NIEUWS

Wie waren de onderduikgevers
van twee Dordts-joodse zusjes?

Gerard van Heel en Marie Gertrude Gelderman

Gerard van Heel en zijn vrouw Marie Gertrude (‘Molly’) Gelderman:
in 1968 onderscheiden door Yad Vashem als Rechtvaardige onder de Volkeren.
Foto Website ‘Eindhoven 4044’

Wie vormde het Eindhovense verzetsechtpaar dat de twee kleine Dordts-joodse zusjes Judith en Elise Kann bij zich liet onderduiken? En dat niet alleen: ook andere joden vonden in die woning aan de Leeuweriklaan tijdelijk een toevluchtsoord, en los van hen ook nog een Nederlandse generaal en twee –verbindingsofficieren. Wie waren deze onverschrokken verzetsleden?
        Hun namen zijn op deze Stolpersteine-website al eens genoemd, in een tussenzin, in een verhaal over de USHMM-lijsten. Het zijn ir. Gerard Louis (‘Gerry’) van Heel en zijn vrouw Marie Gertrude (‘Molly’) Gelderman. Maar wie waren zij verder? Wat gebeurde er rondom hen? Dat wordt in dit artikel uitgediept.
        Gerard en Marie − overleden in respectievelijk 1997 (Waalre, 9 maart; 90 jaar) en 1993 (Waalre, 23 juni, 84) − zijn op 13 februari 1968 door Yad Vashem, de officiële Israëlische staatsinstelling, erkend als Rechtvaardige onder de Volkeren, een eretitel die aan niet-joden wordt gegeven. Elise Kann zelf heeft in 2010 een collectie van voorwerpen en documenten, herinnerend aan Gerard en Marie, in Washington overhandigd aan het United States Holocaust Memorial Museum. In 2017 voegde zij er nog wat items aan toe. Het zijn er in totaal 107 geworden, die via de website van het USHMM op te roepen zijn.
        Een portret van een bevlogen echtpaar.

Overlevenden
Judith en Elise waren 8 en 11 jaar oud toen zij in 1942 verborgen werden bij Gerard en Marie. Dat zij uitgerekend daar terecht konden, was niet zo vreemd: Dora Julietta Kann-Spanjaard (Borne, 8.6.1906), de moeder van de twee zusjes, was al sinds de schooltijd bevriend met Marie. Op Wikipedia, maar ook op de websites Eindhoven4044 en Humanitarisme.nl, wordt vrijwel gelijkluidend uitgelegd wat er vervolgens in 1942 gebeurde.
        Het was Marie (Oldenzaal, 7.9.1908), die Dora voorstelde om de twee meisjes te laten onderduiken bij haar en haar man Gerard (Jatinegara, Indonesië, 15.7.1906). In november dat jaar kwam het er ook van. Judith en Elise zouden er blijven tot de bevrijding van de stad in 1944. Zij gingen in Eindhoven door het leven als kennissen uit Rotterdam − hun familie was omgekomen tijdens het verwoestende bombardement van 14 mei 1940. Zij waren de enige overlevenden.
        De meisjes noemden Gerard en Molly ‘oom’ en ‘tante’ en ze gingen naar een normale christelijke basisschool.

Vier kinderen
Elise en Judith zijn twee van de vier kinderen die Jacob Hendrik (‘Jaap’) Kann (Den Haag, 22.8.1900) kreeg met Dora. De derde was Cobus, de vierde Otto. Elise, ook Liesje genoemd, is geboren op 23 december 1930, Judith op 28 juli 1934, Jacobus Isaac Hendrik (‘Cobus’) op 7 maart 1936 en Otto op 6 november 1929 − allen te Dordrecht. Het gezin woonde op het adres Hallincqlaan 32. Vader Jaap, werktuigbouwkundige van beroep, werkte in Dordrecht als bedrijfsleider bij de elektromotorenfabriek EMF aan de Korte Parallelweg.
        Terwijl Judith en Elise werden ondergebracht in Eindhoven, kon Cobus eerst terecht bij overburen, later in Badhoevedorp bij het gezin van ingenieur Elenoord Aduard van Andel en de kunstenares Hildegard Brückmann. Otto, al met zijn vader op transport naar Kamp Westerbork, ontsnapte door met zijn vader uit de rijdende trein te springen. Zijn vader leidde vervolgens de aandacht van de achtervolgende Duitsers af.
        Jaap Kann is op 25 januari 1944 naar Auschwitz gedeporteerd, waar hij op 28 januari werd vergast. Zijn echtgenote Dora, die leed aan tuberculose, stierf op haar onderduikadres in Huizen, op 4 juni 1944, kort voor haar 38ste verjaardag, zie de verhaal 5, verhaal 8 en verhaal 266.

