Het voorbije joodse dordrecht

Drie hoogbejaarde oud-Dordtenaren
vragen zich af: waar is zuster Cohen?

Het voormalige RK-ziekenhuis aan de Houttuinen zoals het er uitzag in de jaren dertig

Het voormalige RK-ziekenhuis aan de Houttuinen zoals het er uitzag in de jaren dertig. Zuster Cohen werkte in die periode op het consultatiebureau, dat in dit ziekenhuis was ondergebracht.
Foto RAD (nr. 556_1898)

Ze weten het nu, en gelukkig is hun stille angst niet bewaarheid.
        Zuster Cohen, hun geliefde joodse wijkverpleegster, is niet ten onder gegaan in de oorlog. Ze heeft de Holocaust overleefd.
        Lijntje Kleinjan en haar jongere broers Jacob en Gerrit, alle drie hoogbejaard, koesteren goede, dierbare herinneringen aan zuster Cohen. Decennialang, in de jaren twintig, dertig en tot in de oorlog, was zij hún zuster. De Kleinjans woonden in de Dordtse wijk Oud-Krispijn, ze kenden zuster Cohen van het consultatiebureau in de binnenstad en daarnaast ook als wijkverpleegkundige van de tbc-bestrijding. Meerdere keren heeft zij de kinderen Kleinjan verwezen naar een vakantiekolonie, om aan te sterken.
        In de oorlog waren ze haar ineens kwijt. Ze was weg, ontraceerbaar. En na de oorlog keerde zuster Cohen niet meer terug. Jacob Kleinjan vreesde het ergste: hij is al dwangarbeider tewerkgesteld geweest in een fabriek in Silezië. Na de bevrijding is hij daar vandaan naar Dordrecht komen lopen. Hij heeft in het oosten de verschrikkingen met eigen ogen gezien. Hij, zijn broer en zijn zus beseften maar al te goed wat die jodentransporten inhielden.
        Daarom vroegen ze het zich angstig af, tot ver in de volgende eeuw: ‘Waar toch is zuster Cohen gebleven? Was zij ook vermoord?’
        Hubrecht van Doorn uit Nagelkerke, kleinzoon van Lijntje, legde de vraag voor aan de Dordtse werkgroep Stolpersteine. Kan die misschien nagaan wat er met zuster Cohen is gebeurd? Zelf had hij al vaak gezocht op internet, maar zonder succes. De werkgroep ging graag op het verzoek in, en schakelde op zijn beurt de hulp in van archievenonderzoekster Erica van Dooremaalen.
        Dit artikel is de weerslag van hun gezamenlijke bevindingen. De uitkomst is troostrijk en een opluchting voor Lijntje, Jacob en Gerrit, die in de zomer van 2018 respectievelijk 95, 92 en 88 jaar oud zijn: zuster Cohen, hun zuster, heeft de verschrikkingen van de oorlog overleefd. Al is ze, geboren als ze is in 1890, natuurlijk inmiddels overleden: 128 word je niet zo gauw.
        Wie was Elisabeth Cohen verder? En waar en hoe doorstond zij de oorlog?

gezin Kleinjan

In december 1935 ging het gezin Kleinjan, bestaande uit vader Marinus, moeder Hendrika en hun drie kinderen, wonen in de Theophile de Bockstraat, die inmiddels is gesloopt. Deze archieffoto, gemaakt eind jaren dertig, geeft een beeld van de straat.
Foto RAD (nr. 552_318607)

