Het voorbije joodse dordrecht

Persoonsbewijs Maurits van Praagh
stond op naam van Dordtse thuisloze

Leger des Heils aan het Kromhout

Dit is het oude maatschappelijk centrum van het Leger des Heils aan het Kromhout. Piconius Verbrugge moest dit gebouw, daterend van 1933, verlaten in 1975, omdat het werd gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Hij en de andere dak- en thuislozen werden zolang ondergebracht in een pand aan het Van Baerleplantsoen, waar thans Woonbron is gevestigd en eerder bijvoorbeeld het sanatorium Weizigt.
Foto RAD (nr. 554_35054)

Op 15 april 1975 meldde zich bij de nachtopvang van het Leger des Heils in Dordrecht, aan Kromhout 110, ene Piconius Verbrugge. Hij kwam uit Den Haag en zocht een slaapplaats. Die kreeg hij en de thuisloze verbleef er tot 18 juni.
        Daarna werden alle bewoners, inclusief Verbrugge, tijdelijk verplaatst naar een plaatsvervangend gebouw van het Leger des Heils, aan het Van Baerleplantsoen 26-28. Toen aan het Kromhout 110 een compleet nieuw, zogenoemd maatschappelijk centrum was verrezen, het oude dateerde van 1933, konden de bewoners er weer terecht. Op 26 mei 1978 kwam Verbrugge er weer te wonen. Deze keer bleef hij er tot 24 april 1979. Vervolgens vertrok hij naar Eindhoven. Bij elkaar vertoefde hij dus vier jaar in Dordrecht.
        Niks bijzonders, oninteressant eigenlijk, nauwelijks het vermelden waard. Hier was sprake van een rondtrekkende Nederlander. Daar zijn er doorlopend velen van.
        Maar van deze Piconius Verbrugge, deze tijdelijke Dordtenaar, bevindt zich in Israël een persoonsbewijs uit de oorlogsjaren in Yad Vashem, het vermaarde Holocaustonderzoeks- en herinneringscentrum in Jeruzalem.
        Als geboorteplaats wordt Rotterdam genoemd, als geboortedatum 14 januari 1905, en dat klopt allemaal. Die gegevens horen onweerlegbaar bij Piconius Verbrugge. Alleen is de foto die er aan bevestigd is, van iemand anders – namelijk van Maurits van Praagh.
        Hoe dat hier zo met zekerheid gesteld kan worden? Omdat in dezelfde database van Yad Vashem ook Van Praaghs eigen, originele persoonsbewijs is te vinden. En daarop is exact dezelfde pasfoto aangebracht, maar met afwijkende persoonsgegevens: geboren in ’s-Gravenzande, op 11 november 1898.
        Maurits van Praagh, een joodse man die de Tweede Wereldoorlog heeft overleefd, droeg met andere woorden tijdens de bezetting een vervalst persoonsbewijs bij zich, op naam van Piconius Verbrugge.
        Hebben zij elkaar gekend? Heeft Verbrugge zijn identiteit vrijwillig afgestaan aan Van Praagh, of is dit buiten zijn medeweten gebeurd? En heeft Van Praagh misschien wel zijn leven te danken aan het vervalste document? Wie waren deze beide mannen verder?
        Een ongewoon verhaal over een onopvallende man die in de jaren zeventig tijdelijk in Dordrecht bivakkeerde.

gezinskaarten van de families Verbrugge en Van Praagh

De gezinskaarten van de families Verbrugge en Van Praagh. Jan en Pieternella Verbrugge kregen uiteindelijk 15 kinderen (nummer 15, Leendert Barend, ontbreekt nog op deze kaart); Maurits en Rosetta van Praagh twee.
Foto’s Gemeentearchief Rotterdam en Den Haag

Woonkaarten
De Dordtse archiefonderzoekster Erica van Dooremalen is al jaren doende om de (duizenden) woonkaarten van Dordrecht te fotograferen en vervolgens over te tikken, voor haar website ‘Dordtenazoeker’. Eind 2016 was het woningboekje van Kromhout 110 aan de beurt. Op dit adres worden door het Leger des Heils al decennia daklozen geholpen.
        Van Dooremalen stuitte al transcriberend op een nogal ongebruikelijke naam, Piconius Verbrugge. Hij had er dik veertig jaar terug gelogeerd. Databases raadplegend vond Van Dooremalen bij Yad Vashem een compleet dossier, met zorgvuldig gearchiveerde documenten, over ene Maurits van Praagh. Een familielid had, zo viel te concluderen, paperassen van hem die verband hielden met de oorlog, overhandigd aan Yad Vashem. En dit centrum presenteerde al deze bescheiden op zijn website.
        Verbrugges naam bleek te zijn gebruikt voor een vals persoonsbewijs, ontdekte Van Dooremalen, die daarop de redactie van de Dordtse Stolpersteine-website tipte.
        Een speurtocht begon. Wat was hier gaande?

