Het voorbije joodse dordrecht

Frans reçu getuigt van vergeefse vlucht naar veiliger oorden door joods-Dordtse tandartse

Familie Staal

Dit is de kwitantie die aantoont dat Betsy en haar man David in Dijon gevangen hebben gezeten. Foto Mémorial de la Shoah

       Een reçu. Een handgeschreven kwitantie ten bedrage van 52,20 francs, gedateerd op 6 september en netjes ondertekend door le chef de la Police van het Noordfranse doorgangs- en interneringskamp Drancy.
         Dit is het enige tastbare dat is overgebleven van de wanhoopsvlucht die David en Betsy Staal uit Dordrecht – hij advocaat, zij tandarts, beiden joods – in 1943 ondernamen naar Zuid-Europa, naar veiliger oorden. Ze waren België al door, ze bevonden zich nu bijna in het midden van Frankrijk, ver onder Parijs. Ze koesterden goede hoop dat ze verder zouden geraken, dat ze uit de onbarmhartige klauwen van de nazi’s zouden blijven.
         Maar ergens onderweg stokte hun vlucht. Waar precies is onbekend, alleen dat David en Betsy, nadat zij waren beetgepakt, in de gevangenis van Dijon belandden. In de omgeving van deze stad moeten zij zich dus hebben bevonden.
         Vanuit Dijon werden ze terug naar het noorden vervoerd, naar het gevreesde Durchgangslager in Drancy. Het weinige geld dat zij bij zich hadden, 52,20 luttele francs, moesten ze afstaan. De politiechef schreef er met voorbeeldige bureaucratische gretigheid een reçuutje voor uit.
         Niet dat het echtpaar uit Dordrecht erop mocht rekenen het geld ooit terug te zien; zo stak het niet in elkaar. Op 7 oktober 1943 werden David en Betsy gewoon op transport gesteld naar Auschwitz-Birkenau, als de nummers 854 en 855 van konvooi 60 – als twee van de in totaal 70.000 joden die vanuit Kamp Drancy zijn gedeporteerd. Bij David trok het leven weg op 24 januari 1944, bij Betsy al drie dagen na vertrek, op 10 oktober 1943.
         De kwitantie is bewaard gebleven. Belangstellenden kunnen haar bekijken in het Mémorial de la Shoah in Parijs. Zij vormt niet alleen bewijs dat David en Betsy een veiliger heenkomen zochten. Samen met de transportlijst, die óók in het Mémorial ligt, is zij het allerlaatste levensteken van dit Dordtse stel. De enormiteit van hun leed is teruggebracht tot twee stukjes papier.

Familie Staal

Een deel van transportlijst naar Auschwitz, met David en Betsy en David Staal als de nummers 854 en 855. Foto Mémorial de la Shoah

Studeren
David en zijn vrouw zijn geen oorspronkelijke Dordtenaren. Hij werd geboren in Zutphen, op 1 maart 1902, als eerste zoon van Levie Staal (Sneek, 26 februari 1874) en Annaatje Staal-Vroman (Rotterdam, 2 februari 1873). Op 21 november 1904 volgde de tweede zoon, Jacob. Maar hem was slechts een ultrakort leven gegund. Hij stierf al op 16 april 1905, net vier maanden later. Truida werd het derde kind; zij verscheen op 1 juni 1909.
         Betsy Fresco kwam uit het westen van het land, uit Amsterdam. Zij is de ene helft van een tweeling, geboren op 20 februari 1901. Haar ouders zijn Levij (Louis) Fresco (Den Haag, 29 juli 1867) en Rachel Pinto (Oude Pekela, 13 november 1866), haar broer heet Benjamin.  Op 4 april 1929 trouwde Betsy met David Leonard Staal. Ze hadden allebei gestudeerd, hij rechten, zij tandheelkunde. Ze begonnen ieder voor zich een eigen praktijk. David’s moeder Annaatje is dan al overleden, op 27 november 1927, 54 jaar oud.
         Vooral Betsy manifesteerde zich publiekelijk. In de krantenbank van de Koninklijke Bibliotheek zijn talrijke kleine advertenties op te roepen, die zij in verschillende kranten steeds opnieuw plaatste. De inhoud is dat zij de praktijk hervat, of juist dat zij op bepaalde dagen afwezig is. De advertenties zijn praktische mededelingen, die kranten later samenvoegden tot een wekelijkse rubriek van weekenddiensten. Het praktijkadres is in al die jaren dertig eender: Weesperzijde 28, Amsterdam. Haar ouders en broer wonen elders in de stad, in de Palestrinastraat 25h.

