Het voorbije joodse dordrecht

Eduard Spiero’s zoektocht naar Lientje de Jong
in Dordrecht, zijn enig overgebleven familielid

Eduard Spiero’s desperate zoektocht vanuit Londen naar Lientje de Jong

Hesseline de Jong zoals zij zich enkele jaren geleden presenteerde op de Amerikaanse website over Holocaust-overlevenden. Zij vertelt daar haar levensgeschiedenis en
die getuigenis wordt geïllustreerd met familiefoto's of filmopnamen.
Foto Shoah Foundation

Eduard Spiero was wanhopig. De oorlog was voorbij, en de Duitsers hadden al zijn familieleden, eigen en aangetrouwd, verdelgd, op twee kinderen na.
         Lientje de Jong, de dochter van zijn zus Catharina, moest nog in leven zijn, maar waar? Spiero verbleef en werkte al jaren in Londen, op het Nederlandse Ministerie van Oorlog, en wist volstrekt niets over haar verblijfplaats. Netzomin als over Benjamin, het jonge zoontje van zijn broer Emanuel. Die bevond zich ergens in Limburg, maar opnieuw: waar?
         Benjamin was nog zo jong in 1945, zeven jaar, dat hij zich niets zou kunnen herinneren van zijn familieleden, veronderstelde Spiero. Hij besloot zich daarom te concentreren op Lientje, die iets ouder was, twaalf jaar. Hij was haar oom. Misschien kon hij haar ergens mee helpen. Hij móest haar zien te vinden.
         Zo begon Eduard Spiero een desperate zoektocht, brieven schrijvend naar Holland – eerst en vooral naar het Dordtse politiekorps, want in Dordrecht, zo had hij vernomen, zou zij misschien zijn ondergedoken. Het is verwonderlijk: al deze ontroerende correspondentie is bewaard gebleven, in het Dordtse stadsarchief. Daardoor kan zij hier, op hoofdlijnen, worden weergegeven.

Eduard Spiero’s desperate zoektocht vanuit Londen naar Lientje de Jong

Ze hebben elkaar dan eindelijk gevonden:
Hesseline en haar oom Eduard, in Dordrecht gefotografeerd
in juli 1946, bij de 'pleegfamilie' Van Es.
Foto Familiebezit

Sergeant
Het voorafgaande: fruithandelaar Benjamin Spiero (geboren 25 januari 1885) trouwde in 1908 in Den Haag met Sara Verveer (20 mei 1886). Het echtpaar kreeg vijf kinderen, achtereenvolgens Abraham, Emanuel, Catharina (Tina), Betsy en Eduard. Op haar beurt huwde Catharina (28 oktober 1913) in 1932, nog steeds in Den Haag wonend, met Charles de Jong, een Rotterdammer, geboren op 10 december 1906. Uit deze echtverbintenis ontstond als enig kind Hesseline, roepnaam Lien of Lientje, op 7 september 1933.
         In de Tweede Wereldoorlog wordt de joodse familie Spiero weggevaagd. Alleen de jongste telg, Eduard (11 september 1918), weet aan de ondraaglijke gebeurtenissen die voortvloeien uit de jodenvervolging, te ontkomen. Hij, sergeant, is werkzaam op het uitgeweken Ministerie van Oorlog, gevestigd aan 18 Pennant Mews in Kensington, voor de regering in ballingschap.
         Daar was hij veilig, zij het niet onbezorgd.
         In augustus 1945 had Eduard Spiero het bevrijde vaderland herbezocht, en kreeg daar de nare waarheid vol in het gezicht geslingerd: van zijn familie, zowel eigen als aangetrouwd, “was niets meer over”, zoals hij later zou rapporteren. Zwager Charles bleek vergast in Auschwitz, op 6 februari 1943. Eerder al, op 9 november 1942, was daar zijn zus Catharina omgebracht, samen met moeder Sara. Zijn twee broers Abraham en Emanuel, zijn zus Betsy: ook in Auschwitz vermoord, op verschillende data. Zelfs twee van de drie kinderen van zijn broer Emanuel, Nico (1939) en Robert (1941), stierven daar, op dezelfde dag, 28 januari 1944.