Gerard en Marie gingen begin maart 1932 in ondertrouw in Oldenzaal

Gerard en Marie gingen begin maart 1932 in ondertrouw in Oldenzaal, de geboortestad van Marie, aldus de ‘Twentsche Courant’ van de 5de. Op 30 maart trouwden zij daar.
Foto Website ‘Delpher’

Philips
Gerard en Marie van Heel waren op 30 maart 1932 getrouwd in Oldenzaal, de geboortestad van Marie. Hij was destijds 25, zij 23. Zij gingen wonen in een grote Philips-woning in het Eindhovense Villapark, op nummer 3 van de Leeuweriklaan. Gerard werkte bij de NV Philips Gloeilampenfabriek, op de commerciële afdeling Philora, aldus de website ‘Eindhoven4044’. Deze speciale fabriek “produceerde natrium-gasontladingslampen, die met hun geel-oranje licht vooral werden gebruikt voor [de] verlichting van straten, havens en rangeerterreinen.”
        Het echtpaar Van Heel-Gelderman was “zeer actief” betrokken bij ondergrondse en verzetsactiviteiten, zo ook Marie’s broer Joan Gelderman. Uit verslagen van de Ordedienst (O.D.) “blijkt dat het echtpaar de meest riskante onderduikers onderdak gaf, zoals generaal Jans. Hij was reserve-generaal-majoor van het Wapen der Infanterie en de commandant van de Ordedienst in Limburg”, aldus de website.
        “In maart 1942 moest hij onderduiken omdat de Duitse Sicherheitsdienst naar hem op zoek was. Hij verbleef een maand bij Van Heel in Eindhoven. Ook belangrijke verbindingsofficieren [betrokken] bij de opzet van de Ordedienst, de Lt. der Infanterie Pieter Cornelis Vroom en Chris Navis (schuilnamen: Spronzen, Sandberg), verbleven een tijd bij het echtpaar ondergedoken.”

Leeuweriklaan 3 in het Eindhovense villapark

Het pand Leeuweriklaan 3 in het Eindhovense villapark,
waar niet alleen Judith en Elise Kann konden onderduiken,
maar ook meerdere andere joden.
Foto Google Streetview

Executie
Hoe liep het af? Judith en Elise werden na de oorlog opgehaald door hun grootmoeder, die als onderduikster eveneens de Holocaust had overleefd en in Hengelo woonde. Zij heet Juliëtte Spanjaard-Polak (Rotterdam, 4.2.1880 – Wassenaar, 27.11.1971: 91). Ook de twee andere kinderen Kann bleken nog in leven, en ook zij werden geadopteerd door grootmoeder Juliëtte.
        Elise is daarna verhuisd naar Borne, Overijssel. Nadat ze de middelbare school had voltooid, ging ze naar de hotelschool en daar ontmoette zij haar toekomstige echtgenoot, Jacques Corneille Louis Jaeger (Semarang, 30.8.1928). Zij trouwden in 1954 en emigreerden kort daarna naar Lindenhorst, New York, samen met Jacob, hun zoon van drie maanden. Terwijl ze zich settelden in Massapequa, New York, kwamen er nog vier kinderen. Jacques is overleden in Danbury, VS, op 6 april 2020. Hij is 91 geworden.
        Judith emigreerde naar Israël in 1960 en trouwde daar met Habib Bar-Kochba. Zij kregen vijf kinderen: Jecheskel, Jacob, Dorit, Gideon en Yair Jerry Nissim. Inmiddels zijn er meerdere kleinkinderen. Judith, ook Yehudit genaamd, heeft in 2011 een collectie foto’s geschonken aan het United States Holocaust Memorial Museum. Sommige foto’s zijn gemaakt terwijl de kinderen Kann ondergedoken zaten. Judith en Habib wonen in een moshav, een coöperatieve landbouwinstelling, vlakbij Jeruzalem.
        Otto Kann was erbij toen in april 2014 bij zijn geboortehuis aan de Hallincqlaan in Dordrecht twee Stolpersteine werden gelegd, voor zijn vader en moeder. Hij is op 15 april 2017 in Wassenaar overleden, op 87-jarige leeftijd. Hij woonde er in een flat in een villawijk. Over zijn broer Cobus, die in Den Haag is gaan wonen, zijn geen nadere gegevens gevonden.