Het voorbije joodse dordrecht

Jodenjager kukelt door luik voor
onderduikster en bezeert z’n knie

Rozenhof

In de oorlog heette de straat de Levensverzekeringstraat, daarna de Rozenhof. Het was in het pand op nummer 8 (links van de fietsen) dat jodenjager Wolsink in een geopend luik viel.
Foto Redactie Website

Ach gut, wat erg, de jodenjager had zijn knie bezeerd.
        Op dinsdag 6 juni 1944 nam het leven van Rosetta Sophia Kan, een joodse onderduikster, een wending die fataal had kunnen zijn. Die dag arresteerde de Dordtse politie haar, op last van de Feldgendarmerie, in een pand aan de Levensverzekeringstraat. Dat gebeurde op nummer acht, in het woonhuis van twee niet-joodse zussen, de scheikundige Paulina en de kinderarts Nellie Haverkamp Begemann. Zij waren de onderduikgevers. Eén van hen, Paulina, werd voor deze jodenhulp tegelijk met Rosetta opgesloten in het hoofdbureau van politie aan de Groenmarkt. Later stelde een wachtmeester ze op transport naar Rotterdam.
        Voor Rosetta brak nu een angstige tijd aan: waar zou zij als jodin terechtkomen?
        Drie dagen later, op vrijdag 9 juni, stelde opper-wachtmeester Herman G.F. Wolsink “een na-onderzoek” in in de desbetreffende woning. Hij deed dat, zo blijkt uit de (gedigitaliseerde) politierapporten van de oorlogsjaren, in opdracht van de Sicherheits-polizei und S.D. te Rotterdam, samen met “den onder-luitenant van politie A. den Breejen, den opper-wachtmeester J. Vink en den wachtmeester van politie H.M. Evers”. Voor een beter begrip: deze heren behoorden tot de fanatiekste jodenjagers van Dordrecht.
        Tijdens dat onderzoek overkwam Wolsink een ongelukje, waarover hij weken later verslag uitbracht in een aangehecht rapport, gedateerd op 11 augustus 1944.
        Wolsink viel namelijk in de woonkamer van de Levensverzekeringstraat 8 (nu: Rozenhof 8) “in een geopend luik”, precies het luik dat “diende om toegang te verleenen aan een aldaar gearresteerde Jodin, die aldaar schuilplaats had gezocht”. Wolsink doelde hiermee op Rosetta Kan.
        “Door dien val” bezeerde de anders zo meedogenloze opper-wachtmeester zich aan de linkerknie. Het deed zeer, rapporteerde hij: “Daar ik den volgende dag wegens pijn aan die knie niet in dienst kon komen, heb ik mij ziek gemeld. Ik heb mij laten onderzoeken door mijn huisarts Dr. C. Romeijn en den Specialist Dr. Stenger, beiden te Dordrecht. Na een rustperiode van ongeveer 6 weken kon ik mijn dienst hervatten, niettegenstaande de knie een afwijking vertoont en de pijn aanhoudt.”
        Tjeempie, wat erg allemaal.
        Zo op het eerste gezicht is het voorval nogal lachwekkend: agent kukelt per ongeluk in de geheime schuilplaats van een onderduikster en beklaagt zich luidruchtig over pijn aan de knie. Maar ernstiger, levensbedreigender is wat eraan vooraf ging: de ontdekking van Rosetta Kan, een joodse vrouw die zich verstopte voor de nazi’s, voor de jodenhaters. Hoe kwam zij in Dordrecht terecht? Hoe is het haar na de arrestatie vergaan? En wat is er verder gebeurd, in de aanloop naar en na de oorlog, in de familie die haar onbekrompen te hulp schoot, de Haverkamp Begemannen?
        Dit verhaal reconstrueert de levensloop van beide betrokken gezinnen.

Amsterdamse archiefkaart van het gezin Kan

De Amsterdamse archiefkaart van het gezin Kan. Rosetta, geboren in 1914, had één broer, Frits Menno (1918). De zoon van deze Frits, Louis Menno, heeft aan dit verhaal met foto’s van documenten en informatie bijgedragen.
Foto Stadsarchief Amsterdam


Moeder Loura Dientje Kan-van Dam overleed op 21 juli 1929 Vader Lefman stierf op 26 maart 1930

Moeder Loura Dientje Kan-van Dam
overleed vrij jong, 42 jaar oud,
op 21 juli 1929.
Vader Lefman (‘Louis’)
stierf een jaar later,
ook nog pas 49 jaar oud,
op 26 maart 1930.
Foto’s Delpher