Eduard Spiero’s desperate zoektocht vanuit Londen naar Lientje de Jong

Ook deze foto staat op de site van de Shoah Foundation:
de drie kinderen van Hesseline, met als oudste dochter Batja
en de zonen Daniel en Arjeh.
Foto Shoah Foundation

         Het was een slachting zoals die joodse gemeenschappen in heel Europa overkwam, de Spiero’s werden niet gespaard. Drie leden restten nog: Eduard zelf, en twee kinderen. [Pas later is gebleken dat ook de echtgenote van oudste zoon Abraham, Rosa Spiero-de Leon, de oorlog heeft overleefd. Zij woonde het laatste deel van haar leven in de VS.]

Commissaris
Spiero had tijdens zijn bezoek aan Nederland gehoord dat Lientje de Jong misschien nog in leven was, in Dordrecht. Haar oom zijnde nam hij zich voor haar op te sporen. Het andere kind dat er nog zou zijn, Benjamin (1937), was nog veel te jong om zinnige herinneringen te hebben.
         Maar hoe en waar te beginnen? Spiero schreef op 19 september 1945 een brief aan de Dordtse commissaris van politie. Hij deelde mee dat Dordt hem was genoemd als mogelijke verblijfplaats van Lientje, maar kon niets over haar melden, “daar ik altijd in het buitenland vertoefde en de bijzonderheden die ik had, gedurende de oorlog verloren zijn gegaan op zee”.

Eduard Spiero’s desperate zoektocht vanuit Londen naar Lientje de Jong

Nog een familiekiek op de Amerikaanse site, dit keer
van zoon Arjeh Gomes de Mesquita, op jonge leeftijd.
Foto Shoah Foundation

         Het enige aanwijsbare spoor dat hij had, was een briefkaart die de moeder van Lientje nog had weten te sturen, voordat zij werd opgepakt, naar een vriendin van haar, mevrouw E. Chalanton-Monhemius, wonend aan de Van Blanckenburgstraat 13a in Den Haag. Op die briefkaart, die Eduard in zijn bezit had, stond: “Lientje O.K. niet bij ons.” En ook dat zij goed verzorgd wordt. Hij vroeg de commissaris om hem te helpen; hij zou dat “ten zeerste op prijs stellen.”
          De waarnemend commissaris, H.B. Brukker, komt in actie. Hij vraagt de chef van het Haagse bevolkingsbureau om preciezere gegevens over het gezin Spiero. Die komen er, en zijn weinig bemoedigend. Van vader Charles is de overlijdensdatum in Auschwitz bekend, van moeder Catharina en dochter Hesseline wordt gemeld dat zij op 16 maart 1943 “zijn afgevoerd naar Duitschland”. Ook “verdere voorkomende familieleden zijn alle afgevoerd naar Duitschland.”
         Brukker geeft dit door aan Eduard Spiero, maar vraagt op 4 oktober of hij die briefkaart kan krijgen. Vanzelfsprekend, reageert Spiero, die met de briefkaart ook “een photo” van Hesseline meestuurt.
        

Eduard Spiero’s desperate zoektocht vanuit Londen naar Lientje de Jong

Een bijzonder foto, althans voor Hesseline: van haar oom Eduard Spiero en zijn vrouw Betsy Walker in 1949, twee mensen die Hesseline nooit meer heeft gezien.
Foto Familiebezit