Familie Staal

In dit pand aan het Bagijnhof had Betsy Staal beneden haar tandartspraktijk. In de jaren vijftig woonde boven in ditzelfde pand de legendarische radio- en tv-verslaggever Theo W. Koomen (van september 1956 tot september 1957) en was de redactie van het dagblad De Dordtenaar gevestigd. Foto Redactie Website

Raadsel
Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog bevinden David en Betsy zich opeens in Dordrecht. Wat hen ertoe dreef om Amsterdam te verlaten, is raadselachtig. De meest redelijke aanname is misschien dat zij er als joden gevaar duchtten. De Duitsers hadden de reputatie joden te willen verdonkeremanen en Amsterdam bevatte de grootste joodse bevolkingsgroep van Nederland. Dordrecht leek in hun ogen misschien veiliger, al tierde het anti-semitisme ook hier onstuitbaar.
         Hoe dit ook zij: het echtpaar streek er neer, volgens gemeentelijke woningkaarten, op 3 oktober 1940. Komend van de Jacob Obrechtstraat 78hs in Amsterdam, betrokken zij in Dordrecht een woning aan het Bagijnhof 31 (nu: 27 beneden).
         Blijkbaar wisten Betsy en haar man zich naar tevredenheid te settelen. Want twee jaar later, op 23 januari 1942, plaatste Betsy een advertentie in het Nieuw Israëlitisch Weekblad (NIW), waarin zij om een assistente vroeg, voor de tandartspraktijk én voor “lichte huishoudelijke bezigheden”. Zij was kennelijk nog vol vertrouwen, hoewel in die dagen ook Dordrecht de naderende ontjoodsing zich al aftekende.
         Dat joden in toenemende mate werden geminacht, had David Staal al ondervonden. Op 26 oktober 1940 publiceerde De Misthoorn, een zogeheten “onafhankelijk en onpolitiek orgaan tot wering van den joodschen invloed”, een aanval op hem. Volgens dit “officiële orgaan van ’t Comité tot Bevordering van het Joodsche Vraagstuk” was mr. Staal in 1932 door het Gerechtshof in Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van anderhalf jaar wegens valsheid in geschrifte.
         Samen met een joodse koopman zou Leonard, volgens De Misthoorn, een winkelierster in Limmen “eenige honderden guldens” afhandig hebben gemaakt middels verduistering, valsheid in geschrifte en heling van een lap goed. Staal had daartoe “een valsch taxatierapport” opgesteld voor zijn “gabber”. De Misthoorn klaagde er, acht jaar later, over dat Staal na zijn ontslag uit de gevangenis doodleuk weer als advocaat en procureur “is toegelaten”.
          “Dagelijks wandelt hij deftig in bef en toga in het Paleis van Justitie rond”, signaleerde het orgaan, dat oordeelde dat “gewezen tuchthuisboeven” geen terugkeer als advocaat verdienen. Dat dit nu wel was gebeurd, was “een eeuwige schande” voor de Amsterdamse balie, “ja voor de geheele rechtsbedeeling”. Het blad meldde ook nadrukkelijk dat Staal, hoewel een “straatarme lompenjood”, al na “een paar jaar Joodsche advocatuur het had klaargespeeld” om een groot huis aan de Weesperzijde te betrekken.
         Betsy Staal had in hetzelfde jaar 1940 een klacht ingediend, iemand had haar beledigd. Omdat zij intussen naar Dordt was verhuisd, vroeg de commissaris van politie van het bureau Leidscheplein aan zijn collega in Dordrecht om haar hierover te verhoren. De Dordtse commissaris berichtte op 19 juni dat hij zulks had laten doen. Het proces-verbaal zelf is niet openbaar, de correspondentie erover wel. De klacht van Betsy wordt niet gepreciseerd, maar dat deze te maken heeft met haar joodse afkomst, is aannemelijk.