Kroost
Onheil trof Rosetta Kan al op jonge leeftijd.
        Zij is geboren op 16 november 1914, in Amsterdam, als eerste kind van Lefman Kan (Oldenzaal, 3.11.1880) en Loura Dientje van Dam (Enschede, 21.2.1886). Lefman, gemeenlijk Louis genoemd, was handelsreiziger en was een jaar voor Rosetta’s komst met Loura in het huwelijk getreden, in Enschede, op 26 november 1913. Hij was 33, zij 26. Vier jaar later kwam er een tweede kind, Frits Menno, ook in Amsterdam, op 25 mei 1918.
        De ouders hebben hun kroost niet de volwassenheid zien bereiken. Moeder Loura stierf plotseling op 21 juli 1929, pas 42 jaar oud, in Amsterdam. Haar echtgenoot overleed een jaar later, al even abrupt, eveneens in Amsterdam, op 26 maart 1930, ook betrekkelijk jong, op 49-jarige leeftijd. Ineens waren Rosetta, die als roepnaam ‘Etty’ of ‘Ettie’ had, en Frits wezen. Zij was pas vijftien, hij elf.
        Zij konden zichzelf onmogelijk redden. Dat zagen familieleden ook wel in, reden waarom de beide kinderen werden opgevangen door verwanten van Loura’s zijde: Max van Dam en Margaretha (‘Meta’) van Dam-van Leeuwen in Enschede. “Zíj waren de pleegouders, maar ook voogd”, vertelt Louis Menno Kan, een opgespoorde zoon van Frits Menno Kan, en kleinzoon van Louis Kan. “Rosetta en mijn vader Frits kwamen te wonen in het huis van de huishoudster van de familie Van Dam, juffrouw Dientje.” Hun nieuwe adres werd per 16 juli 1930: Groningerstraat 31 te Enschede.
        Louis Menno Kan (Hengelo, 4.2.1970, van beroep mechatronisch ingenieur en als zodanig zelfstandig werkzaam in de bouw, vertelt dat zijn grootvader overigens zelfmoord heeft gepleegd. Het verdriet over de vroege dood van zijn vrouw verteerde hem klaarblijkelijk.
        Hoe ontwikkelde Rosetta, de hoofdpersoon van dit artikel, zich?
        In Enschede doorliep zij het gymnasium. Op 11 september 1935 keerde ze terug naar haar geboortestad Amsterdam. Ze betrok een woning op het Valeriusplein, op nummer 36 huis. In het stadsarchief werd zij geregistreerd als studente van de Gemeente Universiteit. Maar een academische loopbaan kwam er niet van; Rosetta werd secretaresse. Ondertussen alleenstaand blijvend, verhuisde ze binnen Amsterdam verschillende keren, van de Stadionweg 35 boven naar de Prinsengracht 579 II naar de J. Obrechtstraat 25 naar de Nicolaas Witsenkade 6 II. Op dit laatste adres, waar Rosetta op 12 april 1940 ging wonen, maakte zij het begin van de oorlog mee − een oorlog die haar bestaan behoorlijk zou ontregelen en haar in Dordrecht zou doen belanden.

Rotterdamse archiefkaarten Haverkamp Begemann

In 1922 bevond het gezin zich in Rotterdam, zoals deze archiefkaarten laten zien, en telde het inmiddels zes kinderen,
allen meisjes.
Foto’s Gemeentearchief Rotterdam


Egbert Paul Haverkamp Begemann trouwde driemaal

Rosetta dook in de oorlog in Dordrecht onder bij de familie Haverkamp Begemann. Welke ontwikkelingen zich in die familie voordeden, wordt daarom in dit verhaal ook geschetst.
Egbert Paul Haverkamp Begemann trouwde driemaal, en kreeg bij de drie echtgenotes in totaal acht kinderen. Zijn eerste vrouw werd Louise Cornelia de Balbian Verster. In de krant ‘De Zuid-Willemsvaart’ bedankte het echtpaar op 3.12.1902 voor de ondervonden belangstelling. Het huwelijk had plaats in de VS, waar Egbert als ingenieur werkte. Paulina was hun eerste kind. De geboorte werd op 17.10.1903 geadverteerd in ‘De Zuid-Willemsvaart’. Charlotte kwam als tweede dochter, in april 1906, twee maanden later overleed moeder Louise. Teruggekeerd in Nederland hertrouwde Egbert Paul in 1912 met Sabina Matthijsen.
Foto’s Delpher

