Het voorbije joodse dordrecht

Kort na de Dordtse bruiloft van verpleegster
Sara Peekel verdwenen er 29 familieleden

In Dordrecht beleefde verpleegster Sara de Reij het opperste geluk - om vervolgens in haar nieuwe woonplaats Rotterdam het grootste leed mee te maken.
        Op 28 mei 1942 was het zover: Sara, zelf niet-joods en een geboren Zeeuwse, kon eindelijk haar geliefde huwen, Michel, telg van de omvangrijke joodse familie Peekel. Het gebeurde in het stadhuis van Dordrecht, en het paar was gelukkig, ondanks de oorlog die woedde. De receptie was in Rotterdam, bij haar halfbroer Adrie.
        Nog geen halfjaar na deze feestelijke, heuglijke dag waren de joodse familieleden uit Rotterdam gedeporteerd.
        Himmelhochjauchzend zum Tode betrübt, de dichtregel van Goethe die je zou kunnen vertalen als ‘hemelhoog jubelend, dodelijk bedroefd’ - dit ging zeker voor Sara en Michel op. Zijzelf, hun twee dochtertjes, de vader en moeder van Michel en Michel’s broer Krik met zijn gezin – negen Peekels wisten ternauwernood de bevrijding te halen. Maar verder waren alle joodse familieleden die het bruidspaar nog zo hartelijk hadden gefeliciteerd, ondertussen harteloos vermoord.
        In dit verhaal: hoe de nazi’s het prille huwelijksgeluk van Sara en Michel Peekel versjteerden.

Machiel Simon Peekel en Hanna Viool

Machiel Simon Peekel en Hanna Viool, de stamvader en –moeder van het gezin Peekel.
Foto Familiebezit

Kinderrijk
In Amsterdam woonde in de 19de eeuw een uitgebreide familie Pe(e)kel. In een van de gezinnen werd op 1 april 1858 Machiel Simon Peekel geboren. Hij huwde met Hanna Viool (6.6.1859). Ze kregen acht kinderen. Als eerste verscheen Simon (7.1.1884), een jaar later Isaac (20.4.1885). Daarna kwamen achtereenvolgens: Hartog (6.11.1886), Helena (29.10.1888), Mozes (29.5.1894), Meijer (15.3.1896), Esther (24.5.1900) en ten slotte Henriëtte (17.1.1902).
        Zoon Meijer en dochter Henriëtte bleven ongehuwd. De andere kinderen trouwden allen met een joodse partner, op zoon Hartog na.
        In het zuiden van Nederland trad op 14 januari 1913 Pieter Abraham de Reij (Koudekerke, 8.10.1869) in het huwelijk met Adriana Kuijper (13.10.1886). De plechtigheid had plaats in Nieuw- en Sint Joosland, haar geboortedorp, gelegen in het zuidoosten van Walcheren. Pieter, kantoorbediende van beroep, was al 44. Zijn bruid was jonger, 27. Adriana was al moeder van Adriaan (‘Adrie’; geboren op 22.10.1905), die bij zijn oma en opa woonde.
        Vier kinderen kreeg het echtpaar, allen te Middelburg: Johannes Jan (‘Jo’) als eerste op 1.9.1914, Sara Maria (‘Sarie’) als tweede op 12.12.1915. Jan Martinus werd nummer drie, maar hij stierf al na twee dagen, op 23.12.1925. Als vierde en laatste kwam op 7 mei 1927 Martina (‘Tini’). Het gezin was niet joods, maar Nederlands Hervormd.
        Kort na de eeuwwisseling verhuisde Machiel Peekel, werkzaam als huidenzouter bij Kaufmann's Huidenhandel, met zijn gezin naar Rotterdam, op 31.2.1902. Hij ging wonen op de Gedempte Botersloot 42b, boven een magazijn van de firma. Er hing een koeienkop aan de gevel. Machiel werd hoofd van het magazijn en vertrouwensman van de directeur. Volgens de website Joods Erfgoed Rotterdam bleef hij “zijn hele leven werken” bij Kaufmann.

gezinskaart van het gezin Peekel, uit het archief van Rotterdam

De voorzijde van de gezinskaart van het gezin Peekel, uit het archief van Rotterdam,
waar de Peekels in 1902 gingen wonen, komend uit Amsterdam: acht kinderen.
Foto Gemeentearchief Rotterdam


Machiel en Hanna vieren hun 25-jarig huwelijksfeest en hun eerst zoon Simon trouwt met Betsy Frenk