Dordrecht
Eerst een korte schets van de familie Kleinjan.
        Bankwerker Marinus Kleinjan, geboren op 18 augustus 1896 in ’s-Gravendeel, trouwde op 14 juli 1922 in Papendrecht met Hendrika Willemijna Stiegelis, een heuse Dordse, geboren op 20 april 1900. Hendrika woonde destijds in Papendrecht, vandaar dat het huwelijk aldaar werd voltrokken. Drie kinderen kreeg dit echtpaar, binnen acht jaar: Lijntje (‘Lijnie’), op 20.7.1923, Jacob op 10.9.1926 en Gerrit op 26.7.1930.
        Het gezin heeft in Dordrecht steeds buiten de binnenstad gewoond. Vader Kleinjan was afkomstig uit de Glazenstraat op nummer 50, een straat die enkele jaren geleden volledig is afgebroken. Bar land rest waar ooit een wijkje was. Na zijn huwelijk betrokken zijn echtgenote en hij per 1 november 1922 een woning aan de Zeehavenlaan, op nummer 76 (nu: 24). Op 7 oktober 1929 volgde een verhuizing naar de H.W. Mesdagstraat 71 (nu: 55). Op 6 september 1932 koos het gezin voor de Zuidendijk 40 (niet vernummerd), om per 11 december 1935 op te schuiven naar de Theophile de Bockstraat 69 (later: 73, maar ondertussen gesloopt).
        Met een ruim getrokken cirkel kunnen al deze adressen tot de wijk Oud-Krispijn worden gerekend.

gezinskaart van de familie Kleinjan

De gezinskaart van de familie Kleinjan, voor- en achterzijde.Vader Marinus is geboren in ’s-Gravendeel, zijn vrouw Hendrika Stiegelis en de kinderen zijn geboren Dordtenaren.
Foto’s RAD


De vader van Elisabeth, Eliazar overleed op 5 mei 1919

De vader van Elisabeth, die Eliazar maar ook Eduard werd genoemd, overleed op 5 mei 1919, 65 jaar oud.
Foto Website ‘Het Stenen Archief’

Den Haag
Elisabeth Cohen kwam ter wereld in Den Haag, op 29 september 1890, al waren haar ouders allerminst Haags. Vader Eliazar (of Eleazar of Eduard) Cohen is geboren in Oud-Beijerland, op 16 mei 1853. Moeder Esther van Engers heeft haar kindertijd doorgebracht in IJsselstein, waar zij werd geboren op 7 juni 1860. Het huwelijk had al evenmin plaats in Den Haag: het werd voltrokken in Amsterdam, op 21 augustus 1884.
        Vijf kinderen kreeg het echtpaar, van wie er twee kort na de geboorte stierven. Susanna was, op 21 mei 1885, de eersteling. Daarna kwamen Jozeph en Elisabeth, een tweeling, op 14 maart 1887. Jozeph werd nog geen week oud, hij overleed op 20 maart. Elisabeth leefde twee maanden, zij overleed op 16 mei. Pas daarna kwam de Elisabeth die de familie Kleinjan zo ging waarderen als wijkzuster. Na haar kwam nog een meisje, Cornelia Evelina, op 3 april 1895.
        Vader Eliazar, een schoenenverkoper, handelsagent en winkelier, overleed op 5 mei 1919, in Den Haag, 65 jaar oud. Deze datum is in dit gezinsverband enigszins opmerkelijk. Ook moeder Esther overleed op 5 mei, in 1940, 79 jaar oud − vijf dagen voordat de Duitsers Nederland binnenvielen.
        Vijf jaar nadat haar moeder weduwe was geworden, verliet Elisabeth Cohen Den Haag en vestigde zij zich in Dordrecht. Ze werd er ingeschreven op 30 juli 1924 en haar eerste woonadres werd de Burg. de Raadtsingel, tegenover het NS-station, op nummer 17 (nu: 53-55). De ambtenaar van de burgerlijke stand noteerde als haar beroep ‘particulier verpleegster’, en als haar geloof ‘Israëlisch’. Later werd haar kerkgenootschap doorgestreept en vervangen door ‘geen’, zoals ze ook haar professie liet wijzigen, in ‘huisbezoekster TBC-bestrijding’.
        In Den Haag, haar eerdere woonplaats, had Elisabeth verschillende verhuizingen meegemaakt. Dat was in Dordrecht niet anders. Ze verhuisde vijfmaal voordat zij zich voor langere duur settelde. Dit waren na de Burg. de Raadtsingel haar opeenvolgende woonadressen: Singel 40 rood (nu: 54, vanaf 11.5.1926), Spuiweg 98 rood (nu: 154, vanaf 19.11.1928), Bosboom Toussaintstraat 1 rood (nu: 3, vanaf 25.4.1932), Oranjelaan 37 rood (nu: 57), vanaf 15.2.1933) en Noordendijk 155 rood (nu: 221, vanaf 31.5.1934).
        Al deze straten liggen binnen een cirkel van de binnenstad, op één na: de Bosboom Toussainstraat. Die hoort bij de wijk Krispijn, de natuurlijke habitat van de familie Kleinjan.

