Het voorbije joodse dordrecht

Wat is er in hemelsnaam gebeurd op
de Singel, in ‘Pension van Asperen’?

Singel 212 (vroeger: 144), Pension van Asperen

In het midden van de foto: Singel 212 (vroeger: 144), het pand waar zich in de oorlog een drama afspeelde toen het nog ‘Pension van Asperen’ was.
Foto Redactie Website

Niets zie je er aan af tegenwoordig, stenen spreken immers niet.
        Maar in de woning op nummer 212 van de Singel in Dordrecht heeft zich 74 jaar geleden, in januari 1944, een regelrecht drama afgespeeld, dat verschillende mensen het leven heeft gekost.
        Voordat dit pand in de jaren vijftig werd omgenummerd, had het nummer 144 en een naam. Het werd ‘Pension Van Asperen’ genoemd. Eigenaar was Harmanus Rijk van Asperen, een geboren Amsterdammer van middelbare leeftijd, die lokaal bekend stond als rechtskundig adviseur. Volgens de gemeentelijke woonkaart is hij op 21 februari 1936 op het adres Singel 144 gaan wonen.
        En dan breekt die nacht van 3 op 4 januari 1944 aan. De Duitsers achtten Dordrecht al lang Judenrein, eind 1942 beschouwden zij de stad al als gezuiverd van joden. Dat was niet volledig zo. Sommigen doken onder en zagen al een paar jaar succesvol kans om uit het vizier van de nazi’s te blijven. Bijvoorbeeld de ‘bewoners’ van het pand Singel 144. Daar verbleef, verborgen voor de buitenwereld, een joods echtpaar, Barend en Henriëtte Bloemkoper. Van Asperen hanteerde een royale definitie van het woord pension.
        Maar die nacht viel de politie binnen. Hoe laat precies vermeldt het gedigitaliseerde dagjournaal van de Dordtse politie niet, maar in de vroege ochtend om 02.10 uur wordt genoteerd dat “in opdracht van de Politieke Politie” op het hoofdbureau zes personen in bewaring zijn gesteld, onder wie het echtpaar en pensionhouder Harmanus zelf. In de uren daarvoor moeten zij dus zijn gearresteerd.
        Later die ochtend, om 11.20 uur, worden in hetzelfde bureau de twee ondergedoken kinderen van het echtpaar opgesloten, de vierjarige Margaretha en de vijfjarige Marius. Het politierapport noemt niet het adres waar zij zijn aangetroffen. Misschien zaten ze elders in Dordrecht, en zijn ze gevonden nadat hun ouders onder druk waren gezet. Misschien hielden zij zich ook schuil in het pand aan de Singel.
        Nog weer later op die 4de januari, om 13.50 uur, levert de politie uit Breda, “op last van de Sicherheitspolitie”, in het Dordtse hoofdbureau drie mensen uit die Brabantse stad af, onder wie het joodse echtpaar Goldschmidt. De kwestie van de Bredanaren staat helemaal los van de arrestanten uit het pand Singel 144. De overeenkomst is alleen dat zij zich toevallig op een en dezelfde dag in het hoofdbureau bevonden, als buitgemaakte personen, en dat zij niet lang meer zouden leven. Het hoofdbureau was een tussenstation op weg naar hun dood.
        Het echtpaar Goldschmidt werd al voor het einde van de januarimaand, op de 28ste, vergast in Auschwitz. Het gezin Bloemkoper werd drie maanden later vernietigd, in april, ook in Auschwitz. Pensionhouder Harmanus kwam om het leven in Buchenwald, op 5 juni 1945. En de derde Bredanaar, Henricus Wilhelmus Meijer, stierf in Mauthausen, op 2 januari 1945. De drie andere van de zes arrestanten zijn in leven gebleven.
        Dit verhaal gaat over de bewoners van Singelpand 144. “Wat is daar in hemelsnaam gebeurd?”, is de vraag die opwelt uit het summiere politierapport. Hoe kwamen de jodenjagers van Dordrecht zo laat in de oorlog het gezin Bloemkoper op het spoor? Wie waren de onfortuinlijke arrestanten, hoe is het de overlevenden vergaan? Alle betrokkenen worden hier enigszins geschetst.
        De uitkomst van alle naspeuringen is overigens een intrieste: de politie-inval in die januarinacht was het gevolg van een nogal gangbare menselijke eigenschap: verraad.