Familie Staal

Een van de vele kleine advertenties die Betsy Staal plaatst in verschillende kranten, waarin ze meedeelt dat ze de praktijk hervat of afwezig is. Deze stond in Het Volk van 7 september 1933.
Foto Redactie Website

Failliet
Even plotseling als zij er gekomen waren, verdwenen David en Betsy uit Dordrecht. De tandartspraktijk was failliet. Haar patiëntenbestand zal door anti-joodse maatregelen zijn afgeknepen. In de Dordrechtse Courant van 8 oktober 1942 wordt het faillissement vermeld: Failliet verklaard d.d. heden: B. Fresco, gehuwd met mr. D.L. Staal, van beroep tandartse, wonende te Dordrecht, Bagijnhof 31. Rechter-commissaris Jhr. mr. D.J.P. Hoeufft. Curator mr. Z. J. de Langen.
         Drie maanden eerder was de praktijk al opgeheven. In hetzelfde dagblad van 11 maart 1942 adverteert althans ene tandarts Schol, met zijn Dordtsch Tandheelkundig Instituut gevestigd op de Bagijnhof 31 (Betty’s adres), zijn voorwaarden voor verplicht-verzekerden.
         In de burgerlijke stand worden Betsy en haar man op 16 maart 1943 uitgeschreven, met als reden: VOW (Vertrokken Onbekend Waarheen). In Dordrecht voelden zij zich beroepsmatig noch persoonlijk beschut; zij maakten zich uit de voeten, én onzichtbaar.
         Dat hun vlucht uit Dordrecht achteraf vrij nauwkeurig kan worden getraceerd, is te danken aan het internet. Diverse websites tonen documenten of feiten die een reconstructie mogelijk maken. Dit beeld ontstaan er dan.
        
Netwerk
Betsy en David probeerden te ontkomen naar zuidelijk Europa. Zij schakelden daartoe een professionele organisatie in van samenwerkende verzetslieden en de Nederlandse Militaire Politie. Dezen runden de zogenoemde Amsterdam-Parijs-ontsnappingsroute. Op de website van Yad Vashem, ’s werelds grootste Holocaustherdenkingsoord, worden enkele prominente leden van dit ondergrondse netwerk met name genoemd (en geëerd): Karst Gerrit Smit en de familie Van der Heijden, omvattende vader Josephus, moeder Elisabeth en de zonen Eugene, Willy, Gustaaf en Marcel. Zij en tientallen anderen hebben via hun netwerk minstens 150 mensen weten te laten ontsnappen: joden, neergeschoten geallieerde piloten, Franse oorlogsgevangenen en Nederlandse studenten.
         Hagenaar Karst Smit (1917-2003), een voormalige sergeant, was als lid van de Militaire Politie gestationeerd in Hilvarenbeek, vlakbij de grens met België. In januari 1942 vroeg een vriend hem of hij de jood Andries Hoek uit Enschede, naar België, naar Brussel wilde smokkelen. Dit was het begin van de Amsterdam-Parijs-vluchtlijn, waarbij steeds meer personen zich aansloten, tot diep in Frankrijk. Het netwerk strekte zich op het laatst uit tot Zwitserland zelfs.
         In datzelfde Hilvarenbeek kon Smit rekenen op hulp van de familie Van der Heijden, een gezin van tabakshandelaren. Dr. Eugene van der Heijden (1920) werd een van de oprichters van het netwerk. In het grote ouderlijk huis verbleven de vluchtelingen steeds even en kregen er te eten, op weg naar de grens en verder. Alle leden van het gastvrije en katholieke gezin Van der Heijden hielpen mee, “zonder er ooit geld voor te vragen”, zoals Yad Vashem benadrukt.
         In november 1943 kwam de geheime Duitse politie in Brussel achter het bestaan van de ontsnappingsroute. Karst Smit dook onder in Den Haag, later in Frankrijk, maar werd verraden. Hij werd opgesloten in de staatsgevangenis van Fresnes. Daarna belandde hij in verschillende concentratiekampen, zoals Buchenwald, Ellrich, Dora en Ravensbrück. In juni 1945 wist hij levend Holland te bereiken.
         De familie Van der Heijden was aanzienlijk minder fortuinlijk. Eugene en Willy verstopten zich en haalden het einde van de oorlog. Zijn broers Gustaaf en Marcel en zijn vader Josephus werden vermoord in Bergen-Belsen en Neuengamme.