Rosetta van Praagh en haar dochter Eva

Dit zijn Rosetta van Praagh en haar dochter Eva. De foto’s zijn gevonden op de website ‘Joods Monument’.
Foto’s Joods Monument


Piconius Verbrugge werd regelmatig opgepakt en veroordeeld

Piconius Verbrugge werd regelmatig opgepakt en veroordeeld. Dit zijn twee voorbeelden uit 1935, uit het Leeuwarder Nieuwsblad van 21 en 27 augustus.
Foto’s Delpher

Piconius Verbrugge werd regelmatig opgepakt en veroordeeld

Twintig jaar later, in de jaren vijftig, betoonde hij zich nog dezelfde kleine crimineel. Deze twee voorbeelden komen uit het Nieuwsblad van het Noorden van 13 september en 9 november 1951.
Foto’s Delpher

Vijftien
Piconius Verbrugge is de zoon van Jan Verbrugge, een Zeeuwse schippersknecht en los werkman die is geboren in Yerseke, op 8 april 1877. Op 22 december 1898 trouwt deze Jan met Pieternella Magielsen, ook afkomstig uit Yerseke en geboren op 20 september 1879. Het echtpaar, dat vanaf 10 november 1904 in Rotterdam woont, aan de Dillenburgstraat 24, krijgt in totaal vijftien kinderen, onder wie drie tweelingen. Zes van hen sterven vrij kort na hun geboorte. Hun namen worden hier niet weergegeven, want het is alleen Piconius, kind nummer 4, die hier wordt verbijzonderd.
        Piconius is het eerste kind dat in Rotterdam ter wereld komt, op 14 januari 1905; de drie voorgaande nog in Yerseke. Net als zijn vader wordt hij een los werkman en hij gaat door Nederland reizen, op zoek naar werk. De gezinskaart in het Rotterdamse gemeentearchief vermeldt dat hij in 1923 naar Vledder vertrekt, vervolgens in 1926 naar Amsterdam, in 1932 terugkeert in Rotterdam, in 1939 opduikt in Den Haag, enzovoorts.
        Tussendoor trouwt hij, op 21 december 1927, met Jannetje Ahrens (Putten, 1904), van wie hij op 14 september 1935 alweer scheidt.
        Verbrugge, zich onderwijl ontwikkelend tot bankwerker, steendrukker en havenarbeider, blijkt nogal een vagebond, een loszinnige schavuit.
        Op Delpher, de krantenbank van de Koninklijke Bibliotheek, zijn de straffen te vinden waartoe hij is veroordeeld. In Leeuwarden bijvoorbeeld, in augustus 1935, omdat hij, “bankwerker zonder bekende woonplaats”, glasruiten van G. Venema heeft vernield (7 dagen celstraf) en in diezelfde maand is betrapt op “zingen op straat” (15 gulden of 15 dagen).
        Zelfs na de oorlog, tientallen jaren later, betoont hij zich onverbeterlijk. In 1951 blijkt hij in een logement te Dordrecht enkele logés te hebben bestolen, onder andere van een colbert-kostuum, koffer, overhemd en een paar horloges. “Hij heeft de goederen te Rotterdam verkocht”, bericht Het Nieuwsblad van het Noorden op 13 september. “Verdachte is al 24 keer veroordeeld. Thans luidde de eis 1 jaar met aftrek.” Op 9 november publiceert de krant de uitspraak: “De 46-jarige Rotterdamse havenarbeider Piconius V., uit anderen hoofde gedetineerd, is door de Groninger Rechtbank veroordeeld tot 8 maanden wegens te Dordrecht gepleegde diefstallen. De Procureur-Generaal vroeg bevestiging van dit vonnis met bevel tot onmiddellijke gevangenneming.”
        Verbrugge is zo te zien een hardnekkige boef geworden, een onvervalste recidivist.
        Zijn moeder Pieternella is dan al overleden, maar zij zal van zijn losbandige leven hebben geweten: het begon al vroeg. Pieternella Verbrugge is kort na de bevrijding overleden, in Rotterdam op 8 mei 1945, 65 jaar oud.
        Zijn vader Jan komt om in tragische omstandigheden: onder de tram. Het Vrije Volk meldt op maandag 25 oktober 1954 dat de 77-jarige Jan Verbrugge zaterdagavond omstreeks halftien op het kruispunt Rosestraat-Roentgenstraat in Rotterdam-Zuid door een tram van de RTM is “gegrepen en vrijwel op slag gedood”. De man werd enkele honderden meters meegesleurd.