Drie vrouwen
De zussen die Rosetta Kan onderduikhulp zouden bieden in Dordrecht, Paulina en Nellie, zijn allerminst de enige kinderen Haverkamp Begemann. Hun vader, Egbert Paul Haverkamp Begemann (Helmond, 2.7.1879), verwekte bij drie vrouwen in totaal acht nakomelingen: zes dochters en twee zoons.
        De eerste vrouw van Egbert Paul, kortweg Paul genoemd, werd de uit Oisterwijk afkomstige Louise Cornelia Balbian Verster (21.10.1881). Zij trouwden in haar woonplaats op 3 december 1902, zij was 21, hij 23. Paulina kwam als eersteling ter wereld, in het Amerikaanse Seattle, op 10 oktober 1903. Egbert Paul was afgestudeerd als werktuigbouwkundig ingenieur. Zijn vader, ook Egbert Paul geheten, was de directeur van de Koninklijke Nederlandse Machinefabriek Begemann in Helmond, een onderneming die bekend stond om haar vooruitstrevende, sociale beleid.
        Egbert Paul junior, kennelijk tijdelijk werkzaam in de VS, kreeg in Amerika met Louise nog een tweede kind, ook een dochter, Charlotte Henriëtte Agatha. Zij werd geboren in Berkeley, op 13 april 1906. In diezelfde stad overleed de moeder, twee maanden later, op de 16de juni.
        In 1909 bevonden Egbert Paul zich weer in Nederland, in dat jaar werd hij mede-directeur van Begemann. Wikipedia, de digitale encyclopedie, schrijft dat het bedrijf zich onder zijn leiding “specialiseerde in centrifugaalpompen, die seriematig in standaarduitvoeringen werden vervaardigd. Daarnaast werd de constructie-afdeling de tweede belangrijke pijler. In 1914 werd een zeer grote productiehal voor staalconstructies gebouwd. Het aantal arbeiders schommelde in de jaren 1910 en 1920 tussen de 100 en 150”. In 1919 werd Egbert Paul opgevolgd door ir. A.A. Bienfait.
        De fabriekseigenaar is inmiddels hertrouwd, in 1912 in Helmond, met Sabina Matthijsen (Helmond, 28.7.1891). De website van uitgeverij A. van Oord, die zich toelegt op Brabantse geschiedenis en Tweede Wereldoorlog, meldt over deze tweede echtgenote, dat Sabina enig kind is van Vlisco-directeur Cornelis Mathijssen (Helmond, 16.12.1858 - Loenen aan de Vecht, 30.6 1931) en Cornelia Maria (Nel) Roland Holst (Amsterdam, 25.8.1863 – Loenen, 15.7.1938), een schoonzus van de bekende socialiste en dichteres Henriëtte Roland Holst-van der Schalk. Sabine’s ouders waren lid van de SDAP en later van de CPH (Communistische Partij Holland).
        Sabine, zoals ze doorgaans werd genoemd, was van oorsprong Nederlands-Hervormd en 21 jaar jong. Samen met haar kreeg de inmiddels 33-jarige Egbert Paul nog eens vier dochters, drie in Helmond, de laatste in Rotterdam. Achtereenvolgens waren het Nellie (14.5.1913), Sabine (19.4.1915), Dora (5.9.1916) en Wilhelmina (23.10.1920). Enkele maanden eerder, op 4 maart, was het dit gezin van zussen en halfzussen, in Rotterdam gearriveerd, zich vestigend aan de Heemraadsingel, op nummer 123.

Egbert Paul vertrekt in 1926 naar Siberië

Egbert Paul vertrekt in 1926 naar Siberië, om er te gaan werken in Kemerovo, bericht ‘Het Vaderland’ op 4 juli. 
Foto Delpher

Socialisten
Waarom Rotterdam? Uitgeverij Van Oord kan het verklaren. Op de website wordt toegelicht dat het echtpaar zich in de eerste huwelijksjaren had doen kennen als toegewijde socialisten. Dan vervolgt Van Oord met: “Hij en Sabine’s vader waren de belangrijkste financiële ondersteuners van het in 1909 gestarte revolutionaire weekblad De Tribune en in 1919 medeoprichters van de Bond van Revolutionair Socialistische Intellectueelen. Sabine ondertekende in 1912 het door de SDAP gesteunde Schorer-petitionnement, dat zich richtte tegen een wet die homoseksuele contacten met personen onder de 21 jaar strafbaar stelde, terwijl heteroseksuele contacten met personen ouder dan 16 jaar niet strafbaar gesteld werden.
        “De progressieve bedrijfsvoering door echtgenoot Paul van de Begemann-machinefabriek wekte de bewondering van zowel Henriette Roland Holst als de communist Henk Sneevliet. Kort na de Russische Oktoberrevolutie verklaarde echtgenoot Paul dat hij geen kapitalistische fabrikant meer wilde zijn. Hij vertrok uit Helmond en werd directeur van een coöperatieve ijzerhandel in Rotterdam.”
        Het huwelijk hield geen stand. Op 13 februari 1922 werd het officieel verbroken. Nog geen halfjaar later trouwde Egbert Paul opnieuw, nu met de Rotterdamse Helena Maria Goverts (15.6.1898). Ook met haar kreeg Egbert Paul kinderen, twee zonen ditmaal: Egbert (Naarden, 6.3.1923) en Paul (29.6.1927). Deze laatste boreling betrad het leven ook in het buitenland, net als eerstelingen Paulina en Charlotte, zij het aan het andere eind van de wereld: in het Russische Kemerovo.
        Die verblijfplaats wekte de nieuwsgierigheid van de minister van Justitie. Op 12 september 1927 was hem “ter ore gekomen”, deelde hij mee in een schrijven (no. 2610 Geheim), dat te Ellecom “bij zijne familie zoude logeeren of gelogeerd hebben een zekere Heer Begemann. Deze zoude ingenieur zijn, communist, werkzaam in Rusland en tijdelijk hier te lande vertoeven. Hij zoude hier o.a. bezoek van vele partijgenoten ontvangen. Gaarne word ik ter zake c.q. na onderzoek, ingelicht.”

