje ter wereld komt. Volgens de geboorteakte beviel haar moeder van haar om 02 uur die achtste maart inc een huis aan het Steegoversloot (wijk C, nummer 1184). Misschien was ze er op bezoek, misschien woonde daar een arts of vroedvrouw.
         Krap vier maanden nadien verlieten de Catsen Dordrecht, en keerden zij terug naar Gouda. Ze hadden een jaar en drie maanden doorgebracht in de Merwestad. Opnieuw namen Aron en Klaartje zes kinderen mee, geen zeven: zoon Bernard, in Gouda geboren op 20.12.1866, was in Dordrecht gestorven, op 25.1.1869, twee jaar oud. De overgebleven kinderen spelen verder geen rol in dit verhaal, maar worden hier nog genoemd: Lion (12.11.45), Rozetta (4.7.1849), Betje (19.4.1851), Marianne (9.2.1853), Isaac (9.1.1855) en Mietje dan.
         Mietje was de laatstgeborene, en zou dat ook blijven.

Daarna verhuisden de Catsen naar wijk A, nummer 348: de Varkenmarkt met de synagoge

Daarna verhuisden de Catsen naar wijk A, nummer 348: de Varkenmarkt met de synagoge. Ook deze straat heeft grote veranderingen ondergaan, maar deze twee archieffoto’s geven er een indruk van. De ene foto is van de jaren tien van de vorige eeuw en toont een groenteboer met zijn handkar op de Varkenmarkt. Rechts staat de synagoge. De andere foto is ‘jonger’, van de jaren dertig en toont de Varkenmarkt zuidzijde.
Foto’s RAD (nrs. 552_309214 en 555_16718)

Elf kinderen
Op 24-jarige leeftijd, op 15 november 1893, trouwde Mietje Cats in Gouda met diamantslijper Nico Polk, een 26-jarige geboren Rotterdammer (16.11.1866). Op 14 december, een maand later, vertrok ze samen met hem naar Amsterdam. Mietje was hoogzwanger. De volgende dag al, op de 15de, beviel ze van haar eerste kind: Arie. In de navolgende jaren zou Mietje in totaal elf kinderen baren, één meer dan haar moeder had gedaan.
         Dat was lang niet altijd in Amsterdam. Tussendoor verkaste het uitdijende gezin naar Gouda, keerde terug naar Amsterdam, om vervolgens een tijd in Antwerpen te gaan wonen, en opnieuw terug te verhuizen naar Amsterdam. Het overzicht van de elf kinderen laat de uiteenlopende geboorteplaatsen zien.
         Na Arie volgden: 2. Jacques (Amsterdam, 12.2.1895), 3. Philip (Amsterdam, 6.12.1896), 4. Klaartje (Gouda, 15.11.1898), 5. Catharina (Amsterdam, 8.2.1900), 6. Maurits (Amsterdam, de ene helft van een tweeling, 23.2.1901), 7. Tobias (Amsterdam, 23.2.1901), 8. Beatrice (Antwerpen, 23.2.1903), 9. Maurice (Antwerpen, 25.5.1905), 10. Rosaline (Amsterdam, 11.11.1906) en 11. Isidor (Amsterdam, 15.4.1908).
         Vier van deze kinderen hadden niet lang te leven. Philip stierf na minder dan één jaar, op 12.12.1896, Maurits, eveneens binnen een jaar, op 12.3.1901; Tobias, na drie maanden, op 6.3.1901 en Rosaline na een halfjaar, op 29 mei 1907.

geboorteakte van Mietje

De geboorteakte van Mietje. Zij kwam ter wereld op het Steegoversloot, niet het adres waar de familie Cats woonde. Waarschijnlijk beviel moeder Cat hier of woonde er een arts.
Foto RAD