Twee gebeurtenissen in het Nieuw Israëlitisch Weekblad (NIW) van 10.1.1908: Machiel en Hanna vieren hun 25-jarig huwelijksfeest, hun eerst zoon Simon trouwt met Betsy Frenk.
Foto Delpher

Leerling
Dinsdag 22 augustus 1939. Hitler geeft in het Zuid-Duitse Obersalzberg, ten overstaan van zijn Wehrmacht-commandanten, een beruchte speech. Daarin detailleert hij de aankomende invasie van Polen en de geplande, meedogenloze uitroeiing van de Polen zelf. “Alleen zo kunnen wij Lebensraum verkrijgen.”
        In Dordrecht treedt diezelfde dag Sara Maria de Reij aan als leerling-verpleegster. Zij is, noteert de ambtenaar van de burgerlijke stand, afkomstig uit Zeist, waar ze aan de Dolderseweg 164 woonde. Ze vestigt zich in Dordrecht op het adres Bankastraat 47. Op dit adres staat het immense Gemeenteziekenhuis, toentertijd het Gast- of Ziekenhuis geheten. In de Dordrechtsche Courant van 6 september 1939 wordt mejuffrouw De Reij als ingekomen persoon gesignaleerd.
        Sara de Reij had in Middelburg al de akte onderwijzeres behaald. Toen ze in dat vak geen werk kon vinden, ging ze de verpleging in, eerst in Den Dolder, daarna in Dordrecht. Ze had inmiddels een vriend, Michel Peekel. Zijn roepnaam was Chel. Ze had hem bij een tante in Zeist leren kennen. Hij was een Rotterdammer, en haar moeder, Adriana, had daar zorgen over. “Sarie, zou je dat nu wel doen, zo’n Rotterdammer?”, had ze een keer tegen haar dochter gezegd. Maar toen Chel met Sara meeging naar Middelburg, om kennis met de familie te maken, viel het allemaal mee. Chel viel vooral in de smaak bij Sara’s zus Tini.

In Middelburg wordt op 13 december 1915 Sara Maria de Reij geboren

In Middelburg wordt op 13 december 1915 Sara Maria de Reij geboren, die later zal trouwen met Michel (‘Chel’) Peekel.
Foto Zeeuws Archief


Isaäc Peekel, de tweede zoon van Machiel en Hanna, overlijdt op 18 juli 1922; Hanna zelf op 31 maart 1931

Advertenties in het NIW: Isaäc Peekel, de tweede zoon van Machiel en Hanna, overlijdt op 18 juli 1922; Hanna zelf op 31 maart 1931.
Foto Delpher

Hervormd
Michel Peekel is een zoon van coupeur Hartog Peekel, de man die, het is al aangestipt, als enige niet met een joods meisje trouwde. Hartog had gekozen voor Adriana Luijendijk (Rotterdam, 21.7.1891), die Nederlands Hervormd was. Dat werd “in het begin niet goed gevonden”, zoals Sara zou schrijven in haar levensverhaal.
        Sara’s dochter Els (over wie verderop meer) licht deze zinsnede toe: “Hartog mocht van zijn vader alleen met een joods meisje trouwen.” Toen dat niet gebeurde, mochten de andere joodse familieleden geen contact meer met Hartog hebben. Maar zodra Michiel was geboren, wilden sommige familieleden de baby toch wel zien. “En toen is de band weer hersteld.”
        Voor Hartog en Adriana zelf speelde het geloof van hun ouders geen enkele rol meer. Op de gezinskaart van de gemeente Rotterdam is als godsdienst nog wel NI en NH genoteerd. Maar bij de namen van hun zonen Michel en Christiaan (‘Krik’, geboren 7.1.1916) staat: ‘geen’.
        In het Rotterdam van de Peekels woonde inmiddels ook Sara’s halfbroer Adrie Kuijper. In 1932 had deze agent van politie zich er vanuit Amsterdam gevestigd. Adrie was op 22 april 1931 in het huwelijk getreden met Maria Adriana (‘Rie’) Buijs (26.10.1908) uit Arnemuiden. Ze kregen drie kinderen: Adriana Maatje nog in Amsterdam, op 23 september 1931. In Rotterdam, in de Wolvepad 3, kwam Salomon (16.7.1934) ter wereld, en in de 2e Balsemienstaat 49 Martinus (16.6.1940).
        Sara ging terwijl ze in Dordrecht in de verpleging was, graag op visite bij het gezin van haar halfbroer. Haar moeder, broer Jo en zusje Tini en andere familieleden woonden in Middelburg en dat was te ver weg om vaak op bezoek te gaan.