Een foto van één van de zes dochters Haverkamp Begemann, Paulina

Een foto van één van de zes dochters Haverkamp Begemann, Paulina. Leerlingen van de Wilhelminasschool bezoeken op 13.7.1915 het Witte Huis in Rotterdam. Paulina is het meisje met de witte hoed, staande op de achterste rij, als zevende van links.
Foto Stadsarchief Helmond


Op de Rozenhof begint Helena een schoonheidsinstituut

De ‘Dordrechtse Courant’ meldde hun aankomst in de editie van 28.10.1938. Op de Rozenhof begint Helena een schoonheidsinstituut.
Foto’s Krantenbank Regionaal Archief Dordrecht

Moskou
Op 24 januari 1928 geeft de Centrale Inlichtingendienst hem enig uitsluitsel. Ook dit geheime stuk is geopenbaard en te vinden op de website van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW). Begemann en zijn gezin zijn inderdaad op 20 februari 1926 “afgeschreven van Naarden naar Kemerovo” in Siberië, “waarheen hij zelf reeds 5 november 1925 was vertrokken”. Egbert Paul was er “werkzaam bij de half autonome mijnbouwonderneming te Koesbasz, welk bedrijf onder leiding van den bekenden communist ir. S. Rutgers, met behulp van Amerikaansche mijnwerkers tot ontwikkeling is gebracht”. Maar al het buitenlandse personeel is in mei 1927 ontslagen en Begemann keerde “wederom naar Moskou terug”.
        De overige aantekeningen gaan over de kinderen en de huwelijken van Egbert Paul, met name over de twee eerstgeborenen Paulina en Charlotte. Paulina is doctor in de scheikunde geworden; Charlotte werkt sinds 1 september 1927 als verpleegster in Amsterdam, in het Wilhelminagasthuis.
        Apart vermeld worden de vier kinderen uit het tweede huwelijk, met Sabina Matthijsen. Deze is zelf ook herhuwd, met de musicus Gerrit Gerritsen (Oosterbeek, 26.1.1875), en heeft hem al een kind geschonken, Johanna, op 27 maart 1924. De vier Begemann-kinderen “verblijven ten huize van Gerritsen”, aldus de inlichtingendienst.
        Gerritsen en Sabina “zijn de revolutionaire beginselen toegedaan”, zij weigeren bijvoorbeeld bij te dragen in de kosten van nationale feesten en hij, dirigent van een zangkoor in Waalwijk en Oisterwijk, dirigeert bij die gelegenheden per se niet. En “Gerritsen houdt een auto”. De minister heeft erbij geschreven: “Toemaar!”
        Al met al weinig opzienbarend materiaal, behalve dan dat de desbetreffende personen niet fatsoenlijk rechts waren.
        Dordrecht kwam in zicht in 1938.
        De gezinskaart in het Dordtse archief vertelt dat Egbert Paul er op 24 oktober van dat jaar ging wonen, met zijn derde vrouw Helena Maria en drie van zijn acht kinderen: Paulina en de twee jongens, Egbert en Paul. Op Paulina na kwamen de gezinsleden allen uit Heemstede, uit de Zomerlaan 22. Paulina woonde al veel eerder in Dordrecht, vanaf 29 juni 1929. Delft was toen háár vorige woonplaats, de stad waar zij vanaf 31 december 1927 had gewerkt in de Oliefabriek Calvé, na een verblijf in Zürich. Voordat zij zich bij haar vader, stiefmoeder en halfbroers voegde, op het adres Levensverzekeringstraat 8, had zij in Dordrecht al diverse adressen gekend: als eerste de Cornelis de Wittstraat 47, daarna Oudendijk 3, Wolwevershaven 34 en Vlak 2 boven.
        De reden dat zij in Dordrecht huisde, is een eenvoudige: Paulina werkte als scheikundige bij de Vereenigde Oliefabrieken Zwijndrecht (VOZ).

Komend uit Heemstede belandt het gezin in oktober 1938 in Dordrecht

Komend uit Heemstede belandt het gezin in oktober 1938 in Dordrecht, en gaat het met drie van de acht kinderen wonen in de Levensverzekeringstraat alias Rozenhof. Egbert Paul is opnieuw getrouwd, in juni 1922, met Helena Maria Goverts, die hem twee zonen schonk: Egbert (1923) en Paul (1927).
Foto’s Krantenbank Regionaal Archief Dordrecht


Nellie wordt in november 1938 bevorderd tot arts

Nellie wordt in november 1938 bevorderd tot arts (De Tijd, 3.11.1938). Zij vestigt zich in september 1942 in Dordrecht als kinderarts, ook op de Rozenhof (DC, 17.9.1942).
Foto Depher

In oktober 1941 draagt mevrouw Haverkamp Begemann haar schoonheidsinstituut over

Nog enkele ontwikkelingen in de familie: In oktober 1941 draagt mevrouw Haverkamp Begemann haar schoonheidsinstituut over aan mejuffrouw C. de Vey (DC, 4.10.1941). Zoon Egbert slaagt in mei 1942 voor het examen gymnasium B (DC, 25.5.1942).
Folto Delpher