ondertrouw en verloving

Ontwikkelingen in de familie Bloemkoper in een notedop: in het ‘Nieuw Israëlitisch Weekblad’ van 26.7.1907 kondigen Mietje Cohen en Marcus Bloemkoper aan dat zij in ondertrouw zijn gegaan en op 21 augustus zullen trouwen.
Barend, een van de twee zonen die het echtpaar kreeg, verlooft zich in oktober 1936 met de Dordtse Henriëtte (‘Hanny’) van den Bergh (NIW, 16.10.1936).
Foto’s Delpher

Onbezorgd
Harmanus Rijk van Asperen kende Dordrecht al voordat hij in 1936 aan de Singel dat pension begon − dat tot in de jaren zestig van de vorige eeuw een huis zou blijven waar je tegen vaste betaling kost en inwoning kon krijgen.
        Hij, geboren in Amsterdam op 20 maart 1894, had eerder namelijk in de Adriaan van Bleijenburgstraat gewoond, op nummer 32 rood (nu: 38). Hij kwam daar terecht nadat hij op 24 februari 1932 was gescheiden van de Amsterdamse Maria Geertruida Elisabeth Walters, met wie hij op 24 februari 1916 was getrouwd, beiden op 21-jarige leeftijd. Drie kinderen kreeg het echtpaar: Herman Jan (1916 – 2013), Jan Antoon (1919 – 1993) en Maria Anna Elisabeth (1921 – 2004). Maria Walters is overleden in Weesp, 89 jaar oud, op 11 januari 1985.
        In de oorlog ontpopte Harmanus zich als meer dan logiesgever. Volgens de Oorlogsgravenstichting sloot hij zich aan bij het verzet.
        Zes mensen, inclusief hijzelf, arresteerde de politie in die fatale januarinacht. Wie die andere vijf personen waren, en wat hun lot was, wordt hierna uiteengezet.
        Barend Bloemkoper en zijn vrouw Henriëtte Johanna van den Berg hadden het meest te vrezen van hun verblijf in het pension. Zij waren joods, en in de ogen van de Duitsers mochten zij er niet zijn. Zij verstopten zich in het pand, hopend dat niemand hun aanwezigheid ooit zou opmerken. Vooral voor Henriëtte zal dit schuilhouden pijnlijk zijn geweest. Onopvallend turend vanuit een raam kon zij aan de overkant van de Singel, op nummer 135 (nu: 201), naar haar ouderlijk huis kijken, de woning waar zij in haar kinderjaren nog vrijelijk en onbezorgd kon rondlopen.
        Of zij het geweten heeft, is niet meer te achterhalen. Maar Henriëttes ouders leefden al niet meer in 1944. Haar vader Joseph van den Berg (Dordrecht, 23.5.1880) en haar moeder Margaretha van den Berg-Goldschmidt (Dortmund, 8.9.1882) waren tegelijk vermoord in Auschwitz, twee jaar daarvoor al, op 7 december 1942, hij 62 jaar oud, zij 60 (zie verhaal 39).

Barend en Hanny krijgen in Den Haag twee kinderen

Barend en Hanny krijgen in Den Haag twee kinderen: Marius Jo (1938) en Margaretha Meta (1939). Dit zijn hun geboorteberichten, beide keren in de ‘Haagsche Courant’, op respectievelijk 7.9.1938 en 30.11.1939.
Foto’s Delpher