Dokter
Op 14 november krijgt Brukker een uitvoerige brief van zijn Haagse collega’s. Zij hebben mevrouw Chalanton benaderd, en die gaf hoopvolle details, die Hesseline ineens dichterbij brachten.
         Hesseline is niet naar Duitsland vertrokken, zei Chalanton, maar is begin september 1942 opgehaald op het adres Pletterijstraat 31 in Den Haag, “door een onbekende heer”. “Die verklaarde dokter te zijn en in Dordrecht te wonen.” De man gaf aan dat het meisje in Dordrecht in een gezin zou worden ondergebracht, en nee, hij “wenschte niet” het adres te geven, “aangezien het meisje van Joodschen bloede was en in verband met het daaraan verbonden gevaar”.
         Het onderzoek leverde verder, schreef de Haagse politie, mededelingen op van ene heer A.M. Witberg, uit de Geleenstraat 48. Deze verklaarde vernomen te hebben dat de man die Hesseline afhaalde, Brandsma of Brandenburg heette en dat hij in de Victorialaan in Dordrecht woonde. “Hij zou één of twee kinderen hebben en een betrekking bij het onderwijs hebben”, zei Witberg
         Hier is allemaal niets van waar. Op 21 november krijgt waarnemend commissaris Brukker een rapport van de afdeling burgerzaken. In staccato worden alle eerdere bevindingen onderuit gehaald. In het bevolkingsregister staat geen Hesseline. Er is één Brandenburg in Dordrecht, een monteur, en die weet niets van het meisje af. Er is ook één Brandsma, een bejaarde arbeider met vele kinderen; geen dokter dus. Trouwens: “Dokters met den naam Brandsma of Brandenburg wonen hier niet,” en bij het onderwijs komen die namen niet voor. De Victorialaan bestaat niet.

Eduard Spiero’s desperate zoektocht vanuit Londen naar Lientje de Jong

Hoewel zij Eduard Spiero na 'Dordrecht' niet meer heeft ontmoet,
kreeg zij nog wel deze foto van zijn dochter Jennifer als baby,
in mei 1954, elf dagen oud.
Foto Familiebezit

         De speurtocht lijkt te stokken, maar plotsklaps schrijft ene weduwe Roza Spiero-de Léon, wonend aan de Haagse Paul Gabriëlstraat 166, een brief aan het hoofdbureau van de Dordtse politie. Zij is blijkbaar te hulp geroepen door de Haagse politie, en komt met voortreffelijk nieuws: Lientje leeft. Hesseline is haar nichtje, laat ze op 12 december weten, en zou ze het adres van haar zwager in Londen alstublieft kunnen krijgen, dan kan ze hem “de noodige inlichtingen” verstrekken.
         Lientje, verklapt ze alvast, “is gezond en wel” bij de familie Van Es aan de Bilderdijkstraat 10 in Dordrecht, “waar ze prima verzorgd wordt en voorlopig blijft.”

Uitstekend
Brukker geeft de boodschap met “groot genoegen” door aan Eduard Spiero, en geeft als aanvullende informatie dat Hesseline niet in het Dordtse bevolkingsregister voorkwam, omdat ze “ook eenige tijd verblijf heeft gehouden” in Bennekom, bij Ede. “Dit heeft de opsporing eenige moeilijkheden opgeleverd en tijd gevraagd.”
         Hij stelt hem gerust. Lientje verkeert “in goeden welstand en geniet een uitstekende behandeling.” Hij voegt er aan toe: “De heer Van Es is wethouder in deze gemeente.” Hij stuurt foto en briefkaart mee terug en vraagt Spiero om zich in verbinding te stellen met de Haagse weduwe Roza.

Eduard Spiero’s desperate zoektocht vanuit Londen naar Lientje de Jong

Portretfoto van Henk van Es, de bankwerker die burgemeester werd en Hesseline hielp onderduiken.
Foto Parlementair Documentatie Centrum van de Universiteit Leiden

         Op 27 december deelt de Haagse politie ‘Dordt’ nog wat extra mee: Lientje is inderdaad omstreeks augustus 1942 ondergedoken bij de familie Van Es, heeft er “eenigen tijd vertoefd”, werd overgebracht naar Bennekom, waar zij logeerde bij de familie Van Laar aan het Algemeer 35, maar “kort geleden” keerde zij toch weer terug naar de Van Essen.
         Spiero betuigt op 16 januari 1946 in een handgeschreven briefje zijn “uiterste dank” aan het Dordtse politiekorps. En dat briefje belandt vervolgens in mappen van ingekomen en uitgegane brieven over de periode 1940-1945, dossiers van de Gemeentepolitie die tegenwoordig in het stadsarchief opvraagbaar zijn.