geboorteakte van Elisabeth Cohen

De Haagse geboorteakte van Elisabeth Cohen. Zij is op 29 januari 1890 geboren om één uur ’s ochtends.
Foto Gemeentearchief Den Haag


Noordendijk

In dit laatste pand rechts, op nummer 221 (toentertijd: 155) van de Noordendijk, settelde zuster Cohen zich uiteindelijk, vanaf 31 mei 1934.
Foto Redactie Website

Kleinzoon
Toen Hubrecht van Doorn, de kleinzoon van Lijnie Kleinjan, bij de werkgroep informeerde naar het lot van zuster Cohen, voegde hij gegevens bij die hij in de loop der jaren had gekregen van zijn oma en zijn oud-ooms, Jacob en Gerrit Kleinjan. Eigenlijk waren het samenvattingen van verhalen die in de familie Kleinjan circuleerden.
        Zijn oma en haar broers, vertelde hij, “hebben vroeger in Dordrecht gewoond en hebben het altijd over zuster Cohen. De vader en moeder van mijn oma zijn in 1922 getrouwd. Ze hebben daarna op verschillende adressen in de wijk Krispijn gewoond, het langst in de Theophile de Bockstraat. Ze kwamen in aanraking met zuster Cohen als wijkverpleegkundige. In de jaren twintig en dertig was zij de zuster voor mijn familie. Tot in de oorlog zijn zij door deze zuster geholpen.”
        Hubrecht, een zoon van Henk-Jan van Doorn, vulde aan dat de drie kinderen Kleinjan verschillende malen door haar zijn verwezen naar vakantiekoloniën. Zuster Cohen, preciseerde hij, werkte op het consultatiebureau in de Houttuinen, een afdeling van het RK-ziekenhuis daar. “De dokter voor wie ze werkte, was dokter Bruijning. Deze man zou waarschijnlijk een NSB’er zijn geweest, want hij liep met Volk en Vaderland (het weekblad van deze beweging, red.).”
        Oma en haar broers hebben zich aldoor “afgevraagd hoe zuster Cohen de oorlog ervan afgebracht heeft”. “Zij weten niet waar deze mevrouw gebleven is. Ik weet niet vanaf welk jaar in de oorlog zij zuster Cohen niet meer zagen. Haar leeftijd? Die weten wij niet, maar waarschijnlijk was zij tussen de 20 en 40.”
        Hoezeer de familie Kleinjan het ergste vreesde voor zuster Cohen, die immers van joodse origine was, bleek uit een voorval waarmee Hubrecht van Doorn afsloot. “De oudste broer van mijn oma, Jacob, is in het laatste jaar van de oorlog door de Duitsers opgepakt voor de Arbeitseinsatz, en in een fabriek in Silezië tewerkgesteld. Hier werden ook concentratiekamp-gevangenen ingezet.”
        Jacob Kleinjan is rond de bevrijding vanuit Silezië, nu Pools gebied, naar Dordrecht gelopen. “Omdat hij dus met eigen ogen de verschrikkingen in het oosten heeft gezien, beseften mijn oma en oud-ooms na de oorlog goed wat de jodentransporten ingehouden hadden. Dus zullen ze gehoopt hebben dat ‘hun’ zuster de oorlog heeft overleefd, door ergens onder te duiken.”

gezinskaart van de familie Cohen

De Haagse gezinskaart van de familie Cohen, voor- en achterzijde. Elisabeth heeft maar 1 zus, Cornelia Evalina, geboren op 3 april 1895. Van Elisabeth wordt gemeld dat zij zich op 30 juli 1920 in Dordrecht vestigde, op de Burg. de Raadtsingel, op nummer 17 (nu: 53-55).