Nieuw leven
Henriëtte (Dordrecht, 12.12.1919) had het ouderlijk huis op haar trouwdag verlaten. De bruiloft had plaats in Dordrecht op 12 mei 1937, daarna was zij met haar oudere echtgenoot Barend (Den Haag, 2.7.1908) naar zijn geboortestad vertrokken. Korte tijd later, op 1 juni 1937, betrok het echtpaar in Dordrecht een woning aan de Riouwstraat 179, het startpunt van een nieuw leven.
        Kort na elkaar kregen Barend en Henriëtte (roepnaam ‘Hanny’) twee kinderen, en jongen en een meisje: Marius Jo (Den Haag, 7.9.1938) en Margaretha Meta (Den Haag, 30.11.1939). Barend was van beroep, zo deelt de website ‘Joods Monument’ mee, een grossier in klokken. Maar de site vermeldt ook dat hij als verpleeghulp werkte bij het Israëlische Oude mannen- en vrouwenhuis in Den Haag. Zijn vrouw trouwens ook, als huishoudster.
        Barend Bloemkoper was de oudste zoon van goudsmid Marcus Bloemkoper (Amsterdam, 24.12.1880) en Mietje Bloemkoper-Cohen (Enschede, 28.10.1877). Dit echtpaar, dat trouwde op 21.8.1907 in Enschede, kreeg behalve Barend nog een zoon: Izak (Den Haag, 20.6.1913). Het gezin woonde op het laatst in de Van Hogenhoucklaan 74 in Den Haag. Izak was winkelbediende.
        Per wanneer het gezin Bloemkoper zich genoodzaakt zag onder te duiken, is niet vast te stellen. Maar één veelzeggende aanwijzing zijn de advertenties die mevrouw Bloemkoper nog op 11 juli 1941 en op 21 november 1941 liet plaatsen in Het Joodsche Weekblad. In de eerste vraagt zij “terstond” om een “beschaafde kinderjuffrouw intern”; in de tweede zoekt ze “tegen 15 december” een “nette dienstbode voor dag en nacht, tegen hoog loon”. Aannemelijk is dat het echtpaar pas daarna Den Haag is ontvlucht.
        Nog een bepalende indicatie over de onderduik is de advertentie die Barend in hetzelfde weekblad liet zetten op 19 maart 1943. Hij heeft vernomen dat drie dagen eerder, op 16 maart, zijn vader Marcus is overleden, “in de ouderdom van 62 jaar”. Die bevond zich in die tijd in Amsterdam, op de Nieuwe Prinsengracht 21, zo blijkt uit de overlijdensadvertentie, die “uit aller naam” is geplaatst door zijn zoon Barend.
        Hoe dan ook, op enig moment belandden Barend en Margaretha in Dordrecht, waar ze van harte welkom waren in Pension van Asperen. Vanzelfsprekend hadden zij hun kinderen meegenomen, maar zoals gezegd is onzeker waar die vervolgens werden ondergebracht. Iedereen was voorlopig betrekkelijk veilig, en lang wist men althans buiten het zicht van de moordzuchtige Duitsers te blijven − tot 4 januari 1944.

Haagse archiefkaart van de familie Bloemkoper

De Haagse archiefkaart van de familie Bloemkoper, voor- en achterzijde. Margaretha is nog niet geboren.
Foto Gemeentearchief Den Haag


Riouwstraat 179 Den Haag

Het gezin Bloemkoper woonde vanaf 1 juni 1937 in de Riouwstraat,
op nummer 179, het pand rechts van de boom.
Foto Redactie Website