het Gemeenteziekenhuis in 1937 aan de Bankastraat

De prentbriefkaart toont (de ingang van) het Gemeenteziekenhuis in 1937 aan de Bankastraat.
Sara Peekel begon hier aan haar verpleegstersopleiding.
Foto RAD (nr. 552_400162)


Sara heeft haar diploma Witte Kruis behaald

Sara heeft haar diploma Witte Kruis behaald, op 6 oktober 1939.
Foto Familiebezit

Luchtmacht
Maandag 1 april 1940. Sara was nog niet verloofd en nog volop bezig zich te bekwamen in de verpleging. Haar vriend Michel zou op 1 mei aanstaande beroepsmilitair bij de luchtmacht worden.
        Maar eerst was er nu de 82ste verjaardag van zijn grootvader, Machiel, in Rotterdam. Sara maakte bij die gelegenheid kennis met de “zeer talrijke joodse familie” van haar vriend Michel. Ze ontmoette Michel’s opa (opa Peekel) en zijn ooms en tantes, neven en nichten en hun partners. De enigen die afwezig waren, was moeder Hanna (zij stierf op 31 maart 1931, 71 jaar oud) en zoon Isaac, die al op 37-jarige leeftijd was overleden, op 18.7.1922. Verder was de uitgebreide familie nog voltallig.
        Sara schrijft in haar levensverhaal, dat zij op háár 82ste op papier zette, dat zij als “enig niet-joods meisje hartelijk” in de grote familie werd opgenomen. Zij viel ook helemaal niet zo op in het gezelschap, omdat ze donker is, Sara heet en een grote neus heeft. Ze zou een joodse vrouw kunnen zijn.
        “Het was een leuke ervaring”, meldt ze over de verjaardagsviering. Maar ook schrijft ze: “Niemand vermoedde toen dat kort daarop, op 10 mei 1940, voor ons allen en voor de joden een vreselijke tijd zou aanbreken. Weinig vermoedden wij welk een dreiging op onze familie rustte.”
        Op 7 en 8 mei beleefde ze samen met Chel nog onbezorgde dagen. Ze waren weer eens in Middelburg, en het was er prachtig weer. “We hebben toen mooie foto’s gemaakt voor het stadhuis en fantaseerden dat wij in de toekomst in dit stadhuis zouden trouwen. Maar…”
        Twee dagen later vielen de Duitsers Nederland binnen. Alles kantelde. Sinistere, angstwekkende tijden braken aan.

Sara met Michel in Middelburg, haar geboortestad, op 8 mei 1940

Sara met Michel in Middelburg, haar geboortestad, op 8 mei 1940, twee dagen voor het uitbreken van de oorlog.
Foto Familiebezit


Sara de Reij heeft het diploma A ziekenverpleging behaald

Een bericht in de Dordrechtsche Courant van 5 mei 1942: onder anderen Sara de Reij heeft het diploma A ziekenverpleging behaald. Ze kan nu gaan trouwen.
Foto Krantenbank RAD

Onderscheid
In haar levensverhaal beschrijft Sara de eerste “vreselijke oorlogsdagen”. Ze is terug in het ziekenhuis, al snel kwamen de eerste gewonden: Dordtenaren die op weg naar hun werk waren, werden vanuit verschillende huizen beschoten. “De Duitsers hadden van te voren schijnbaar overal al mensen geïnstalleerd.”
        Vooral de heftige gevechten bij de Moerdijkbrug zorgden voor aanvoer van gewonde soldaten, Duitse zowel als Nederlandse. Sara: “Als verpleegster mocht je geen onderscheid maken tussen vriend en vijand, maar ik mijn hart en in veler harten waren voor ons de Nederlanders het belangrijkst.” In haar ziekenzaal lagen de Duitsers aan de ene, de Nederlanders aan de andere kant. Het was een komen en gaan van steeds weer nieuwe patiënten. De vier chirurgen werkten dag en nacht door in de twee operatiekamers.
        Nadat Nederland zich had overgegeven, werden alle gewonden systematisch weggevoerd. De Nederlanders dikwijls naar het Rode Kruis-ziekenhuis in Den Haag, de Duitsers naar hun eigen land. Sara: “Sommige ‘hoge’, erg gewonde Duitse militairen werden met veel ceremonie gedecoreerd. Ze werden geëerd met een ‘kruis’ en daarna per vliegtuig naar de Heimat getransporteerd om daar te sterven.”
        Michel, haar verloofde, zwierf ondertussen door het land, op zoek naar werk en onderkomen. Hij weigerde “het beruchte papiertje”, of je al of niet van joodse afkomst bent, te tekenen. Hij en Sara waren inmiddels verloofd, sinds 30 juni, maar de directrice van het Gemeenteziekenhuis gaf Sara de raad de verloving officieel te verbreken, “met het oog op de moffenmeiden onder de verpleegsters”.