Vernietiging
De oorlog bereikt Nederland en neemt het leven van de inwoners over. Joden worden langzamerhand een systeem van vernietiging binnengedreven.
        Rosetta Kan bevindt zich nog altijd in Amsterdam. Uit documenten die Louis Menno Kan van zijn tante heeft bewaard blijkt dat Rosetta zich ook niet door de Duitsers zomaar laat oppakken en deporteren. Zij duikt onder, sterker nog: zij wordt een zogenoemde principiële onderduiker.
        Maar waar verstopt zij zich?
        Dat is in Dordrecht geweest, bij de familie Haverkamp Begemann. Hoe en of zij elkaar kenden, is niet bekend. En vanaf welke dag zij onder dat luik in de woonkamer is gaan schuilen, is niet te achterhalen. Maar twee documenten geven iets meer prijs over de periode en de locatie. Louis Menno laat Rosetta’s Onderduikerskaart zien, met registratienummer 903, een kaart die na de oorlog is verstrekt, in oktober 1945. Daarop staat dat zij van augustus 1942 tot juni 1944 “om principiële redenen ondergedoken is geweest”. En de gedigitaliseerde dagjournalen van de Dordtse politie noemen de plek waar zij zich verborg, het tijdstip van de arrestatie (6 juni 1944) evenals de locatie: Levensverzekeringstraat 8.
        Met andere woorden: bijna twee jaar heeft Rosetta zich met succes uit handen van de nazi’s weten te houden, voordat zij werd ontdekt.
        De Haverkamp Begemannen probeerden in de oorlog hun levens zo normaal mogelijk te laten verlopen. Moeder Helena begon in de Rozenhof een schoonheidsinstituut. In de Dordrechtsche Courant (DC) van 28 december 1940 biedt ze in een advertentie “electrische ontharing en gezichtsmassage” aan. In 1941 breidt zij haar service in verscheidene advertenties uit met “hoogtezon en huidverzorging”, tot in de herfst van 1941. Op de 4de oktober plaatst Helena Haverkamp Begemann een advertentie, waaruit blijkt dat zij haar instituut heeft overgedragen aan mejuffrouw C. de Vey uit de Reviusstraat 20. Het gezin Haverkamp Begemann is namelijk verhuisd naar Haarlem, naar de Middenlaan 9, zoals de DC van 24 juli al berichtte in de rubriek ‘Van komen en gaan’.
        Niet alle gezinsleden zijn trouwens vertrokken. Egbert bijvoorbeeld, de zoon uit het derde huwelijk, mag eerst nog in Dordrecht het gymnasium afmaken. Op 27 mei 1942 meldt de DC dat hij is geslaagd voor het diploma B, en aansluitend op 2 juni staat in de krant dat ook hij naar Haarlem is verhuisd.

Op 9 juni doet jodenjager Wolsink nader onderzoek in de woning

Op 6 juni 1944 wordt Rosetta Kan ontdekt op de Rozenhof. Zij en de onderduikgeefsters Paulina en Nellie Haverkamp Begemann worden gearresteerd. Op 9 juni doet jodenjager Wolsink nader onderzoek in de woning en valt in het geopend luik dat toegang gaf tot Rosetta’s schuilplaats. In een apart rapportje voor het politiedagjournaal klaagt hij over de bezeerde linkerknie. In de beeldbank van het Dordtse archief is een foto aangetroffen van Wolsink, uit 1932. Hij loopt rechts.
Foto Erica van Dooremalen

Kinderarts
In de woning aan de Rozenhof is Paulina achtergebleven, maar ze is niet alleen. Haar halfzus Nellie trekt op 27 augustus 1942 bij haar in, komend uit Rotterdam, waar zij woonde aan de Gordelweg 60. Nellie is kinderarts. Zij slaagde in 1937 al voor “het artsexamen eerste gedeelte”, zo valt op te maken uit De Maasbode van 3 november dat jaar. In Dordrecht begint zij een praktijk, midden in de oorlog. In de Dordrechtsche Courant komen diverse meldingen voor dat zij waarneemt voor collega’s. Van 26 juni tot en met 11 juli bijvoorbeeld valt zij in voor dr. J.J. Soer, in maart 1944 nog eens, omdat Soer “wegens ziekte verhinderd is praktijk te doen”.
        Nellie Haverkamp Begemann werkt niet in Dordrecht alleen. De Krantenbank Zeeland tovert op haar naam het bericht tevoorschijn, dat zij in 1943 op de eerste en derde dinsdag van de maand spreekuur hield in het Van Weel-Bethesda-ziekenhuis in Dirksland op Goeree-Overflakkee. “Maar lang duurde dit niet”, vervolgt de mededeling, “want omdat Flakkee een spergebied was waarvoor men speciale toestemming van de Duitsers nodig had om er te komen, en de beperkte vervoersmogelijkheden, kon ook zij in 1944-1945 geen spreekuur meer houden in Dirksland.”
        Al deze ontwikkelingen in het gezin Haverkamp Begemann verklaren waarom op die noodlottige dag dat Rosetta Kan op de Rozenhof werd gearresteerd, alleen Paulina en Nellie aanwezig waren: de overigen waren weg, naar Haarlem gegaan. De politierapporten noemen overigens alleen Rosetta en Paulina, van Nellie is geen sprake. Waar zij dan was, is niet meer vast te stellen.
        Paulina en Rosetta werden allebei afgevoerd naar Rotterdam, volgens de politiële rapporten. Maar wat gebeurde er daarna met hen?
        Over het lot van Paulina kan Rob Hamburger nader vertellen. Hij, geboren in Rotterdam op 5 augustus 1931, is een in Dordrecht wonende oud-docent Nederlands en een oud-raadslid voor de PvdA. De aanhoudende nachtbombardementen op Rotterdam traumatiseerden hem als jonge jongen. Om te herstellen ging hij in oktober 1941 logeren in Dordrecht, aan de Singel 42 zwart (nu: 58), bij zijn oom mr. Emanuel Hamburger en zijn grootmoeder, Jeanette Hamburger-Mendels.
        Rob Hamburger kende de familie Haverkamp Begemann. Niet omdat hij familie was, maar omdat Emanuel Hamburger, de broer van zijn vader Jacob, de verloofde was van Nellie Haverkamp Begemann. “Ik ben heel vaak bij de familie geweest, al voordat ik onderdook in Dordrecht.” Rob Hamburger verklaart dat Paulina, die hij ‘Pien’ noemt, na de arrestatie via het Oranjehotel in Scheveningen uiteindelijk is terechtgekomen in Ravensbrück, het concentratiekamp voor vrouwen, 85 km boven Berlijn. “Maar”, zegt hij, “ze is niet ná, maar nog ín de oorlog teruggekomen.”
        Terug in Dordrecht bleek de normale orde der dingen weer te worden gehandhaafd. Paulina kreeg op 12 december 1946 een bekeuring van agent J. Vlasblom voor wielrijden zonder licht.