Assistent
Alle overige bewoners van het pension waren niet-joods.
        Hendrik Albert Bosscher verbleef er bijvoorbeeld. Hij was afkomstig uit Limburg, geboren als hij is in Venlo op 15 juli 1914. In het politierapport, opgemaakt na de inval, staat dat hij werkzaam was als assistent in een metaalwarenfabriek. Bosscher, zoon van Filippus Fokko Bosscher en Johanna Snijders, meldde zich in het pension op 25 augustus 1943, volgens de stapel gedigitaliseerde woonkaarten van het kosthuis. Hij kwam van elders uit Dordrecht, uit de Borneostraat 14 en is per 10 juni 1944 gaan wonen aan de Haaswijkweg West op nummer A 340a (nu: 96). Dit duidt erop dat Bosscher na zijn arrestatie is vrijgelaten. Op 19 september 1945 verhuisde hij naar Eindhoven.
        Ten slotte logeerden in het pension ook twee broers: Johannes Maria Crone en Bernardus Bonefacius Maria Crone. Zij zijn telgen van een familie die in Dordrecht een confectie- en kledingbedrijf dreef, opgericht in 1934, aan de Wijnstraat 163 en om de hoek aan de Gravenstraat 22-26: Gebr. Crone Kledingfabrieken NV.
        Johannes en Bernardus zijn respectievelijk geboren, beiden in Dordrecht, op 9 januari 1917 en 3 januari 1918. Zij zijn kind 4 en 5 van Simon Johannes Joseph Crone (Alkmaar, 24.8.1884) en Gerarda Margaretha Peet (Hilversum, 24.10.1887), die in totaal zes kinderen kregen, vijf zonen en één dochter. Het rooms-katholieke gezin Crone woonde op de Voorstraat, op nummer 282. Vader Simon wordt op de gemeentelijke gezinskaart aanvankelijk nog omschreven als directeur van (het Dordtse filiaal van) de NV Gebrs. Bischoff Kledingmagazijnen.
        Het politierapport noemt Jannes een procuratiehouder, Bernardus een bedrijfsleider. Waarom deze Crones zich ophielden in een pension, is niet duidelijk. Misschien probeerden zij zo aan de Arbeitseinsatz te ontkomen. Dwangarbeid gold voor alle mannen van 18 tot 35 jaar, de broers Crone waren er als twintigers ‘geschikt’ voor.
        Sowieso zwierven deze Crones nogal rond. Uit politieberichten van de oorlogstijd blijkt dat zowel Johannes als Bernardus op 1 november 1942 nog woonden in de Cornelis van Beverenstraat, op nummer 17 rood (nu: 25), op 4 juni 1943 was het adres ineens Steegoversloot 83 rood (nu: 105). Daarna begaven ze zich waarschijnlijk naar Singel 144.

mevrouw Bloemkoper liet nog advertenties plaatsen

In de oorlog dook het gezin onder, in Dordrecht. Vanaf welke datum dat was, is niet bekend. Maar in het begin van de oorlog liet mevrouw Bloemkoper nog advertenties plaatsen, waarin ze vroeg om een “beschaafde kinderjuffrouw” (Het Joodsche Weekblad, 11.7.1941) en een “nette dienstbode” (HJW, 21.11.1941). Dus in die tijd woonde het gezin nog altijd in Den Haag. In de ‘Haagsche Courant’ van 9 oktober 1943, nog later in de oorlog, wordt een decoupeerzaagmachine aangeboden, te bezichtigen in het woonhuis van Bloemkoper aan de Riouwstraat. Het lijkt alsof de familie nog altijd in Den Haag was.
Foto’s Delpher