Boek
Andermaal een sprong voorwaarts in de geschiedenis: Nico, de echtgenoot van Mietje, komt te overlijden op 2 februari 1932, op 65-jarige leeftijd.
         De meeste van hun kinderen zijn inmiddels getrouwd en hebben meestal ook al eigen gezinnen voortgebracht, veelal in de jaren twintig en dertig. Mietje en haar man Nico hebben al deze aanwas leren kennen. Zij leefden nog toen zich schoondochters, schoonzonen en kleinkinderen meldden. Mieke heeft al deze nieuwe familieleden het langst meegemaakt, als weduwe.
         Maar dan, in 1940, kantelt alles: de oorlog breekt uit, en de Duitsers werken toe naar de totale vernietiging van de minderwaardig geachte joden.
         Wat de onderscheidene familieleden in die angstige tijd is overkomen, is niet uit te pluizen. Ze zijn stuk voor stuk vermoord, en in openbare documenten is over hun doen en laten niets terug te vinden. Op één uitzondering na, Beatrice, kind nummer 8. Over haar heeft Sytze van der Zee geschreven in zijn boek Vogelvrij, de jacht op de joodse onderduiker.
         Beatrice, dit ter inleiding, was in juni 1940 getrouwd met Willem Johannes Petrus Scheffelaar, een in Paramaribo geboren jood, die eerder getrouwd was geweest, in 1932, met Elisabeth Antonia Alberdina Struijs in Amsterdam. Beatrice had al sinds 1926 een zoon, Mattheus Nico Polk geheten, geboren op 23 december in Utrecht. Scheffelaar erkende Mattheus bij zijn huwelijk met Beatrice als de zijne. Het nieuwe gezin woonde in Amsterdam, voordat het onderdook, aan het Gerard Douplein op nummer 3 I. Moeder Mietje woonde hier trouwens in bij haar dochter.

In november 1893 trouwde Mietje met de Rotterdammer Nico Polk

Enkele maanden na de geboorte van Mietje vertrok zij met haar ouders, broers en zussen naar Gouda, hun oorspronkelijke geboortestad. In november 1893 trouwde Mietje met de Rotterdammer Nico Polk. Met hem zou ze uiteindelijk, in verschillende gemeenten, in totaal elf kinderen krijgen. Dit zijn drie van de geboorteberichten in de kranten, van Philip (NIW, 11.12.1896), Catharina (NIW, 16.2.1900) en van de tweeling Maurits en Tobias (AH, 25.2.1901).
Foto’s Delpher


de kinderen van Nico en Mietje herdenken hun grootmoeder in een advertentie

Op 22 augustus 1918 overlijdt Kaatje Polk-van Rooijen, de moeder van Nico, en schoonmoeder van Mietje. Ook de kinderen van Nico en Mietje herdenken hun grootmoeder in een advertentie (NIW, 30.8.1918).

Aanwijzen
In een hoofdstuk over de jodenjager Adrianus Biesheuvel (Hardinxveld, 2.5.1909) vertelt Van der Zee hoe deze samen met zijn medejager De Groot eind 1943 in Hilversum op de Multatulilaan 32 het ondergedoken gezin Scheffelaar aantrof: vader, moeder en zoon.
         Biesheuvel en De Groot zijn dit gezin op het spoor gekomen door de arrestatie van orgelreparateur Matthijs Jacob Keveling. Deze sluit een deal met de jodenjagers. “In ruil voor hun toezegging dat ze hem aan een Ausweis voor vrijstelling van de Arbeitseinsatz zullen helpen”, verraadt hij dat op zijn schuiladres in Hilversum, een joodse man woont, Wim Scheffelaar, wiens vrouw en zoon zich elders verbergen.
         “Om in hun onderhoud te voorzien, werkt Scheffelaar bij de boekhandel Harkema op de Havenstraat. De volgende dag, op dinsdag, reizen de rechercheurs met Keveling af naar Hilversum. Op dinsdagmiddag zijn de winkels er altijd dicht en dan verblijft Schefelaar bij zijn vrouw en zoon. Keveling weet niet meer de naam van de straat en het huisnummer, maar kan wel het huis aanwijzen”, aldus Van der Zee. Scheffelaar, die bevriend was geraakt met Keveling, heeft hem namelijk een keer meegenomen.
         Scheffelaar ontkent tegenover Biesheuvel en De Groot joods te zijn en toont zijn persoonsbewijs, waarin inderdaad geen ‘J’ staat. Ze laten hem vrij, “maar dragen zijn vrouw over aan de SD. Keveling kreeg overigens nooit zijn Ausweis, maar hoefde ook niet naar Duitsland”.
         Hoe de oorlog voor Scheffelaar is verlopen, is niet te traceren. Maar Beatrice is op 6 maart 1944 omgebracht in Auschwitz, haar zoon Mattheus werd er later dat jaar vergast, op 29 augustus. Dit zijn al twee doden.