Burgemeester
Hendrik van Es was in Dordrecht een bekend, gezien en geacht persoon. Hij werkte zich op van bankwerker tot burgemeester. Voor de oorlog was hij al raadslid namens de SDAP, van 3 september 1935 tot 1 september 1941. Na de oorlog volgde zijn benoeming tot wethouder van financiën en bedrijven, nu voor de PvdA, van september 1946 tot 16 november 1963. Op deze laatste dag werd hij burgemeester van Brielle. Hij bleef in deze functie tot 1 december 1971, werd daarna Eerste Kamerlid en ten slotte lid van de Rijnmondraad. Hij overleed op 20 oktober 1979, terug in Dordrecht.
         Tijdens de oorlog woonde hij aan de Bilderdijkstraat 10 (na de omnummering: 18). Hij betrok deze (intussen gesloopte) woning volgens woonkaarten op 21 maart 1940, komend van Bleijenhoek 5 en verliet het pand op 10 januari 1947, voor Frederikstraat 26. Hij was getrouwd met Jannigje (Jans) de Jong, overigens geen familie van Hesseline de Jong, en had met haar drie zonen en twee dochters.

Eduard Spiero’s desperate zoektocht vanuit Londen naar Lientje de Jong

Een persfoto van Henk van Es in functie in Dordrecht, als wethouder en loco-burgemeester, bij een verkeerstest. Hij zit op een Solex, achterop bevindt zich burgemeester Van der Dussen, achter het bedieningspaneel hoofdagent Piet van Gent. Deze foto moet dateren uit het begin van de jaren zestig.
Foto RAD (nr. 552-321869)

Goede tijd
Hoe is het Hesseline de Jong vergaan?
         Zij is tot 1951 bij de familie Van Es gebleven, en bezocht ze daarna nog wel tijdens weekends en vakanties. Zij is de familie, haar pleeggezin, oprecht dankbaar, vertelt ze, tegenwoordig wonend in Amsterdam. “Ik heb een goede tijd gehad bij de familie Van Es. Ze hebben mij gered en opgevangen en een goede jeugd gegeven.” Ze benadrukt dat ze zich in haar Dordtse onderduikperiode haar joodse afkomst overigens “nauwelijks bewust” was; ze was nog zo jong.
         Nog bij de familie Van Es heeft zij Eduard Spiero ontmoet, de “oom Eddy” die haar zo naarstig en gedreven zocht. Later zou ze hem nog eens zien, in Amsterdam, waar Hesseline de Jong, bijna getrouwd, inmiddels woonde. De afspraak was gemaakt, en hij zou haar daar bezoeken op haar kamer. “Ik heb op hem gewacht, maar hij is niet gekomen en ik heb ook nooit meer iets van hem gehoord.”
         Eduard Spiero is in eerste instantie in Engeland gebleven. Hij trouwde met Betsy Walker en uit dit huwelijk kwamen drie kinderen voort: Jennifer Elisabeth, Geoffrey en Gillian. Inmiddels is Eduard overleden, in Canada, volgens genealogische websites, zijn vrouw in Engeland. Hesseline de Jong was van hun overlijden niet op de hoogte. De contacten waren verwaterd. “Met mijn oom is later nooit meer enig contact geweest, ook niet met zijn kinderen.”