Cel
En daar werden zij opgepakt in die januarinacht. De beide broers belandden in een cel, samen met de andere pensionbewoners en pensioneigenaar Van Asperen. Zoals de inleiding al meldt, kwamen later op dinsdag 4 januari de kinderen Bloemkoper erbij, en drie mensen uit Breda. Dit waren, volledigheidshalve, de vertegenwoordiger Siegfried Goldschmidt (Dortmund, 18.11.1883), zijn vrouw Margarethe Sara Goldschmidt-Grünewald (Keulen, 24.8.1894), en Henricus Wilhelmus Meijer (Hoeven, 28.12.1880). Waarom zij van Breda naar Dordrecht werden getransporteerd, is niet bekend.
        Op 5 januari werden bij al deze mensen nog enkele arrestanten gevoegd die de politie blijkbaar intussen had weten op te sporen. Om 00.00 uur waren volgens het politierapport extra aanwezig: A.J. de Vor, A. Faasen, G. Faasen, H. Verstijlen en J.C. Morks. Als ’s middags om 15.30 uur de arrestanten door de Politieke Politie worden “afgehaald”, is van de nieuwe arrestanten alleen Morks overgebleven. Wellicht zijn de anderen vrijgelaten. Het lot van Morks is al even droevig als dat van de meeste overige afgevoerden. Johan Coenraad Morks, geboren in Dordrecht op 16.6.1893, boekhandelaar van beroep, en op 29.9.1921 in Rotterdam getrouwd met Annetje Maria Schelling (Oud-Beijerland, 18.7.1894) sterft in Dachau, op 13 januari 1945. Volgens de Oorlogsgravenstichting was hij een verzetsman.
        Het gezin Bloemkoper, het echtpaar Goldschmidt, de heren Meijer, Morks en Van Asperen laten het leven in verre kampen. De enige gevangenen van 4 en 5 januari 1944 die overleven, zijn de heer Bosscher, en de broers Crone. Hendrik Bosscher weet tachtig te worden. Hij overlijdt op 22 december 1994 en ligt begraven op de begraafplaats ‘De Bieberg’ in Breda.
        Over de broers Crone is iets meer bekend. Johannes bijvoorbeeld duikt kort na de oorlog, op 28 juni 1945, op in Dordrecht, komend uit Bloemendaal, uit de Crommelinlaan 18. Op 23 oktober verhuist hij weer naar dat Bloemendaalse adres, om op 28 februari 1946, weer naar Dordt te gaan, notabene naar Pension van Asperen. Dit keer blijft hij er maar even, tot 7 juni. Hij verhuist dan opnieuw naar Bloemendaal, wederom naar de Crommelinlaan 18. Uiteindelijk gaat hij in Amsterdam wonen, samen met zijn echtgenote J.A. Seijffert.
        Bernardus vindt al evenmin direct een vaste stek. Hij woont eerst, vanaf 4 januari 1946, in Zaandam, vervolgens vanaf 28 augustus 1946 in Bloemendaal, gaat op 15 maart 1949 naar Dordt, naar de Reeweg Oost 137, om zich op 20 augustus 1952 te vestigen in Amsterdam, in de Eerste Bloemdwarsstraat 22 II. Op 3 november 1953 trouwt hij in Amsterdam met Cornelia Johanna Oort, die hem twee kinderen schenkt: Alexander Johan Simon (9.9.1957) en Erwin Werner Nicolaas (2.4.1959).

Barend’s vader Marcus overlijdt op 16 maart 1943

Midden in de oorlog overlijdt op 62-jarige leeftijd Barend’s vader Marcus, op 16 maart 1943. Hij woonde in Amsterdam, op de Nieuwe Prinsengracht. De advertentie is “uit aller naam” geplaatst door Barend. In ‘Het Joodsche Weekblad’ verscheen op 19 maart een korte necrologie over Marcus.
Foto’s Delpher

Verraad
Hoe ontdekten nu de jodenhaters van de Dordtse politie het echtpaar Bloemkoper?
        Lang bleef dit mistig, totdat de Dordtse archiefonderzoekster Erica van Dooremalen, op de hoogte van het drama in Singelpand 144, in de besloten krantenbank van het Dordtse archief twee alles verklarende verslagen vond van zittingen van het na-oorlogse tribunaal, beide uit 1947 en gepubliceerd in De Dordtenaar. Verraad bleek ten grondslag te liggen aan de onontkoombare gasdood van het gezin Bloemkoper.
        In het ene knipsel, gedateerd, 30 april, komt Sija Pieternella Vendeville aan het woord, geboren in Rotterdam op 5 maart 1922 als dochter, zesde en laatste kind van Hendrik Vendeville (Wissekerke, 16.4.1886) en Cornelia Suzanna Koopmans (Brouwershaven, 30.12.1889). Het gezin vertrok op 30 juni 1924 vanuit Rotterdam naar Papendrecht, naar Westeind E87. Daar overleed de moeder op 22 april 1928.
        Het gezin viel uit elkaar. Sija Vendeville ging naar de overkant, naar Dordrecht, op 2 juli 1928, samen met twee zussen. Twee broers van haar verhuisden naar Middelburg. Haar vader vestigde zich ook in Dordrecht, samen met twee andere kinderen, maar pas op 25 juli 1930. In de navolgende jaren woont Sija in een doorgangshuis aan de Vest 57, in Amersfoort (tussen november 1936 en mei 1938) en opnieuw in Dordt, in de Nieuwstraat (mei tot november 1938), op nummer 36 rood. In november dat jaar vertrekt ze weer naar hetzelfde adres in Amersfoort, maar verlaat de stad voor Apeldoorn. Ze trekt in april 1941 naar Oldebroek, keert heel even terug in Dordt, op de Noordendijk 26 zwart (nu: 48), zoekt toch weer Oldebroek op, eind mei 1943 en belandt daarna in Doornspijk.
        Een rusteloos zwervend bestaan leidt ze.
        Rechtstreeks komend vanuit Doornspijk wordt zij op 19 november 1943 tewerkgesteld als dienstbode in Pension van Asperen. Daar wordt ze op een dag ontslagen, naar haar zeggen omdat ze “eenmaal den nacht in Rotterdam had doorgebracht”.