Rosetta komt via kamp Westerbork in Theresienstadt

Rosetta komt via kamp Westerbork in Theresienstadt terecht, het Tsjechische concentratiekamp. Zij overleeft de oorlog, zoals de database van het United States Holocaust Memorial Museum in Wasinghton laat zien. Volgens haar neef Louis Menno Kan is Rosetta vrijgekocht. Rosetta wordt eerst overgebracht naar Adliswil in Zwitserland, daarna naar Nederland. Op 15 juli 1945, publiceert ‘De Nieuwe Amsterdammer’ de namen van de vrijgelatenen uit Theresienstadt. Rosetta is nummer 378.
Foto USHMM en Delpher

Rode Leger
Rosetta Kan werd aanvankelijk in kamp Westerbork opgesloten, op 9 juli 1944. Dit staat op de ‘Aanmeldingskaart voor Gerepatrieerden’, die haar na de oorlog, op 30 juli 1945, is meegegeven. In september 1944 is zij vervolgens getransporteerd naar Theresienstadt, de Tsjechische gemeente die tot concentratiekamp en getto voor joden was verworden.
        Maar ook zij wist te overleven, en ook zij werd al voor het einde van de oorlog vrijgelaten. Volgens de aanmeldingskaart op 5 februari 1945. Drie maanden later werd Theresienstadt bevrijd door het Rode Leger, op 8 mei.
        Haar neef Louis Menno Kan vermoedt dat Rosetta zich heeft kunnen vrijkopen met een diamant, die door een tante en oom van haar in Amerika is geregeld, Lodewijk en Anna van Dam, woonachtig in New York, in 2 West 86th Street. “Iemand moet met die diamant naar Theresienstadt zijn gegaan. ’t Was georganiseerd. En die diamant heeft haar de vrijheid opgeleverd.” Hij aarzelt, hij kan deze bewering “nergens aan staven”. “Er staat mij vaag iets bij van die diamant in de krochten van mijn geheugen, maar het kan ook een hersenspinsel zijn.”
        Papieren bewijzen heeft hij wel van Rosetta’s terugkomst naar Nederland. Een Nederlandse identiteitskaart, verstrekt in Bern op 6.7.1945, toont aan dat zij op 2 juli 1945 verbleef in het Zwitserse Chamby, misschien om aan te sterken. Op de 22ste juli moest zij zich om 16.00 uur melden in het Repatriierungsbüro in Basel. Volgens weer andere schriftelijke stukken is zij vervolgens via Brussel in Nederland aangekomen. Op 30 juli kreeg zij in Amsterdam haar aanmeldingskaart.
        In totaal zijn 850 Nederlanders bevrijd uit Theresienstadt. De lijsten met een kleine achthonderd namen van deze overlevenden werd al op 6 mei 1945 gepubliceerd in de verzetskrant Het Parool. Rosetta is nummer 378 in deze opsomming, die door typefouten nogal onvolledig was. Op 15 juli verscheen in De Nieuwe Amsterdammer een lijst met 430 namen, afkomstig van de Nederlandse regering. Beide lijsten zijn te vinden op de website vernoeming.nl.

nalatenschap van Rosetta Sophia Kan

In de nalatenschap van Rosetta Sophia Kan treft neef Louis Menno Kan allerlei documenten aan die te maken hebben met de oorlogstijd en de terugkeer naar Nederland. Hier worden er enkele getoond, zoals: de ‘Onderduikerskaart’, na de oorlog verstrekt, haar Zwitsers-Nederlandse identiteitskaart, de ‘Urlauwbsbewilligung’van 21.7.1945 waarmee ze naar het Repatriierungsbüro in Basel kan reizen, het ‘Medical Clearance Certificate’ van 26.7.1945, waarna ze naar Nederland kan gaan, de ‘Aanmeldingskaart voor Gerepatrieerden’ uit Amsterdam van 30.7.1945, het ‘Uittreksel’ uit het bevolkingsregister van Amsterdam van 15.10.1945 en ten slotte haar ‘Tweede Distributiestamkaart’ van 19 mei 1947.
Foto’s Familiebezit