Op de trouwdag, 28 mei 1942, ondertekent Sara’s moeder Adriana

Op de trouwdag, 28 mei 1942, ondertekent Sara’s moeder Adriana, gekleed in Zeeuwse klederdracht,
mede de huwelijksakte, in het stadhuis van Dordrecht.
Foto Familiebezit

Wedstrijd
Behalve haar levensverhaal, dat zij in 1997 schreef op verzoek van haar dochter Els, heeft Sara Peekel nóg een verhaal achtergelaten. Het werd door puur toeval door de redactie van deze website ontdekt op ‘Delpher’, de onvolprezen krantenbank van de Koninklijke Bibliotheek. Daar werd een artikel aangetroffen dat op 27 juli 1967, dus dertig jaar eerder, was gepubliceerd in Het Vrije Volk (HVV).
        Dit dagblad had een prijsvraag uitgeschreven, waarbij echtparen werden uitgenodigd een bijzonder verhaal over hun bruiloft in te leveren. Vijfentwintig mensen deden mee, onder wie Sara. De schrijvers kregen met hun partner een groot feest aangeboden, waarop de hoofdprijswinnaar bekendgemaakt zou worden. De hoofdprijs was een bezoek aan de Wereldtentoonstelling in Montreal, met Canadian Airlines.
        Sara won de vliegreis niet. Maar het verslag van haar trouwdag, plus een beschrijving van voorgaande oorlogsjaren, werd gepubliceerd in de krant. Het verslag werd herontdekt in 2016, en dat weer leidde tot een speurtocht: wie die voormalige Dordtse verpleegster dan wel was? Al doende werd via via een dochter van Sara gevonden, Els de Winter-Peekel, die desgevraagd prompt aanvullende documentatie beschikbaar stelde, alsook enkele foto’s.
        Terug naar de oorlog.
        Joden waren in de voorgaande jaren in toenemende mate buitengesloten. Ze raakten hun baan kwijt, moesten hun radio’s en fietsen inleveren, ze mochten niet meer reizen, niet meer naar parken, bioscopen, hun scholen. De maatregelen raakten niet Sara en Michel; zij werden niet als joden gezien. Maar ze zagen wel hoe de zich opstapelende verboden de joodse familieleden van Michel raakten.
        In 1942 werd alles ernstiger, huiveringwekkender. Nu begonnen “de wegvoeringen”. Het huwelijk dat Sara en Michel zich hadden voorgenomen, liep gevaar.

Dit is het verhaal over haar huwelijksdag, waarmee Sara Peekel meedeed

Dit is het verhaal over haar huwelijksdag, waarmee Sara Peekel meedeed aan een prijsvraag, die ze overigens niet won.
Het artikel stond in Het Vrije Volk van 27 juli 1967.
Foto Delpher

Verbod
Uit betrouwbare bron vernamen zij namelijk dat er “binnen zeer korte tijd” een nieuw verbod zou komen: niet-joden mochten niet meer met joden trouwen. Daar schrokken Sara en Michel van. Ze besloten inderhaast te trouwen; ze waren bang dat het anders niet meer zou kunnen.
        “Michel had juist ’n zeer weinig betaalde baan gekregen in Spijkenisse”, schrijft Sara erover in HVV. “Ondanks dat we geld noch goederen hadden, besloten we direct na mijn eindexamen in mei te trouwen. Dat velen door onze haast aan een andere oorzaak dachten, was logisch.” Ze zouden trouwen in Dordrecht, háár woonplaats immers, en daarna proberen in Rotterdam te gaan wonen, “daar Michel nog geen vestigingsvergunning voor Spijkenisse had.”
        Op 5 mei stond het in de Dordrechtsche Courant – dat de dag ervoor onder anderen zuster S.M. de Reij was geslaagd voor het examen “ter verkrijging van diploma A voor ziekenverpleging”. Sara kon gaan trouwen.
        Op donderdag 28 mei 1942 was het zover, de bruiloft. Sara’s moeder Adriana kwam in Zeeuwse klederdracht naar Dordrecht. Michel’s vader Hartog, die samen met zijn vrouw per trein van Rotterdam naar Dordrecht reisde, droeg een jas. Reizen was voor sterdragers zoals hij er een was verboden. Maar zijn jas had een brede kraag en daarmee kon hij de ster verbergen. En hij hield er een krant voor. Sara en Michel vertrokken een trein later uit Rotterdam. “Wij gingen met een volgende, om moeilijkheden bij eventuele controle te voorkomen.”
        De trein had vertraging en daardoor kwam het bruidspaar “puffend en hijgend een kwartiertje te laat” bij het stadhuis aan, “binnengesleept door onze verontruste familie”. De trouwambtenaar was verbolgen, hij wilde “juist zonder ons beginnen met de andere paartjes”.