Barend, Hanny en de kinderen duiken onder in Dordrecht

Barend, Hanny en de kinderen duiken onder in Dordrecht. Of zij allen op hetzelfde adres zijn gaan schuilen is niet bekend. Maar de vader en moeder belanden in ‘Pension van Asperen’ aan de Singel. Hanny kent deze straat goed, haar eigen familie woonde aan de overkant, op nummer 135 (nu: 201).
Foto Redactie Website

Raadselachtig
Zij was met die “mededeeling” van ontslag naar de kringleider Dordrecht gestapt van het Nederlandsche Arbeidersfront (NAF), een nationaal-socialistische vakcentrale. Dit was de heer A. van Waardenburg, een kantoorbediende, geboren op 27 mei 1916, die ook lid was van de NSB, de Nederlandse Volksdienst (NVB), de Germaanse SS en die daarnaast dienst had gedaan als wachtcommandant bij de landwacht. “En passant” had Vendeville verteld dat “bij den heer Van Asperen Joden waren ondergedoken, hetgeen voor den kringleider aanleiding was geweest om Den Breejen (een jodenjager van de Politieke Politie, red.) in den arm te nemen, met het voormelde noodlottige gevolg”.
        Dat gevolg werd in de voorgaande alinea genoemd: “De Joden waren op transport gesteld en nooit meer teruggekeerd uit het oord der verschrikking.” En: “Ook de heer Van Asperen heeft ditzelfde lot ondergaan.”
        De jongeman met wie Sija Vendeville de bewuste nacht had doorgebracht, verklaarde tegenover het Tribunaal dat hij “haar in het NAF-huis had zien binnengaan”. Desondanks bleef Vendeville het verraad ontkennen. Ze sprak de “raadselachtige woorden”, aldus de krant: “Al zou ik tien jaar moeten zitten, eens zult u zien wie dit verraad heeft gepleegd.” Tribunaal-voorzitter mr. Aalders schorste hierop de zaak “voor onbepaalden tijd, teneinde nog meer getuigen te hooren”.
        Op 21 november 1947 kwam de vervolgzitting. Van Waardenburg werd nu gehoord. Had hij aan Den Breejen de namen van Joden doorgegeven? Was hij de werkelijke verrader of Sija Vendeville?
        Van Waardenburg vertelde wat zich had afgespeeld. Het verslag: “De dienstbode van de heer Van Asperen had hem in zijn functie van kringleider van het NAF opgezocht en verteld, dat er Joden waren. Zij was reeds bij de politieke politie geweest, maar had er niemand aangetroffen. Ze vroeg toen of ik het door wilde geven, maar ik heb haar verwezen naar Den Breejen, want ik wilde geen verrader spelen. Dit vond zij te ver en daar het al donker was, eiste zij van mij, dat ik het door zou geven, daar zij anders andere maatregelen zou nemen. De volgende dag heb ik dit aan Den Breejen verteld en deze heeft met Evers (ook een politiële jodenjager, red.) met Evers de Joden en de heer Van Asperen opgehaald, terwijl ik buiten moest blijven staan.”