Prinsengracht

Aanvankelijk ging Rosetta in Amsteveen wonen, maar in mei 1947 vertrok ze naar haar geboortestad, om een woning op de Prinsengracht te betrekken, op nummer 533 (middelste, niet-zwarte pand). Hier zou ze tot haar dood blijven wonen.
Foto Redactie Website

Secretaresse
Rosetta Kan pakte zo goed als mogelijk het leven op dat zij jaren niet had kunnen leiden.
        Ze ging op 20 oktober 1945 wonen in Amstelveen, aan de Cath. van Clevelaan 5. Op 19 mei 1947 trok Amsterdam toch weer; zij verhuisde naar de Prinsengracht, naar nummer 533. Op dit adres zou zij de rest van haar leven blijven. Volgens Louis Menno Kan werkte ze ‘gewoon weer’ als secretaresse. Ze was alleenstaand.
        Bij hem thuis was de oorlog “uiteraard een zeer gevoelig onderwerp”, ook met zijn tante Rosetta heeft Louis Menno Kan “er nooit een woord over gewisseld”. “Ik was nog een klein kind, mijn kennis over haar is summier.” Maar hij heeft wel begrepen dat Rosetta “een moeilijk karakter” had. “Ik denk dat dit deels te maken heeft met het feit dat ze uit een gepassioneerd gezin kwam, jong wees werd en een oorlog meemaakte die een trauma veroorzaakte.”
        Het contact tussen haar en zijn vader verliep soms moeizaam. “Mijn vader en Rosetta waren als wezen zo op elkaar aangewezen, dat ze te dicht in elkaars vaarwater kwamen.” Hij herinnert zich verder dat zij een slechte gezondheid had, als gevolg van diabetes en “vele andere aandoeningen”. “Ze heeft altijd gezegd dat dit allemaal kwam door de oorlog en door wat haar is aangedaan.”
        Rosetta is na de oorlog altijd contact blijven houden met de familie Haverkamp Begemann. Louis Menno: “In ieder geval met Nel.”
        Rob Hamburger, die andere ooggetuige, kan dat niet uit eigen waarneming beamen, maar zegt dat het hem niet zou verbazen. ‘Ongetwijfeld is er contact onderhouden. Een van de belangrijkste eigenschappen van de familie was trouw.”
        Zijn oom Emanuel is nooit getrouwd geraakt met Nellie Haverkamp Begemann. De reden is niet bekend, alleen dat Emanuel Hamburger op betrekkelijk jonge leeftijd (43) op 18 februari 1945 door een Duits vuurpeloton is geëxecuteerd, vlakbij Heinenoord, samen met negen lotgenoten, als represaille voor een aanslag, zie verhaal 38. Rob Hamburger: “Mijn oom wilde niet onderduiken, hij bleef verzetswerk doen. Daardoor is hij op een gegeven moment herkend door een oud-leerling van hem en die heeft hem verraden.” Emanuel Hamburger zat vanaf december 1944 in cel 605 van het Oranjehotel, voordat de fusillade volgde.
        Weet Hamburger misschien waarom Paulina en Nellie de onderduikster Rosetta Kan in huis namen? Stellig en kortaf: “Omdat ze vonden dat het hun plicht was.”

Egbert Haverkamp Begemann, emeritus hoogleraar van het New York Institute of Fine Arts

Egbert trouwde na de oorlog met C.H. Pennock en kreeg met haar een zoon in 1955 (Het Vrije Volk, 23.8.1955) en een dochter Marianne in 1957. Inmiddels werkte Egbert in Museum Boymans als conservator tekenkunst en oude schilderkunst. In 1959 vertrok het gezin naar de VS (HVV, 25.7.1959).
Foto’s Delpher


Rosetta Kan overleed op 24 februari 1988 in Amsterdam

Rosetta Kan overleed op 24 februari 1988 in Amsterdam. Zij stelde met opzet haar lichaam ter beschikking van de wetenschap, ze wilde dat uit medisch onderzou zou blijken wat haar door de Duitsers is aangegaan. Rosetta kon dus niet begraven worden, maar neef Louis Menno heeft op de begraafplaats in Enschede een steen voor haar laten plaatsen bij het graf van zijn vader Frits Menno, de broer van Rosetta.
Foto’s Delpher en Familiebezit