Een zeldzame foto van tante Jo

Chel en Sara met de twee dochters die zij in de oorlog kregen. De foto werd als ansichtkaart naar familie in Middelburg gestuurd.
Foto Familiebezit


Sara Peekel op latere leeftijd

Sara Peekel op latere leeftijd.
Ze woonde na Rotterdam in Krimpen a.d. IJssel
en ten slotte in Ameide.
Foto Familiebezit

Stilte
Toen de plechtigheid kon beginnen, vroeg de ambtenaar eerst “onvriendelijk waarom we ons toekomstig adres niet opgegeven hadden”. Voordat Sara en Michel konden uitleggen dat zij dit de avond ervoor zelf pas wisten, ontstond er plotseling stilte. De oorzaak: Hartog Peekel, de schoonvader van Sara, had achter hen plaatsgenomen, zichtbaar met de gele davidster. “Een zacht gemompel” klonk in de trouwzaal, onder de familieleden van de andere paren. “De ambtenaar was opeens zeer voorkomend.”
        In het publiek fluisterde iemand: “Je kunt wel zien dat zij een jodinnetje is.” Sara, hierover in HVV: “Die grote neus van mij had me al meer in moeilijkheden gebracht.” En ook schreef ze: “Van de huwelijksplechtigheid weet ik niets meer.”
        De receptie werd ’s avonds eenvoudig gevierd in Rotterdam, in de woning van Sara’s halfbroer Adrie en diens vrouw Rie, in de Balsemienstraat 49b. Daar kwamen enkele Rotterdamse joodse familieleden het bruidspaar feliciteren. Els: “Op de receptie heerste een bedrukte stemming. Rie had gezorgd voor koffie, thee en drankjes. Dat was in 1942 nog niet zo gemakkelijk.”
        Dit was meteen ook de laatste keer dat zij elkaar hebben kunnen zien. Enkele maanden later waren ze allemaal dood, vermoord. Niemand van de broers en zussen van Hartog Peekel, Michel’s vader, bleef in leven. Ook de oude grootvader, opa Machiel Peekel, werd vergast. Twee paartjes trouwden nog in kamp Westerbork, “om zo samen de dood tegemoet te gaan”, schreef Sara. Dat waren Bloeme Peekel en Hartog (‘Harry’) Levie, en Clara Marx en Moses Eliazer Ossendrijver.
        In een apart kader, via deze link oproepbaar, worden al deze slachtoffers vermeld. Het zijn er 29. Zo feestelijk als de trouwdag was geweest, zo gruwelijk waren de maanden erna.