In de nacht van 3 op 4 januari 1944 worden Barend en Hanny ontdekt in Pension van Asperen

In de nacht van 3 op 4 januari 1944 worden Barend en Hanny ontdekt in ‘Pension van Asperen’, de dienstbode heeft ze verraden, zo bleek later. Het dagrapport van de Dordtse politie meldt dat de Bloemkopers om 02.10 uur in bewaren zijn gesteld. Naderhand komen ook hun kinderen hier terecht. Ook de eigenaar van het pension, Harmanus Rijk van Asperen, wordt gearresteerd, evenals de andere bewoners, zoals Hendrik Albert Bosscher, Johannes Maria Crone en Bernardus Bonfacius Maria Crone. Het gezin Bloemkoper wordt drie maanden later vermoord in Auschwitz, Harmanus eindigt in Buchenwald, in juni 1945.
Foto Erica van Dooremalen

Initiatief
Dan komt er een getuige aan het woord, ene heer Schippers uit Streefkerk. Die verklaart dat Van Waardenburg “68 mensen uit Duitsland had gehouden”. Het verslag vervolgt met: “Mr. M.W. Beernink, de raadsman, bracht in zijn pleidooi naar voren dat het initiatief van het verraad van de dienstbode was uitgegaan. Beschuldigde (Van Waardenburg, red.) voelde zich als oud-S.D.A.P.-er zoals er gelukkig maar weinig zijn, aangetrokken door het sociale element in de N.S.B. en ging van het internationale socialisme over naar het “Germaans” socialisme.”
        Beernink vroeg als pleiter om onmiddellijke invrijheidstelling. “Na in de raadkamer geweest te zijn, adviseerde het tribunaal echter internering van vier jaar met aftrek, waarvan een jaar voorwaardelijk, zodat deze eindigt op 6 Mei 1948, ontzetting uit de kiesrechten en onder toezichtstelling van de stichting Politieke Delinquenten. Het tribunaal nam in aanmerking, dat de dienstbode de eerste schuldige is aan het verraad van de Joden.”
        Tot welke straf Sija Vendeville is veroordeeld is in de krantenbank niet terug te vinden.
        Hoe haar verdere leven verliep? Het Vrije Volk bericht op 7 oktober 1949 dat de 27-jarige Sija Vendeville in Rotterdam is getrouwd met de 32-jarige Franciscus van Weelden. Op 3 juli bericht De Rotterdammer dat zij een dag eerder is bevallen van een zoon. Dit is niet haar eerste kind, in oktober 1945 is in een Dordts politiebericht al sprake van een zoontje Bernhard, geboren op 2 september 1945. Bij die gelegenheid noteerde de politie dat aan Sija Vendeville “nachtverblijf aan het bureau is verleend”.
        Het eerste kind, Bernhard, overlijdt op 8 mei 1974, aldus het Reformatorisch Dagblad op de 9de, in het St. Elizabeth-ziekenhuis in Tilburg aan de gevolgen van een verkeersongeluk. De 29-jarige Vendeville was eerder die dag ’s ochtends met zijn auto bij een inhaalmanoeuvre in de middenberm terechtgekomen, en tegen een boom gebotst.
        Inmiddels zijn Sija en Franciscus van Weelden beiden overleden. Sija na een ziekbed en zij is begraven in Klaaswaal. Haar man na een hartstilstand; hij is begraven in Woerden. Hun overlijdensdata worden op de genealogische site Geni niet genoemd.

***

Harmanus Rijk van Asperen, de man om wie het pension draaide, is niet onopgemerkt gebleven. Hij mag dan kort na de bevrijding van het concentratiekamp Buchenwald − op 11 april 1945 bevrijd door de zesde pantserdivisie van het derde Amerikaanse leger – alsnog zijn overleden, misschien wel van uitputting, zijn lichaam is niet achteloos in een kuil beland, zoals velen is overkomen. Van Asperen is netjes begraven op het Nederlandse Ereveld, dat te vinden is op het Heger Friedhof aan de Rheiner Landstrasse in Osnabrück-Westerberg.
         Dit ereveld, ingewijd op 23 augustus 1954, is de centrale begraaf- en gedenkplaats voor Nederlanders “die omkwamen in het westelijk deel van de deelstaat Nieder-Sachsen”, licht de Oorlogsgravenstichting toe. Het ereveld telt 393 graven. Ook bevindt zich hier een stenen drieluik, met de namen van nog eens 140 Nederlandse oorlogsslachtoffers. Van Asperen ligt in vak J14.




< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'