Johan de Wittstraat 39 (nu: 47)

Op het consultatiebureau werkte zuster Cohen, die ook tbc-verpleegster was, samen met dr. François Otto Bruijning, een districtstuberculose-arts die nogal warmliep voor de Duitsers. Hij werd later in de oorlog SS-unterscharfführer en directeur-generaal van de Volksgezondheid. Bruijning overleed in maart 1944 en kreeg nogal de aandacht in de gelijkgeschakelde kranten. De knipsels komen respectievelijk uit het ‘Dagblad voor Noord-Holland’ (22.3.1944), de “Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant (15.7.1942) en de ‘Nieuwe Brabantsche Courant’ (24.3.1944).
Foto’s Delpher

Gescheiden
Wat Hubrecht heeft gehoord en doorgaf, komt overeen met archiefdocumentatie.
        Dr. François Otto Bruijning (Wageningen, 7.2.1893) was als districstuberculose-arts verbonden aan het Consultatiebureau voor Tuberculosebestrijding, gevestigd aan de Houttuinen 10. Zelf woonde Bruijning aan de Burg. de Raadtsingel, op nummer 25 (nu: 83). Hij was aanvankelijk getrouwd met, maar is later gescheiden van Anna Johanna Wilhelmina van Wallinga. Daarna hertrouwde op 19 juni 1928 in Amsterdam met Jeane van Voorthuijsen (Amsterdam, 29.6.1904).
        Elisabeth Cohen werkte op het consultatiebureau samen met deze Bruijning, die in Dordrecht begon in 1931 en in de oorlog, op 1 juni 1942, werd benoemd tot directeur-generaal van de afdeling Volksgezondheid op het ministerie van Sociale Zaken. Hij overleed in maart 1944, op 51-jarige leeftijd, zo berichtten diverse kranten, zoals het Dagblad voor Noord-Holland. Bruijning was metterdaad behoorlijk Duits-vriendelijk: hij was SS-unterscharführer.
        Hoe verging het Elisabeth Cohen, zijn voormalige joodse assistente, in de oorlog? Eén aanwijzing is een krantenbericht in de Dordrechtsche Courant van 12 april 1941. Bij ‘vertrokken personen’ staat dat mejuffrouw E. Cohen, van de Noordendijk 155 rood is verhuisd naar Renkum, naar de Kamperdijklaan 2.
        En daar, in dat Gelderse dorp tussen Arnhem en Wageningen, heeft zuster Cohen de oorlog overleefd. Hoe dat haar is gelukt, is niet te achterhalen. Leefde ze er onder een schuilnaam, was ze er ondergedoken? Elk feit hierover ontbreekt. Vaststaat alleen dat Elisabeth Cohen niet alleen terugkeerde naar Dordrecht, maar ook dat ze later ook weer terugkeerde naar Renkum. Haar verblijfplaats tijdens de oorlog is haar blijkbaar bevallen.
        De woonkaarten in het Dordtse archief tonen het aan: op 26 juni 1945 dook Elisabeth Cohen plotseling weer op in Dordrecht. Ze betrok een woning in de Hoekenessestraat op nummer 74 rood (nu: 58). Een halfjaar later, op 22.1.1946, verkoos ze een andere woning, aan de Frederikstraat 3 zwart (nu: 5). Maar kennelijk kon ze niet meer aarden in Dordrecht. Nog in datzelfde jaar, op 27 september 1946, belde ze weer aan in Renkum, op de Kamperdijklaan 2. Die laan is later bij Heelsum gaan horen. Anno 2018 staat op die plek een hedendaagse katholieke kerk.
        Op 20 mei 1974 verhuisde Elisabeth Cohen nog eenmaal, naar Oosterbeek, naar de Ommershoflaan 35. Daar is een verzorgingshuis gehuisvest, van de stichting Vegetarisch Zorgcentrum Felixoord. Op 7 september 1989 is zuster Cohen overleden, op 95-jarige leeftijd. Ze is ongetrouwd gebleven.