Sara en Michel opnieuw samen in Middelburg, nu in 1996

Sara en Michel opnieuw samen in Middelburg, nu in 1996.
Foto Familiebezit

Afscheidsbrieven
Op de website van Joods Erfgoed Rotterdam staat een reconstructie van de laatste weken van de afzonderlijke familieleden, gebaseerd op memoires die Michel Peekel schreef en die zijn dochter Els beschikbaar stelde. Er valt te lezen hoe en waar sommigen van hen werden opgepakt, via welke route ze hun dood tegemoet gingen, en er worden afscheidsbrieven geciteerd die Henriëtte (‘Jet’) nog wist te versturen (zie: joodserfgoedrotterdam.nl).
        Jet zorgde voor haar vader Machiel sinds hij weduwnaar was geworden. Via een briefje bracht ze de familie ervan op de hoogte dat zij beiden in Loods 24 zaten, de beruchte Rotterdamse verzamelplaats voor deportatie van joden aan de Stieltjesstraat. Ze berichtte: “Vader en ik zijn ca. half elf gehaald. We zijn heel kalm en flink. Ik verwachtte het en schrok niet zo erg. We zijn met een taxi gegaan. Vader is heel kalm. Ik ook, hoor. Hart.gr. tot ziens, Vader en Jet.”
        Haar oudere broer Hartog ontving een lange, aangrijpende brief vanuit Westerbork. Citaat: “Menschen, we zullen maken wat we er van kunnen maken.” En vanuit de trein naar Auschwitz gooide Jet een laatste briefkaart, gedateerd 30 oktober 1942. “Ik schrijf aan allen in den trein hopende er enkele van terecht komen. We aanvaarden de groote reis. We zijn erg kalm hoor. Vader ook. (…) Maak je niet bezorgd hoor! (…) Kop op, tot kijk hoor! Dag.”

Sarie en Chel, op jonge leeftijd

Nogmaals Sara en Michel, oftwel Sarie en Chel, op jonge leeftijd. De regel ‘Hier sta best op hoor’ schreef Chel onder de foto toen hij 97 was. Hij overleed in 2012, op 98-jarige leeftijd; Sara in 2002, op 92-jarige leeftijd.
Foto Familiebezit

Op tijd
Sara en Michel hadden groot geluk. Niet alleen kregen zij in de oorlog twee kinderen, met z’n vieren wisten zij die oorlog ook nog eens te overleven - net als Hartog en Adriana (Michel’s ouders) en zijn broer Krik Peekel, diens vrouw Margaretha Catharina Maria (Gré) van Lieshout (Rotterdam, 27.8.1914) en hun dochter.
        Maar dit compenseerde niet het verdriet. De familie Peekel was nu nagenoeg ausradiert. Zoals Sara schreef in HVV: “Onze huwelijksjaren waren angstig, vooral na de geboorte van onze dochters in 1943-1944.” Ze rept van “armoe, ziekte, verdriet, angst”. Voor negen Peekels kwam “de vrijheid op tijd”, maar 29 andere Peekels werden tot as verbrand.
        Dochter Els voegt ter duiding toe: “Mijn ouders waren op het moment van de huwelijkssluiting wel voor enige tijd gelukkig. Maar het bestaan was die jaren erg heftig en deprimerend, hoewel hun leven niet zo direct bedreigd werd als dat van de joodse familieleden. In de oorlog hadden mijn grootouders nog hoop dat de jongsten uit de familie terug zouden komen. Het grote verdriet van mijn opa Hartog werd heel erg toen duidelijk werd dat er niemand was terug gekomen. En mijn opa en oma moesten hun verdriet alleen verwerken. De familie en de anderen om hen heen moesten heel snel hun leven opbouwen.”
        In de naoorlogse jaren probeerden de overgebleven Peekels het normale leven weer op te pakken. Sara en Michel kregen er nog een zoon bij. Toen in Rotterdam een tekort aan onderwijzers ontstond, ging Sara in 1954 als onderwijzeres werken. Daarnaast hield ze in die jaren ook de boekhouding bij van de firma Peekel aan de Mathenesserlaan 392. Deze zaak, waar je een grammofoonplaat kon laten opnemen en die ook radio- en tv-toestellen en hoorapparaten verkocht, was voor de oorlog al opgericht door Hartog, Michel’s vader. Michel nam de winkel en de klankstudio over van zijn broer Krik, die in de Spaanse Polder een fabriek opende.

***

Tegenwoordig leven de oudere overlevenden van de oorlog niet meer. Hartog stierf in Rotterdam in 1967, op 17 december, 81 jaar oud; zijn vrouw Adriana Luijendijk in Antwerpen op 4 september 1970. Sara overleed op 7 mei 2008 (92), haar echtgenoot Michel op 2 september 2012 (98) - in Ameide, waar zij na Rotterdam en Krimpen a.d. IJssel hun laatste jaren sleten in de nabijheid van het gezin van hun zoon.
        De familie Peekel is tegenwoordig weer talrijk. Sara en Michiel kregen drie kinderen, vier kleinkinderen en vier achterkleinkinderen. En dan zijn er nog de partners van al die kinderen en kleinkinderen. Evenzo kregen Krik en Gré vier kinderen en meerdere klein- en achterkleinkinderen. De Peekels hebben zich weer opgericht.



< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'