Familie Staal

Een advertentie in het Nieuw Israëlitisch Weekblad van 23 januari 1942, waarin Betsy nog welgemoed om een assistente voor haar Dordtse praktijk vraagt. Foto Joods Monument

Helpers
Het was deze hulpgroep nu die Betsy en David Staal door België wist te loodsen. Waaruit dat blijkt? Uit een andere website. Bruce Bolinger in Californië is al jaren bezig met research voor een boek dat hij wil schrijven, over de ‘Smit-van der Heijden-line’. Op de website van joodsmonument.nl heeft hij, in de afdeling Community, een oproep laten zetten. Iedereen die hem welk detail dan ook over deze ontsnappingsroute en de helpers en de geredden kan verschaffen, wordt met klem gevraagd contact met hem op te nemen: bcbolinger@gmail.com.
         Zijn interesse in dit onderwerp is ontstaan toen hij, afstammend van Belgische vluchtelingen uit de Eerste Wereldoorlog, in 1975 België bezocht en er een oudoom ontmoette, een Nederlander wonend in Brussel. Deze toonde hem een document waarin generaal Eisenhower hem bedankte voor de hulp die hij geallieerde piloten had geschonken. Na zijn pensionering in1998 besloot Bruce Bolinger alles uit te zoeken over de ontsnappingsroute waarvan zijn oudoom deel had uitgemaakt.
         In zijn oproep noemt Bolinger al enkele namen van personen die door Amsterdam-Parijs-lijn zijn geholpen. Zoals: J. Staal, een tandarts, en zijn vrouw uit Dordrecht. Hierover benaderd door de redactie van deze website licht Bolinger toe dat hij deze naamsvermelding baseert op een brief die Eugene van der Heijden zelf in februari 1978 heeft geschreven aan Yad Vashem. Daarin somt hij de namen op van personen die hij zich herinnert te hebben geholpen. Betsy en David Staal staan er tussen.
         Nog een bron voor Bolinger is een dossier dat hij vond, tussen duizenden andere, in het Nationaal Archief II in College Park, Maryland, gedateerd 16 juli 1945. Dit dossier is na de bevrijding samengesteld door de Militaire Inlichtingendienst van de geallieerden. Hierin vertelt Karst Smit in het Frans wie hij zoal heeft helpen ontsnappen, en ook hij rept van “J. Staal en zijn vrouw uit Dordrecht”. Dit betreft overduidelijk David en Betsy, al zijn er foutjes: de J moet een D zijn en zij is de tandarts.
         Het verdere verloop van hun vluchtpoging is te achterhalen via het Mémorial de la Shoah, een Parijs herdenkingsoord en museum dat is opgericht in 2005, naar aanleiding van de 60ste verjaardag van het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau. Hier zijn de twee stukjes papier terecht gekomen die getuigen van Betsy’s en David’s noodlot, het reçu en de transportlijst.
         De kwitantie vertelt dat madame en monsieur Staal, wonend op het (foutieve) adres 31 Bagijnhof á Zutphen, een bedrag van 52,20 francs hebben moeten afgeven, toen zij, komend uit de gevangenis in Dijon (viennent de la prison de Dijon), in Kamp Drancy werden afgeleverd. De transportlijst laat de nummers zien die zij meekregen toen ze op 7 oktober 1943 par le convoi nE 60 naar Auschwitz werden gedeporteerd. Hun hoopvolle vlucht eindigde in de verbrandingsoven.
        

Familie Staal

Dit is Truida Goldsteen-Staal, de zus van David Staal, en de moeder van Michel Goldsteen. Hij en zijn zus Hansje overleefden de oorlog. Van Betsy Staal zelf is tot nog toe geen enkele foto gevonden, ook niet van haar man David. Foto Michel Goldsteen