Eduard Spiero’s desperate zoektocht vanuit Londen naar Lientje de Jong

Dit is de eerste brief die Eduard Spiero naar de Dordtse politie stuurde, en waarin hij om inlichtingen over zijn nicht Lientje verzocht.
Foto Redactie Website

         Zij heeft nu alleen nog, als tastbare herinnering, enkele foto’s. Op de ene staat zij samen met haar oom Eddy, in juli 1946. De andere toont hem en zijn vrouw in 1949, de laatste dochter Jennifer in mei 1954, toen deze elf dagen oud was.
         Met het andere overgebleven familielid dat Eduard Spiero in zijn brief noemde, de jonge Benjamin (Ben), heeft Hesseline een band kunnen onderhouden. “Hij heeft nog wel een rol gespeeld in mijn leven”, zegt ze. Maar de omgang liep triest af, met zijn zelf verkozen dood in januari 1981. Ben liet een echtgenote (A.M. Kuys) achter en een dochter (Pia). Ook heeft Hesseline nog “geregeld” in contact gestaan met Rosa, de weduwe van haar oom Abraham.  
         Zij doet nog een verhelderend onthullende uitspraak over de ‘dokter’ die haar zogenaamd zou komen ophalen in de Haagse Pletterijstraat. Het was niet de dokter zelf, maar diens vrouw, Dieuke (Took) Heroma-Meilink, die zich in die straat meldde. Zij was de echtgenote van Jan Frederik Heroma, een in Dordrecht vrij bekende huisarts, een SDAP’er ook, van wie bekend is dat hij ruimhartig joodse onderduikers hielp. Took Heroma is later lid van de Tweede Kamer geworden (PvdA; 1953-1971) en van de Raad van State (1975-1978). Het kleine raadseltje is hiermee na 72 jaar opgelost.
        

Jeugdhulpverlening
Hesseline’s eigen naoorlogse levensloop ten slotte, in het kort: zij trad op 20 december 1959 in het huwelijk met Albert Hijman Gomes de Mesquita, een geboren Amsterdammer (15 maart 1930). Het echtpaar kwam te wonen in Eindhoven, waar haar echtgenoot, die in 1962 promoveerde als doctor in de wis- en natuurwetenschappen, ging werken bij Philips Research Laboratories. Hesseline kreeg functies in de jeugdhulpverlening, als maatschappelijk werkster, staflid en manager. Het echtpaar heeft drie kinderen: Batja (1960), Daniel Simcha (1964) en Arjeh (1970). Hesseline: “Zij maken het alledrie heel goed.” Zo ook haar zes kleinkinderen.
         Haar echtgenoot Albert figureert in het boek Klasgenoten van Anne Frank, dat uitkwam in 2009, toen Anne Frank tachtig jaar zou zijn geworden. Albert zag Anne Frank in 1941 opnieuw, toen hij als 12-jarige bij haar in de klas kwam op het lyceum. Hij kende haar al wel van de basisschool, vertelt hij met nog vijf klasgenoten in het jubileumboek, maar vrienden waren ze niet. Albert Gomes de Mesquita moest net als zijn klasgenoot Anne tijdens de oorlog onderduiken: in zijn geval was dat bijna drie jaar lang op twaalf verschillende adressen.
         Over háár onderduikervaringen heeft Hesseline, inmiddels gescheiden van Gomes de Mesquita, openhartig verteld in een korte documentaire, gemaakt op instigatie van regisseur Steven Spielberg. 52.000 joodse overlevenden van de Holocaust lieten voor dit Spielberg-project hun levensgeschiedenis op film vastleggen. Hesseline’s bijdrage is op verzoek te bekijken in het Joods Historisch Museum in Amsterdam.

Fout
In Den Haag, Hesseline’s geboortestad, wordt zij doodgewaand. De website Joods Kindermonument.nl, die is ingesteld door het Haagse Gemeentearchief, noemt Hesseline de jong als één van de meer dan 1700 joodse kinderen die zijn verdwenen. De website is een “monument opgericht ter nagedachtenis” van hen, een indrukwekkend eerbetoon aan al die weggevoerde en omgebrachte kinderen. Een oproepbare lijst somt al hun namen op, en daar staat ze: Hesseline de Jong (9 j.) – tussen Heintje de Jong (8 j.) en Isaäc de Jong (9 j.)

De lijst is op dit punt aantoonbaar onjuist: Hesseline is nog springlevend.


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'