Verbrugge getrouwd en weer gescheiden

Intussen was Verbrugge ook nog getrouwd en weer gescheiden, zoals dit bericht uit de Nederlandsche Staatscourant van 20 juli 1935 laat zien.
Foto Delpher

Roode Kruis
Maurits van Praagh, de man die een identiteitsbewijs op naam van Piconius Verbrugge op zak had, heeft al even groot leed meegemaakt.
        Hij, geboren in ’s-Gravenzande op 11.11.1898, trouwde op 19 maart 1930 met de eveneens joodse Rosetta Godfried, geboren in Meppel, op 3 augustus 1907. Nog diezelfde huwelijksdag betrok het echtpaar een woning in de Spaarnestraat in Den Haag, op nummer 25. Maurits, een grossier in vlees, woonde al langer in deze stad, vanaf 19 maart 1926 aan de Weteringkade 84.
        Op 9 februari 1932 werd het eerste kind van Maurits en Rosetta geboren, Eva. Drie jaar later, op 16 oktober 1935, kwam er een tweede, en laatste, kind, Cato.
        In de oorlog halveerden de nazi’s dit gezin. Rosetta’s leven stokte in de gaskamers van Sobibor, op 5 maart 1943. Zij was 35 jaar oud. Dochter Eva eindigde in Auschwitz, op 25 januari 1943. Zij was twee maanden eerder dan haar moeder dood, amper tien jaar oud.
        Vader Maurits en dochter Cato, ook wel Toosje genoemd, hebben zich door de oorlog weten te redderen, meer daarover verderop. Na de oorlog kreeg hij op 2 augustus 1947 drie brieven tegelijk van het Nederlandsche Rode Kruis, ook opgenomen in dat dossier van Yad Vashem. Daarin stond dat zijn zus Jansje Lorsch-van Praag (Den Haag, 1 mei 1897), zijn zwager Levie Isaac Lorsch (Den Haag, 27 mei 1903) én zijn neefje Daniel Jacob (Den Haag, 1 januari 1932) óók in Sobibor “door gas zijn verstikt en daarna gecremeerd”, alle drie op 28 mei 1943.
        Van de overige vijf broers en zussen van Maurits waren er rond het begin van de 20ste eeuw al drie overleden. Nu Jansje ook dood was, bleven alleen hij en zijn zus Eva (Den Haag, 29.10.1895) over.

Maurits van Praaghs eigen persoonsbewijs

Dit is Maurits van Praaghs eigen persoonsbewijs, met de correcte geboortedatum, en een grote ‘J’ erop gestempeld.
Foto’s Yad Vashem

vervalste persoonsbewijs van Van Praagh

Dit is het vervalste persoonsbewijs van Van Praagh, met dezelfde pasfoto, maar op naam en geboortedatum van Piconius Verbrugge.
Foto’s Yad Vashem


Maurits van Praagh is onder andere ondergedoken geweest in De Steeg

Maurits van Praagh is onder andere ondergedoken geweest in De Steeg. Dit blijkt niet alleen uit een potloodnotitie op zijn vervalste persoonsbewijs, ook uit deze ‘Sonderausweis’ (speciale kaart).
Foto Yad Vashem