Tandartsstoel
In Nederland werden de achtergebleven familieleden al net zo genadeloos uitgeroeid. Van Betsy’s familie blijft niemand over. Haar vader Levij sterft in Auschwitz, op 5 oktober 1942, haar moeder in Amsterdam, op 21 oktober 1941. En haar broer Benjamin, die tandtechniek had gestudeerd en koopman was geworden, eindigt in Neuengamme op 10 januari 1942.
         Van de familie Staal wordt vader Levie vergast in Sobibor, op 4 juni 1943. Hij woonde in bij zijn dochter Truida en haar man Nathan Goldsteen (Meppel, 31 december 1900), in de Joh. Verhulsstraat 87h. Ook zij werden vermoord, beiden in Auschwitz, op dezelfde dag: 19 november 1943. Alleen hun kinderen wisten aan de verschrikkingen te komen, doordat zij waren ondergedoken. En één van hen, Michel Goldsteen (5 mei 1933) kon worden opgespoord.
         Betsy Staal was zijn tante. Michel, een tachtiger inmiddels, wonend in Vlijmen, heeft haar uiteraard gekend, maar tot zijn spijt roept haar naam slechts dunne herinneringsflarden op. Gevraagd of hij wellicht weet hoe zijn tante en zijn oom in Dordrecht verzeild raakten, zegt hij: “Ik weet het niet. Ik kan er alleen maar naar gissen, maar dat heeft geen zin.”
         Of hij dan in staat is zijn tante, die kinderloos is gebleven en van wie dus geen andere nabestaanden zijn, in enkele trefwoorden te schetsen?
         “Al zou ik het graag willen”, reageert Michel bedroefd, “ik kan het niet meer. Ik was toen nog zo jong en er zijn zoveel jaren overheen gegaan.” Aan zijn zus Annaatje (31 oktober 1934), Hansje genoemd, kan hij het ook niet meer vragen. Zij zit in een tehuis en lijdt aan groeiend geheugenverlies.
          “Heel vaag” herinnert Michel zich dat Betsy en David “in Amsterdam wel eens bij ons thuis kwamen, waarschijnlijk ook omdat mijn grootvader L.D. Staal [tot 1939 de hoofdredacteur van het NIW] bij ons inwoonde. Aan hem bewaar ik duidelijke herinneringen; hij bezat dan ook een zeer indringende persoonlijkheid, waarmee hij een stempel heeft gedrukt op ons gezin.”
         Wat hij zich nog enigszins voor de geest kan halen, is hoe hij bij zijn tante in de tandartsenstoel zat en zij zich over zijn gebit boog. “Tante Betsy, is het enige wat ik kan zeggen, zal lief zijn geweest. Tandartsen gaan meestal met kleine kinderen om op een manier dat zij zich op hun gemak voelen. Mijn oom en tante hadden bovendien zelf geen kinderen en vaak tonen kinderloze familieleden een grote affectie jegens de kinderen van hun naaste verwanten. Als mijn moeder, die een kritisch persoon is geweest, de mondverzorging van haar kinderen toevertrouwde aan haar schoonzuster, zal zij dat gedaan hebben omdat er een goede relatie en ook vertrouwdheid bestond.”
         Dit is alles wat hij aan rechtstreekse herinneringen kan oproepen.

Familie Staal

Op deze foto staan Hansje en Michel Goldsteen samen, tijdens hun kinderjaren. Foto Michel Goldsteen

Geur
Aan zijn moeder, Truida Staal, heeft Michel een indringender herinnering. Hij heeft erover verteld in het boek Andere Achterhuizen (uitgeverij Atheneum, 2010), dat de verhalen weergeeft van vijftien overlevende joodse onderduikers.
         Michel Goldsteen zat ondergedoken bij de familie Theelen in het Limburgse Grubbenvorst; zijn zusje en ouders waren elders. Truida Staal zocht haar zoon af en toe op, soms bleef ze dan ook een nachtje over.
         In het boek noemt Michel die bezoekjes “de meest intense ervaring” uit zijn leven. Want als zij bleef overnachten, mocht hij bij haar in bed slapen, in het grote bed op zolder. “Heerlijk vond ik dat. De avond erna, als ze weer weg was, sliep ik op het kussen van mijn moeder, dat nog naar haar rook. Het was een zoete, doordringende geur, die dagenlang bewaard bleef.”
         Ineens hielden de bezoekjes op. Michel zou zijn moeder nooit meer terugzien; ze werd immers omgebracht in Auschwitz. Maar dat wist hij niet, dat hoorde hij pas na de oorlog. De geur van zijn moeders haren kan hij decennia later nog altijd zo terughalen. Hij heeft gehoopt een parfum te vinden dat deze geur nabootst. Maar: “In geen enkel parfum heb ik de geur ooit teruggevonden.”


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'