persoonskaart van Elisabeth Cohen

De persoonskaart, voor- en achterzijde, van Elisabeth Cohen laat zien dat zij binnen Dordrecht verschillende keren verhuisde, steeds in de binnenstad, op één uitzondering na, de Bosboom Toissainstraat in Krispijn.
Foto’s RAD


In april 1941 verliet mejuffrouw Cohen Dordrecht

In april 1941 verliet mejuffrouw Cohen Dordrecht. Ze ging naar Renkum, berichtte de ‘Dordrechtsche Courant’ op de 12de april. In Renkum wist zij de oorlog te overleven. Hoe, is onbekend.
Foto Krantenbank RAD

Zussen
Volledigheidshalve wordt hier nog vermeld wat haar twee zussen voor en in de oorlog is overkomen, Susanna en Cornelia Evalina. Zij waren minder fortuinlijk.
        Cornelia, de jongste van de kinderen Cohen, trouwde op 2 februari 1906 in Den Haag met de Nederlands-Hervormde exporthandelaar Jan Schotel (Rotterdam, 10.11.1896). Zij was 24, hij 23. Op 14 augustus 1921 wordt in Den Haag hun eerste en enige kind geboren, Elisabeth. Op de gezinskaart voor haar valt althans te lezen: “Behoort bij Schotel Jan.” Vijf jaar later scheidde Cornelia van Jan. De arrondissementsrechtbank sprak het vonnis uit op 16 maart 1926, de gemeeente registreert de scheiding op 21 mei 1926.
        Op 23 april 1943 werd Cornelia Cohen vergast, in Sobibor, 48 jaar oud. Ze woonde op het laatst in de Schuytstraat 51 in Den Haag, ze werkte als verkoopster. De website ‘Joods Monument’ noemt haar weduwe, wat veronderstelt dat Jan Schotel toentertijd al was overleden. Cornelia was echter geen weduwe. Haar ex-echtgenoot Jan Schotel is blijkens documentatie uit het Amsterdamse archief na de echtscheiding op 20 juni 1934 in Rotterdam opnieuw getrouwd, nu met Maria Johanna Catharina Drubbel (Amsterdam, 8.8.1889). Vanaf 3 september 1936 wonend aan de PC Hooftstraat 126 boven, is Schotel in leven gebleven tot 16 juni 1966. Hij is na de oorlog een expert in oorlogsschade geworden bij een verzekeringsmaatschappij, vervolgens een bankbeambte.
        ‘Joods Monument’ meldt op de biografische pagina over Cornelia Cohen nog iets. Namelijk: “Van een of meer mensen in dit gezin hebben wij niet kunnen vaststellen of zij de oorlog al dan niet overleefd hebben. Hun naam is niet teruggevonden op lijsten van overlevenden, maar wij hebben hen ook niet met zekerheid kunnen terugvinden in In Memoriam. Zij zijn in het monument als ‘overlevend’ aangeduid en hun naam is niet vermeld.”
        Dit betreft vermoedelijk dochter Elisabeth. Zij is overleden in Den Haag op 29 mei 1981, op 59-jarige leeftijd, volgens de website ‘Genealogieonline.nl’.

Hoekenessestraat en Frederikstraat

Na de oorlog dook zuster Cohen weer op in Dordrecht, in juni 1945. Ze ging eerst in de Hoekenessestraat wonen, op nummer 74 rood (nu 58  en dichtgemetseld), daarna in de Frederikstraat 3 (nu: 5, al bevindt zich op nummer tegenwoordig een garage). In september 1946 ging ze toch weer terug naar Renkum, misschien kon ze niet meer aarden in Dordrecht. Ze overleed, nog altijd ongetrouwd, in Oosterbeek, in september 1989, 95 jaar oud.
Foto’s Redactie Website