Stempel
De twee persoonsbewijzen van Maurits van Praagh, zijn eigen en het valse, staan hierboven afgedrukt. Er valt te zien dat Maurits zijn eigen persoonsbewijs op 9 december 1941 heeft gekregen. Na de oorlog is hij het weer gaan gebruiken, want er staat bijvoorbeeld op de voorzijde dat hij op 11 juli 1945 zeshonderd gulden heeft ingeleverd, en op 12 juli nog eens één duizend negen honderd gulden “t/b mevr. de Wed. E. Godfried geb. Kisch”, met daarbij een stempel van de Nederlandsche Middenstandsbank NV, kantoor ’s-Gravenhage. Eva Kisch (Groningen, 5.12.1879) was de moeder van Maurits’ vrouw Rosetta. Zij is vermoord in Auschwitz, op 26 februari 1943. Waarom Van Praagh twee jaar later geld aan haar overmaakt, is niet bekend.
        Op de achterzijde vallen de adressen te lezen waar Maurits van Praagh na de oorlog in Den Haag is gaan wonen, in 1945 en 1946, aan de Groenteweg 114, de Maastrichtsestraat 106 en Mauritskade 94. Maar wat het meest opvalt aan dit document, is de forse ‘J’ die er op staat afgedrukt, de letter waarmee Maurits van Praagh tot Jood werd bestempeld, een voor de Duitsers onachtenswaardig persoon.
        Die ‘J’ ontbreekt op het vervalste persoonsbewijs, dat is afgegeven op 19 augustus 1944, in Den Haag, en vermeldt, vergezeld van de pasfoto van Maurits, de persoonsgegevens van Piconius Verbrugge: een los werkman die zogenaamd eerst aan het Spui, op nummer 281 woonde. Op de voorzijde staat: ‘Geprüft und gültig für 1945 die Bürgermeister.' Misschien was Spui 281 wel het eerste onderduikadres van Van Praagh.

Na de oorlog ontving Maurits van Praagh drie brieven van het Rode Kruis

Na de oorlog ontving Maurits van Praagh drie brieven van het Rode Kruis, waarin hem werd meegedeeld dat de drie van leden van het gezin van zijn zus Jansje allen zijn vermoord in Sobibor. Dit is de brief die Daniel noemt, het zoontje van Jansje en Levie Lorsch.
Foto’s Yad Vashem en Joods Monument


De vage foto, afkomstig van Joods Monument, toont Daniel

De vage foto, afkomstig van Joods Monument, toont Daniel.
Foto’s Yad Vashem en Joods Monument

Verzet?
De veronderstelling is geoorloofd dat Maurits het persoonsbewijs zonder ‘J’ heeft gebruikt om zijn joodse afkomst te maskeren. Die ‘J’ kon hem immers het leven kosten. Maar hoe kwam hij aan dat bewijs? Werd het hem verstrekt door het verzet, door particuliere persoonsbewijsvervalsers. Of heeft hij Verbrugge gekend?
        Het kan beide betrokkenen niet meer gevraagd worden. Piconius Verbrugge verruilde Dordrecht op 24 april 1979 voor Eindhoven. En daar is hij, volgens zijn persoonskaart, ook overleden, op 2 oktober 1988 op 83-jarige leeftijd. Hij verbleef toen, voor een zoveelste keer, in het zogenoemde Labrehuis aan de Boutenslaan 54, een opvanghuis voor dak- en thuislozen, gesticht in het najaar van 1945 door pater Augustijn Marcellus Francissen. Uit de persoonskaart is op te maken dat Verbrugge zijn persoonsbewijs met het nummer dat Van Praagh ging gebruiken (433692) op 19 augustus 1942 heeft gekregen, en dat hij op 13 april 1943 een nieuw persoonsbewijs ontving, ditmaal met nummer 443245. Mogelijk was hij zijn eerste persoonsbewijs verloren, maar ook mogelijk is dat hij het had verkocht.
        Maurits van Praagh is eveneens al gestorven, op 16 november 1993 in Bussum, op 95-jarige leeftijd. Zijn enig overgebleven zus Eva ging hem voor in 1972.
        Op Delpher is de overlijdensadvertentie voor Maurits op te roepen. Daarin wordt hij “vader, schoonvader en grootvader”genoemd, door respectievelijk Trizah Drori-van Praagh, Rami Drori en Tama en Eyal, allen wonend in Kfar Harif, een kibboets in Israël. Zou dit misschien Maurits’ dochter Cato zijn?
        En inderdaad, ze is het. Via via lukte het met haar in contact te komen. Zou zij opheldering kunnen verschaffen over het persoonsbewijs?