Amsterdamse gezinskaart van Mietje en Nico Polk

De Amsterdamse gezinskaart van Mietje en Nico Polk laat zien dat de Catsen op z’n minst vanaf 1893 in Amsterdam woonden, hun eerste zoon Arie werd er geboren, maar dat ze ook een tijd in Antwerpen hebben gewoond, begin vorige eeuw. Twee hunner kinderen zijn er geboren, in 1903 en 1905.
Foto Stadsarchief Amsterdam

Foto’s
Op de herdenkingssite Joods Monument heeft ene Hans Behrens foto’s laten plaatsen van zowel Beatrice als haar zoon. Nadat hij was benaderd, vertelde Behrens dat het in het huis van zijn ouders was, op de Multatulilaan 32, dat Beatrice en Mattheus zich hadden verstopt. Behrens: “Ze zijn in mei 1943 bij mijn ouders gekomen en zaten ondergedoken onder een trap op de bovenverdieping. Het huis werd bewoond door twee families. Beneden woonde de familie Vlaarden, mijn ouders boven.”
         Behrens, die wijst op het boek van Van der Zee, zegt dat zijn ouders na Beatrice en Mattheus “nog andere onderduikers hebben gehad”. “Die zijn niet verraden.” Zijn ouders hebben nooit gesproken over die onderduiktijd; inmiddels zijn ze overleden. Hans Behrens kreeg toen de fotoalbums. Daarin vond hij de foto’s van Beatrice en haar zoon, die hij vervolgens afstond aan Joods Monument.

Beatrice en Willem Scheffelaar

In de oorlog worden Mietje en haar kinderen vermoord, op één na: Jacques. Waar iedereen zich heeft verstopt en wat er is gebeurd in de oorlog voorafgaande aan hun deportatie, is niet na te gaan. Alleen van Beatrice Polk en haar man Willem Scheffelaar is via een boek bekend geworden wat hen en hun zoon Mattheus is overkomen in Hilversum. Deze foto’s tonen Beatrice en Willem. De foto’s zijn afgestaan door Hans Behrens. In het huis van zíjn ouders zat het gezin Polk ondergedoken. Beatrice en haar zoon zijn vergast in Auschwitz, het lot van Scheffelaar is niet getraceerd.
Foto Collectie-Behrens


overlevenden waren de drie kinderen en vrouw van Isidor Polk, Elisabeth Maria Harinck

Andere overlevenden waren de drie kinderen en vrouw van Isidor Polk, Elisabeth Maria Harinck. Zij hertrouwde en overleed in 2000.
Foto’s Websites ‘Het Stenen Graf’ en ‘Online Begraafplaatsen’