Susanna, de zus van zuster Cohen, overleefde de oorlog eveneens

Susanna, de zus van zuster Cohen, overleefde de oorlog eveneens. Zij trouwde eerst met Marcus van Praag, en kreeg met hem een zoon, maar het echtpaar scheidde in 1919. Daarna hertrouwde zij met Willem Hendrik Ruijchaver, met wie zij twee kinderen kreeg: Suze en Charles. Dit zijn hun geboorteberichten, in de ‘Haagsche Courant’ van 15.8.1921 en 20.10.1922.
Foto’s Delpher


Maar ook het huwelijk met Ruijchaver strandde

Maar ook het huwelijk met Ruijchaver strandde, de ‘Staatscourant’ meldde het op 16 september 1939.
Foto Delpher.

Hertrouwen
Susanna Cohen had ook een enigszins tumultueus huwelijksleven.
        Susanna trouwde op 2 februari 1906 als 20-jarige in Den Haag met de 25-jarige schoenenwinkelier Marcus van Praag (Amsterdam. 4.8.1880). Een getuige bij dat huwelijk was de 25 jaar oude Willem Hendrik Ruijchaver (Den Haag, 18.7.1880). Eén kind kwam uit de echtverbintenis voort: Eduard Paul Maximiliaan van Praag (Den Haag, 8.7.1906), een jongen die boekhouder werd, de oorlog zou overleven en overleed in Enschede, 74 jaar oud, op 28 februari 1981.
        Op 6 november 1919 na dertien jaar huwelijk, scheidde Susanna van de joodse Marcus. Bijna een jaar later, op 3 september 1920, hertrouwde zij, met die getuige, de Remonstrantse Willem Ruijchaver, werkzaam bij de Eerste Nederlandsche Levensverzekeringsmaatschappij. Dit huwelijk leidde tot twee kinderen: Suze Charlotte (Den Haag, 14.8.1921) en Charles Ferdinand (Den Haag, 18.10.1922). In 1939 was ook deze relatie voorbij. In de Nederlandsche Staatscourant van 16 september wordt het vonnis gepubliceerd van de Zutphense rechtbank: scheiding van tafel en bed. De ex-echtelieden woonden beiden in Apeldoorn.
        Als “Susanna Ruijchaver-Cohen” staat Susanna niettemin op de website van de Oorlogsgravenstichting, als “slachtoffer van de oorlog”. Een misleidende term, want Susanna Cohen heeft de oorlog overleefd, volgens onderzoekster Aline Pennewaard omdat ze “gemengd gehuwd” is geweest. Susanna is op 31 maart 1944 in kamp Westerbork weliswaar binnengebracht, maar is daar op 9 april 1944 weer ontslagen.
        Haar voormalige echtgenoot Willem Hendrik Ruijchaver is in Apeldoorn overleden, op 10 juli 1945. Enkele jaren na de oorlog keerde Susanna terug naar Den Haag, haar geboortestad. Haar eerste adres daar, vanaf 1 maart 1950, was: Elandstraat 5. Daarna is ze zeven keer van woning veranderd, het laatste adres was vanaf 28.2.1978: Zwedenburg 99. Ze is op 27 september 1979 overleden, op 94-jarige leeftijd.
        Zeven jaar later stierf haar zus Elisabeth, de zuster Cohen, ook al als een eerbiedwaardige negentiger. Met haar was de oorspronkelijke Haagse familie Cohen nu uitgestorven. Maar Lijnie Kleinjan en haar broers kunnen gerustgesteld zijn: zuster Cohen is in leven gebleven. Uitzonderlijk lang zelfs.

De andere zus van zuster Cohen, Cornelia Evalina, trouwde met Jan Schotel

De andere zus van zuster Cohen, Cornelia Evalina, trouwde met Jan Schotel, en baarde één kind: Elisabeth, in augustus 1921. Dit is de Haagse archiefkaart van dit gezin. Cornelia scheidde van Jan in 1926 en is in de oorlog vermoord in Sobibor. Haar ex-man en haar dochter overleefden de oorlog, hij stierf in 1966, Elisabeth in 1981.

 


< Terug naar index 'Verhalen over het voorbije joodse leven in Dordrecht'