overlijdensadvertentie voor Maurits van Praagh

De overlijdensadvertentie voor Maurits van Praagh, in het Nieuw Israëlitisch Weekblad van 19.11.1993. Hij is 95 geworden.
Foto Delpher

Enschede
Een beetje. Tirzah Drori vertelde allereerst dat zij het is geweest die de documenten aan Yad Vashem heeft gegeven. Hoe haar vader de naam van Piconius Verbrugge heeft gekregen, weet zij niet. “Ik denk via de mensen die dat document maakten”, oppert ze. Zij denkt niet dat Maurits van Praagh Piconius persoonlijk heeft gekend, of zelfs maar iets van hem heeft geweten. “Ook weet ik niet of hij door dat persoonsbewijs in leven is gebleven.”
        Gevraagd naar hoe haar vader de oorlog is doorgekomen, meldt ze dat hij in zijn woonplaats Den Haag zijn eerste onderduikadres had, verder in Slagharen en De Steeg, “en misschien nog op enkele andere adressen”. Dat hij zich verscholen heeft in De Steeg, staat vast. Op het vervalste persoonsbewijs is met potlood een straat in De Steeg genoteerd, ‘Hullekenb. w.” op nummer 12. Dit is de Hullekensberscheweg. Hiermee wordt duidelijk dat Maurits het persoonsbewijs in ieder geval daar heeft benut.
        Verder kan Tirzag ons niet op weg helpen.
Maar waar is zij zelf gebleven in de oorlog?
        Daar is al googelend beduidend meer over te vinden. Tirzah Drori blijkt namelijk haar onderduikouders postuum te hebben geëerd. Ze heeft voor hen een Yad Vashem-onderscheiding aangevraagd (‘Rechtvaardige onder de volkeren’), die op 31 mei 2005 is uitgereikt, in haar aanwezigheid, in de synagoge van Leiden. En het Nederlands Dagblad heeft er verslag van gedaan, een artikel dat hier geciteerd wordt.

het Enschedese echtpaar Marten Apperloo en Frederika Diederiks

De foto laat het Enschedese echtpaar zien dat Toosje van Praagh opving in de oorlogsjaren: Marten Apperloo en Frederika Diederiks.
Foto Yad Vashem

Predikant
Toosje van Praagh, staat daarin, is eind 1943 of begin 1944 ondergebracht in Enschede, bij het protestantse echtpaar Apperloo-Diederiks, bestaande uit Marten Apperloo (1895 – 1960) en Christina Johanna Frederika Diederiks (1895 – 1967). Het gezin woonde aan de Molukkenstraat.
Volgens zoon J.H. (Jan) Apperloo (78 in 2005) kwam op een dag de predikant van de gereformeerde kerk, dominee H. Vogel, op bezoek bij het echtpaar. “Men zonderde zich af in een kamertje, waar fluisterend werd gesproken”, vertelde Apperloo het Nederlands Dagblad. De volgende dag werd de kinderen verteld dat er een joods meisje zou komen: Toosje, een zogenaamd nichtje uit Den Haag dat in verband met de hongersnood zolang bij deze familie werd ondergebracht.
        De dominee bracht Toosje enkele dagen later. De kinderen Apperloo speelden volop met haar. Even dreigde er gevaar op straat. Een naburige NSB’er kreeg belangstelling voor de kinderen en dat leidde volgens de krant “tot grote ongerustheid”. “Maar toen er ook na enkele dagen niets gebeurde, keerde de rust enigszins terug. De NSB’er werd met argusogen in de gaten gehouden. Maar hoewel Toosje gewoon met de andere kinderen op straat speelde, naar school en mee naar de kerk ging, heeft hij het meisje nooit verraden.”
        Jan Apperloo vertelde dat zijn ouders destijds gehandeld hadden vanuit hun geloof. “Heb God lief en uw naaste als uzelf. Wij zijn zeer verheugd dat alles toen zo goed met Toosje en ons is afgelopen en hebben daar God voor gedankt.”
        Drie van de kinderen, Jacoba (84), Nel (82) en Jan, waren bij de uitreiking aanwezig, evenals enkele kleinkinderen.
        De namen van Marten en Frederika Apperloo zijn nadien gebeiteld in de eremuur in de tuin van Yad Vashem, de zogenoemde Muur der Rechtvaardigen.



< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'