Overzicht
Beatrice is de enige Polk over wie informatie uit de oorlogsjaren is te vinden. Van haar broers en zussen en van haar moeder zijn alleen hun kille doodsdata bekend, en de oorden waar zij achteloos werden vermoord. Deze staan op Joods Monument. Dit zijn die gegevens van de in de oorlog nog levende Polken:
         Mietje eindigde in Sobibor, op 16 juli 1943. Eén dode.
         Catharina is spoorloos. Van haar zijn na haar geboorte in 1900 in openbare documenten geen levenstekens meer gevonden.
         Arie, de eerstgeborene, was getrouwd met Henriëtte Roe (Parijs, 4.8.1898). Zijn leven eindigde in Auschwitz (24.9.1943), dan van zijn echtgenote in Sobibor (11.6.1943), en dat van hun drie kinderen eveneens in deze vernietigingskampen: Mina (Parijs, 4.7.1923 – Auschwitz, 24.9.1943), Fleur (Amsterdam, 12.8.1927 – Sobibor, 11.6.1943) en Clairette (Amsterdam, 19.1.1932 – Sobibor, 11.6.1943). Vijf doden.
         Klaartje, kind nummer 4: echtgenote van Salomon Hijmans (Amsterdam, 12.11.1901). Zij, hij en hun twee kinderen werden omgebracht in Sobibor, tegelijk op 9 juli 1943: Gabriël Salomon (Amsterdam, 21.6.1924) en Betsy (Amsterdam, 8.11.1925). Vier doden.
         Maurice, kind nummer 9: echtgenoot van Sara Swaap (Amsterdam, 3.9.1911). Hij, zij en hun dochter Mariëtte (Antwerpen, 23.9.1931) zijn op dezelfde dag vermoord in Sobibor, op 2 juli 1943. Drie doden.
         En dan is er nog Isidor, de laatstgeborene. Hij wordt merkwaardigerwijs niet vermeld op Joods Monument. De Oorlogsgravenstichting noemt hem op haar website wel als een oorlogsslachtoffer.
         Isidor overleed op 6 februari 1945 in Zwolle, en is daar ook begraven. Hij was getrouwd, sinds 15 februari 1934, met Elizabeth Maria Harinck (Amsterdam, 6.1.1903), die de oorlog heeft overleefd, evenals haar drie kinderen: Willy, Isidoor en Nico Polk. Elisabeth, die hertrouwde, is gestorven op 1 maart 2000, als weduwe van Paul Kulai. Eén dode, vier overlevenden.
         Inclusief Beatrice en Mattheus vielen er in deze familie Polk twaalf doden te betreuren.

zeldzame foto, gebruikt voor een marktvergunning, van Maurice Polk

Een zeldzame foto, gebruikt voor een marktvergunning, van Maurice Polk, óók een kind van Mietje dat eindigde in een vernietigingskamp.
Foto Website ‘Joods Monument’


>Jacques Polk, de enige overlevende van de omvangrijke familie Polk, leefde tot 1958

Jacques Polk, de enige overlevende van de omvangrijke familie Polk, leefde tot 1958. Hij stierf in dat jaar op 11 augustus. In het Algemeen Handelsblad van 12.8.1952 wordt hij door bestuur en leden van de biljartclub ‘Rembrandt’ herdacht.
Foto Delpher

Eén overlevende
Van het oorspronkelijke gezin van Mietje en Nico bleek, nadat de Holocaust was uitgewoed, nog slechts één kind in leven: Jacques, kind nummer twee, die op 22 augustus 1934 in Amsterdam was getrouwd met Anna Catharina Adriana Hilbrant (Den Bosch, 25.12.1901); een huwelijk dat kinderloos bleef.
         Waar en hoe hij samen met haar de oorlog heeft weten te doorstaan, is niet achterhaald. Drie naoorlogse feiten doemen er slechts op over hen.
         Jacques overleed na langdurige ziekte in Amsterdam, op 11 augustus 1952, op 57-jarige leeftijd. In het Algemeen Handelsbad van 12 augustus herdenkt de Amsterdamse firma A. Roselaar hem, als “onze zeer gewaardeerde personeelschef”. Ook bestuur en leden van de biljartclub ‘Rembrandt’ hebben een advertentie geplaatst, waarin het heet dat Polk als vice-voorzitter “gedurende tal van jaren op voortreffelijke wijze” de belangen van de vereniging heeft gediend.
         Na zijn overlijden hertrouwt Anna met Jacob Ossedrijver (Amsterdam, 28.5.1886), die evenwel na enkele jaren sterft, op 2 februari 1959. Weduwe Anna zelf komt te overlijden in 1973, op 19 november, op 71-jarige leeftijd.
         En zo belandde dat gezin dat in de eervorige eeuw Dordrecht aandeed, onder de puinhopen van de geschiedenis.


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'