Wetenschap
Hoe is het de betrokkenen in het naoorlogse tijdperk vergaan?
        Rosetta Sophia Kan wist te leven tot 24 februari 1988. Ze overleed in Amsterdam, op 73-jarige leeftijd, na langdurige ziekte. Ze stelde haar lichaam ter beschikking van de wetenschap, stond in de overlijdensadvertentie in de NRC op 26.2.1988. Volgens neef Louis Menno wilde zij dit met opzet. “Ze zei: ‘Er is met mij zoveel aan de hand, en dat is mij aangedaan door de moffen, en dat gaan ze vinden.’ Ze wilde dat dat naar buiten kwam. Ze was bitter.”
        Zonder stoffelijk overschot mocht zij geen graf krijgen op de joodse begraafplaats in Muiderberg. Niettemin heeft Rosette een grafsteen gekregen, dankzij Louis Menno. Toen zijn vader Frits Menno Kan, de broer van Rosetta overleed op 19.2.2007 werd hij begraven op de liberaal joodse begraafplaats Gan Ha’olam op de Westerbegraafplaats in Enschede. “Ik wilde daar per se ook iets voor mijn tante hebben. En nu ligt er aan de voet van het graf van mijn vader een steen voor haar.” Zijn vader was advocaat. In de jaren zestig werkte hij op de juridische afdeling van de Koninklijke Nederlandse Zout Chemie als corrector vreemde talen. Zijn moeder Heiltje (‘Puck’) Kan-Oudshoorn stierf op 10 februari 2016.
        Nellie Haverkamp Begemann is overleden op 1 september 1987, in Overberg. Zij is 74 geworden. Haar halfzus Paulina werd 73 jaar oud. Zij overleed op 4 januari 1977. Zij is in Dordrecht blijven wonen, in de straat waarnaar zij op 15 december 1961 vanuit de Rozenhof verhuisde: de Joh. de Wittstraat, laatstelijk op nummer 272.
        Met Paulina en Nellie zijn de ouders van Rob Hamburger na de oorlog in contact gebleven, “ook al was mijn oom geëxecuteerd”. Hij vertelt dat Pien met name “heel vaak” zijn ouders in Rotterdam opzocht, vooral omdat zijn moeder Grietje Hamburger-de Leeuw en Pien “typische crypto-oplossers” waren. “Ze ‘deden’ de cryptogrammen van zowel de Groene Amsterdammer, Vrij Nederland als de NRC. Op vrijdagavond kwam Pien uit Dordt naar ons, en ik haalde haar op. In de trein had ze de crypto van De Groene al gedeeltelijk opgelost, en mijn moeder thuis ook, en na een uur waren ze eruit. Dat was heel gezellig. Mijn moeder heeft tot haar dood elke week crypto’s opgelost en de oplossing op een briefkaart ingestuurd.” Zijn moeder Grietje bereikte de 70-jarige leeftijd; zij stierf op 11 februari 1974, een jaar later gevolgd door haar echtgenoot Jacob (‘Jac’), op 26 juni 1975, 78 jaar oud, allebei in Rotterdam.
        De pleegouders in Enschede van Rosetta en Frits Menno, Max en Margaretha van Dam, zijn inmiddels ook heen gegaan. Hij op 28 juni 1967, 78 jaar oud “na een geduldig gedragen lijden”; zij op 8 oktober 1976 − tot “grote droefheid” van de beide weeskinderen, die hun tante “onvergetelijk” noemden in de rouwadvertentie in de NRC van 11.10. 1976.

Johan de Wittstraat

Paulina Haverkamp Begemann, de ene onderduikgeefster, overleed op 31 december 1976, 73 jaar oud (NRC, 4.1.197). Zij is altijd in Dordt blijven wonen, eerst nog op de Rozenhof, vanaf 1961 aan de Johan de Wittstraat, op nummer 272. Nellie, de andere onderduikgeefster, stierf op 1 september 1987 in Overberg, 74 jaar oud (NRC, 3.9.1987).
Foto’s Delpher en Redactie Website

Opgespoord
Graag had de redactie van deze website tijdens de voorbereiding van dit achtergrondverhaal een nog levend lid van de voormalig Dordtse familie Haverkamp Begemann geraadpleegd. Dat leek aanvankelijk ook te lukken. Egbert, de jongste van de twee zonen uit het derde huwelijk, werd opgespoord en benaderd in New York, waar hij op 94-jarige leeftijd, als emeritus professor nog altijd was verbonden aan het Institute of Fine Arts. Hij hield er zijn kamer aan. Zou hij ons kunnen helpen aan aanvullende informatie over de hulp die zijn halfzussen Paulina en Nellie hadden gegeven aan de joodse Rosetta Kan? werd hem gevraagd.
        Ja hoor, e-mailde hij op 23 mei 2017, stuur uw specifieke vragen maar op and I’ll try to answer them as fully as possible. Dat deden we, maar er trad slechts een langdurige stilte in. Enkele maanden later werd de reden duidelijk: Egbert Haverkamp Begemann was blijkbaar niet meer bij machte te reageren, hij overleed op 5 augustus.
        In The New York Times en later in de NRC en de Volkskrant, verschenen bewonderende en prijzende In Memoria over hem. Egbert Haverkamp Begemann, vader van vier kinderen en weduwnaar van een Amerikaanse vrouw, promoveerde in 1958 in Utrecht op leven en werk van de Rotterdamse kunstenaar Willem Buytewech. Een jaar later emigreerde hij naar de VS, waar hij zich ontwikkelde tot de “grootste autoriteit en meest invloedrijke specialist” (de Volkskrant) op het gebied van Nederlandse en Vlaamse kunst uit de 16de en 17de eeuw.
        Met zijn dood zijn nu alle banden met Dordrecht doorgesneden.

Egbert Haverkamp Begemann, emeritus hoogleraar van het New York Institute of Fine Arts, overleed op 5 augustus 2017

Egbert Haverkamp Begemann, emeritus hoogleraar van het New York Institute of Fine Arts, overleed op 5 augustus 2017, kort nadat de redactie van deze website hem had opgespoord. Hij had graag informatie over zijn familie willen verstrekken, maar het kwam er niet meer van.
Foto’s Institute of Fine Arts en NRC Handelsblad








< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'